CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage IV - Quickscan milieu

Adviescommissie Ruimte 8 februari 2024, gemeente OssBij agendapunt: Raadsinformatiebrief Voorkeursalternatief Duurzame Polder30.238 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

3.2

Vleermuizen

Ook vleermuizen vormen één van de soortgroepen waar windturbines naar verwachting de grootste negatieve effecten op zullen hebben. Naast het verbod op het vernietigen van essentiële onderdelen van het leefgebied, geldt voor deze soorten (vallend onder Wnb beschermingsregime ‘Habitatrichtlijnsoorten’) ook een verbod op het verstoren (bijvoobeeld door geluid, licht trillingen) en het doden (bijvoobeeld door aanvaringslachtoffers/ barotrauma). Waarnemingen van vleermuizen van de afgelopen 10 jaar zijn verzameld en weergeven in een heatmap (afbeelding 3.5). Het betreft voornamelijk waarnemingen van overvliegende of foeragerende individuen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis (NDFF). Op de heatmap is te zien dat met name in het centrale gedeelte van het verkenningsgebied veel waarnemingen van vleermuizen bekend zijn. Het betreft hier vermoedelijk een waarnemerseffect (langs een weg, in stedelijk gebied), en ook in de rest van het verkenningsgebied zijn vleermuizen te verwachten. Ook zijn binnen het verkenningsgebied potentieel belangrijke landschapselementen voor vleermuizen, die mogelijk van belang zijn als

14 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

foerageergebieden en vliegroutes voor vleermuizen. Het betreft aaneengesloten, lijnvormige bomenrijen en geschikte watergangen. Bij windturbinelocaties in de directe omgeving van deze elementen bestaat een hogere kans op het voorkomen van grote aantallen overvliegende vleermuizen. Gebieden die sterk verstoord zijn (bijvoorbeeld industriegebieden, snelwegen) en gebieden met een zeer open karakter (bijvoorbeeld intensief agrarisch gebruikt gebied) hebben relatief weinig potenties voor vleermuizen, omdat hier weinig voedsel, beschutting en verblijfplaatsen te vinden zijn en/of de verstoring door licht en geluid relatief hoog. Voor wat betreft vleermuizen verdienen dergelijke locaties dus de voorkeur bij de realisatie van windturbines. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat hoewel het risico voor vleermuizen op deze locaties lager is, ook hier negatieve effecten te verwachten zijn. Dit geldt met name in de gebruiksfase, wanneer er de kans bestaat op aanvaringsslachtoffers als gevolg van windturbines. Ongeacht de uiteindelijke locaties van de windturbines zal dan ook aanvullend onderzoek naar deze soortgroep noodzakelijk zijn.

Afbeelding 3.5 Waarnemingen van vleermuizen in het verkenningsgebied in de periode 2013 - 2023.

Beoordeling Vleermuizen komen verspreid over het gebied voor. Echter, lijken er landschapselementen te zijn waar vleermuiswaarnemingen sterk geconcentreerd zijn (bijvoorbeeld watergangen en bomenrijen). Windturbines in of nabij deze landschapselementen vormen voor vleermuizen waarschijnlijk een hoger risico op verstoring en/of sterfte. Van alle varianten zijn er windturbines die in of nabij de concentratiegebieden van vleermuizen vallen. Voor het voorkomen vleermuizen moet aanvullend onderzoek verricht worden en kan er op voorhand geen onderscheid gemaakt worden tussen de verschillende varianten.

15 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

3.3

Overige soorten

Naast vogels en vleermuizen zijn er nog een heel aantal andere soorten beschermd onder de Wnb. Een overzicht van deze soorten waargenomen in het verkenningsgebied in de afgelopen 10 jaar is opgenomen in onderstaande tabel. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de soorten beschermd onder de beschermingsregimes Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en (niet-vrijgestelde) ‘Andere soorten’ van de Wnb (art. 3.10). Voor ieder van deze soortenregimes gelden onder de Wnb een aantal verbodsbepalingen (zie bijlage II). Waarnemingen van overige soorten zijn over het hele gebied verspreid. Het lijkt er wél op dat grotere concentraties zich voornamelijk bevinden bij delen die een natuurlijkere inrichting lijken te hebben (onder andere door de aanwezigheid van water bijvoorbeeld bij eendenkooien). In een uitgebreide natuurtoets kan de kans op aanwezigheid van deze soorten voor iedere windturbinelocatie nader worden bepaald en kan worden beoordeeld in welke mate negatieve effecten kunnen optreden.

Tabel 3.1 Overzicht waargenomen soorten in het verkenningsgebied en de directe omgeving in de periode januari 2013 - januari 2023 volgens de NDFF. Ook soorten die niet zijn waargenomen, maar waarvan het voorkomen binnen het verkenningsgebied te verwachten is op basis van recente verspreidingsgegevens zijn opgenomen. Soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn zijn vetgedrukt, soorten van de Vogelrichtlijn zijn schuingedrukt. Soortgroep

Soorten

flora

(geen)

vleermuizen

gewone dwergvleermuis ruige dwergvleermuis laatvlieger rosse vleermuis water vleermuis

grondgebonden zoogdieren

bever bunzing damhert das eekhoorn hermelijn steenmarter wezel wolf

vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten

boomvalk buizerd gierzwaluw havik huismus kerkuil ooievaar ransuil roek

16 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

Soortgroep

Soorten slechtvalk steenuil

Amfibieën

heikikker kamsalamander poelkikker rugstreeppad

Reptielen

(geen)

Vissen

grote modderkruiper noordzeehouting

Ongewervelden

veldparelmoervlinder rivierrombout teunisbloempijlstaart

Afbeelding 3.6 Waarnemingen van beschermde soorten (Habitatrichtlijn anders dan vleermuizen en niet-vrijgestelde ‘Andere soorten’) in het verkenningsgebied (NDFF data afgelopen 10 jaar). Vleermuizen en vogels zijn hier buiten beschouwing gelaten. Het lijkt erop dat grotere concentraties zich voornamelijk bevinden bij delen die een natuurlijkere inrichting lijken te hebben (onder andere door de aanwezigheid van water bijvoorbeeld bij eendenkooien).

Beoordeling Overige soorten komen verspreid over het gebied voor. Van alle varianten zijn er windturbines die in de concentratiegebieden van overige soorten vallen. Voor het voorkomen van overige soorten moet aanvullend

17 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

onderzocht verricht worden en kan er op dit voorhand geen onderscheid gemaakt worden tussen de verschillende varianten.

4

CONCLUSIE EN DOORZICHT VERVOLG

In tabel 4.1 is een overzicht opgenomen van het aantal windturbines per variant in of nabij een beschermd natuurgebied (Natura 2000, NNB en rust- en foerageergebied). Het voornemen voor de plaatsing van de windturbines op de voorgestelde locaties wordt vanuit deze ecologische scan vooralsnog haalbaar geacht mits er een goede onderbouwing is waarom in het zoekgebied geen varianten zijn afgewogen die geheel buiten natuurwaarden liggen (NNB, vogelhotspots et cetera). Voor het verkrijgen van een ontheffing is uiteindelijk een goede onderbouwing nodig waarom varianten met minder negatieve effecten op natuur niet zijn gekozen. Daarnaast zijn er verschillende risico’s waarvoor nader onderzoek en mogelijk mitigerende maatregelen dienen worden uitgewerkt.

De belangrijkste risico’s die hierbij zijn geïdentificeerd zijn: - potentiële verstoring aangewezen soorten van Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’ en ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’; - potentiële verzuring/vermesting van aangewezen habitattypen en leefgebieden van soorten van Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’ en ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ voor alle windturbinelocaties; - potentiële aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB bij met name de windturbinelocaties van de varianten van denkrichting 1; - potentiële verstoring van ganzen en smienten in het rust- en foerageergebied voor alle windturbinelocaties; - aanvaringsrisico vogels bij alle windturbinelocaties, met name een verhoogd risico bij natte gebieden, natuurvriendelijke akkers en eendenkooien met kwelders; - aanvaringsrisico vleermuizen bij alle windturbinelocaties, met name een verhoogd risico langs watergangen en bomenrijen. Op basis van deze eerste scan is, zodra de plaatsingszones vastgesteld zijn, vervolgonderzoek noodzakelijk vanuit wetgeving en beleid in de vorm van: - een verkennend stikstofonderzoek; Middels een berekening met de AERIUS-Calculator dienen de te verwachten stikstofdeposities van het project op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in kaart gebracht te worden. Dit is zowel relevant voor de aanlegfase als de gebruiksfase.

Naar verwachting maakt het met betrekking tot stikstofuitstoot niet uit waar de uiteindelijke windturbinelocaties zich bevinden. - een uitgebreide QuickScan ecologie (gericht op alle beschermde soorten) voor alle definitieve locaties waar windturbines gerealiseerd zullen worden; - nader soortgericht veldonderzoek vogels voor alle windturbinelocaties; · het verkenningsgebied is geschikt, en naar verwachting van belang, voor een groot aantal vogels. Het gaat hierbij zowel om broedvogels, weide- en akkervogels, als overwinterende (water)vogels (ganzen, eenden, et cetera). Gegevens met betrekking tot vlieg- en migratieroutes en specifieke leefgebieden van deze soorten zijn van belang voor een gedegen afweging van alternatieve windturbinelocaties; · voor broedvogels dienen bestaande nestplaatsen in kaart gebracht te worden. De hiervoor benodigde onderzoeksinspanning is afhankelijk van de te verwachten soorten (volgt uit de QuickScan ecologie). Deze informatie is noodzakelijk om te bepalen in hoeverre er sprake is van vernietiging en/of verstoring van (jaarrond beschermde) nestplaatsen; · voor overige vogelsoorten dient een inschatting gemaakt te worden van het aanvaringsrisico.

Op basis van een bureaustudie (terreinkenmerken, verspreidingsdata, literatuur et cetera) kan een selectie gemaakt worden van relevante vogelsoorten die (1) in het gebied te verwachten zijn en (2) een relatief hoog aanvaringsrisico kennen. Vervolgens kan de daadwerkelijke aanwezigheid van relevante soorten in het gebied worden onderzocht in het veld. Deze gegevens kunnen bijdrage aan een afweging tussen windturbinelocaties die voor vogels het minst ongunstig is; · met betrekking tot in het gebied overwinterende (water)vogels is aanvullend onderzoek nodig in de vorm van het in kaart brengen van vliegbewegingen van deze soorten. Het onderzoek wordt in de

18 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

-

-

winterperiode uitgevoerd, en bij voorkeur rond de avondschemering, wanneer vogels zich verplaatsen tussen foerageergebieden en slaapplaatsen. In de avondschemering is bovendien in de toekomstige situatie de kans op aanvaringsslachtoffers het grootst, aangezien het aantal vliegbewegingen relatief hoog is en de windturbines minder goed zichtbaar zijn dan bij daglicht; nader soortgericht veldonderzoek vleermuizen voor alle windturbinelocaties. Om een inschatting te kunnen maken van welke soorten vleermuizen aanvaringsslachtoffer kunnen worden van de windturbines, en in welke aantallen, is een vleermuisonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek kan worden uitgevoerd met behulp van transectmetingen en/of metingen vanaf vaste locaties. Middels deze metingen wordt het soortenspectrum en de activiteit van vleermuizen verspreid over het verkenningsgebied en in verschillende periodes onderzocht. Deze gegevens kunnen worden gebruikt om per specifieke locatie het slachtofferrisico in kaart te brengen; een goede onderbouwing waarom het uiteindelijk echt noodzakelijk is dat er windturbines geplaatst worden op locaties waar het negatieve effect op natuur groter is dan ergens anders. Dit is nodig om een ontheffing of vergunning te krijgen.

Op basis van deze onderzoeken kan worden bepaald of en welke mitigatie en vervolgstappen nodig zijn. Verschillende mitigerende maatregelen om mortaliteit van vogels en vleermuizen als gevolg van aanvaringen met windmolens te verkleinen zijn momenteel in ontwikkeling. Voorbeelden hiervan zijn: - het kiezen voor een locatie waar minder negatief effect is op beschermde natuurwaarden; - het zwart verven van een rotorblad om de zichtbaarheid te vergroten; - het werken met een slim cameradetectiesysteem dat langsvliegende vogels detecteert en de windturbines dan tijdelijk stil kan leggen; - het standaard periodiek stilleggen van de windturbines (stilstandvoorziening); - het aanpassen van windturbinetype of specifieke technische aspecten om mortaliteit te verkleinen.

19 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

Tabel 4.1 Aantal windturbines in beschermd natuurgebied per denkrichting en variant. Per denkrichting is in blauw aangegeven welke variant het slechts scoort op Natura 2000, NNB en rust- en foerageergebied. Varianten

Natura 2000

NNB

fysieke effecten: ligging in Natura 2000 gebied

fysieke effecten: ligging <1,5km

Rust- en foerageergebied ganzen en smienten

aantasting: Ligging in NNB gebied

verstoring: ligging binnen ½ rotor diameter NNB

verstoring: ligging in het rust- en foerageergebied

denkrichting 1 : een grootschalig hart 1

0

0

3

13

13

2

0

0

2

10

10

3

0

0

2

13

13

4

0

0

2

17

17

5

0

0

0

0

8

6

0

0

0

0

6

7

0

0

0

0

6

8

0

0

0

1

6

9

0

0

0

0

8

10

0

0

0

0

4

11

0

0

0

0

8

12

0

0

0

0

6

13

0

0

0

1

11

14

0

0

0

0

6

15

0

0

0

0

9

16

0

0

0

0

6

denkrichting 2 : het wijde westen

denkrichting 3 : een veelkleurig mozaïek

denkrichting 4 : lange lijnen van oost naar west

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 | Postbus 233 | 7400 AE Deventer | +31 (0)570 69 79 11 | www.witteveenbos.com | KvK 38020751

5 1

2 3 4 5 6 7 8 9

LITERATUUR Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden (2021). Verstoring en draagkracht in en rond het Natura 2000-gebied Fochteloërveen. Analyse van effecten en perspectieven voor kwalificerende nietbroedvogels en kraanvogels. A&W-rapport 20-252; Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, 19 juli 2022: https://noord-brabant.terceraro.nl/MapViewer/Default.aspx?id=NLIMRO9930InterimOvrgc-0422; kaart natuurbeheerplan provincie Noord Brabant: https://noordbrabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=aadeed0954ee4cebaa058ed0ae6a4c40; Natura2000.nl, geraadpleegd op 10 januari 2023; NDFF-ecogrid database (ndff.nl), geraadpleegd 11 januari 2023; notitie Reikwijdte en Detailniveau MER Duurzame Polder, 24 mei 2022; SOVON.nl; SOVON Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines, 2019; https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR628718.

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 | Postbus 233 | 7400 AE Deventer | +31 (0)570 69 79 11 | www.witteveenbos.com | KvK 38020751

I BIJLAGE: KENSCHETS EN INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN (IHD) RELEVANTE NATURA 2000 GEBIEDEN In de hiernavolgende paragrafen is voor ieder van de relevante Natura 2000-gebieden aanwezig in de directe omgeving van het verkenningsgebied een korte kenschets gegeven alsook een overzicht van de instandhoudingsdoelen (IHD) [bron: natura2000.nl].

I.1 Rijntakken Het Natura 2000-gebied Rijntakken omvat 4 deelgebieden: Uiterwaarden IJssel, Uiterwaarden Neder-Rijn, Gelderse Poort en Uiterwaarden Waal. Alleen van het deelgebied Uiterwaarden Waal wordt een korte kenschets gegeven, omdat dit gebied zich nabij het verkenningsgebied bevindt. Het deelgebied Uiterwaarden Waal omvatten het winterbed van de Waal en daarmee alle uiterwaardgebieden aan de noord- en de zuidoever van de Waal van Nijmegen tot aan Zaltbommel. De rivier vormt een dynamisch systeem, een samenspel tussen natuurlijke processen en menselijk ingrijpen. De Waal moet in perioden met hoge rivierafvoer twee derde van de Rijnafvoer voor haar rekening nemen en is daarmee de grootste vrij-afstromende Rijntak. Het is ook de meest dynamische riviertak van het Rijnsysteem. In perioden met hoog water vindt erosie en sedimentatie plaats en 'vormt' de rivier het landschap. Het rivierenlandschap bestaat uit een breed, voornamelijk laaggelegen, hoogdynamisch winterbed. De reliëfrijke uiterwaarden bestaan voornamelijk uit graslanden, afgewisseld met enkele akkers, bosjes, bomenrijen, moerasgebiedjes en geïsoleerde oude riviertakken (strangen en geulen). Veel uiterwaarden zijn vergraven voor zand en/of kleiwinning. In het westelijk deel van het gebied liggen de Rijswaard en de Kil van Hurwenen met oude riviermeanders, aangrenzende oeverlanden en stroomruggen.

Daarnaast liggen er enkele grote plassen, die ontstaan zijn door zand- en kleiwinning. Deze uiterwaarden bevatten soortenrijke glanshaverhooilanden, stroomdalgraslanden en open water, waar deels verlanding plaatsvindt. Rijntakken is aangeduid als Vogel- en Habitatrichtlijngebied en is aangewezen voor 12 broedvogels, 30 nietbroedvogels, 14 habitattypen en 12 habitatrichtlijnsoorten. Een overzicht van deze habitats en doelsoorten en de bijhorende IHD is opgenomen in onderstaande tabel.

22 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

23 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

I.2 Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek Het Vlijmens Ven, de Moerputten en het Bossche Broek vormen samen één gebied ten zuidwesten van 'sHertogenbosch. Hier gaat het beekdal van de Dommel over in het laagveengebied van de ‘Naad van Brabant’. Door de ligging in deze overgangszone zijn in het gebied basenminnende water- moeras- en graslandvegetaties aanwezig. Het Vlijmens Ven is een kwelgebied waar kranswiervegetaties wordt aangetroffen in sloten. De Moerputten is een natuurreservaat met een groot areaal aan blauwgrasland en elzenbroekbos. Het Bossche Broek is een moerassig gebied in de benedenloop van de Dommel, waar blauwgraslanden aanwezig zijn. Vlijmens Ven, Moerputten en het Bossche Broek is aangeduid als Habitatrichtlijngebied en is aangewezen voor zeven habitattypen en zeven habitatrichtlijnsoorten. Een overzicht van deze habitattypen en doelsoorten en de bijhorende IHD is opgenomen in onderstaande tabel.

24 | 26

Witteveen+Bos | 134741/23-004.068 | Definitief

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=f2c71704-4c80-4feb-8cb5-1d808f0dcc9d