Bijlagen bij de toelichting Papendijk 30A Geffen.PDF
Tekst van het document
WIJZIGINGSPLAN Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020
Bijlagen bij toelichting
Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 2 van 552 ontw erp
Inhoudsopgave
Bijlagen bij toelichting
3
Bijlage 1
Bouwplan
4
Bijlage 2
Landschappelijke inpassing
6
Bijlage 3
Onderzoek stikstofdepositie
8
Bijlage 4
Quickscan Wet natuurbescherming
36
Bijlage 5
Aanvullende quickscan Wet natuurbescherming
70
Bijlage 6
Archeologisch bureau- en verkennend onderzoek
93
Bijlage 7
Selectiebesluit archeologie
152
Bijlage 8
Watertoets
158
Bijlage 9
Verkennend bodemonderzoek
160
Bijlage 10
Aanvullend asbestonderzoek
245
Bijlage 11
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
281
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 3 van 552 ontw erp
Bijlagen bij toelichting
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 4 van 552 ontw erp
Bijlage 1 Bouwplan
rood bruin (genuanceerd) donkergrijs, iets terugliggend
omkadering voordeur: uitmetselen en stucen in kleur als gevelplint
Voorgevel
baksteen wf. zand cement
Rechter zijgevel
Achtergevel
w.t. 2500+
1500+
Linker zijgevel
NIEUWE TOESTAND
33
Afwerkstaat : buitengevel voegwerk RAL 9010 RAL 9010 transparant
w.c. Badk.
Slaapk.
P
PA
hardhout hardhout HR++ triple
kleding
d. Overl.
41
gevelkozijnen, ramen buitendeuren beglazing
duiven verblijf van Schijndel
1500+
2500+
Slaapk.
vlizo
Slaapk. 2500+
Bergr. 2500+
1500+
Slaapk.
1500+
11800
1e Verdieping 1:50
IJK
D EN
35 37
ste erwoe uw o rand v door b ning + aanb wo
C 5422
BESTAANDE TOESTAND Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2019 Functieaanduiding: persoonsgebonden overgangsrecht Papendijk 30a
8800
blauw gesmoord zwart, gezoet zwart grijs gebr. wit RAL 9010
1000x2000
Woonkamer
4900
30 A
V.H. dakpannen hardsteen bitumineus gecoat zink niet uitlogend garantie Multiplex
11800
Keuken
provisie kast onder trap
11800
PA
P
D EN
IJK 41
35 37 3685 4415
33
Begane Grond 1:50
2120
Hal.
Toil.
m.k.
Bij keuken
3880
Studeer~Speelk.
TECHNIEK
4175
hellend dak raamdorpels plat dak dakgoot, hwa's boeiboorden, overstekken
9020
30 A
C 5422
WOONBESTEMMING EN BOUWBLOK VOLGENS NADERE OPGAVE.
8735+P.
nokhoogte
hoofdbouw: 640 m3 tuinkamer: 40,5 m3 erker: 17,7 m3
o.k. muurplaat
3600+P.
Peil=0
1e verdieping
zolderverd.
begane grond
bouwkundig tekenbureau
T. 0486-463158
M. 06 1513 7996
Schutsboomstraat 92 5374 CD Schaijk
E. info@paulvanhout.nl www.paulvanhout.nl
: 06 5120 8787 : bartjesammy@hotmail.com
opdrachtgever : dhr. B. van Erp Papendijk 30a 5386 ED Geffen
Mob. E-mail
B.01
datum : 25-05-2021 schaal : 1:100 1:50 form. : A1 : wijz. : wijz : wijz.
Papendijk 30a, 5386 ED te Geffen.
Vervangende nieuwbouw woning na calamiteit
Gemeente: Oss Plaatselijk bekend: Geffen Kadastraal sectie Sectie C nr. 5422 Opp. kavel 1022 m²
Situatie
800-P.
Basis doorsnede
2600
Paul van Hout
1500+
2390
2600
duiven verblijf van Schijndel
1500+
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 6 van 552 ontw erp
Bijlage 2 Landschappelijke inpassing
5
10
15
20
25m
N
C
C
C
C D
Bestaande inrit handhaven
J216595 20211025 Inrichting Papendijk 30A, Geffen
B
dijk
0
Algemeen: bomen verankeren middels twee boompalen per boom.
E: Boomcluster sierbomen 2e grootte Ruwe berk (Betula pendula). Aanplant maat 16 - 18.
D: Solitaire Sierboom 2e grootte Lijsterbes (sorbus aucuparia). Aanplant maat 18 - 20.
C: Aanplanten lage beukenhaag (fagus sylvatica) +-80cm hoog. 5 stuks per meter. Aanplant maat 60 - 80.
B: Aanbrengen infiltratiesloot met een minimale capaciteit van 3m³
Buitenzijde laten begroeien met klimop (hedera hibernica). 3 stuks per meter. Maat 80 - 100 gestokt. Bij aanplant losknippen van stok, laten geleiden langs kokos geluidscherm en vastzetten.
A: geluidscherm uitgevoerd in kokosvezels. oplopend van 1,5m hoogte naar 2m hoogte achterop het perceel, waarbij geldt dat de hoogte van de eerste 7,5 meter van het scherm 1,5 m bedraagt. Vanaf 7,5 meter loopt de hoogte van de schermen op tot 2 meter.
Beplantingsplan
A
en Pap E
E
B
Infiltratiesloot minimale capaciteit 3m³
Te slopen bebouwing
Nieuwe woning. Plaatsing op perceel 11 meter uit voorste perceelgrens. Situering in het midden van de perceelbreedte
A
Voortuin
A
Achtertuin
E
D
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 8 van 552 ontw erp
Bijlage 3 Onderzoek stikstofdepositie
ONDERZOEK STIKSTOFDEPOSITIE PAPENDIJK 30A TE GEFFEN
Onderzoek stikstofdepositie Papendijk 30a te Geffen Opdrachtgever
Factum Firmitas Mgr. Suijsstraat 20 5375 AG Reek
Rapportnummer Versienummer Datum Vestiging
15722.003 D1 28 mei 2021 Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl
Opsteller
De heer R.M.P. Bouten, MSc 06-36074310 R.Bouten@econsultancy.nl
Paraaf
Kwaliteitscontrole Paraaf
De heer M.D.Y. Burgmans, BSc
INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING .................................................................................................................................. 1 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 2
2
TOETSINGSKADER ................................................................................................................... 3 2.1
3
UITGANGSPUNTEN .................................................................................................................. 4 3.1
3.2 4
Geen significante toename ............................................................................................... 3
Aanlegfase ........................................................................................................................ 4 3.1.1 Mobiele werktuigen ............................................................................................ 4 3.1.2 Verkeersbewegingen .......................................................................................... 4 Gebruiksfase..................................................................................................................... 6 3.2.1 Verkeersbewegingen .......................................................................................... 6
BEREKENINGSRESULTATEN EN TOETSING ........................................................................ 7
BIJLAGEN: 1. - Invoergegevens mobiele werktuigen aanlegfase 2. - AERIUS-berekening projecteffect aanlegfase 3. - AERIUS-berekening projecteffect gebruiksfase 15722.003
SAMENVATTING Aan de Papendijk 30a te Geffen is men voornemens de bestaande panden te slopen en een nieuwbouwwoning te realiseren. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek noodzakelijk naar de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. In zowel de Habitat- als de Vogelrichtlijn zijn de gebieden opgenomen welke als Natura 2000-gebied worden aangemerkt. Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De relevante emissies van stikstofoxiden (NO x) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de af- en aanvoer van materialen, het vervoer van personeel en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de sloop en constructie. De relevante emissies tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan. De berekening van het projecteffect van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2020). Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar.
Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten.
R 15722.003 versie D1
Pagina 1 van 7
1
INLEIDING
Aan de Papendijk 30a te Geffen is men voornemens de bestaande panden te slopen en een nieuwbouwwoning te realiseren. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek noodzakelijk naar de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. In figuur 1.1 is de situering van het plan en de omliggende Natura 2000-gebieden weergegeven.
Figuur 1.1
Situering plan en omliggende Natura 2000-gebieden
Het plan is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. Het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ ligt op circa 11 kilometer afstand het meest nabij het plan. Op circa 12 km en 19 km afstand liggen respectievelijk tevens de Natura 2000-gebieden ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ en ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’.
R 15722.003 versie D1
Pagina 2 van 7
2
TOETSINGSKADER
De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. In zowel de Habitat- als de Vogelrichtlijn zijn de gebieden opgenomen welke als Natura 2000-gebied worden aangemerkt. Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. 2.1 Geen significante toename Het beoogde plan mag in beginsel geen negatieve effecten veroorzaken op de omliggende Natura 2000-gebieden. Met het voorgeschreven programma AERIUS Calculator wordt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten.
R 15722.003 versie D1
Pagina 3 van 7
3
UITGANGSPUNTEN
Zowel de aanleg- als de gebruiksfase van het plan kunnen negatieve gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen binnen omliggende beschermde natuurgebieden. De projecteffecten van beide fases dienen inzichtelijk te worden gemaakt. 3.1 Aanlegfase Met het plan wordt de sloop van de bestaande panden en de bouw van een nieuwe woning mogelijk gemaakt. De relevante emissies van stikstofoxiden (NO x) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de af- en aanvoer van materialen, het vervoer van personeel en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de sloop en constructie. De aanlegfase betreft een tijdelijke ontwikkeling en zal minder dan één jaar duren. De werkzaamheden zullen in 2021 worden uitgevoerd. 3.1.1 Mobiele werktuigen De benodigde gegevens (bouwjaar, brandstof, vermogen en draaiuren) voor de aanlegfase zijn, op aangeven van de opdrachtgever, bepaald aan de hand van bij Econsultancy bekende projecten. De emissiefactoren van de werktuigen zijn tevens gebaseerd op het in AERIUS Calculator opgenomen kentallen. De totale hoeveelheid draaiuren bestaat uit zowel gebruiks- als stationaire uren. Gemiddeld draait een mobiel werktuig 30% stationair van de totale hoeveelheid draaiuren 1. De emissies ten gevolge van het stationair draaien van de mobiele werktuigen zijn berekend conform de Instructie gegevensinvoer AERIUS1.
Voor de aanlegfase is de inzet van de in bijlage 1 opgenomen mobiele werktuigen voorzien. De totale emissie mag in de praktijk niet hoger zijn dan in de AERIUS berekening (zie bijlage 2) staat weergegeven. Met betrekking tot de inzet van materieel is een worstcasescenario gehanteerd waarbij zowel de draaiuren als emissiefactoren in de praktijk waarschijnlijk lager zullen uitvallen. 3.1.2 Verkeersbewegingen Naast de inzet van werktuigen vinden er ook verkeersbewegingen plaats voor het vervoer van materialen en personen van en naar het plan. Op basis van soortgelijke projecten wordt dat er voor de gehele aanlegfase maximaal 1.000 lichte, 200 middelzware en 200 zware verkeersbewegingen plaats zullen vinden. In het onderhavig onderzoek is een volledige ontsluiting in zuidelijke richting over de Papendijk, tot aan de rotonde met de Rijksweg, gehanteerd. Een criterium voor wanneer verkeer in het heersende verkeersbeeld is opgenomen wordt gegeven in de instructie 1, namelijk: ‘op het moment dat het aanen afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Hierbij weegt ook mee hoe de verhouding is tussen de hoeveelheid verkeer dat door de voorgenomen ontwikkeling wordt aangetrokken en het reeds op de weg aanwezige verkeer.
In de regel wordt het verkeer meegenomen tot het zich verdund heeft tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer.’ De verkeersintensiteit op de Papendijk ligt met meer dan 4.000 motorvoertuigen per etmaal2 vele malen hoger dan de maximale verkeersgeneratie van de aanlegfase (weekdaggemiddeld). Het verkeer zal derhalve ter hoogte van de rotonde met de Rijksweg volledig zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld.
1 Expertiseteam Stikstof en Natura 2000, Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2020, Versie 2020 3.0 2 NSL monitoringskaart 2020, peiljaar 2020, verkregen van https://www.nsl-monitoring.nl/viewer/.
R 15722.003 versie D1
Pagina 4 van 7
Wanneer het verkeer berekend wordt volgens de standaard invoermethode en rekenmethodiek in AERIUS, wordt de depositie niet berekend op Natura 2000-gebieden verder dan 5 kilometer van de gemodelleerde bron. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Rijntakken’, ligt op meer dan 5 kilometer van het plangebied. Derhalve is het verkeer niet volgens de standaard rekenmethodiek ingevoerd. Er is gebruik gemaakt van de sector ‘anders’, subsectie (licht/zwaar) verkeer. Op deze manier wordt de depositie wel voor gebieden verder dan 5 kilometer berekend. De ingevoerde emissies zijn bepaald door het aantal verkeersbewegingen in te voeren volgens de standaardrekenmethodiek en deze emissies vervolgens bij de sector ‘anders’ in te voeren. De overige emissiekenmerken zijn bepaald aan de hand van kengetallen en expert judgement. Uit indicatieve berekeningen blijkt dat de ‘anders’-bron, met de gehanteerde parameters, een overschatting maakt van de depositie ten opzichte van de ‘wegverkeer’-bron. In figuur 3.1 zijn de emissiebronnen van de aanlegfase weergegeven. Bron 1 en 2 betreffen de emissies ten gevolge van de mobiele werktuigen (actief en stationair). Bron 3, 4 en 5 betreffen de emissies van het bouwverkeer waarbij bron 3 is ingevoerd volgens de standaard rekenmethodiek en bron 4 en 5 als sector ‘anders’.
Figuur 3.1
Emissiebronnen aanlegfase
R 15722.003 versie D1
Pagina 5 van 7
3.2 Gebruiksfase Met het plan wordt de realisatie van een vrijstaande nieuwbouwwoning mogelijk gemaakt. De nieuwbouw zal niet worden aangesloten op het gasnet. De relevante emissies van stikstofoxiden (NO x) en ammoniak (NH3) tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan. Voor de berekening van de gebruiksfase is uitgegaan van het rekenjaar opvolgend aan de aanlegfase (2022). 3.2.1 Verkeersbewegingen De verkeersgeneratie is berekend aan de hand van de CROW-publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren en verkeersgeneratie. De gemeente Oss is conform de demografisch kencijfers van het CBS, aan te merken als een matig stedelijke gemeente. De locatie van het plan is gelegen in de stedelijke zone ‘buitengebied’. In tabel 3.2 is de volledige berekening van de verkeersgeneratie van de vrijstaande woning opgenomen. Tabel 3.1 verkeersgeneratie plan
functie koop, vrijstaand
plan 1 woning
eenheid 1 woning
verkeersgeneratie per eenheid min max 7,8 8,6
verkeersgeneratieplan min max gem 7,8 8,6 8,2
Uitgaande van de maximale bandbreedte genereert het plan 8,6 verkeersbewegingen per weekdag. Hierbij wordt een worstcasescenario gehanteerd waarbij er wordt uitgegaan van 7,6 lichte verkeersbewegingen en gemiddeld 1 middelzware voertuigbeweging per weekdag. Voor de ontsluiting en de modellering van het verkeer wordt verwezen naar paragraaf 3.1.2. In figuur 3.2 zijn de emissiebronnen van de gebruiksfase weergegeven. Bron 1, 2 en 3 betreffen de emissies van het wegverkeer waarbij bron 1 is ingevoerd volgens de standaard rekenmethodiek en bron 2 en 3 als sector ‘anders’ (zie toelichting paragraaf 3.1.2).
Figuur 3.2
Emissiebronnen gebruiksfase
R 15722.003 versie D1
Pagina 6 van 7
4
BEREKENINGSRESULTATEN EN TOETSING
De berekening van het projecteffect van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2020). Onderstaand zijn de screenshots van de berekeningsresultaten weergegeven. In bijlage 2 en 3 zijn de AERIUS berekeningen van respectievelijk de aanlegfase en de gebruiksfase opgenomen.
Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof.
R 15722.003 versie D1
Pagina 7 van 7
BIJLAGE 1. Invoergegevens mobiele werktuigen aanlegfase
200
200
210
450
200
210
80
10
2006 diesel
2002 diesel
2002 diesel
2002 diesel
2002 diesel
2006 diesel
2003 diesel
2002 benzine
graafmachine
(sloop)kraan
boor/heistelling
betonmixer/storter
mobiele kraan
hoogwerker
trilplaat
bouwj brand vermoge aar stof n (kW)
shovel
type werktuig
40%
55%
61%
69%
69%
61%
69%
55%
40
80
80
20
20
40
40
40
motorbel aantal draaiuren asting tijdens (%) aanlegfase
28
56
56
14
14
28
28
28
12
24
24
6
6
12
12
12
aantal aantal actieve/belaste stationaire draaiuren (70%) draaiuren (30%)
0.00055
0.00253
0.00242
0.00285
0.00285
0.00244
0.00249
0.00278
NH3
totale emissies stationair
1.3
4.9
4.8
5.7
5.7
4.9
4.5
5.2
NOx
emissiefactoren belast/actief
NOx 12.83
13.9
13.9
14.2
13.9
13.9
13.9
13.9
14.2
NOx
NH3 0.0031
0.003439
0.003439
0.003308
0.003439
0.003439
0.003439
0.003439
0.003308
NH3
emissiefactoren stationair
BIJLAGE 2. AERIUS-berekening projecteffect aanlegfase
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening aanlegfase Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RSzMfg9gpJdE (27 mei 2021) pagina 1/7
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Econsultancy
Papendijk 30a, 5386 ED Geffen
Omschrijving
AERIUS kenmerk
Nieuwbouw Papendijk 30a
RSzMfg9gpJdE
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
27 mei 2021, 10:17
2021
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Toelichting
Resultaten
Situatie 1
NOx
147,06 kg/j
NH3
< 1 kg/j
Natuurgebied
Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
projecteffect ten gevolge van de aanlegfase (sloop en nieuwbouw) van een vrijstaande woning.
aanlegfase
RSzMfg9gpJdE (27 mei 2021) pagina 2/7
Resultaten
Locatie aanlegfase
Emissie aanlegfase
Resultaten
Bron Sector
aanlegfase
Emissie NH3
Emissie NOx
mobiele werktuigen Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
< 1 kg/j
133,42 kg/j
mobiele werktuigen (stationair) Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
< 1 kg/j
12,83 kg/j
(bouw)verkeer Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
< 1 kg/j
< 1 kg/j
(bouw)verkeer licht Anders... | Anders...
-
< 1 kg/j
(bouw)verkeer middelzwaar + zwaar Anders... | Anders...
-
< 1 kg/j
RSzMfg9gpJdE (27 mei 2021) pagina 3/7
Resultaten
Emissie (per bron)
Naam Locatie (X,Y)
aanlegfase
NOx NH3
Resultaten
Voertuig
Omschrijving
AFW
mobiele werktuigen 160441, 415585 133,42 kg/j < 1 kg/j
Uitstoot hoogte (m)
Spreiding (m)
Warmte Stof inhoud (MW)
Emissie
shovel
4,0
2,0
0,0 NOx NH3
16,02 kg/j < 1 kg/j
AFW
graafmachine
4,0
2,0
0,0 NOx NH3
17,39 kg/j < 1 kg/j
AFW
(sloop)kraan
4,0
2,0
0,0 NOx NH3
17,58 kg/j < 1 kg/j
AFW
boor-/heistelling
4,0
2,0
0,0 NOx NH3
24,78 kg/j < 1 kg/j
AFW
betonmixer/-storter
4,0
2,0
0,0 NOx NH3
11,01 kg/j < 1 kg/j
AFW
mobiele kraan
4,0
2,0
0,0 NOx NH3
34,43 kg/j < 1 kg/j
AFW
hoogwerker
4,0
2,0
0,0 NOx NH3
12,07 kg/j < 1 kg/j
AFW
trilplaat
2,0
1,0
0,0 NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
aanlegfase
RSzMfg9gpJdE (27 mei 2021) pagina 4/7
Resultaten
mobiele werktuigen (stationair) 160441, 415585 12,83 kg/j < 1 kg/j
Naam
Locatie (X,Y) NOx NH3
Voertuig
Omschrijving
AFW
emissies stationaire draaiuren (totaal)
Uitstoot hoogte (m)
Spreiding (m)
Warmte Stof inhoud (MW)
Emissie
4,0
2,0
0,0 NOx NH3
12,83 kg/j < 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
(bouw)verkeer 160432, 415508 < 1 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
1.000,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Middelzwaar vrachtverkeer
200,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
200,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
(bouw)verkeer licht Locatie (X,Y) 160432, 415508 Uitstoothoogte 0,2 m Temperatuur emissie 11,85 °C Uittreeddiameter 0,1 m Uittreedrichting Horizontaal geforceerd Uittreedsnelheid 5,0 m/s Temporele variatie Licht verkeer NOx < 1 kg/j Naam
Resultaten
aanlegfase
RSzMfg9gpJdE (27 mei 2021) pagina 5/7
Resultaten
(bouw)verkeer middelzwaar + zwaar Locatie (X,Y) 160432, 415508 Uitstoothoogte 0,2 m Temperatuur emissie 11,85 °C Uittreeddiameter 0,1 m Uittreedrichting Horizontaal geforceerd Uittreedsnelheid 5,0 m/s Temporele variatie Zwaar verkeer NOx < 1 kg/j Naam
Resultaten
aanlegfase
RSzMfg9gpJdE (27 mei 2021) pagina 6/7
Resultaten
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2020_20210525_2040287d5b Database versie 2020_20210525_2040287d5b Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020
Resultaten
aanlegfase
RSzMfg9gpJdE (27 mei 2021) pagina 7/7
BIJLAGE 3. AERIUS-berekening projecteffect gebruiksfase
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening gebruiksfase Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. Ru8BGbiy7DkW (27 mei 2021) pagina 1/5
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Econsultancy
Papendijk 30a, 5386 ED Geffen
Omschrijving
AERIUS kenmerk
Nieuwbouw Papendijk 30a
Ru8BGbiy7DkW
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
27 mei 2021, 10:18
2022
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Toelichting
Resultaten
Situatie 1
NOx
< 1 kg/j
NH3
< 1 kg/j
Natuurgebied
Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
projecteffect ten gevolge van de gebruiksfase van een vrijstaande woning.
gebruiksfase
Ru8BGbiy7DkW (27 mei 2021) pagina 2/5
Resultaten
Locatie gebruiksfase
Emissie gebruiksfase
Bron Sector
Emissie NH3
Emissie NOx
< 1 kg/j
< 1 kg/j
wegverkeer licht Anders... | Anders...
-
< 1 kg/j
wegverkeer middelzwaar Anders... | Anders...
-
< 1 kg/j
wegverkeer Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
Resultaten
gebruiksfase
Ru8BGbiy7DkW (27 mei 2021) pagina 3/5
Resultaten
Emissie (per bron)
Naam Locatie (X,Y)
gebruiksfase
NOx NH3
Soort
Voertuig
Standaard
Standaard
wegverkeer 160432, 415508 < 1 kg/j < 1 kg/j
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Licht verkeer
7,6 / etmaal NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Middelzwaar vrachtverkeer
1,0 / etmaal NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
wegverkeer licht 160432, 415508 Uitstoothoogte 0,2 m Temperatuur emissie 11,85 °C Uittreeddiameter 0,1 m Uittreedrichting Horizontaal geforceerd Uittreedsnelheid 5,0 m/s Temporele variatie Licht verkeer NOx < 1 kg/j Naam
Locatie (X,Y)
wegverkeer middelzwaar Locatie (X,Y) 160432, 415508 Uitstoothoogte 0,2 m Temperatuur emissie 11,85 °C Uittreeddiameter 0,1 m Uittreedrichting Horizontaal geforceerd Uittreedsnelheid 5,0 m/s Temporele variatie Zwaar verkeer NOx < 1 kg/j Naam
Resultaten
gebruiksfase
Ru8BGbiy7DkW (27 mei 2021) pagina 4/5
Resultaten
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2020_20210525_2040287d5b Database versie 2020_20210525_2040287d5b Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020
Resultaten
gebruiksfase
Ru8BGbiy7DkW (27 mei 2021) pagina 5/5
Wijziging 3 Bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 pag 36 van 552 ontw erp
Bijlage 4 Quickscan Wet natuurbescherming
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING PAPENDIJK 30A TE GEFFEN
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Papendijk 30a te Geffen Opdrachtgever
Factum Firmitas Mgr. Suijsstraat 20 5375 AG Reek
Rapportnummer Versienummer
15722.002 D1
Status
Eindrapportage
Datum
7 mei 2021
Vestiging
Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 088-5001600 boxmeer@econsultancy
Opsteller
De heer L.R. Pastoors, MSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer W.E.H.P. Kleuskens, MSc
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 3
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 4
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 5 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 8 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8
6
Vogels ............................................................................................................................... 8 Vleermuizen .................................................................................................................... 10 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 11 Reptielen ......................................................................................................................... 12 Amfibieën ........................................................................................................................ 12 Vissen ............................................................................................................................. 13 Ongewervelden............................................................................................................... 13 Vaatplanten..................................................................................................................... 14
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 15 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 5 Soortenbescherming ........................................................................................................ 5 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 6 Houtopstanden ................................................................................................................. 7
Roofvogels (boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer) ........................................... 15 Algemene broedvogels ................................................................................................... 15 Vleermuizen .................................................................................................................... 15 Steenmarter .................................................................................................................... 16 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 16 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 17
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 18 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 18 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 19
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 20
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 21
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 15722.002
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Factum Firmitas opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Papendijk 30a te Geffen. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
Rapport 15722.002 versie D1
Pagina 1 van 22
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 1.020 m²) ligt aan de Papendijk 30a, circa 1,2 kilometer ten zuiden van de kern van Geffen. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 160.422, Y = 415.584. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie betreft een perceel waar een woningbrand is geweest. Op het perceel is op dit moment een woning met brandschade en een betonnen fundering aanwezig. Tegen het huis aan gebouwd staan twee campers. De woning en de campers zijn vanwege de wind door een scherm afgeschermd van de rest van de onderzoeklocatie, die bestaat uit een grasveld en enkele hopen met snoeiafval. De grenzen van het perceel zijn gemarkeerd met een hekwerk met een haag ervoor. Rondom de onderzoekslocatie liggen grote (woon)boerderijen en agrarische percelen. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Rapport 15722.002 versie D1
Pagina 2 van 22
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 3. Woonhuis met brandschade met aangebouwde campers, voorzijde.
Figuur 4. Woonhuis met brandschade met aangebouwde campers, achterzijde.
Figuur 5. Overzicht onderzoekslocatie, kijkrichting oosten.
Figuur 6. Overzicht onderzoekslocatie, kijkrichting westen.
Figuur 7. Windscherm tussen woning en rest van het perceel.
Figuur 8. Overzicht onderzoekslocatie, kijkrichting oosten.
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens om de aanwezige bebouwing te slopen en nieuwbouw te realiseren in het kader van ruimte voor ruimte. De nieuwbouw van de woning wordt 20 meter uit de verharding van de weg Papendijk herbouwd.
Rapport 15722.002 versie D1
Pagina 3 van 22
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 30 april 2021. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rapport 15722.002 versie D1
Pagina 4 van 22
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 15722.002 versie D1
Pagina 5 van 22
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Rapport 15722.002 versie D1
Pagina 6 van 22
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
Rapport 15722.002 versie D1
Pagina 7 van 22
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarische buitengebied kunnen dit zijn: boomvalk, buizerd, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer en steenuil. Van deze soorten kan de slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. De slechtvalk broedt enkel op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen, welke niet op de onderzoekslocatie aanwezig zijn. Boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie waarnemingen gedaan van de boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer. Deze soorten zijn allen voor hun nesten afhankelijk van (hoge) boomopstand. De hoge bomen op en rondom de onderzoekslocatie konden tijdens het veldbezoek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er is één middelgroot nest aangetroffen in een boom grenzend aan de oostzijde van de onderzoekslocatie (figuur 9 & 10). De omgeving van het nest kon niet onderzocht worden op sporen als braakballen en veren, de boom waarin het nest zich bevindt staat op privé terrein. Bij de voorgenomen plannen kan verstoring van een vaste rust- of voortplantingsplaats van een jaarrond beschermd nest niet op voorhand worden uitgesloten (zie hoofdstuk 6).
Figuur 9. De boom grenzend aan de oostkant van de onderzoekslocatie, waarin het nest is aangetroffen.
Rapport 15722.002 versie D1
Figuur 10. Het nest.
Pagina 8 van 22
Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan de oevers van stromende beken, rivieren en sporadisch langs stilstaand water, bij voorkeur met loofbos of loofbomen omzoomd. Op of in de nabijheid van de onderzoekslocatie is geen waterlichaam aanwezig, derhalve kan een nestgeval van de grote gele kwikstaart worden uitgesloten. Overtreding van de Wet natuurbescherming, als gevolg van de voorgenomen ingreep, kan op voorhand worden uitgesloten. Huismus De huismus is een typisch gebouwbewonende koloniebroeder. De nesten van de huismus bevinden zich over het algemeen zowel binnen als buiten de bebouwde kom. Op de onderzoekslocatie zijn geen geschikte nestgelegenheden voor de huismus aangetroffen. Het woonhuis met brandschade heeft nog maar de helft van de dakpannen op het dak liggen en een dakgoot ontbreekt. Negatieve effecten ten aanzien van de huismus kunnen op voorhand worden uitgesloten. Ooievaar Ooievaars bouwen grote nesten op bomen, daken, kerktorens, hoogspanningsmasten en speciaal gemaakte platforms op palen. Ze komen voornamelijk voor in open natte gebieden, graslanden en agrarische gebieden. Op de onderzoekslocatie zijn geen (potentiële) ooievaarsnestlocaties aangetroffen. Verstoring ten aanzien van de ooievaar, als gevolg van de voorgenomen plannen, is dan ook uitgesloten.
Roek De roek is een echte koloniebroeder met slordige nesten in toppen van hoge bomen. Alle aanwezige bomen konden tijdens het veldbezoek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nestclusters. Deze zijn echter niet waargenomen. Daarom is verstoring van jaarrond beschermde nesten van de roek op voorhand uitgesloten. Steenuil en kerkuil Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er waarnemingen bekend van de kerkuil op circa 290 meter afstand van de onderzoekslocatie en van de steenuil is de dichtstbijzijnde waarneming op circa 560 meter afstand van de onderzoekslocatie. De kerkuil broedt in schuren, kerktorens en veelal in speciale nestkasten. Heel incidenteel kan de kerkuil in boomholtes broeden. De steenuil broedt in natuurlijke holtes van bomen (knotwilgen of hoogstam fruitbomen) of in rustige hoekjes of nissen van gebouwen, in schuren en nestkasten. Tijdens het veldbezoek zijn echter geen boomholtes, nestkasten en geschikte nissen in gebouwen aangetroffen voor de kerkuil en steenuil op en nabij de onderzoekslocatie. Tevens zijn er geen sporen als braakballen, krijtstrepen of veren aangetroffen die duiden op aanwezigheid van een van de genoemde soorten. Verstoring ten aanzien van potentieel jaarrond beschermde nesten van de kerkuil en steenuil is dan ook uitgesloten.
Mogelijk wordt de onderzoekslocatie gebruikt als foerageergebied door in de omgeving verblijvende kerkuilen en/of steenuilen. De voorgenomen plannen zullen echter geen negatieve gevolgen hebben ten aanzien van essentieel foerageergebied van kerkuil en steenuil aangezien in de omgeving voldoende alternatief foerageergebied aanwezig is in de vorm van weilanden en akkerlanden. 5.1.2
Overige broedvogels
De bebouwing/beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals merel, vink en houtduif. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6).
Rapport 15722.002 versie D1
Pagina 9 van 22
De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2
Vleermuizen
Volgens het cursusdictaat ‘Vleermuizen en Planologie (Limpens et al., 2010) en de verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, meervleermuis, franjestaart en baardvleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De woning met brandschade is geschikt voor vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen, kieren en spleten waar gebouwbewonende vleermuizen gebruik van kunnen maken (figuur 11). De gebouwendebewonende vleermuissoorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijfplaats, kraamverblijfplaats en paarverblijfplaats. Negatieve effecten ten aanzien van gebouwbewonende vleermuizen als gevolg van de voorgenomen plannen is niet op voorhand uit te sluiten (zie hoofdstuk 6).
Figuur 11. Openingen in de nok van het dak, zie gele pijl.
Op de onderzoekslocatie zijn geen bomen aanwezig, waardoor uitgesloten kan worden dat er verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen op de onderzoekslocatie aanwezig zijn. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. De aanwezige bomen rondom de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft bomenlanen en grote tuinen.
Rapport 15722.002 versie D1
Pagina 10 van 22
Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie. De bomenlaan grenzend aan de westzijde van de onderzoekslocatie kan mogelijk wel gebruikt worden als vliegroute. Deze bomenlaan blijft in de beoogde toekomstige situatie behouden. Door de voorgenomen plannen zal geen vliegroute worden verstoord, mits rekening wordt gehouden met verlichting richting de bomenlaan grenzend aan de westzijde van de onderzoekslocatie (zie hoofdstuk 6). 5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. 5.3.1
Streng beschermde soorten
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, bunzing, das, eekhoorn, hermelijn, steenmarter en wezel. Bever Bevers komen voor in gebieden waar land overgaat in water, zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever is een vereiste. Op de onderzoekslocatie zijn dergelijke waterlichamen niet aanwezig. De waarnemingen van de bever hebben naar verwachting betrekking op de omgeving van de grote Wielenplas, het Maximakanaal en de rivier de Maas. Negatieve effecten ten aanzien van de bever zijn niet aan de orde. Bunzing, wezel en hermelijn De bunzing, hermelijn en wezel maken gebruik van oude holen van onder andere konijnen, mollen en muizen, maar ook van houtwallen, steenhopen, holle bomen, ruimtes onder boomwortels, hooizolders en stallen. Desbetreffende soorten hebben binnen hun territorium verscheidene verblijfplaatsen. De onderzoekslocatie bestaat voor het grootste deel uit een open grasland, wat gezien de weinige schuilmogelijkheden niet geschikt is als leefgebied voor kleine marterachtigen. De hoop snoeiafval aan de noordzijde van de onderzoekslocatie biedt voor een zeer klein deel dekkingsmogelijkheden die door marterachtigen gebruikt kunnen worden (figuur 12).
Deze Figuur 12. Snoeiafval aan de noordzijde van de onderzoeksligt echter geïsoleerde tussen de open agrarische locatie percelen in, daarnaast zijn er geen sporen en prooiresten aangetroffen. Gelet op het ontbreken van sporen en aanwezigheid van zeer beperkt geschikt habitat, kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door bunzing, wezel of hermelijn.
Rapport 15722.002 versie D1
Pagina 11 van 22
Das De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en/of schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats voor dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabij gelegen agrarische percelen en de aansluitende weilanden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt geen geschikt habitat voor de eekhoorn vanwege het ontbreken van bomen. De hoge bomen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van het bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, waardoor negatieve effecten ten aanzien van de eekhoorn niet aan de orde zijn. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen.
Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Toch kan op basis van de huidige onderzoeksinspanning de aanwezigheid van de steenmarter op de onderzoekslocatie niet worden uitgesloten, het woonhuis met brandschade kon niet volledig geïnspecteerd worden (zie hoofdstuk 6). 5.3.2
Licht beschermde soorten
De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, egel en diversen muizensoorten Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van desbetreffende soorten worden vergraven (zie hoofdstuk 6). 5.4
Reptielen
Volgens de verspreidingsgegevens van RAVON (Van Delft et al., 2015) en de NDFF is binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie de levendbarende hagedis waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Het voorkeurshabitat van de levendbarende hagedis is droge heide en hoogveen. Op de onderzoekslocatie zijn deze habitattypen niet aanwezig en is het habitat ongeschikt bevonden voor de levendbarende hagedis. De waarnemingen van de streng beschermde levendbarende hagedis hebben naar verwachting betrekking op het nabijgelegen natuurgebied rondom de Geffense plassen. 5.5
Amfibieën
Volgens de verspreidingsgegevens van RAVON (Van Delft et al., 2015) en de NDFF zijn binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie de volgende soorten waargenomen: alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander, knoflookpad, poelkikker en rugstreeppad.
Rapport 15722.002 versie D1
Pagina 12 van 22
Streng beschermde soorten De streng beschermde soorten als alpenwatersalamander, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker en rugstreeppad stellen specifieke eisen aan het habitat. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat aanwezig voor desbetreffende soorten. Geschikt wateren zijn te vinden op circa 3 km afstand van de onderzoekslocatie. Vanwege de afstand, in combinatie met barrières zoals wegen, is het gebruik van de onderzoekslocatie als landhabitat door deze soorten echter uitgesloten. De waarnemingen van de streng beschermde alpenwatersalamander, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker en rugstreeppad hebben naar verwachting betrekking op de vennen en poelen in het nabijgelegen natuurgebied de Nulandsche Heide. Licht beschermde soorten Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor algemene amfibieënsoorten als bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander op de onderzoekslocatie uitgesloten. Daarnaast vormt de onderzoekslocatie weinig geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten. Incidenteel kunnen algemene soorten als bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander beschutting vinden tussen de beplanting en het aanwezige snoeiafval op de onderzoekslocatie.