Bijlagen bij toelichting
Tekst van het document
Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het deelgebied A en deelgebied B zijn in het verleden beide in gebruik geweest als akkerland en grasland. Binnen deelgebied A staat een woonhuis dat is gebouwd in 1989. De fundering van het woonhuis ligt op een diepte van 80 centimeter onder het maaiveld. De kelder van het woonhuis ligt 2,55 meter onder het maaiveld. Ter plaatse van de kelder zullen alle archeologische resten zijn verdwenen. In de overige delen kunnen door ploegen en bouwactiviteiten eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, ook verloren zijn gegaan. 2.9
Conclusie bureauonderzoek
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. 32 33
Louwe Kooijmans et al. 2005. Louwe Kooijmans et al. 2005.
Rapport 15232.002 versie 1
Pagina 14 van 21
Voor beide deelgebieden geldt een lage verwachting voor de jagers en verzamelaars tijdens het LaatPaleolithicum en Mesolithicum vanwege de te grote afstand tot water. Voor het Vroege- en MiddenNeolithicum geldt een middelhoge verwachting. Tussen 2750-1500 voor Chr. (Laat-Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen) zijn beide deelgebieden begroeid geraakt met veen. Dit was geen geschikte bewoningslocatie. De eventuele archeologische resten zijn door de ontginning vanaf 1500 na Chr. verdwenen. Er geldt een lage verwachting voor de landbouwers tijdens het Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen. Op de historische kaarten is te zien dat beide deelgebieden in agrarisch gebruik zijn waardoor er een lage verwachting geldt voor het aantreffen van bewoningsresten in de Nieuwe tijd, behalve voor het zuidelijke deel van deelgebied A. Hier heeft tot 1868 een gebouw met erf gestaan waar mogelijk nog resten van aanwezig kunnen zijn. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel.
Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatieen/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24-05-2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24-05-2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 24 februari 2021 door mevrouw P. Beurskens MA (KNA-archeoloog/KNA Prospector) een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Dit PvA is gecontroleerd door de heer drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector/fysisch geograaf). Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige verhardingen, kabels en leidingen en gebouwen. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. De boringen zijn verspringend ten opzichte van elkaar gezet, waardoor een systeem bestaande uit gelijkbenige driehoeken ontstaat. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) 6 boringen tot maximaal 160 centimeter onder het maaiveld gezet (Figuur 12). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven.34 De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-
34
Bosch 2005.
Rapport 15232.002 versie 1
Pagina 15 van 21