Bijlagen bij toelichting
Tekst van het document
BESTEMMINGPSLAN Broekstraat 2a / Elst 9 Geffen - 2022 Bijlagen bij toelichting
Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |
Indexpagina bijlagen bij de toelichting Bestemmingsplan Broekstraat 2a Geffen - 2022 Bijlage 1
- Stikstofonderzoek
Bijlage 2
- Quickscan Wet natuurbescherming
Bijlage 3
- Aanvullend ecologisch onderzoek
Bijlage 4
- Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek
Bijlage 5
- Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 6
- Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai
Bijlage 7
- Formulier omgevingsdialoog
Bijlage 8
- Nota van vooroverleg
Bijlage 1
- Stikstofonderzoek
- MEMO DATUM 28‐03‐2022 KENMERK 20210149 VAN B.J. Versteeg
PROJECT Broekstraat 2A Geffen OPDRACHTGEVER Dhr. J. van Wanrooij
STIKSTOF
1. INLEIDING Ter vervanging van de bestaande woning aan Broekstraat 2a te Geffen zal een nieuwe woning worden gerealiseerd. Daarnaast zal het duivenverblijf dat zich nu nog elders in het dorp bevindt verplaatst worden naar het landschappelijk deel van het plangebied. Deze ontwikkelingen en daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie zouden kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000‐gebieden in de omgeving. In deze memo zijn de uitgangspunten, resultaten en conclusies van de stikstofberekening beschreven. Figuur 1 laat de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000‐netwerk zien.
Figuur 1 Ligging plangebied t.o.v. omliggende Natura 2000‐gebieden
Het meest nabijgelegen gebied met verzuringsgevoelige habitats betreft het Natura 2000‐gebied “Rijntakken”. De minimale afstand van dit Natura 2000‐gebied tot het plangebied bedraagt circa 9,5 kilometer. Met het rekenmodel Aerius is een berekening uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen, daarbij is alleen ingegaan als de gebruiksfase. In deze notitie wordt achtereenvolgens ingegaan op de gehan‐teerde uitgangspunten, de resultaten en de conclusie. De invoer‐ en uitvoergegevens vanuit Aerius zijn opgenomen in de bijlage van deze notitie.
2. TOETSINGSKADER Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming: ‐ Verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermingszones (SBZ's) op grond van de Europese Vogel‐ en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving. ‐ Vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen. ‐ Legt de rol van bevoegd gezag voor verlening van vergunningen meestal bij de provincies. Voor Natura 2000‐gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen. ‐ De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen. ‐ Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzon‐ derlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast.
‐ Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft. Bij de beoordeling van de gevolgen van plannen, projecten en handelingen voor de instandhoudingsdoelstellingen spelen onder andere de ecologische effecten van verzuring en vermesting door een eventuele toename van stikstofdepositie een rol. Uit jurisprudentie volgt dat in een overbelaste situatie al bij een kleine toename van stikstofdepositie sprake kan zijn van significante negatieve effecten. In dat geval is een passende beoordeling noodzakelijk. Spoedwet aanpak stikstof Begin 2020 is de spoedwet aanpak stikstof in werking getreden. Deze spoedwet biedt mogelijkheden voor het invoeren van een drempelwaarde voor bepaalde categorieën projecten. Ook wordt de mogelijkheid geboden om een stikstofregistratie‐ systeem in te stellen waarin depositieruimte wordt opgenomen die ontstaat door het treffen van bronmaatregelen. Deze ruimte kan vervolgens weer aan nieuwe activiteiten worden toebedeeld. Vanaf 24 maart 2020 kan een natuurvergunning worden aangevraagd op basis van het stikstofregistratiesysteem.
Dit geldt in eerste instantie voor de woningbouw en zeven MIRT projecten.
Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. De Wet stikstofreductie en natuurver‐ betering (Wsn) regelt een vrijstelling van de vergunningplicht in artikel 2.7 lid 2 Wnb voor de aanlegfase van bouwwerk‐ zaamheden. Deze vrijstelling geldt alleen voor de effecten als gevolg van stikstofdepositie en niet voor eventuele andere effecten als gevolg van het project op Natura‐2000 gebieden. De vrijstelling is verder uitgewerkt in het Besluit stikstofre‐ ductie en natuurverbetering (Bsn). Wat valt onder de vrijstelling: ‐ het bouwen en slopen van een bouwwerk; ‐ het aanleggen, wijzigen en opruimen van een werk (bijvoorbeeld voor duurzame energieopwekking en grond‐, weg‐ en waterbouw zoals pleinen, straten, het verplaatsen van grond in het kader van bouwrijp maken van een terrein, spoorwe‐ gen, waterstaatswerken, waterwegen, waterkeringen, energie‐infrastructuur, telecommunicatieinfrastructuur, openbare hemelwater‐ en ontwateringsstelsels en vuilwaterriolen; ‐ De vervoersbewegingen die samenhangen met de werkzaamheden (o.a. het aan‐ en afvoeren van bouwmaterialen en emissies van werktuigen op de bouwplaats) Voor het voorliggende stikstofonderzoek betekent de vrijstelling dat de effecten van stikstofemissie in de aanlegfase niet meer hoeven te worden berekend.
De aanlegfase is in het stikstofonderzoek dan ook buiten beschouwing gelaten.
3. BEREKENINGSUITGANGSPUNTEN Gevolgen ontwikkeling in de gebruiksfase De nieuwe woning is geheel gasloos, derhalve is er geen sprake van gebouwemissies. De enige stikstofemissies zijn afkomstig van het verkeer. Ter bepaling van de hoeveelheid verkeer dat door deze ontwikkeling wordt gegenereerd, wor‐ den kencijfers van het CROW (publicatie 381, 2018) gebruikt. De omvang van de verkeersgeneratie wordt onder andere bepaald door de locatie van het plangebied. In deze situatie ligt het plangebied in het buitengebied van een matig stede‐ lijke gemeente (volgens de adressendichtheid van het CBS). Ter vervanging van de bestaande woning aan Broekstraat 2a zal een nieuwe (grotere) woning worden gerealiseerd. Daarnaast zal het duivenverblijf dat zich nu nog elders in het dorp bevindt, verplaatst worden naar het landschappelijk deel van het plangebied. Een vrijstaande woning in buitengebied gene‐ reert maximaal 8,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Met de ontwikkeling wordt de bestaande woning vervangen voor een nieuwe, waarmee de verkeersgeneratie gelijk zal blijven. Het duivenverblijf zal zorgen voor een kleine verkeers‐ toename op de Broekstraat, maar zal niet van dusdanige omvang zijn dat er knelpunten ontstaan bij de afwikkeling van het verkeer. Voor het duivenverblijf is een worst‐case verkeersgeneratie opgenomen van 10 lichte motorvoertuigbewegingen per etmaal.
Hiermee komt de totale verkeersgeneratie van de ontwikkeling op 18,6 mvt/etmaal. Daarbij is er vanuit gegaan dat het verkeer opgaat in het heersend verkeersbeeld op de kruising Elst/Kerkstraat. Dit is het geval op het moment dat het aan‐ en afrijdende verkeer, conform de Instructieregels voor Aerius, zich heeft verdund tot enkele procenten van het reeds aan‐ wezige verkeer. Op grond van jurisprudentie worden de gevolgen voor het milieu van het af‐ en aanrijdend verkeer niet meer aan het in werking zijn van de inrichting toegerekend wanneer dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen.
4. RESULTATEN EN CONCLUSIE Uit berekeningen voor de gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van stikstofdeposities die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr op Natura 2000‐gebied. Voor projecten die niet leiden tot een toename van depositie is geen vergunning conform de Wet natuurbescherming nodig. De uitkomsten van de berekening dienen 5 jaar te worden bewaard, zodat bij controle kan wor‐ den aangetoond dat dit aspect is onderzocht.
Bijlage: 1. Aerius berekening gebruiksfase
Projectberekening
Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron
Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Rho adviseurs -, -Broekstraat 2a Geffen Gebruiksfase
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
RtuXtuFrbRTa 28 maart 2022, 11:48 Wnb-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar 2022
Situatie 1 - Beoogd
Resultaten
Emissie NH3 0,0 kg/j
Hoogste depositie Hexagon Situatie 1 - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) 0,00 ha Gekarteerd oppervlak met afname (ha) 0,00 ha Grootste toename van depositie 0,00 mol/ha/j Grootste afname van depositie 0,00 mol/ha/j
RtuXtuFrbRTa (28 maart 2022)
Emissie NOx 0,2 kg/j Gebied
2/6
Projectberekening
Situatie 1 (Beoogd), rekenjaar 2022 Emissiebronnen Verkeersnetwerk
RtuXtuFrbRTa (28 maart 2022)
Emissie NH3 0,0 kg/j
Emissie NOx 0,2 kg/j
3/6
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn
Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste afname van depositie Grootste toename van depositie Hoogste totale depositie De bronnen op de kaart horen bij de Beoogde situatie. RtuXtuFrbRTa (28 maart 2022)
4/6
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Situatie 1" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Totaal
RtuXtuFrbRTa (28 maart 2022)
Berekend (ha Hoogste totale Met toename Grootste gekarteerd) depositie (ha gekarteerd) toename (mol/ha/jr) (mol/ha/jr)
0,00
0,00
0,00
0,00
Met afname (ha Grootste gekarteerd) afname (mol/ha/jr)
0,00
0,00
5/6
Projectberekening
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2021.0.4_20220217_5a8b67b7c6 Database versie 2021.0.4_5a8b67b7c6 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/
RtuXtuFrbRTa (28 maart 2022)
6/6
Bijlage 2
- Quickscan Wet natuurbescherming
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING BROEKSTRAAT 2A TE GEFFEN
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Broekstraat 2a te Geffen Opdrachtgever
De heer van Wanrooij Broekstraat 2a 5386 KD Geffen
Rapportnummer Versienummer
15232.003 D2
Status
Eindrapportage
Datum
30 maart 2021
Vestiging
Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 088 - 5001600 boxmeer@econsultancy.nl
Opsteller
Mevrouw P.P.J. Vullings, BSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
Mevrouw drs. L.E.L. Gijsen
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 5
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 6
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 7 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ................................ 10 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8
6
Vogels ............................................................................................................................. 10 Vleermuizen .................................................................................................................... 12 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 15 Reptielen ......................................................................................................................... 16 Amfibieën ........................................................................................................................ 17 Vissen ............................................................................................................................. 18 Ongewervelden............................................................................................................... 18 Vaatplanten..................................................................................................................... 18
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 20 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 7 Soortenbescherming ........................................................................................................ 7 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 8 Houtopstanden ................................................................................................................. 9
Huismus .......................................................................................................................... 20 Algemene broedvogels ................................................................................................... 20 Vleermuizen .................................................................................................................... 20 Alpenwatersalamander ................................................................................................... 21 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 21 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 22
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 23 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 23 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 24
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 25
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 26
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 15232.003
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van de heer van Wanrooij opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Broekstraat 2a te Geffen. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en sloop en nieuwbouw van het woonhuis, en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
Rapport 15232.003 versie D2
Pagina 1 van 27
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 21.600 m²) ligt aan de Broekstraat 2a, circa 430 meter ten noordwesten van de kern van Geffen. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 159.824, Y = 417.354.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie is bebouwd met een woonhuis, garage en tuinhuis. De gebouwen zijn allen opgetrokken uit bakstenen en het woonhuis en de garage hebben een dakpannen dak. Het tuinhuis heeft een bitumen schuin dak. Verder is er een aangelegde tuin aanwezig met diverse bloemen, hagen, struiken en bomen. Ook drie weilanden, een boomgaard en een houtwal maken onderdeel uit van de tuin. Ten noorden van de onderzoekslocatie is een groenstrook aanwezig met daarachter een sloot. Tevens is er een bedrijfsgebouw aanwezig grenzend aan de onderzoekslocatie. Verder is de onderzoekslocatie gelegen in een agrarisch gebied met diverse begraasde weilanden, productie graslanden, akkerlanden, bosschages, agrarische bedrijven en woningen. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 12 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Rapport 15232.003 versie D2
Pagina 2 van 27
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 3. Vooraanzicht woonhuis.
Figuur 4. Achteraanzicht woonhuis.
Figuur 5. Achtertuin.
Figuur 6. Achtertuin met bijgebouwen en zwembad.
Figuur 7. Achtertuin.
Figuur 8. Achtertuin met houtwal.
Rapport 15232.003 versie D2
Pagina 3 van 27
Figuur 9. Achtertuin met schuur en boomgaard.
Figuur 10. Weiland te midden van de onderzoekslocatie.
Figuur 11. Weiland ten noorden van de onderzoeklocatie.
Figuur 12. Groenstrook naast sloot ten noorden van de onderzoekslocatie.
Rapport 15232.003 versie D2
Pagina 4 van 27
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens het bestaande woonhuis te slopen en hier een groter woonhuis voor in de plaats te zetten. Daarnaast wordt er een duivenverblijf gerealiseerd verderop in het agrarisch gebied. Ten behoeve van de nieuwbouw van het woonhuis zullen enkele bomen gekapt worden in de tuin. (zie figuur 13)
Figuur 13. Concept situatietekening inrichtingsplannen onderzoekslocatie (bron: H. Maas (RHO Adviseurs), persoonlijke communicatie, 11 februari 2021).
Rapport 15232.003 versie D2
Pagina 5 van 27
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 2 maart 2021. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Vanwege de aanwezigheid van ondergrondse ruimten en-/of zolders is er met behulp van onder andere een zaklantaarn gezocht naar de aanwezigheid van rust- voorplantingsplaatsen van vleermuizen, overige zoogdieren en vogels. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek.
Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rapport 15232.003 versie D2
Pagina 6 van 27
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 15232.003 versie D2
Pagina 7 van 27
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Rapport 15232.003 versie D2
Pagina 8 van 27
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
Rapport 15232.003 versie D2
Pagina 9 van 27
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF en SOVON zijn in de omgeving van de onderzoekslocatie waarnemingen bekend van: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, steenuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk en sperwer. Van deze soorten kan de slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. Deze soort broedt enkel op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen. Huismus en gierzwaluw De huismus en gierzwaluw zijn typische gebouwbewonende koloniebroeders. De nesten van de gierzwaluw bevinden zich over het algemeen binnen de bebouwde kom. Door de geïsoleerde ligging van de onderzoekslocatie is het niet te verwachten dat de gierzwaluw hier nestelt. De huismus daarentegen wordt zowel binnen als buiten de bebouwde kom waargenomen. Op de onderzoekslocatie zijn geschikte nestgelegenheden aangetroffen voor de huismus. Het dak van het woonhuis en de garage bieden door de overhangende en kapotte dakpannen ruimte voor huismussen om onder te broeden (zie figuur 14 en 15). De aanwezigheid van de huismus is op voorhand niet uit te sluiten en als gevolg van de voorgenomen plannen gaan mogelijke nestlocaties verloren (zie hoofdstuk 6).
Figuur 14. Overhangende en kapotte dakpannen van woonhuis geschikt als nestlocatie huismus.
Rapport 15232.003 versie D2
Figuur 15. Overhangende dakpannen met dakgoot van garage geschikt als nestlocatie huismus.
Pagina 10 van 27
Grote gele kwikstaart Volgens de NDFF zijn er waarnemingen bekend van de grote gele kwikstaart op circa 1,8 kilometer afstand van de onderzoekslocatie. Deze soort broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan de oevers van stromende beken, rivieren of heel sporadisch langs stilstaand water met het liefst loofbos of loofbomen omzoomd. Soms broedt de grote gele kwikstaart ook langs smalle beken, indien er open water met slik- of kiezelstrandjes in de omgeving aanwezig is. De vogelsoort nestelt doorgaans vlakbij stromend water in een nis in de muur of onder een brug, in boomwortels in brokkelige oevers en in speciaal ontworpen nestkasten. Ten noorden van de onderzoekslocatie is een sloot aanwezig met stilstaand water. Tevens ontbreken er geschikte broedlocaties op de onderzoekslocatie. De aanwezigheid van een nestlocatie van de grote gele kwikstaart op de onderzoekslocatie kan dan ook worden uitgesloten en negatieve effecten ten aanzien van de grote gele kwikstaart zijn niet aan de orde. Kerkuil en steenuil Volgens de NDFF zijn er waarnemingen bekend van een steenuil op circa 60 meter afstand van de onderzoekslocatie en een kerkuil op circa 1 kilometer afstand van de onderzoekslocatie. De steenuil is een vogel die broedt in natuurlijke holtes van bomen (knotwilgen of hoogstam fruitbomen) of in rustige hoekjes of nissen van gebouwen, in schuren en nestkasten.
De kerkuil is een soort die voornamelijk broedt in nestkasten en incidenteel in boomholtes. Geschikte nestgelegenheden voor de kerkuil ontbreken echter op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. De knotwilgen met holtes grenzend aan de onderzoeklocatie zijn mogelijk geschikt als broedlocatie voor de steenuil. Echter zijn er geen sporen als braakballen, krijtstrepen of veren aangetroffen die duiden op aanwezigheid van een steenuil. Echter zijn er in de directe omgeving van de onderzoekslocatie meerdere waarnemingen bekend van de steenuil ten noorden van de onderzoekslocatie. Hier ligt een bouw en ontwikkeling bedrijf met opslag en transport tussen de onderzoekslocatie en de waarnemingen van de steenuil. Het is aannemelijk dat er een nestlocatie aanwezig is welke door de afstand tot de bouwlocatie, de aanwezigheid van bedrijvigheid tussen de onderzoekslocatie en de vermoedelijke nestplaats en de aard van de ingreep, geen hinder van de ingreep op de onderzoekslocatie ondervindt. Daarnaast vormt de onderzoekslocatie vermoedelijk foerageergebied voor de kerkuil en steenuil, gezien het feit dat de onderzoekslocatie voor een klein gedeelte bestaat uit een weiland. Het weiland blijft grotendeels behouden in de toekomst. Enkel een duivenverblijf wordt op het graslandschap aan de noordzijde van de onderzoekslocatie gerealiseerd.
Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat aanwezig in de vorm van kleinschalige graslanden, weilanden, tuinen en akkers. Tevens blijft er geschikt foerageergebied behouden op de onderzoekslocatie in de toekomst. Negatieve effecten ten aanzien van zowel de kerkuil als de steenuil, als gevolg van de voorgenomen plannen, zijn dan ook uitgesloten. Ooievaar Ooievaars bouwen grote nesten op bomen, daken, kerktorens en speciaal gemaakte platforms op palen. Ze komen voornamelijk voor in open natte gebieden, graslanden en agrarische gebieden. De hoge bomen op en rondom de onderzoekslocatie konden goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Deze zijn niet aangetroffen. Verstoring ten aanzien van de ooievaar, als gevolg van de voorgenomen plannen, is dan ook uitgesloten. Ransuil, roek, boomvalk, buizerd, havik en sperwer Volgens verspreidingsgegevens worden in het gebied rondom de onderzoekslocatie waarnemingen gedaan van ransuil, roek, boomvalk, buizerd, havik, sperwer, wespendief en zwarte wouw. Deze soorten zijn voor hun nesten afhankelijk van (hoge) boomopstand. De hoge bomen op en rondom de onderzoekslocatie konden goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten.
In de bomen op de onderzoekslocatie en in de bomen binnen een straal van 75 meter zijn geen nesten aangetroffen. Er is één groot nesten aangetroffen net buiten de verstoringsafstand ten noorden van de onderzoeks-
Rapport 15232.003 versie D2
Pagina 11 van 27
locatie (zie figuur 16). Vermoedelijk betreft het een nest van een jaarrond beschermde soort. Tevens zijn er tijdens het veldbezoek sporen waargenomen in de vorm van geplukte veren nabij de onderzoekslocatie in de omgeving van het aangetroffen nest en in de houtwal in de achtertuin van het woonhuis (zie figuur 17 en 18). Het is echter niet te verwachten dat de voorgenomen plannen leiden tot verstoring van het nest, vanwege de afstand tot de bouwlocatie en de aard van de ingreep. De onderzoekslocatie wordt mogelijk gebruikt als foerageergebied door roofvogels, ransuil en roek. Het is daarentegen ook niet te verwachten dat de voorgenomen plannen leiden tot verstoring van essentieel foerageergebied. In de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat aanwezig in de vorm van akkerlanden, weilanden, bomenkwekerijen en bosschages.
Figuur 16. Groot nest ten noorden van de onderzoekslocatie.
5.1.2
Figuur 17. Sporen van veren in houtwal.
Figuur 18. Sporen van veren in groenstrook langs sloot.
Overige broedvogels
De bebouwing en beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals zwarte roodstaart, winterkoning, merel en houtduif. In de houtwal en achtertuin van het woonhuis zijn diverse nesten in struiken en bomen aangetroffen van algemene broedvogelsoorten. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. In de bomen op en in de directe omgeving van de onderzoeklocatie zijn meerdere nesten van eksters aangetroffen. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en het cursusdictaat “Vleermuizen en Planologie” (Limpens en Regelink, 2017) is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis, meervleermuis, franjestraat, baardvleermuis en Brandt’s vleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De bebouwing op de onderzoekslocatie is geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen in de vorm van stootvoegen die toegang verlenen tot de spouwmuren. Daarnaast zijn er geschikte spleten aanwezig onder de dakrand waar
Rapport 15232.003 versie D2
Pagina 12 van 27
vleermuizen gebruik van kunnen maken en overhangende dakpannen welke toegang geven tot ruimte onder de dakpannen. Verder zijn er op verscheidene plekken ruimtes achter betimmeringen en in rolluikkasten waargenomen waar vleermuizen gebruik van kunnen maken (zie figuur 19 t/m 22). Het gehele complex is daardoor geschikt als verblijfplaats voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf, kraamverblijf, paarverblijf en milde winterverblijfplaats. Bij de sloop van de bebouwing kan daarom sprake zijn van verstoring en vernietiging ten aanzien van een vaste rust- of voortplantingsplaats van desbetreffende soorten (zie hoofdstuk 6).
Figuur 19. Open stootvoegen in schoorsteen geschikt voor vleermuizen.
Figuur 20. Geschikte spleten onder de dakrand voor vleermuizen.
Figuur 21. Ruimte onder overhangende dakpannen en achter betimmeringen geschikt voor vleermuizen.
Figuur 22. Ruimte in rolluikkasten geschikt voor vleermuizen.
De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Er is een boom waargenomen met een holte en een boom met loshangend schors in de houtwal op de onderzoekslocatie welke kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor vleermuizen (zie figuur 23 en 24). Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn niet uit te sluiten (zie hoofdstuk 6).
Rapport 15232.003 versie D2
Pagina 13 van 27
Figuur 23. Boom met holte in houtwal achtertuin.
Figuur 24. Boom met loshangend schors in houtwal achtertuin.
Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Naast de onderzoekslocatie bevindt zich een bedrijfsgebouw en duivenverblijf (zie figuur 25 en 26). Eventuele verblijfplaatsen hierin ondervinden door de afstand tot de bouwlocatie en de aard van de ingreep, geen hinder van de ingreep op de onderzoekslocatie mits er rekening wordt gehouden met verstorende verlichting richting de potentiële verblijfplaatsen tijdens de bouwfase en eindfase (zie hoofdstuk 6).
Figuur 25. Open stootvoegen in gevel bedrijfsgebouw ten noorden van het woonhuis geschikt voor vleermuizen.
Figuur 26. Ruimte onder overhangende dakpannen in duivenverblijf geschikt voor vleermuizen.
Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en mogelijk ruige dwergvleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft weilanden, bomenrijen, tuinen, bosschages en graslanden. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden geen vliegroutes verstoord, vooropgesteld dat de bomen in de omgeving die als potentiële vliegroute kunnen fungeren, gehandhaafd blijven bij de herbestemming van de onderzoekslocatie (zie hoofdstuk 6).
Rapport 15232.003 versie D2
Pagina 14 van 27
5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. 5.3.1
Streng beschermde soorten
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et. al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, das, damhert, eekhoorn, steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel. Bever Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er waarnemingen bekend van de bever op circa 3,1 kilometer afstand van de onderzoekslocatie. De bever leeft in het overgangsgebied van zoete wateren en land: langs beken, rivieren, meren en kanalen. De aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever is een vereiste. De sloot ten noorden van de onderzoekslocatie is beperkt geschikt voor de bever. Tijdens het veldbezoek zijn er geen sporen, zoals knaagsporen en pootafdrukken, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- en verblijfplaats door deze soort. Verstoring ten opzichte van de bever is dan ook niet aan de orde. Das Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er waarnemingen bekend van de das op meer dan 2,4 kilometer afstand van de onderzoekslocatie. De das komt voor in kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende beschutting, houtwallen en heggen, die kunnen dienen als beschutting en geleiding. Vaak zijn dit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden op korte afstand van elkaar.
De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen holen, loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabij gelegen natuurgebieden en de aansluitende weilanden. De onderzoekslocatie bevat in potentie geschikt foerageerhabitat voor de das. In de omgeving is echter voldoende geschikt foerageergebied aanwezig. Bovendien zal het geschikte foerageergebied voor de das binnen de onderzoekslocatie enkel gedeeltelijk en tijdelijk ongeschikt zijn voor de das, waarna het weer beschikbaar komt. Negatieve effecten ten aanzien van de das zijn niet aan de orde. Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt matig geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn kan worden uitgesloten.
Steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er waarnemingen bekend van de steenmarter op circa 2 kilometer afstand, bunzing op circa 2,7 kilometer afstand en wezel op circa 2,8 kilometer afstand van de onderzoekslocatie. Ondanks dat de hermelijn niet in de omgeving is waargenomen, is het mogelijk dat ook deze soort voorkomt in de omgeving. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, oude holen van onder andere konijnen en takkenrillen als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Kleine marterachtigen als bunzing, hermelijn en wezel maken gebruik van oude holen van onder andere mollen en muizen, maar ook houtwallen, steenhopen en ruimtes onder boomwortels. De onderzoeks-
Rapport 15232.003 versie D2
Pagina 15 van 27
locatie vormt geschikt habitat voor zowel de steenmarter als bunzing, hermelijn en wezel. Tijdens het veldonderzoek zijn diverse holen aangetroffen in de groenstrook naast de sloot grenzend aan de noordzijde van de onderzoekslocatie die kunnen dienen als potentiële verblijfplaatsen voor bovengenoemde marterachtigen (zie figuur 27 t/m 32). Tevens is er voldoende beschutting op de onderzoekslocatie, waardoor de kleine marterachtigen zich makkelijk kunnen verplaatsen. Het is echter niet te verwachten dat de voorgenomen plannen leiden tot verstoring van de potentiële verblijfplaatsen van kleine marterachtigen, vanwege de afstand tot de bouwlocatie en de aard van de ingreep. Daarnaast blijven de landschapselementen behouden op de onderzoekslocatie en worden ze zelfs versterkt door de aanplant van nieuwe bomen(rijen), waardoor er in de toekomst mogelijk meer schuilmogelijkheden en migratieroutes ontstaan voor de kleine marterachtigen op de onderzoekslocatie. Negatieve effecten ten aanzien van kleine marterachtigen zijn niet aan de orde.
Figuur 27. Hol in groenstrook naast sloot.
Figuur 28. Hol in groenstrook naast sloot.
Figuur 29. Hol in groenstrook naast sloot.
Figuur 30. Hol in groenstrook naast sloot.
Figuur 31. Hol in groenstrook naast sloot.
Figuur 32. Hol in groenstrook naast sloot.
Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren zoals het damhert waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. 5.3.2
Licht beschermde soorten
De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als haas, konijn, egel en diverse muizensoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van dergelijke soorten worden vergraven (zie hoofdstuk 6). 5.4
Reptielen
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en RAVON (van Delft et. al. 2015) is binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptielensoort waargenomen: levendbarende hagedis.
Rapport 15232.003 versie D2
Pagina 16 van 27
Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. De levendbarende hagedis leeft in redelijk dicht begroeide gebieden, zoals (vochtige) heide, veen, schraal grasland, open plekken in bossen en rijk begroeide bosranden, maar kan ook in wegbermen, dijktaluds, hagen en houtwallen voorkomen. Daarnaast heeft de soort een duidelijke voorkeur voor vochtige terreinen, met name structuurrijke overgangen van vochtige naar droge terreindelen. Dergelijk habitat is op de onderzoekslocatie niet aanwezig. De waarnemingen van de streng beschermde levendbarende hagedis hebben naar verwachting betrekking op de nabij gelegen natuurgebieden Waterwingebied Nuland, De Geffense Plas, Herperduin en De Maashorst. 5.5
Amfibieën
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en RAVON (van Delft et. al. 2015) zijn binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie de volgende soorten waargenomen: alpenwatersalamander, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vinpootsalamander, bastaardkikker, gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander. Alpenwatersalamander en kamsalamander De alpenwatersalamander en kamsalamander zijn streng beschermde soorten. De alpenwatersalamander en kamsalamander zijn soorten met een voorkeur voor zandige leemgronden, waar ze voorkomen in beboste gebieden (loofbos) of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen. In het voorjaar komen de soorten in allerlei typen water voor, zolang het niet snel stromend, rijk aan vis of rijk beschaduwd is. In de winter overwinteren deze soorten op het land. De alpenwatersalamander en de kamsalamander zijn beide volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF op circa 2,8 kilometer afstand van de onderzoekslocatie waargenomen. Op de onderzoekslocatie is geen wateroppervlak aanwezig en het vormt minimaal geschikt landhabitat voor streng beschermde amfibieënsoorten. De sloot ten noorden van de onderzoekslocatie vormt mogelijk geschikt voortplantingshabitat voor de alpenwatersalamander. Kamsalamanders zijn meer kritisch wat betreft habitat en komen zelden voor in akkerbouwgebieden.
De waarnemingen van de streng beschermde kamsalamander hebben naar verwachting betrekking op de nabij gelegen natuurgebieden Waterwingebied Nuland, De Geffense Plas, Herperduin en De Maashorst. Het kan echter niet geheel uitgesloten worden dat incidenteel een zwervend individu van de alpenwatersalamander op de locatie kan worden aangetroffen (zie hoofdstuk 6). Poelkikker De poelkikker is volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF op circa 2,8 kilometer afstand van de onderzoekslocatie waargenomen. De poelkikker is een zon- en warmte minnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren met een goed begroeide oever. De poelkikker heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. Hij komt vooral tot voortplanting in vennen en hoogveenputten en daarnaast in andere kleine wateren, rivierbegeleidende wateren, veedrinkpoelen en sloten (RAVON, 2016). De sloot ten noorden van de onderzoekslocatie vormt minimaal geschikt voortplantingshabitat voor de poelkikker. Het is een kritische soort, die houdt van voedselarm en schoon water. Echter was er veel draadalg aanwezig in de sloot en is het water voedselrijk gezien de ligging in een akkerbouwgebied. Tevens is er weinig geschikt landhabitat aanwezig voor de poelkikker. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de poelkikker is niet aan de orde.
De waarnemingen van de streng beschermde poelkikker hebben naar verwachting betrekking op de nabij gelegen natuurgebieden Waterwingebied Nuland, De Geffense Plas, Herperduin en De Maashorst.
Rapport 15232.003 versie D2
Pagina 17 van 27
Overige streng beschermde soorten Overige streng beschermde amfibieënsoorten als knoflookpad, rugstreeppad en vinpootsalamander zijn op basis van het ontbreken van geschikt habitat en doordat desbetreffende soorten voornamelijk gebonden zijn aan natuurgebieden in de omgeving uit te sluiten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt weinig geschikt landhabitat voor amfibieën. Incidenteel kunnen algemene soorten als bruine kikker en gewone pad beschutting vinden tussen de beplanting in de tuin en afgevallen bladeren. De sloot die grenst aan de onderzoekslocatie kan voortplantingsmogelijkheden bieden aan beide soorten. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming (zie hoofdstuk 6). 5.6
Vissen
Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.7
Ongewervelden
Libellen Volgens gegevens van de NDFF zijn de beekrombout, rivierrombout en gevlekte witsnuitlibel in de omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Vlinders Volgens gegevens van de NDFF is de grote vos in de omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor de beschermde grote vos zijn de iep, zoete kers en sommige wilgensoorten. Deze waardplanten zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten.
Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.8
Vaatplanten
Aangezien de locatie geheel bestaat uit bebouwing, verharding, tuin, erf en begraasd weiland is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te
Rapport 15232.003 versie D2
Pagina 18 van 27
verwachten. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde planten waargenomen. Hierbij is tevens gelet op de aanwezigheid van (beschermde) muurvegetatie.
Rapport 15232.003 versie D2
Pagina 19 van 27
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1
Huismus
De nesten van huismussen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van huismussen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Indien er op de onderzoekslocatie nestplaatsen van huismussen aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen van de huismus op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van de soort. 6.2
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien het groen toch binnen het broedseizoen gekapt dient te worden, zullen er maatregelen moeten worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.3