Bijlagen bij de toelichting Papendijk 30A Geffen.PDF
Tekst van het document
Figuur 4.4.1. Op meerdere plekken zijn kieren en gaten aanwezig waardoor vleermuizen de spouw kunnen bereiken.
In het plangebied bevinden zich geen bomen en de bomen rondom het plangebied bevatten geen holtes. De aanwezigheid van boombewonende vleermuissoorten en uilennesten is daardoor uitgesloten. Overige vogelnesten zijn in het plangebied eveneens afwezig. Net buiten het plangebied, op het perceel grenzend aan de oostzijde van het plangebied, bevinden zich twee bomen met een duivennest en een eksternest (zie figuur 4.4.2). Tijdens het veldbezoek werden kauw, ekster, spreeuw en roodborstje waargenomen. Mogelijk broeden er in het broedseizoen algemeen voorkomende vogels zoals de merel in de opgaande vegetaties in het plangebied. Dassenburchten, dassensporen, eekhoornnesten etc. zijn in en rond het plangebied afwezig. In de woning zijn geen uitwerpselen of andere indicaties van de steenmarter waargenomen. De snoeihopen aan de noordzijde van het plangebied kunnen dekking bieden aan wezels, maar het gebied rondom de snoeihopen is ongeschikt als leefgebied omdat het bestaat uit open agrarische gronden zonder enige dekking. Daardoor is het onwaarschijnlijk dat wezels het plangebied (en de geïsoleerde snoeihopen) als habitat gebruiken. Hermelijn en bunzing zijn, wegens de afwezigheid van water, niet te verwachten. Algemene zoogdieren zoals de veldmuis kunnen wel in het plangebied voorkomen. Quickscan natuurwetgeving Papendijk 30A te Geffen 10
Figuur 4.4.2. In twee bomen ten oosten van het plangebied bevinden zich een eksternest (links) en duivennest (rechts).
Figuur 4.4.3. De snoeihopen aan de noordzijde van het plangebied.
Planten, amfibieën en andere soorten In het plangebied zijn alleen algemene, niet beschermde planten waargenomen (zie paragraaf 4.1). Wateren, die als voortplantingshabitat voor amfibieën kunnen dienen, komen niet in het plangebied voor. Het plangebied vormt daarnaast geen geschikt landhabitat voor streng beschermde amfibieënsoorten. Dergelijke soorten zijn daardoor niet in het plangebied te verwachten. De met vegetatie begroeide delen van het plangebied dienen mogelijk wel als landhabitat van enkele algemene amfibieënsoorten zoals de gewone pad. Reptielen en andere soorten, die beschermd zijn onder de Wnb, zijn wegens de aanwezige biotopen niet te verwachten in het plangebied. Tabel 4.4 geeft de beschermde soorten weer die mogelijk in het plangebied voorkomen.
Quickscan natuurwetgeving Papendijk 30A te Geffen 11
Tabel 4.4. Beschermde soorten die mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied hebben. Het beschermingsregime van de soorten in de Wnb is eveneens weergegeven.
Vogels Internationaal Nederlandse naam en wetenschappelijke naam met strenger beschermde beschermd nest soorten X Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) X Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) X Laatvlieger (Eptesicus serotinus) Aardmuis (Microtus agrestis) Huisspitsmuis (Crocidura russula) Veldmuis (Microtus arvalis) Gewone pad (Bufo bufo) Bruine kikker (Rana temporaria)
Overige beschermde soorten
X X X X X
Quickscan natuurwetgeving Papendijk 30A te Geffen 12
5
Mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden
5.1
Natura 2000
Door de voorgenomen werkzaamheden kan verstoring door geluid en beweging optreden. Deze effecten zijn zeer lokaal; bovendien ligt het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ op een afstand van circa 10,7 kilometer van het plangebied. Vanwege de afstand verwachten wij van de voorgenomen werkzaamheden geen direct effect op bovengenoemd Natura 2000-gebied. Het hierboven genoemde Natura 2000-gebied bevat tenminste één stikstofgevoelig habitattype, dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. De sloop van de huidige woning en de bouw en het gebruik van de nieuwe woning zal leiden tot wat stikstofuitstoot. Vanwege de afstand tussen de Natura 2000-gebieden en het plangebied en de beperkte omvang van de ingreep verwachten wij echter geen significant effect op bovengenoemd (en verder van het plangebied gelegen) Natura 2000-gebied.
5.2
Natuurnetwerk Brabant
Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB (‘Droog bos met productie’) ligt op 630 meter ten oosten van het plangebied (zie figuur 4.3). Vanwege de afstand tussen het NNB en het plangebied en vanwege de beperkte omvang van de voorgenomen ingreep, verwachten wij dat de plannen geen effect op het NNB zullen hebben.
5.3
Beschermde planten en dieren
Als gevolg van de werkzaamheden kunnen onderstaande effecten op beschermde flora en fauna optreden: - Bij de werkzaamheden kunnen vaste voortplantings- en of rustplaatsen van algemene beschermde zoogdieren worden verstoord. Individuen kunnen hierbij worden verstoord. - In de hagen rond het plangebied bevinden zich tijdens het broedseizoen mogelijk (beschermde) vogelnesten. Als de werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden gestart, kunnen broedende vogels worden verstoord (hun jongen kunnen hierdoor te lang zijn achtergelaten en eieren kunnen te lang niet zijn bebroed) of gedood. Ook kan het leiden tot sterfte van eieren en jonge vogels. - De woning bevat mogelijk zomer-, kraam-, paar- en/of winterverblijven van verschillende soorten vleermuizen. Door de woning te slopen, verdwijnen mogelijk vaste voortplantings- of rustplaatsen. Eventueel aanwezige vleermuizen kunnen bij de sloop worden gestoord, verwond en/of gedood. - De bomenrij aan Papendijk vormt mogelijk een vliegroute of foerageergebied voor vleermuizen. Indien er vanaf het plangebied buitenverlichting op de bomenrij wordt gericht, kan dit een verstoring van de vliegroute opleveren. In de volgende tabel zijn de mogelijke overtredingen van de verbodsbepalingen van de Wnb weergegeven. In hoofdstuk 6 wordt uitgelegd hoe deze overtredingen kunnen worden voorkomen.
Quickscan natuurwetgeving Papendijk 30A te Geffen 13
Tabel 5.3. Mogelijke overtredingen van algemene verbodsbepalingen van de Wnb. Zie bijlage 1 voor een verklaring van de beschermingscategorieën en een overzicht van alle verbodsbepalingen.
Soort
Beschermingsregime Wnb
Algemene in het plangebied broedende vogels Vleermuizen
Vogels
Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Internationaal beschermde soorten Overige soorten
Art. Art. Art. Art. Art. Art. Art. 3.1 3.1 3.5 3.5 3.5 3.5 3.10 lid 1 lid 2 lid 1 lid 2 lid 3 lid 4 lid 1 X X X
X
X X
Artikel 3.1 (m.b.t. Vogels) - lid 1: het opzettelijk doden en vangen van vogels - lid 2: het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten Artikel 3.5 (m.b.t. Internationaal beschermde soorten): - lid 1: het opzettelijk doden of vangen van soorten - lid 2: het opzettelijk verstoren van soorten - lid 3: het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van soorten - lid 4: het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van soorten Artikel 3.10 lid 1 (m.b.t. A-soorten): het is verboden (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen; en De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb).
Quickscan natuurwetgeving Papendijk 30A te Geffen 14
6
Conclusies en aanbevelingen
6.1
Natura 2000
De plannen zullen naar onze mening waarschijnlijk geen effect op de natuurwaarden in Natura 2000gebieden hebben. Om elk risico uit te sluiten, is het echter te overwegen de te verwachten stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te laten bepalen. Indien daaruit blijkt dat er een significante toename is te verwachten, is er een vergunning nodig op grond van de Wnb.
6.2
Natuurnetwerk Brabant
De sloop van de woning, de bouw van de nieuwe woning en de ingebruikname van de woning hebben waarschijnlijk geen negatieve effecten op het NNB. Omdat er geen negatieve effecten op het NNB zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid.
6.3
Beschermde planten en dieren
Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën: vrijstelling In het plangebied komen mogelijk enkele algemene zoogdieren voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Noord-Brabant een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Algemene voorkomende vogels In de hagen rond het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de sloop- en bouwwerkzaamheden buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te starten.
Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Vleermuizen: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf De te slopen woning bevat mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen van dit gebouw kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2021) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 5 onderzoeksronden nodig: 3 ronden (2 avonden en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de kraamtijd 15 mei – 15 juli (waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee avonden en tussen één avond en de ochtend); 2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de paartijd (15 augustus – 1 oktober, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken). Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient er een ontheffing op de Wnb te worden aangevraagd. Ook dient de functionaliteit van het plangebied te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden.
Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuizenonderzoek alvast vleermuiskasten tegen nabijgelegen gebouwen op te hangen. Gewone dwergvleermuizen hebben bijvoorbeeld de tijd nodig Quickscan natuurwetgeving Papendijk 30A te Geffen 15
om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn (BIJ12, 2017). Het is daarom beter om voor zekerheid te gaan en alvast 4 vleermuiskasten op te hangen van types als VK WS 02, VK MP 05, VK PL 04 (te bestellen bij vivarapro.nl), Beaumaris maxi (te bestellen bij vivara.nl) of VMT1, VMT1a, VMTH1 (te bestellen bij unitura.nl). Dit dient te gebeuren aan niet te slopen panden binnen een straal van 200 meter van het plangebied (BIJ12, 2017), onder begeleiding van een deskundige. Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn die door de sloopwerkzaamheden zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen. De voorgenoemde type vleermuiskasten zijn uitwendige modellen, die in principe niet geschikt zijn als permanente vervanging. Indien blijkt dat er in de te slopen woning vleermuisverblijven aanwezig zijn, dan dient er een veelvoud van het aantal gevonden vleermuisverblijven in de nieuwe situatie te worden gerealiseerd. Vleermuiskasten die geschikt zijn om te dienen als permanente vervanging, dienen zich inwendig in het gebouw te bevinden. Het gaat om typen als Vivara IB VL 06 Inbouwsteen, waarvan er meerdere aan elkaar kunnen worden gekoppeld tot kraamverblijf.
Een goedkoper en beter alternatief bestaat uit het maken van een open stootvoeg van minstens 2 cm breed, waarbij er in de achterliggende spouw een stuk geplastificeerd volièregaas van 2 bij 1 meter wordt geplaatst waaraan de vleermuizen kunnen hangen. Vleermuizen: foerageergebied en vliegroutes De bomenrij aan de Papendijk fungeert mogelijk als vaste vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen. Deze bomen blijven behouden maar om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van deze bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen (Zoogdiervereniging, 2011) of rood licht (Spoelstra et al, 2017).
Quickscan natuurwetgeving Papendijk 30A te Geffen 16
Literatuur • • • • •
• •
BIJ12. 2017b. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 1.0. BIJ12, Utrecht. Ministerie van Economische Zaken. 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Provinciale staten van Noord-Brabant. 2016. Verordening van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels ter bescherming van de natuur (Verordening natuurbescherming Noord-Brabant). Provincie Noord-Brabant. 2016. Nieuwsbrief Wet natuurbescherming, december 2016. Spoelstra, K, R.H.A. van Grunsven, J.J.C. Ramakers, K.B. Ferguson, T. Raap, M. Donners, E.M. Veenendaal en M. E. Visser. 2017. Response of bats to light with different spectra: lightshy and agile bat-presence is affected by white and green, but not by red light. The Royal Society Publishing. www.rspb.royalsocietypublishing.org Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging. 2021. Vleermuisprotocol 2021, januari 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl. Zoogdiervereniging, 2011. Een vleermuisvriendelijke kleur voor verlichting. www.zoogdiervereniging.nl/een-vleermuisvriendelijke-kleur-voor-verlichting
Quickscan natuurwetgeving Papendijk 30A te Geffen 17
Bijlage 1: Toelichting per beschermingsregime Vogels Verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden Het beschermingsregime voor vogels is neergelegd in de artikelen 3.1 tot en met 3.4 van de Wnb. Deze bepalingen gelden voor alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Op grond van de artikelen 3.1 en 3.2 gelden voor deze vogels de volgende verboden: • het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1 Wnb) • het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2 Wnb) • het rapen en houden van eieren (artikel 3.1 lid 3 Wnb) • het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (artikel 3.1 lid 4 en 5 Wnb) • het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 1 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 6 Wnb); • het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met – kort gezegd – verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn genoemde vervoermiddelen overeenkomstig
de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze (artikel 3.4 lid 1 Wnb). Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde schadelijke handelingen verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming kan worden verleend door middel van een ontheffing of vrijstelling. Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde staten (‘GS’) kunnen van vrijwel alle hierboven omschreven verboden ontheffing verlenen. Provinciale staten (‘PS’) kunnen daarnaast bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden. Voor een paar specifieke verboden is de minister van Economische Zaken (de ‘minister’) het bevoegd gezag, namelijk de verboden die zien op de verkoop en het vervoer van vogels. Indien een afwijking van een verbodsbepaling wordt toegestaan, moet daarbij in ieder geval worden bepaald op welke soort de afwijking betrekking heeft, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en welke voorwaarden gelden ter beperking van de risico’s en met betrekking tot het tijdstip en de plaats van de handeling. Daarnaast moet voor de verlening van een ontheffing of vrijstelling aan een aantal cumulatieve criteria zijn voldaan.
Dit betekent dat er: • geen andere bevredigende oplossing mag bestaan, • de maatregelen niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort en • de ontheffing nodig is in verband met één van de volgende zes gronden: - het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; - ter bescherming van flora of fauna; - voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt; of - om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Quickscan natuurwetgeving Papendijk 30A te Geffen 18
Internationaal beschermde soorten Internationaal beschermde soorten zijn strikt beschermd Deze soorten worden in de praktijk vaak aangeduid als de ‘strikt beschermde soorten’, omdat voor deze soorten alleen onder strikte voorwaarden ontheffing van een verbodsbepaling kan worden verkregen. Bekende voorbeelden van habitatsoorten zijn de drijvende waterweegbree, de rugstreeppad en de zandhagedis. Verbodsbepalingen De belangrijkste verboden uit de Wnb zijn: • het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 1 Wnb) • het opzettelijk verstoren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 2 Wnb) • het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 3 Wnb) • het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 4 Wnb) • het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 5 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, onder zich hebben of vervoeren van habitatsoorten (artikel 3.6 lid 2 Wnb). Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde Staten kunnen van deze verboden ontheffing verlenen en Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3.8 lid 2 en 3.9 lid 2 Wnb).
Er is een aantal (cumulatieve) criteria (opgesomd in artikel 3.8 lid 5 Wnb) om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen; deze worden slechts verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets); • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich
te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Quickscan natuurwetgeving Papendijk 30A te Geffen 19
Overige beschermde soorten Algemeen Overige beschermde soorten zijn niet beschermd vanwege de Europese wet- en regelgeving. Het gaat hier om de in het wild levende diersoorten die worden genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wnb. Voorbeelden zijn de hermelijn en de wezel (‘A-soorten’). Daarnaast worden vaatplanten beschermd van de soorten die worden genoemd in onderdeel B in de bijlage bij de Wnb, zoals de akkerboterbloem en de muurbloem (‘B-soorten’). Uit de wetsgeschiedenis is gebleken dat het nodig is om deze soorten bij wet aan te wijzen, omdat zij niet voldoende worden beschermd door enkel de zorgplicht. Het gaat daarbij in het bijzonder om soorten die in Nederland in hun voortbestaan worden bedreigd. Op de bijlagen zijn dan ook bijvoorbeeld de Rode Lijst-soorten aangewezen. Verboden handelingen Het is verboden op grond van artikel 3.10 lid 1 Wnb: (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en (c) B-soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb). Voor deze overige soorten gelden dus minder verboden dan voor de strikt beschermde soorten. Zo is bijvoorbeeld het (opzettelijk) verstoren van soorten niet verboden. Ruimere afwijkingsmogelijkheden Voor de overige soorten gelden bovendien ruimere afwijkingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten. Artikel 3.8 Wnb (dat de afwijkingsmogelijkheden voor Habitatsoorten bepaalt) is grotendeels van overeenkomstige toepassing op de overige soorten.
Dit betekent dat een ontheffing of vrijstelling slechts wordt verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets); • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling
vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Anders dan voor Habitatsoorten, kan voor de overige soorten ook ontheffing of vrijstelling worden verleend als dit noodzakelijk is (artikel 3.8 lid 2): - in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; Quickscan natuurwetgeving Papendijk 30A te Geffen 20
-
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of ten behoeve van het algemeen belang.
Overzicht verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Ministerie van Economische Zaken, 2016)
Quickscan natuurwetgeving Papendijk 30A te Geffen 21
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 93 van 552 ontw erp
Bijlage 6 Archeologisch bureau- en verkennend onderzoek
ARCHEOLOGISCH BUREAU- EN VERKENNEND BOORONDERZOEK PAPENDIJK 30A TE GEFFEN GEMEENTE OSS
Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Papendijk 30a te Geffen Opdrachtgever
Factum Firmitas Mgr. Suijsstraat 20 5375 AG Reek
Rapportnummer
15722.001
Versienummer1
2
Datum
20 september 2021
Vestiging
Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl
Opsteller
Mevrouw J.A.M. Reynaert, MSc en de heer drs. M. Stiekema
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer drs. A.H. Schutte
Paraaf
© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid. 1
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode
15722.001
Toponiem
Papendijk 30a
Opdrachtgever
Factum Firmitas
Gemeente
Oss
Plaats
Geffen
Provincie
Noord-Brabant
Kadastrale gegevens
Gemeente Geffen, sectie C, perceelnummer 5422
Omvang plangebied
circa 1.020 m2
Kaartblad
45E (1:25.000)
Coördinaten centrum plangebied
X: 160.442/Y: 415.584
Bevoegde overheid
Gemeente Oss Raadhuislaan 2 5341 GM Oss
ARCHIS3
Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)
Contactpersoon: mevr. M. Peeters Stadsarcheoloog gemeente Oss T: 14 0412 E: M.Peeters@oss.nl
5071137100
Archeoregio NOaA
Brabants zandgebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Swalmen/ Provinciaal Archeologisch Depot Noord-Brabant
Uitvoerders
Econsultancy, mevrouw J.A.M. Reynaert, MSc en de heer drs. M. Stiekema
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Factum Firmitas in mei 2021 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Papendijk 30a te Geffen in de gemeente Oss. In het plangebied zal een nieuwbouw woning worden gerealiseerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Voor het plangebied geldt een hoge archeologische verwachting voor het Neolithicum, een middelhoge verwachting voor de Bronstijd en de IJzertijd en een hoge verwachting voor de Late-Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Voor de periodes van het (Laat-)Paleolithicum, het Mesolithicum, de Romeinse tijd en de Vroege-Middeleeuwen geldt een lage archeologische verwachting.2 Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat de bovengrond in het plangebied is verstoord tot een diepte van 70 tot 170 centimeter onder het maaiveld.
Bij vier van de zes boringen werd direct onder het verstoorde pakket de C-horizont aangetroffen. In een van deze boringen was duidelijk dat de top van de C-horizont was verstoord. In slechts één boring werd nog een restant van de oorspronkelijke podzolbodem aangetroffen. Deze podzolbodem was echter tot in de B-horizont afgetopt en niet langer volledig intact. De top van de C-horizont werd intact aangetroffen op 85 centimeter onder het maaiveld. Uit vergelijking met boring 5 blijkt dat de top van de C-horizont in de overige boringen 15 tot 105 centimeter is verstoord.
19-8-2021: Deze verwachting is gebaseerd op de paleogeografische kaarten van Vos et al. 2018. Naar aanleiding van de beoordeling van de gemeentelijk archeoloog M. Peeters is er contact geweest over de verwachting die afwijkt van de beleidskaart van de gemeente Oss. Tot op heden zijn weinig aanwijzingen dat er vlakdekkend veengebieden aanwezig waren in Geffen, waardoor de gemeentelijk archeoloog niet akkoord gaat met de lage verwachting voor de Romeinse tijd en VroegeMiddeleeuwen. 2
Rapport 15722.001 versie 2
Deze verstoorde laag is te relateren aan de sloop van de voormalige 19 e-eeuwse woning die zich in het westen van het plangebied bevond. Deze woning, en de terp waarop het gelegen was, zijn in de jaren ‘60 van de vorige eeuw gesloopt. Het puin van de woning en de restanten van de terp zijn in een put in het oosten van het plangebied gedumpt. Door de aanleg van deze put zal de ondergrond op deze locatie vermoedelijk volledig zijn verstoord. Binnen de rest van het plangebied heeft de sloop ervoor gezorgd dat de oorspronkelijke bodem tot een diepte van 70 tot 170 centimeter is verstoord. Conclusie Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, naar beneden bijgesteld. Er geldt een lage archeologische verwachting voor alle periodes. Advies Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy. Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Oss). Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen.
Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed3).
3 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 15722.001 versie 2