CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij Toelichting b_NL.IMRO.0828.BPosseweg38abgh-VG02

Gemeenteraad 22 januari 2026, gemeente OssBij agendapunt: A Herstelbesluit bestemmingsplan Osseweg 38a Berghem17.933 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Overige beschermde soorten Dit aanvullende beschermingsregime vloeit niet voort uit Europese wet- of regelgeving en beschermt alleen de in het wild levende diersoorten die worden genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wnb. Voorbeelden zijn de hermelijn en de wezel (‘A-soorten’). Daarnaast worden vaatplanten beschermd van de soorten die worden genoemd in onderdeel B in de bijlage bij de Wnb, zoals de akkerboterbloem en de muurbloem (‘B-soorten’). Uit de wetsgeschiedenis is gebleken dat het nodig is om deze soorten bij wet aan te wijzen, omdat zij niet voldoende worden beschermd door enkel de zorgplicht. Het gaat daarbij in het bijzonder om soorten die in Nederland in hun voortbestaan worden bedreigd. Op de bijlagen zijn dan ook bijvoorbeeld de Rode Lijst-soorten aangewezen.

Verboden handelingen Pagina | 21

AM20052

Het is verboden op grond van artikel 3.10 lid 1 Wnb: (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en (c) B-soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb). Voor deze overige soorten gelden dus minder verboden dan voor de strikt beschermde soorten. Zo is bijvoorbeeld het (opzettelijk) verstoren van soorten niet verboden.

Ruimere afwijkingsmogelijkheden Voor de overige soorten gelden bovendien ruimere afwijkingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten. Artikel 3.8 Wnb (dat de afwijkingsmogelijkheden voor Habitatsoorten bepaalt) is grotendeels van overeenkomstige toepassing op de overige soorten. Dit betekent dat een ontheffing of vrijstelling slechts wordt verleend indien:

•

er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets)

•

er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan

•

de ontheffing of vrijstelling nodig is: -

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

-

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

-

in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

-

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of

-

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Pagina | 22

AM20052

Anders dan voor Habitatsoorten, kan voor de overige soorten ook ontheffing of vrijstelling worden verleend als dit noodzakelijk is (artikel 3.8 lid 2): -

in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

-

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;

-

ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;

-

ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;

-

in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

-

in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

-

in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of;

-

ten behoeve van het algemeen belang.

Overzicht verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Ministerie van Economische Zaken, 2016) Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wn

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wn

Beschermingsregime andere soorten § 3.3 Wn

Art 3.1 lid 1

Art. 3.5 lid 1

Art. 3.10 lid 1a

Het is verboden in het wild levende

Het is verboden soorten in hun natuurlijke

Het is verboden soorten opzettelijk te

vogels opzettelijk te doden of te vangen

verspreidingsgebied opzettelijk te doden of

doden of te vangen

te vangen Art 3.1 lid 2

Art.3.5 lid 4

Art. 3.10 lid 1b

Het is verboden opzettelijk nesten,

Het is verboden de voortplantingsplaatsen

Het is verboden de vaste

rustplaatsen en eieren van vogels te

of rustplaatsen van dieren te beschadigen

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van

vernielen of te beschadigen, of nesten van

of te vernielen

dieren opzettelijk te beschadigen of te

vogels weg te nemen

vernielen.

Art. 3.1 lid 3

Art. 3.5 lid 3

Het is verboden eieren te rapen en deze

Het is verboden eieren van dieren in de

onder zich te hebben

natuur opzettelijk te vernielen of te rapen

Art. 3.1 lid 4 en lid 5

Art 3.5 lid 2

Het is verboden vogels opzettelijk te

Het is verboden dieren opzettelijk te

storen, tenzij de storing niet van

verstoren

Niet van toepassing

Niet van toepassing

wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort

Pagina | 23

AM20052

Bijlage 3

- Nader onderzoek vleermuizen

Resultaten nader onderzoek vleermuizen Osseweg 38a Berghem Datum Opgesteld door Kwaliteitscontrole Versie Projectnummer

: 14-8-2024 : J. van Hout : I.J.J. Vleut :1 : P2023-0189

Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing aan de Osseweg 38A te Berghem te slopen en nieuwbouw te realiseren, zie figuur 1. Uit de quickscan flora en fauna (Aeres Milieu AM21549) is gebleken dat verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten in de te slopen gebouwen niet kan worden uitgesloten en dat nader onderzoek noodzakelijk is. Indien verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, kunnen de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten tot gevolg hebben. Indien uit nader onderzoek blijkt dat voornoemde functies aanwezig zijn, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een vergunning te worden verkregen om de verbodsbepalingen van de Omgevingswet te overtreden. In deze rapportage worden de methode en de bevindingen van het nader onderzoek nader omschreven. Ook worden eventuele verder te ondernemen stappen beschreven.

Figuur 1. Globale begrenzing van het plangebied (geel omlijnd)

1

Methoden Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd conform het vleermuisprotocol van 2021. Het onderzoek naar vleermuizen richt zich op het vaststellen van de functies van het gebied voor vleermuissoorten. De volgende functies voor vleermuizen zijn mogelijk aanwezig binnen het plangebied en de directe omgeving, en zijn onderzocht: Zomerverblijfplaats Kraamverblijfplaats Paarverblijfplaats en zwermgedrag dat een winterverblijfplaats kan indiceren

• • •

Gezien de verspreiding van de vleermuissoorten in Nederland en de beschikbare functies voor vleermuizen binnen het plangebied, zijn de volgende vleermuissoorten binnen en in de omgeving van het plangebied te verwachten: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Op basis van de functies van het gebied voor vleermuizen en de te verwachten soorten binnen het plangebied is de inspanning en tijdsperiode van het onderzoek vastgesteld. Tabel 1 geeft een overzicht van de bezoekdata, de onderzoeker(s), de onderzochte functie en het moment op de dag en de weersomstandigheden. Tabel 1. Uitgevoerde onderzoeksrondes. PV = paarverblijfplaats en zwermgedrag, KV = kraamverblijfplaats, ZV = zomerverblijfplaats; ECM = zonsopkomst, BCAS = zonsondergang Ronde Functie

Datum

Starttijd Eindtijd BCAS/ECMS Onderzoeker

Bewolking

Temp (°C)

1

PV

21-8-2023

22:00

00:00

06:32 / 20:52

2

Helder

18

Neerslag Wind (Bft) Geen

1

2 3

PV KV/ZV

11-9-2023 23-5-2024

22:00 21:35

00:00 0:10

07:07 / 20:05 05:34 / 21:39

2 5

Helder Licht bewolkt

19 16

Geen Geen

1 0

4

KV/ZV

28-5-2024

2:30

5:30

05:28 / 21:45

2

Helder

12

Geen

1

5

KV/ZV

19-6-2024

21:55

0:35

05:19 / 22:03

5

Helder

16

Geen

2

Het onderzoek is in 2023 en 2024 uitgevoerd. In 2023 zijn twee onderzoeksrondes uitgevoerd in het najaar naar paarverblijfplaatsen en zwermgedrag dat een winterverblijfplaats kan indiceren. De onderzoeksrondes tijdens het najaar zijn uitgevoerd door twee deskundigen. Tijdens het onderzoek naar mogelijke paarverblijfplaatsen en zwermgedrag van vleermuizen is het mogelijk een relatief groot gebied te overzien. In 2024 is het onderzoek uitgevoerd naar mogelijke zomer- en kraamverblijfplaatsen. Het onderzoek naar verblijfplaatsen in de ochtend tijdens de kraamperiode is uitgevoerd met twee personen, conform het vleermuisprotocol 2021; “doordat het zwermen 's ochtends meer tijd in beslag neemt dan het uitvliegen 's avonds, kan een waarnemer in de nanacht een groter gebied overzien door rond te lopen of te fietsen”. De gewone dwergvleermuis gebruikt in de winter massale gebouwen als massale winterverblijfplaats. De gebouwen kenmerken zich vooral door een robuuste bouwstijl, de aanwezigheid van diepe spleetvormige ruimten (spouw, dilatatievoeg, holle vloerelementen etc.) en een ruimte met een dusdanig grote oppervlakte dat er meer dan honderden tot duizenden vleermuizen in kunnen verblijven.

In dit geval is ervoor gekozen om geen onderzoek uit te voeren naar massale winterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen gedurende de nacht, omdat de gebouwen in het plangebied niet voldoen aan de specificaties van een mogelijke massawinterverblijfplaats. In het gebouw is niet voldoende oppervlakte beschikbaar waarin een grote hoeveelheid aan gewone dwergvleermuizen in kan verblijven. Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd met behulp van verschillende batdetectors (Pettersson D240x en Anabat Walkabout). Vleermuizen maken ultrasoon geluid en met de echo daarvan krijgen ze een 2

geluidsbeeld van de omgeving. Wij kunnen dat geluid met het blote oor niet of nauwelijks horen, maar een batdetector zet het ultrasone geluid om naar een geluidsfrequentie die wij wel kunnen horen. Met de batdetectors die gebruikt zijn tijdens het vleermuisonderzoek is het mogelijk om opnames te maken van de geluiden.

3

Resultaten De resultaten van de verschillende rondes zijn opgenomen en weergeven in de kaarten in bijlage 1. Foerageergebied Gedurende het onderzoek zijn enkele foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen in de omgeving van het gebouw. In het voorjaar is een foerageergebied aangetroffen langs de noord- en oostzijde van het gebouw, waarbij een gewone dwergvleermuis foeragerend rond de bosjes en het gebouw is waargenomen (figuur 2). Tevens zijn enkele laatvliegers waargenomen die het plangebied passeerden, maar geen binding met het plangebied hebben.

Figuur 2. Foerageergebied binnen het plangebied, Pp = gewone dwergvleermuis

4

Zomerverblijfplaats Tijdens het onderzoek zijn geen zomerverblijfplaatsen aangetroffen binnen of in de omgeving van het plangebied. Kraamverblijfplaats Tijdens het onderzoek zijn in het plangebied geen kraamverblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen. Wel is een vermoedelijke kraamverblijfplaats of grote zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aangetroffen aan de Osseweg 41, ten zuiden van het plangebied. De verblijfplaats heeft echter geen binding met het plangebied. Paarverblijfplaatsen Tijdens het onderzoek naar paarverblijfplaatsen en zwermgedrag zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen. Ten oosten van het plangebied zijn baltsende gewone dwergvleermuizen waargenomen, het gaat vermoedelijk om twee territoria van de gewone dwergvleermuis. De territoria van de vleermuizen overlapt niet met het plangebied. Het is daarom uitgesloten dat binnen het plangebied een paarverblijfplaats aanwezig is. Winterverblijfplaats Tijdens het onderzoek is geen gedrag waargenomen dat een winterverblijfplaats kan indiceren.

5

Effectenbeoordeling Foerageergebied Gedurende het onderzoek is een foerageergebied van gewone dwergvleermuizen vastgesteld. De groenstructuren grenzend aan het gebouw gaan mogelijk verloren bij het slopen van het sportcentrum, waardoor het niet meer zal functioneren als foerageergebied voor vleermuizen. Echter, in de directe omgeving is voldoende alternatief foerageergebied in de vorm van groenstroken en bomenrijen. Voorgenomen plannen hebben daarom geen invloed op het foerageergebied van de vleermuizen. Wel is het belangrijk om werkzaamheden in de daglichtperiode uit te voeren, zodat geen verstoring op foeragerende en langsvliegende vleermuizen door kunstlicht plaats kan vinden. Indien verlichting gedurende de avond noodzakelijk is, wordt geadviseerd om verlichting met afschermde armatuur te gebruiken, de ledlampen naar beneden te richten en/of amber/rode verlichting te gebruiken. Verblijfplaatsen In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. De werkzaamheden hebben geen invloed op verblijfplaatsen van vleermuizen.

Conclusie De werkzaamheden hebben geen negatief effect op vleermuizen zolang de werkzaamheden overdag worden uitgevoerd. Het uitvoeren van de werkzaamheden gedurende de avonduren met bouwlampen kan foeragerende vleermuizen verstoren.

6

Literatuur + BIJ12, 2024. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 2.0, april + +

2024. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii. Versie 1.0, juli 2017. Eurobats, Guidelines for consideration of bats in lighting projects’, Publication Series No. 8, 2018.

7

Bijlage 1. Waarnemingen vleermuisonderzoek per ronde

Resultaten ronde 1. Pp = gewone dwergvleermuis, Es = laatvlieger, getal = aantal waargenomen dieren

Resultaten ronde 2. Pp = gewone dwergvleermuis, getal = aantal waargenomen dieren

8

Resultaten ronde 3. Pp = gewone dwergvleermuis, getal = aantal waargenomen dieren

Resultaten ronde 4. Pp = gewone dwergvleermuis, Es = laatvlieger, getal = aantal waargenomen dieren

9

Resultaten ronde 5. Pp = gewone dwergvleermuis, Es = laatvlieger, getal = aantal waargenomen dieren

10

Bijlage 4

- Archeologisch bureauonderzoek

RAPPORT Archeologisch bureauonderzoek Osseweg 38A te Berghem (gemeente Oss)

AM21549

RAPPORT Archeologisch bureauonderzoek Osseweg 38A te Berghem (gemeente Oss) Aeres Milieu Projectnummer Status rapport ISSN Nummer Datum

: AM21549 : Concept (versie 3) : 2214-5656 : 9 november 2023

Opdrachtgever

: Accent adviseurs Luchthavenweg 13E 5657 EA Eindhoven

Opsteller rapport Paraaf

: F. van den Blink MA. | drs. ing. N.J.W. van der Feest :

Redactie Paraaf

: drs. ing. N.J.W. van der Feest :

Vrijgave Paraaf

: drs. ing. N.J.W. van der Feest :

Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl

4002 + 4003

Disclaimer Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden (opzet conform de geldende richtlijnen en protocollen). Aeres Milieu accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid voor maatregelen of mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Aeres Milieu uitgevoerde onderzoek neemt. Tevens wordt opgemerkt dat Aeres Milieu voor het verkrijgen van de voor het bureau onderzoek noodzakelijke informatie (mede) afhankelijk is van externe bronnen. Voor Aeres Milieu is niet te verifiëren of deze bronnen altijd volledig en zonder fouten zijn. Hierdoor kan Aeres Milieu niet instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie.

Pagina | 2

AM21549

INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING ......................................................................................................................................................... 4 ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ............................................................................................................................. 5 1.

INLEIDING ......................................................................................................................................................... 6

2.

WERKWIJZE ...................................................................................................................................................... 8 2.1

3.

Inleiding ............................................................................................................................................................................................................... 8

BUREAU-ONDERZOEK ................................................................................................................................. 9 3.1

Landschappelijke situatie - geomorfologie ............................................................................................................................................ 9

3.2

Landschappelijke situatie - bodem.......................................................................................................................................................... 11

3.3

Bewoningsgeschiedenis – historisch overzicht .................................................................................................................................. 11

3.4

Bewoningsgeschiedenis – archeologische waarden ........................................................................................................................ 12

3.5

Bewoningsgeschiedenis – historisch kaartmateriaal ....................................................................................................................... 16

4.

VERWACHTINGSMODEL ........................................................................................................................... 19

5.

AANBEVELINGEN ........................................................................................................................................ 22

LITERATUURLIJST................................................................................................................................................... 23

Bijlagen: 1 2 3 4 5 6

Topografische ligging onderzoeksgebied Archeologische gegevens cf. Archis 3 Archeologische Beleidskaart Gemeente Oss Overzicht geomorfologische kaart Overzicht bodemkaart Reliëfkaart

Pagina | 3

AM21549

SAMENVATTING In november 2021 is door Aeres Milieu een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd aan de Osseweg 38A te Berghem (Gemeente Oss). De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit onderzoek betreft een Bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de sloop van het huidige sportcomplex en de inrichting van het plangebied voor woningbouw. De diepte van de toekomstige bodemverstoring is op dit moment onbekend. Er wordt vooralsnog uitgegaan van een standaard funderingsdiepte zonder onderkeldering en met een bodemverstoring van tenminste 0,8 - 1,0 meter beneden maaiveld. De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de Gemeente Oss in de bebouwde kern van Oss (hoge archeologische verwachting). Voor deze verwachtingszone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 30 centimeter beneden maaiveld. Voor deze verwachtingszone geldt het advies om direct een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) uit te voeren. Omdat het sportcomplex op korte termijn niet zal worden gesloopt, is in overleg met de gemeentearcheoloog afgesproken eerst onderliggend bureauonderzoek uit te voeren.1 Op basis van het uitgevoerd bureauonderzoek kan worden gesteld dat het plangebied op de overgang van een terrasvlakte naar dekzandwelvingen ligt.

Nabij het plangebied zijn op deze overgang bij eerder archeologisch onderzoek bewoningssporen uit de latere prehistorie en Romeinse tijd aangetroffen. Ook was nabij het plangebied een laatmiddeleeuwse ontginningshoeve gevestigd. Er geldt voor het plangebied een lage tot middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit het laat-paleolithicum tot en met het mesolithicum en een hoge verwachting op archeologische waarden uit zowel de periode neolithicum tot de vroege middeleeuwen als voor de periode late middeleeuwen tot nieuwe tijd. In het bijzonder kunnen resten van een laatmiddeleeuwse landweer worden aangetroffen in het oostelijke deel van het plangebied. De voormalige bijgebouwen en het huidige sportcomplex hebben de bodem naar verwachting minimaal verstoord. In de omgeving van het plangebied is op de hoogtekaart te zien dat er meerdere ontgrondingen hebben plaatsgevonden. In het plangebied hebben dergelijke bodem verstorende werkzaamheden niet plaatsgevonden. Voor het plangebied wordt om bovenstaande redenen een archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Nadat de bestaande bebouwing is gesloopt tot maaiveld, kan er een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven plaatsvinden. De resultaten van dit onderzoek dienen te worden getoetst door de bevoegde overheid (Gemeente Oss), dat op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen.

Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat al bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. Het uitgevoerde onderzoek is verricht conform de gestelde eisen en gebruikelijke methoden. Het onderzoek is gericht op het inzichtelijk maken van de toestand van het aanwezige bodemarchief. Hiermee kan de beschadiging dan wel vernietiging als gevolg van de voorgenomen verstoring van een mogelijk aanwezig bodemarchief tot een minimum worden beperkt.

1 Schrijven mevr. M. Peeters, d.d. 25 november 2021. Pagina | 4

AM21549

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS Projectnummer

: AM21549

OM-nummer

: 5137469100

Soort onderzoek

: Bureauonderzoek

Adres onderzoekslocatie

: Osseweg 38A te Berghem

Toponiem

: Osseweg 38A

Gemeente

: Gemeente Oss

Provincie

: Noord-Brabant

Kadastrale registratie

: Gemeente Berghem, sectie D, perceelnummer 922 en 1042

Coördinaten

: Centrum

166.897; 420.150

NW:

166.841; 420.254

NO:

166.928; 420.247

ZW:

166.827; 420.118

ZO:

166.964; 420.146

Oppervlakte

: Circa 1,3 ha

Huidig locatie gebruik

: Sportcomplex met parkeerplaats

Aanleiding onderzoek

: Bestemmingsplanwijziging

Opdrachtgever

: Accent adviseurs

Bevoegde overheid

: Gemeente Oss

Opslag documentatie en materiaal

: Noordhoven 4 te Roermond tot deponering bij provinciaal depot te ’s-Hertogenbosch/ E-depot

Datum uitvoering

: November 2021

Pagina | 5

AM21549

1. INLEIDING In opdracht van Accent adviseurs heeft Aeres Milieu een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor de locatie: Adres onderzoekslocatie

: Osseweg 38A te Berghem

Gemeente

: Gemeente Oss

Oppervlakte

: Circa 1,3 ha

Huidig gebruik van de locatie

: Sportcomplex met parkeerplaats

Toekomstig gebruik

: Woningbouw

Dit archeologisch onderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de BRL SIKB 4000 (protocol 4002), KNA 4.1. Het archeologische onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie.

Aanleiding De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek betreft een Bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de sloop van het huidige sportcomplex en de inrichting van het plangebied voor woningbouw. De diepte van de toekomstige bodemverstoring is op dit moment onbekend, maar uitgaande van de aanleg van bouwputten voor de voorgenomen nieuwbouw zal de bodem waarschijnlijk tot in het archeologische niveau worden verstoord. Er wordt vooralsnog uitgegaan van een standaard funderingsdiepte zonder onderkeldering en met een bodemverstoring van tenminste 0,8 - 1,0 meter beneden maaiveld. De bevoegde overheid, de Gemeente Oss, heeft op gemeentelijk niveau een archeologisch beleid vastgesteld en beschikt over een Archeologische Beleidskaart. De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de Gemeente Oss in de bebouwde kern van Oss (hoge archeologische verwachting). Voor deze verwachtingszone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 30 centimeter beneden maaiveld. Middels deze kaart heeft de gemeente aangegeven dat de locatie onderzoeksplichtig is (zie Bijlage 3).2 Ook geldt voor deze verwachtingszone het advies om direct een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) uit te voeren.

Omdat het sportcomplex op korte termijn niet zal worden gesloopt, is in overleg met de gemeentearcheoloog afgesproken eerst onderliggend bureauonderzoek uit te voeren.3

Doel Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel voor de locatie. Dit verwachtingsmodel wordt op basis van historische kaarten en bekende landschappelijke en archeologische gegevens gevormd. Dit verwachtingsmodel zal vervolgens leiden tot een aanbeveling over het behoud in-situ, een eventueel vervolgonderzoek danwel vrijgave in verband met aanwezige verstoringen.

Plangebied Het plangebied ligt ten noorden van de Osseweg 38A te Berghem (Figuur 1). Ten westen en noorden wordt het plangebied begrensd door grasland en in het oosten door een woonwijk.

2 Gemeente Oss, 2013 bijlage 5 3 Schrijven mevr. M. Peeters, d.d. 25 november 2021. Pagina | 6

AM21549

Figuur 1. Topografische ligging van het plangebied. (Bron: www.pdok.nl)

Pagina | 7

AM21549

2. WERKWIJZE 2.1

Inleiding

Bij het uitvoeren van het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van verschillende bronnen. Deze bronnen geven inzicht in bekende, of te verwachten archeologische resten binnen het onderzoeksgebied. Daarnaast zijn deze bronnen van belang voor het opstellen van de landschapsgenese.

Archeologische bronnen •

Archeologische Monumentenkaart (AMK)

•

Archeologisch Informatiesysteem (Archis3)

•

Archeologische Beleidskaart van de Gemeente Oss

•

Specifieke lokale informatie (heemkundekring, amateurarcheologen)

Bodem- en geomorfologische kaarten •

Bodemkaart (Alterra)

•

Geomorfologische kaart (Alterra, uit Archis3)

•

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3)

Historische kaarten •

Historisch kadastraal minuutplan (1800-1832)

•

Historische topografische en militaire kaarten (1830 tot 1978)

•

Moderne topografische kaart (tot 2020)

De bovenstaande bronnen worden aangevuld door mogelijke aanvullende informatie afkomstig van andere bronnen. De overige aanvullende informatie is terug te vinden in de literatuurlijst. De Heemkundekring Berchs-Heem, is 29 november 2021 per e-mail gecontacteerd met de vraag om aanvullende informatie betreffende het plangebied. Tot op heden is hierop nog geen reactie ontvangen.

Pagina | 8

AM21549

3. BUREAU-ONDERZOEK 3.1

Landschappelijke situatie - geomorfologie

Het plangebied behoort tot de Lage Rijnterrassen.4 De omgeving van het plangebied ligt op de overgang van de Peelhorst naar het rivierengebied. Door tektonische activiteiten ligt de Peelhorst hoger in het landschap. Ten westen van het plangebied ligt de zuidoost-noordwest georiënteerde Peelrandbreuk. Deze breuk vormt de grens van het tektonisch dalingsgebied van de Roerdalslenk. Tijdens het Pleistoceen, met name in het vroeg- en midden-Pleistoceen (2,6 miljoen – 131.000 jaar geleden), werden door de Rijn en Maas vrij grove grindhoudende zanden afgezet. Deze afzettingen zijn door vlechtende rivieren afgezet behoren tot de Formatie van Kreftenheye. Onder invloed van tektonische opheffing in het Cromerien (circa 2.4 miljoen – 850.000 jaar geleden) verlegde de Maas zich in oostelijke richting. De Rijn verlegde zich ook en kwam de oude riviervlakte steeds hoger te liggen. Hierdoor ontstonden rivierterrassen. In de omgeving van Oss zijn in de ondergrond oude terrasresten aanwezig. Tijdens de laatste ijstijd (Weichselien; circa 115.000 – 11.700 jaar geleden), in het warme Bølling-Allerød-interstadiaal (circa 14.700 – 12.900 jaar geleden) veranderde het rivierenpatroon van vlechtend naar meanderend. De afvoer van het rivierwater concentreerde zich voornamelijk door enkele hoofdgeulen. Deze geulen sneden zich diep in de oudere Pleistocene riviervlakte.

Tijdens hoog water werd op de hoger gelegen rivierafzettingen lemige klei afgezet. De klei wordt tot het Laagpakket van Wijchen van de Kreftenheye Formatie gerekend. De laatste fase voor de opwarming van het Holoceen omvat de Jonge Dryas (circa 12.750 - 11.750 jaar geleden). Tijdens de Jonge Dryas daalt de temperatuur weer waardoor de aanvoer van het sediment weer toenam. In deze periode neemt de rivier weer een vlechtend patroon aan. Periodiek vielen delen van de rivierbedding droog waardoor er op grote schaal zandverstuivingen plaatsvonden. Zoals gesteld verdween de vegetatie grotendeels gedurende de koudste en droogste perioden van het Weichselien, tijdens de droge en zeer koude perioden van het Laat-Glaciaal (circa 14.700 – 11.700 jaar geleden), waardoor op grote schaal verstuiving optrad. De rivierafzettingen en de fluvioperiglaciale afzettingen raakten bedekt met dekzand. 5 Dit dekzand is kalkloos, fijnkorrelig (150 – 210 μm) en arm aan grind. Het dekzand wordt tot de Formatie van Boxtel gerekend. Het reliëf dat tijdens de dekzandafzetting is ontstaan, wordt gekenmerkt door vlaktes met depressies en dekzandruggen of dekzandkoppen. Het dekzand werd in verschillende fasen en omstandigheden afgezet, zo is het oude dekzand lemig en het jonge dekzand niet. Het jonge dekzand is meestal niet gelaagd.

Op de overgang van Jong dekzand I en Jong Dekzand II heeft zich tijdens een relatief warmere periode (Allerød) een bodem gevormd. Het klimaat werd tijdens het Holoceen warmer en vochtiger. Door het warmere klimaat smolten de in het Weichselien gevormde ijskappen en steeg de zeespiegel snel. Het landschap in de regio is door geologische processen weinig meer veranderd. Het dekzand werd door de toenemende vegetatie vastgelegd en de beken sneden zich in. Hierbij volgden ze de natuurlijke laagten, zoals de eerder gevormde dalen. Als gevolg van ontbossingen door menselijke activiteiten heeft vanaf het neolithicum opnieuw verstuiving plaatsgevonden van het dekzand. Systematische ontbossingen vanaf de (late) middeleeuwen heeft grootschalige verstuivingen veroorzaakt. Hierdoor ontstonden landduinen.

4 Rensink et al. 2016. 5 Berendsen 2004, 190.

Pagina | 9

AM21549

Deze stuifzanden worden tot het Laagpakket van Kootwijk van de Formatie van Boxtel gerekend en worden gekenmerkt als reliëfrijke zones in het landschap. Direct ten zuiden van het plangebied zijn dergelijke lage landduinen aanwezig. Volgens de geologische kaart komt in de ondergrond van het plangebied de formatie van Kreftenheye voor. Volgens de Geomorfologische kaart (Bijlage 4)6 ligt het plangebied grotendeels op een Terrasvlakte, al dan niet bedekt door dekzand (code: 2M42yd). Ten zuiden van het plangebied zijn Dekzandwelvingen, al dan niet bedekt door een oud bouwlanddek, gekarteerd (code 3L51yc). Het zuiden en zuidoosten van het plangebied is vanwege de ligging in bebouwd gebied niet gekarteerd, maar zullen waarschijnlijk binnen de terrasvlakte of dekzandwelvingen liggen. Op het kaartbeeld van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3; Bijlage 7) 7 is de overgang van de hoger gelegen dekzandwelvingen ten zuiden van het plangebied naar de lagere terrasvlakte duidelijk zichtbaar. Ten westen en noorden van het plangebied ligt het maaiveld lager (circa 6,6-6,8 meter +NAP) dan binnen het plangebied (circa 7,4 - 8,0 meter +NAP). Dit is waarschijnlijk veroorzaakt door ontgravingen. Op de Brabantse ontgrondingenkaart8 is dan ook te zien dat er in de omgeving meerdere percelen zijn afgegraven (Figuur 2).

Figuur 2. Ontgrondingen provincie Noord-Brabant. (Bron: data.overheid.nl)

6 Alterra 2019 7 www.ahn.nl 8 data.overheid.nl Pagina | 10

AM21549

3.2

Landschappelijke situatie - bodem

Op de bodemkaart (Bijlage 6) zijn binnen het plangebied hoge zwarte enkeerdgronden van leemarm en zwak siltig zand gekarteerd (code zEZ21). Bij enkeerdgronden is sprake van een eerdlaag of plaggendek. Dit (plaggen)dek is ontstaan doordat in sommige gevallen al vanaf de late middeleeuwen op grote schaal het systeem van potstalbemesting werd toegepast. Om de grond vruchtbaarder te maken, werden plaggen met de mest van het vee vermengd en op de akkers uitgespreid. In de loop der tijd is hierdoor een plaggendek op de oorspronkelijke bodem ontstaan. De totale dikte van het plaggendek is bij de enkeerdgronden meer dan 50 cm. De bouwvoor (Aap-horizont) is grijsbruin tot zwart van kleur. Hieronder liggen oudere niveaus/lagen van het plaggendek (Aa-horizont), die meestal wat lichter van kleur zijn. Dergelijke cultuurdekken kunnen een beschermende werking hebben voor de potentieel aanwezige archeologische lagen. De hoge enkeerdgronden betreffen de oudste opgehoogde gronden, die over het algemeen op de hogere dekzanden liggen. De lage enkeerdgronden werden pas later in gebruik genomen vanwege de lagere ligging in het beekdal. Door de hogere grondwaterstand was de sterke ophoging met plaggen niet alleen noodzakelijk voor de bemesting maar ook om de nattere gronden toegankelijk te maken.

De kans bestaat dat er onder het plaggendek nog een restant van het oorspronkelijke wordt bodemprofiel wordt aangetroffen. Dit hoeft echter niet zo te zijn zoals vaker blijkt bij archeologisch onderzoek in bijvoorbeeld het oosten van Brabant. Indien sprake is geweest van een snelle ophoging, dan zou men onder het plaggendek nog een intacte A-horizont kunnen vinden. Deze laag onderscheidt zich door een hoger humusgehalte en een meer donkere kleur. Echter, door verploeging zijn vaak de oorspronkelijke A- en E-horizont meestal reeds opgenomen in het plaggendek. Indien de oorspronkelijke bodem bestaat uit een podzolbodem kunnen op een dieper niveau nog (restanten van) een B- en/of BC- horizont voorkomen. Grondwatertrap De mogelijk aanwezige gronden worden gekenmerkt door een gemiddeld lage grondwaterstand, te weten grondwatertrap VI. Dit zijn de gemiddelde grondwaterstanden die op de bodemkaart staan aangegeven. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen de 40 en 80 centimeter beneden maaiveld ligt. De gemiddeld laagste grondwaterstand ligt dieper dan 120 centimeter beneden maaiveld. Deze lage grondwaterstand zorgt voor slechte bewaringsomstandigheden voor eventuele organische resten.

3.3

Bewoningsgeschiedenis – historisch overzicht

De bestudeerde en beschikbare bronnen hebben het volgende beeld kunnen schetsen over de geschiedenis van Berghem. De eerste vermelding van Berghem dateert waarschijnlijk uit 1286 (Berchem). De plaatsnaam is samengesteld uit berg (terreinverheffing/ heuvel) en heem (woonplaats/ woning). Berghem bezat waarschijnlijk al vanaf 1100 zijn eigen schepenbank die bij lichte vergrijpen mocht rechtspreken. Zwaardere zeken werden behandeld door de schepenbank van ’s-Hertogenbosch of de schout van Oss.9

9 Sanders et al., 1996; www.berghem.nl Pagina | 11

AM21549

Berghem is altijd sterk verbonden geweest met het naastgelegen Oss. Reeds in 1286 kreeg de hertog van Brabant rechten op gemene gronden in Oss, Bergeind en Duureind. Deze gronden werden een gezamenlijk bezit.10 Vanaf de 14e eeuw had Berghem een eigen schepenbank, en in 1773 moesten de schepenen van Berghem nog altijd bezit afdragen aan Oss.11 Berghem en Oss vielen onder één parochie dat onderdeel was van de Abdij van Echternach. Op de Osse heide en later de Heuvel van Oss ontstond de eerste kapel en kerk. In Berghem is omstreeks 1200 een eerste kapel gebouwd. Rond 1400 wordt de huidige Willibrorduskerk gebouwd. De kerktoren diende ook als verstevigde verdedigingstoren voor het dorp. In 1677 werd de parochie zelfstandig van de Abdij van Echternach.12 Berghem lag omgeven door kleine staatjes, zoals de vestingstad Grave, het Land van Ravenstein (bestaande uit Ravenstein, Uden, Herpen en omliggende dorpen) en de heerlijkheden langs de Maas. Deze kwamen omstreeks 1400 onder Gelderse of Kleefse invloed.

Tijdens de tijdens oorlogen tussen Gelre en Brabant vonden er regelmatig plunderingen plaats.13 In de omgeving van Berghem zouden landweren gelegen zijn.14 Zo ook ter hoogte van Piekenhoef.15 Op basis van de Erfgoedatlas bevinden zich de restanten van een mogelijk landweertracé 'Maasland (Oss-Berghem-Heesch-Nistelrode)' uit 1359 (waarschijnlijk tot 1402) nagenoeg oostelijk grenzend aan het plangebied, ter hoogte van de straten Reutstraat en Vossenbosstraat.16 Er zijn binnen het werk van Van Blankenstein enige gegevens bekend over enige oorlogsvernielingen in de Tweede Wereldoorlog. Er werden een gering aantal woningen beschadigd of vernield. 17 In 1945 vond in Berghem een vliegtuigcrash van een Duits toestel plaats. 18 Het is niet bekend of binnen of in de onmiddellijke omgeving van het plangebied oorlog gerelateerde verwoestingen of crashes hebben plaatsgevonden. Dit is dus niet uit te sluiten.

3.4

Bewoningsgeschiedenis – archeologische waarden

Op de leidende Archeologische Beleidskaart van de gemeente Oss geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting: bebouwde kern van Oss (Bijlage 3).19 In de omgeving van het plangebied (binnen een straal van 500 meter) zijn volgens de gegevens uit Archis3 meerdere archeologische waarnemingen en onderzoeksmeldingen bekend(Bijlage 3). Monumentnummer 18.366 Op circa 1,5 kilometer ten westen van het plangebied ligt de historische bewoningskern van Oss. Het betreft een terrein van hoge archeologische waarde. Hier geldt een verhoogde kans op het aantreffen van archeologische resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd.

10 Van Asseldonk 2002, 173 + 201 11 Buijks en Van den Heuvel 1987, 31 + 37. 12 www.berghem.nl 13 Van den Heuvel et al. 2001. 14 www.rce.webgis.nl/nl/map/erfgoedatlas 15 Piekenhoef: Van Hoof en Jansen 2006; Hoogen Heuvel: De Leeuwe & Goossens 2006; Zevenbergen: Fokkens, Jansen en Van Wijk 2006; Heesch plangebied De Hoef: recent door Archol bv uitgevoerd onderzoek; Hoof 2006, 17-18. 16 www.rce.webgis.nl/nl/map/erfgoedatlas. 17 Van Blankenstein 2006, 70. 18 Auwerda en Grimm 2008, verliesregisters 1945 19 Gemeente Oss, 2013 bijlage 5 Pagina | 12

AM21549

Zaakidentificatie 2101052100/ 2166307100 In 2005 is op een aangrenzend perceel een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd door Archol. 20 Op basis hiervan werd een vervolgonderzoek uitgevoerd en dit heeft geleidt tot een proefsleuvenonderzoek op circa 300 meter ten noordoosten van het plangebied in 2007 door Archol.21 Bij de eerste fase van het proefsleuvenonderzoek (zaakidentificatie 2101052100) zijn twee vindplaatsen aangetroffen. In het noordwesten van het plangebied is een ontginningshoeve gesitueerd (vindplaats 1). Verspreid over het gehele plangebied zijn ontginningsgreppels aangetroffen (vindplaats 2). Op van de ontginningshoeve (vindplaats 1) is in het noordwesten en opgraving geadviseerd, en in het noordoosten aanvullende proefsleuven. Door de hoge zone op de AHNkaart werden goede conserveringsomstandigheden verwacht. Het opgravingsvlak bevindt zich door de geringe dikte van het restant van het esdek op een diepte van slechts 30-70 centimeter beneden maaiveld. Het vervolgonderzoek betreffen twee aanvullende proefsleuven (zaakidentificatie 2166307100), gelegen ten noordoosten van een eerder onderzocht gebied. Tegen de verwachting in bleek het plangebied grotendeels verstoord. Er zijn enkele greppels aangetroffen. Er werden ook resten van een landweer verwacht (zie paragraaf 3.3), maar deze werd niet aangetroffen.

Figuur 3. Overzicht adviezen met betrekking tot de vindplaatsen aangetroffen door Archol in 2005. De locatie van het huidige plangebied wordt grotendeels bedekt door de legenda (Bron: Hoof 2006).

20 Archol Rapport 65: Hoof 2006. 21 Archol Rapport 92. Pagina | 13

AM21549

Figuur 4. Hoogtekaart van het archeologisch vlak van het onderzoek van Archol in 2005. Hierop is duidelijk zichtbaar welke percelen ontgrond zijn. Ook de diepte van het archeologisch vlak kan worden verwacht, kan hieruit worden opgemaakt (Bron: Hoof 2006).

Zaakidentificatie 4678653100 Op circa 65 meter ten zuidoosten van het plangebied is bij de archeologische begeleiding van de wegreconstructie onder het wegdek een puinlaag aangetroffen. Op basis van het vooronderzoek werd bij een intacte bodem het archeologisch niveau tussen de 50 en 75 centimeter onder maaiveld verwacht. Dit niveau was vastgesteld op basis van onderzoeken in de buurt. Tijdens de begeleiding is vastgesteld dat de bodem tot in de C-horizont was verstoord. De overgang tussen het verstoorde pakket en de Chorizont vertoonde duidelijke spitsporen. De verstoring reikte tot een diepte van circa 1,30 meter beneden maaiveld (6,55 meter +NAP). Aan de andere zijde van de rioolsleuf was op de zelfde hoogte vermoedelijk een bermsloot aangesneden, dit is ook direct het enige spoor dat is aangetroffen. Op basis van de waarneming heeft overleg plaatsgevonden met de archeologisch adviseur van de gemeente Oss (de heer F. Kortlang van ArchAeO), dit heeft geleid tot het stopzetten van de archeologische begeleiding. Dit is gebeurd op basis van de geconstateerde verstoringen en de daaruit voorkomende verwachting dat het restant van het tracé eveneens verstoord zou zijn. De begeleiding is uitgevoerd door BAAC in 2019.22

22 BAAC-rapport A-19.0077: Wal 2020. Pagina | 14

AM21549

Zaakidentificatie 5096183100

Afstand Circa 280 meter

Soort onderzoek Bureau- en

Omschrijving Uit het bureauonderzoek volgt een hoge verwachting voor resten

ten zuidwesten van

booronderzoek door

uit het laat-paleolithicum tot de (volle) middeleeuwen en de

het plangebied

Archol in 2021.

middelhoge verwachting voor bebouwing uit de late middeleeuwen

23

tot nieuwe tijd. Uit het booronderzoek blijkt dat binnen het plangebied onder het esdek, een intacte bodemopbouw in de dekzandafzettingen aanwezig is. 5047923100

Circa 360 meter

Bureau- en

Eerste bevindingen: Het plangebied ligt op een terrasvlakte

ten noordwesten

booronderzoek door

afgedekt met dekzand. Tijdens het booronderzoek zijn onder een

van het plangebied

Transect in 2021.

humeus esdek dekzandafzettingen aangetroffen. In drie boringen is bodemvorming aanwezig. Er geldt een hoge verwachting voor een sporenniveau uit de periode neolithicum – middeleeuwen.

4941610100

Circa 325 meter

Vooronderzoek door

ten zuidoosten van

Vestigia in 2021.

Er is geen aanvullende informatie bekend in Archis en/of DANS Easy.

het plangebied 4899176100

Circa 320 meter

Begeleiding door BAAC

Bij de begeleiding van een wegreconstructie zijn enkele sporen

ten oosten van het

in 2020.

gevonden, ondanks dat de bodem in het plangebied verstoord bleek

24

plangebied

te zijn. Het gaat om kuilen, drie paalsporen en karrensporen uit de nieuwe tijd. Er is één scherf aardewerk aangetroffen.

4710152100

Circa 325 meter

Bureauonderzoek door

Uit het bureauonderzoek volgt een verwachting op archeologische

ten zuidoosten van

Vestigia in 2019.

resten uit de het laat-paleolithicum tot de nieuwe tijd.

Circa 385 meter

QuickScan met

De bodem in het plangebied is grotendeels verstoord. Het bouwvlak

ten noordoosten

verkennend

was ten tijde van het onderzoek al uitgegraven.

van het plangebied

booronderzoek door

25

het plangebied 4640128100

Econsultancy in 2018.26 4560384100

Circa 475 meter

Begeleiding door BAAC

Het plangebied ligt op de noordelijke flank van een dekzandrug. De

4014151100

ten oosten van het

in 2017.

C-horizont is afgetopt door het intensieve gebruik van het terrein.

plangebied

Opgraving door BAAC

Er zijn sporen van vijf erven uit de volle middeleeuwen tot de

in 2016

nieuwe tijd aangetroffen.

27

4000884100

Circa 485 meter

Proefsleuven door

Het onderzoek heeft sporen en vondsten uit de late middeleeuwen

ten oosten van het

Archol in 2016.

en nieuwe tijd vrij gelegd.

Circa 485 meter

Bureau-en

In het westen van het plangebied is een plaggende waargenomen.

ten oosten van het

booronderzoek door

Hierin is bouwpuin uit de late middeleeuwen – nieuwe tijd

plangebied

BAAC in 2015.29

aangetroffen. Er is een proefsleuvenonderzoek geadviseerd.

Circa 130 meter

Vindplaats (1955)

Een bijna complete kruikamfoor uit de midden Romeinse tijd. De

28

plangebied 3975379100

3134573100

ten noordwesten

vondst lag circa 1,5 meter onder het maaiveld.

van het plangebied

23 Archol Rapport 592 24 BAAC-rapport A-20.0267. 25 Vestigia Rapportnummer V1800. 26 Econsultancy rapportnummer 8054.001. 27 BAAC-rapport A-16.0214 en A-17.0130. 28 Archol Rapport 335. 29 BAAC Rapport V-15.0198. Pagina | 15

AM21549

Zaakidentificatie 3129705100

Afstand Circa 460 meter

Soort onderzoek Vindplaats (1953)

ten noordoosten

Volgens de vondstmelding zij er ook crematieresten uit het

van het plangebied 2951408100

Circa 150 meter

Omschrijving Vondst van een urn uit het neolithicum tot de late nieuwe tijd.

mesolithicum tot de vroege middeleeuwen aangetroffen. Vindplaats (onbekend)

Losse vondst van aardewerk uit de ijzertijd.

Vindplaats (1857)

Vondst van een Justinus II (565-578 n. Chr.)

Beleidskaart door

Bureauonderzoek ten behoeve van de gemeentelijke beleidskaart.

ten zuiden van het plangebied 2924492100

Circa 180 meter ten oosten van het plangebied

2359533100

-

Archol in 2012.

30

2224051100

2180669100

Circa 475 meter

Bureau- en

Tijdens

het

booronderzoek

is

een

verstoorde

C-horizont

ten noordoosten

booronderzoek door

van het plangebied

BAAC in 2008.

Circa 155 meter

Opgraving door Archol

Er is een laatmiddeleeuwse nederzetting binnen het plangebied

ten noordoosten

in 2008.32

aangetroffen. Het oudste erf dateert uit 1250-1320, het jongste uit

aangetroffen. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.

31

van het plangebied

1350-1450. Binnen het plangebied zijn waterputten aanwezig. Er zijn ook verkavelingsgreppels uit de 13e-14e eeuw gevonden.

2106083100

Circa 465 meter

Opgraving door Archol

Het betreft een grootschalig opgravingsterrein. Voor onderliggend

ten noordwesten

in 2000.

onderzoek

33

van het plangebied

is

het

proefsleuvenonderzoek

in

deelgebied

Spaanderstraat van belang. Uit het proefsleuvenonderzoek bleek de sporendichtheid hier minimaal is. In het noordoosten en noordwesten

werden

enkele

prehistorische

(paal)sporen

aangetroffen. In het noordwesten dateren deze uit de ijzertijd. In één van de greppels werd een dolium uit de Romeinse tijd gevonden. Er zijn geen verdere sporen aanwezig. Bij de opvolgende opgraving is een huisplattegrond met naastgelegen bewoningssporen uit de midden-bronstijd aangetroffen. Drie overige huizen, een waterput en spieker dateren in de Romeinse tijd. Tabel 1: Overzicht van relevante Archismeldingen binnen een straal van 500 meter rond het plangebied.

3.5

Bewoningsgeschiedenis – historisch kaartmateriaal

In het kader van het bureauonderzoek is historisch kaartmateriaal bestudeerd. Op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw (Figuur 5)34 is de situatie op kadastraal niveau te zien. Het plangebied is onbebouwd en onderdeel van een aantal grotere percelen. Ten zuidoosten van het plangebied ligt bebouwing.

30 Archol Rapport 183. 31 BAAC-rapport V-08.0427. 32 Archol Rapport 139. 33 Archol Rapport 19 34 beeldbank.cultureelerfgoed.nl Gemeente Berghem, sectie B, blad 1. Minuutplans zijn de oorspronkelijke kadastrale kaarten die zijn vervaardigd vanaf 1811 en 1812 in navolging van de Fransen o.l.v. Napoleon Bonaparte. Het zijn grondbeschrijvingen (kadasters) van de gemeenten met hierop aangegeven de percelen, perceelnummers en gebouwen. Pagina | 16

AM21549

De Osseweg loopt via zijn huidige traject ten zuiden van het plangebied. De straat stond toen nog vermeld als De Koppelsteeg. Later heeft deze nog de namen Grindweg en Kapelstraat voor het de Osseweg wordt. Ten oosten van het plangebied loopt een onbenoemde weg, met parallel lopende sloot/ waterweg, naar de Spaander straat en Laander straat (tegenwoordig Burgemeester van Erpstestraat). Volgens de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT)35 behorende bij het minuutplan, zijn alle percelen als bouwland in gebruik. Deze zijn onderdeel van het bouwlandveld De Spaander straatsche Akkers. Op de kaarten uit 1880 en 1940 (figuur 5) is eveneens geen bebouwing aanwezig. Op de topografische kaart uit 1970 is in het zuidoosten van het plangebied bebouwing zichtbaar. Mogelijk gaat het om bijgebouwen van het hoofdgebouw dat ten zuidoosten van het plangebied is gelegen. De zuidoostelijke hoek van het plangebied blijft bebouwd met bijgebouwen tot de bouw van het huidige sportcomplex na 1990 (figuur 6).36

1811-1832

1880

1940

1970

Figuur 5. Uitsnede van het kadastrale minuutplan (1811-1832) en de topografische kaarten uit 1880, 1940 en 1970. (Bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl en www.topotijdreis.nl)

35 OAT = Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel. Dit is een register uit 1832 waarin diverse gegevens in vermeld staan die betrekking hebben op de betreffende percelen, zoals de eigenaar, beroep en woonplaats, alsmede het grondgebruik en de oppervlakte. 36 bagviewer.kadaster.nl Pagina | 17

AM21549

1980

1990

2000

Luchtfoto

Figuur 6. Uitsnede van de topografische kaart uit 1980, 1990 en 2000 en de actuele luchtfoto (Bron: www.topotijdreis.nl en www.pdok.nl)

Pagina | 18

AM21549

4. VERWACHTINGSMODEL Jager-verzamelaars uit het paleolithicum en mesolithicum hebben als woon- en verblijfplaats vaak voor de flanken van hoger liggende terreingedeelten in het landschap gekozen. Bij voorkeur in de buurt van (open) water. Nabijgelegen watervoorzieningen waren belangrijk voor drinkwater en de aanwezige biodiversiteit. Dit vergemakkelijkt de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel. Op de geomorfologische kaart ligt het plangebied grotendeels binnen een terrasvlakte. Ten zuiden hiervan liggen dekzandwelvingen. Op basis van het AHN3 is te zien dat het plangebied op een overgang ligt van de lagere terrasvlakte naar de hooggelegen dekzandwelvingen. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen waterlopen bekend. De hooggelegen dekzandruggen en dekzandwelvingen in de directe nabijheid van waterlopen, zullen ideale bewoningslocaties voor jagerverzamelaars zijn geweest. Het plangebied ligt niet binnen zo’n gradiëntzone. Er zijn in de wijde omgeving nog geen vondsten uit deze perioden bekend. Om deze reden wordt een lage tot middelhoge verwachting toegekend voor vindplaatsen uit het laatpaleolithicum tot en met het mesolithicum. Binnen het plangebied worden enkeerdgronden verwacht. Deze gronden hebben een opgebracht antropogeen dek (eerdlaag) dat een conserverende werking kan hebben op eventueel aanwezige archeologische resten.

Eventueel aanwezige resten uit de periode laat-paleolithicum en mesolithicum worden onder de verwachte eerdlaag of in de oorspronkelijke bodem verwacht en kunnen bestaan uit tijdelijke bewoningssporen, haardkuilen, vuursteenstrooiingen. Vanaf het (laat-)neolithicum ontstaan de eerste landbouwculturen die gekenmerkt worden door meer sedentaire nederzettingen. De nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die soms diep in de grond gefundeerd waren. Vanaf deze perioden heeft men nog steeds een voorkeur voor hoger en droger gelegen gebieden. De ligging van het plangebied net op de overgang van een terrasvlakte naar dekzandwelvingen zal voor latere landbouwende samenlevingen niet direct een aantrekkelijke vestigingsplaats zijn geweest. Men zal zich voornamelijk op de hooggelegen dekzandruggen en de hoge delen van de dekzandwelvingen hebben gevestigd. Echter zijn op de terrasvlakte, ten noordwesten en noorden van het plangebied resten van bewoning uit de latere prehistorie en Romeinse tijd aangetroffen (zaakidentificatie 3134573100, 2106083100, 5047923100 en 3129705100). Voor het plangebied geldt daarom een hoge verwachting voor de periode neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen.

Resten worden onder de verwachte eerdlaag of in de oorspronkelijke bodem verwacht en kunnen bestaan uit cultuurlagen, paalkuilen/-gaten, afvalkuilen, fragmenten aardewerk, natuursteen of gebruiksvoorwerpen.

Het plangebied ligt aan de Osseweg, de voormalige Koppelsteeg. Nabij het plangebied is bij archeologisch onderzoek een laatmiddeleeuwse ontginningsboerderij aangetroffen (OM-nummer 4014151100) evenals sporen uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd (OM-nummers 4000884100 en 4899176100). Het is op basis van deze gegevens niet uit te sluiten dat binnen het plangebied bewoningsresten uit de late middeleeuwen aanwezig zijn, al dan niet bestaande uit een erf met hoofdgebouw, bijgebouwen en een waterput. Ook kunnen sporen uit de nieuwe tijd worden aangetroffen, mogelijk behorend tot het erf van de boerderij die ten zuidoosten van het plangebied staat. Daarbij kan in (het oostelijk deel van) het plangebied mogelijk de restanten worden aangetroffen van het 14e -eeuwse landweertracé 'Maasland (Oss-Berghem-Heesch-Nistelrode)', een verdedigingslichaam. Op basis van de Erfgoedatlas volgt deze het tracé van onder meer de straten Reutstraat en Vossenbosstraat. Het plangebied is op historische kaarten vanaf 1832 onbebouwd en tot 1970 in gebruik geweest als bouwland. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een hoge verwachting voor de periode late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd.

Pagina | 19

AM21549

Archeologische resten worden vanaf het maaiveld verwacht en kunnen bestaan uit onder andere cultuurlagen, paalkuilen/gaten, afvalkuilen, gebruiksvoorwerpen van bijvoorbeeld natuursteen, fragmenten aardewerk en sporen van agrarische activiteiten. Wat betreft de conservering en gaafheid van eventueel aanwezige archeologische resten kan het volgende gesteld worden: Wegens de verwachte aanwezigheid van enkeerdgrond en daarmee een plaggendek zijn archeologische resten beschermd tegen latere invloeden. Over het algemeen kunnen (anorganische) vondsten en sporen onder zo’n dek in goede toestand worden aangetroffen. Mogelijke vuursteenvindplaatsen kunnen echter verstoord zijn geraakt bij de aanleg van het plaggendek en de eerste bewerking ervan. Hierdoor is vaak de top van de natuurlijk bodem opgenomen in het bovenliggende opgebrachte dek. Wat betreft eventueel aanwezige organische resten is het afhankelijk hoe diep het grondwater zit. Bij hoge enkeerdgronden zijn de omstandigheden voor het aantreffen van organische resten minder goed: door de lage grondwaterstand (GWT VI) kunnen organische resten vaak enkel in dieper, waterhoudende sporen zoals waterputten bewaard blijven. Op basis van nabij gelegen archeologisch onderzoek bleken de conserveringsomstandigheden relatief goed. Periode Laat-paleolithicum -

Verwachting Laag tot

Verwachte kenmerken vindplaats Resten van kampementen, fragmenten

Diepteligging sporen Onder de verwachte eerdlaag, in de top van

mesolithicum

middelhoog

vuursteen, natuursteen, gebruiksvoorwerpen

de natuurlijke ondergrond.

(laat)-neolithicum –

Hoog

Nederzettingsresten, fragmenten aardewerk,

Onder de verwachte eerdlaag, in de top van

natuursteen, gebruiksvoorwerpen

de natuurlijke ondergrond.

Cultuurlaag, funderingsresten, natuursteen,

Vanaf het maaiveld en/of onder de verwachte

fragmenten aardewerk,

eerdlaag, in de top van de natuurlijke

gebruiksvoorwerpen, sporen van agrarische

ondergrond.

vroege middeleeuwen Volle middeleeuwen – nieuwe tijd

Hoog

activiteiten, restanten wegen/paden Specifiek: restanten landweer (1359-1402): wallichamen, sloten/greppels.

Tabel 2: Archeologische verwachting per periode

Bodemverstoring Er zijn geen exacte gegevens van bodemverstoringen binnen het plangebied bekend. Met de bouw van de eerdere bijgebouwen en het sportcomplex is er naar verwachting minimaal verstoring plaatsgevonden. Het huidige sportcomplex bevat geen kelder. Er is mogelijk ook verstoring opgetreden als gevolg van het gebruik als akkerland (diepploegen). Op basis van de KLIC-melding (uitgevoerd op 25-11-2021) zijn binnen het plangebied alleen in het zuidwesten kabels/leidingen gegraven die voor een verstoring van de bodem kunnen hebben gezorgd (Figuur 7). Deze liggen doorgaans op circa 60 centimeter beneden maaiveld.

Pagina | 20

AM21549

Figuur 7. Klic-melding van het plangebied (Bron: www.kadaster.nl).

Pagina | 21

AM21549

5. AANBEVELINGEN Op basis van het uitgevoerd bureauonderzoek kan worden gesteld dat het plangebied op de overgang van een terrasvlakte naar dekzandwelvingen ligt. Nabij het plangebied zijn op deze overgang bij eerder archeologisch onderzoek bewoningssporen uit de latere prehistorie en Romeinse tijd aangetroffen. Ook was nabij het plangebied een laatmiddeleeuwse ontginningshoeve gevestigd. Er geldt voor het plangebied een lage tot middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit het laat-paleolithicum tot en met het mesolithicum en een hoge verwachting op archeologische waarden uit zowel de periode neolithicum tot de vroege middeleeuwen als voor de periode late middeleeuwen tot nieuwe tijd. In het bijzonder kunnen resten van een laatmiddeleeuwse landweer worden aangetroffen in het oostelijke deel van het plangebied. De voormalige bijgebouwen en het huidige sportcomplex hebben de bodem naar verwachting minimaal verstoord. In de omgeving van het plangebied is op de hoogtekaart te zien dat er meerdere ontgrondingen hebben plaatsgevonden. In het plangebied hebben dergelijke bodem verstorende werkzaamheden niet plaatsgevonden. Voor het plangebied wordt om bovenstaande redenen een archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Nadat de bestaande bebouwing is gesloopt tot maaiveld, kan er een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven plaatsvinden.

De resultaten van dit onderzoek dienen te worden getoetst door de bevoegde overheid (Gemeente Oss), dat op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat al bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. Het uitgevoerde onderzoek is verricht conform de gestelde eisen en gebruikelijke methoden. Het onderzoek is gericht op het inzichtelijk maken van de toestand van het aanwezige bodemarchief. Hiermee kan de beschadiging dan wel vernietiging als gevolg van de voorgenomen verstoring van een mogelijk aanwezig bodemarchief tot een minimum worden beperkt.

Pagina | 22

AM21549

LITERATUURLIJST Asseldonk, M.M.P. van, 2002: De Meierij van ’s-Hertogenbosch. De evolutie van plaatselijk bestuur, bestuurlijke indeling en dorpsgrenzen, circa 1200-1832, Tilburg Auwerda, F./ P. Grimm, 2008: Verliesregister 1939-1945, Alle militaire vliegtuigverliezen in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog, Den Haag. Bakker, de, H., 1966: ‘De subgroepen van het systeem van bodemclassificatie voor Nederland’, in Boor en spade: verspreide bijdragen tot de kennis van de bodem van Nederland, Wageningen. Bakker, de, H./ J. Schelling, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland, de hogere niveaus. Staring Centrum, Wageningen. Berendsen, H.J.A., 2005: Landschappelijk Nederland, Assen. Berendsen, H.J.A., 2010: Fysisch-geografisch onderzoek, Assen. Berendsen, H.J.A., 2011: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en Geomorfologie, Assen. Berendsen, H.J.A./E. Stouthamer/K.M. Cohen/W.Z. Hoek, 2019: Landschap in delen. De fysisch-geografische regio’s, Utrecht. Berkel, G. van/ K. Samplonius, 2006: Nederlandse plaatsnamen. Herkomst en Historie, Utrecht (Prisma). Blankenstein, van, E., 2006: Defensie- en oorlogsschade in kaart gebracht (1939 – 1945), Zeist. Buijks, H.G.J. en L.P. van den Heuvel, 1987: “Rondom Berghems raadhuis”: van bestuurders, ambtenaren en raadhuizen ±1600-1987, Berghem. Cate, ten, J. A. M./ A. F. van Holst/ H. Kleijer/ J.

Stolp, 1995: Handleiding bodemgeografisch onderzoek, richtlijnen en voorschriften. Deel A: Bodem, Wageningen, DLO-Staring Centrum. Technisch Document 19A. Duivenvoorden, D.D., 2021. Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek aan de Osseweg te Berghem. Leiden: Archol Rapport 592. Fokkens, H., R. Jansen en I. van Wijk (red.) 2005: Het grafveld Oss-Zevenbergen. Een prehistorisch grafveld ontleed (Archol-rapport 50), Leiden. Gemeente Oss, 2013: Archeologiebeleid gemeente Oss –Bijlage 5 (Behoud van het verleden), Oss. Goddijn, M.A., 2012. Actualisatie Archeologiebeleid gemeente Oss. Een herziene archeologische beleidsadvieskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss. Leiden: Archol Rapport 183. Goosens, T.A./ L.G.L. van Hoof, 2008. Proefsleuvenonderzoek langs de Julianastraat te Berghem in plangebied ’t Reut (gemeente Oss). Leiden: Archol Rapport 92. Hemminga, M., 2010. Erven en ontginningen uit de late middeleeuwen in Berghem ’t Reut (gemeente Oss). Een inventariserend veldonderzoek en definitieve opgraving. Leiden: Archol Rapport 139.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=30b13618-bc0b-4f28-abbe-7a1359b40c19