Bijlage bij toelichting 16a-Quickscan Ecologie dd 24-05-2023
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Bleek e.o. te Ravenstein Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2023-0511
Datum:
24 mei 2023
Samensteller:
E. Honingh MSc.
Collegiale toets:
ir. T.W.D. Schrader
Opdrachtgever:
Buro SRO Oost B.V.
Contactpersoon:
M. Geerts
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
6
2 Methode
8
2.1
Uitvoering onderzoek
8
2.2
Soortenbescherming
8
2.3
Gebiedsbescherming
10
2.4
Houtopstanden
11
2.5
Houdbaarheid en toepassing
11
3 Beoordeling
12
3.1
Soortenbescherming
12
3.2
Gebiedsbescherming
19
3.3
Houtopstanden
21
4 Samenvatting
22
4.1
Soortenbescherming
22
4.2
Gebiedsbescherming
22
4.3
Houtopstanden
22
5 Conclusie
23
5.1
Conclusie
23
5.2
Uitvoerbaarheid
23
5.3
Vervolgstappen
23
5.4
Te treffen maatregelen
23
1 Inleiding Aan de Bleek e.o. te Ravenstein is een grasveld met groenstruweel en gebouw gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing te slopen en de bestaande groeninrichting te kappen ten behoeve van de realisatie van een nieuw gemeenschapshuis met parkeergelegenheid, groene zone en half bastions. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve deels te worden gewijzigd van ‘Verkeer’ naar ‘Groen’ en deels van ‘Groen’ naar ‘Maatschappelijk’ en ‘Verkeer’. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro SRO Oost B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid.
Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Bleek e.o. te Ravenstein.
4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Bleek e.o. te Ravenstein (figuur 1.2). Aan de westzijde van de planlocatie heeft een parkeer en recreatieve functie. De zuidoostzijde heeft een maatschappelijke functie voor een jongerenorganisatie. Tussen deze zijdes bevindt zicht een verruigd grasveld met groenstruwelen. Onderstaande opsomming correspondeert met de cijfers in figuur 1.2. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Bestraatte parkeerplaats Skatepark met voetbalveld Verruigd grasveld Bomen en groenstruwelen Entreehuisje, opgebouwd uit gemetselde muren zonder spouw met een betonnen plat Gebouw met gemetselde muren met spouw en pannenzadeldak met dakbeschot Rond het gebouw zijn trailers, twee afdaken en een bouwkeet gesitueerd
Aan de zuid- en oostzijde grenst de planlocatie aan oppervlaktewater. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Bleek e.o. te Ravenstein. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door de oude verdedigingswerken van Ravenstein en een dorpse omgeving ten zuiden van de planlocatie. Circa 140 meter ten noorden van de planlocatie is de rivier de Maas gesitueerd en circa 480 meter ten oosten is de snelweg A50 gesitueerd.
5
Figuur 1.3 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie met linksboven de parkeerplaats en skatepark (1 & 2). Rechtsboven weergeeft een indruk van de groenstructuren (4) die rond het grasveld (linksonder; 3) gesitueerd zijn. Rechtsonder is het gebouw (6) op de planlocatie weergeven.
Figuur 1.4 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het verwijderen van de huidige inrichting ten behoeve van een gemeenschapshuis, parkeerterrein en groene zone. Hierbij zullen de groenstruwelen en bomen gekapt worden en de oever volledig vernieuwd worden. De functie van het perceel dient deels te worden gewijzigd van ‘Verkeer’ naar ‘Groen’ en deels van ‘Groen’ naar ‘Maatschappelijk’ en ‘Verkeer’
6
Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • •
slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; vernieuwen van oevers: graaf- en dempwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder verwijderen van de parkeerplaats en gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 1.5 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Maurits Cobben architect.enbureau).
7
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 4 mei 2023 en is uitgevoerd door E. Honingh MSc. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 0/8 bewolkt, 9 Celsius en windkracht 2 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
8
5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of
bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn.
Tabel 2.1
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart
Havik Huismus Kerkuil Oehoe
Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk
Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw
Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eider
Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel
Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.
9
In de Omgevingsverordening van de Provincie Noord-Brabant is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.22 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie NoordBrabant. Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone pad
Rosse woelmuis
Bastaardkikker
Haas
Tweekleurige bosspitsmuis
Bosmuis
Huisspitsmuis
Veldmuis
Bruine kikker
Kleine watersalamander
Vos
Dwergmuis
Konijn
Wild zwijn
Dwergspitsmuis
Meerkikker
Woelrat
Egel
Ondergrondse woelmuis
Gewone bosspitsmuis
Ree
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Brabant Binnen het Natuurnetwerk Brabant geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingplan van toepassing op het Natuurnetwerk Brabant strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken. Binnen het Natuurnetwerk Brabant gelden regels omtrent nieuwe ontwikkelingen. Zo is bijvoorbeeld het realiseren van nieuwvestiging toegestaan als een deel van het desbetreffende NNB door stedelijke gebied loopt, en de nieuwvestiging geen aantasting geeft aan de ecologische waarden en kenmerken van het NNB.
Wanneer er sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieven zijn, zijn ontwikkelingen binnen het NNB ook mogelijk. Bij verlies van ecologische waarden en kenmerken geldt een compensatieplicht. Groenblauwe mantel De provincie streeft naar samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er gebieden opgenomen als verbinding tussen het Natuurnetwerk Brabant en het Landelijk gebied; de Groenblauwe mantel. Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Binnen de groenblauwe mantel is volop ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, met een meer extensief karakter en als die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap.
De ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve functies, zoals stedelijke ontwikkeling of intensieve vormen van recreatie of en landbouw (zoals de bouw van kassen, (bezoekers-)intensieve recreatie, of concentratiegebieden voor intensieve landbouwfuncties) passen minder bij het karakter van deze gebieden. 10
Daarom geldt binnen de groenblauwe mantel soms aanvullende regels voor de ontwikkeling van die functies. Het concrete beleid in een gebied behorend tot de groenblauwe mantel is uitgewerkt door de desbetreffende gemeente.
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
11
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van kruiptijm (NDFF 2013-2023). Kruiptijm komt voornamelijk voor op zonnige, droge en uitgesproken stikstofarme locaties. Van nature komt de soort in Nederland alleen in Zuid-Limburg voor (Verspreidingsatlas 2023). De dichtstbijzijnde waarneming van kruiptijm is bekend op een afstand van circa 480 meter ten westen van de planlocatie. De waarnemingen nabij de planlocatie bevinden zicht buiten het natuurlijk verspreidingsgebied waardoor de habitatrichtlijn niet van kracht is. De aanwezigheid van bramenstruiken en brandnetel is een sterke indicatie van een geëutrofieerd bodem. Op de planlocatie is derhalve geen geschikte groeiplaats voor kruiptijm aanwezig. Daarnaast is er gedurende het veldbezoek geen kruiptijm op de planlocatie waargenomen.
Derhalve kan de aanwezigheid van kruiptijm op de planlocatie uitgesloten worden. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: akkerdistel, geel nagelkruid, grote brandnetel, grote ereprijs, ooievaarsbek en ridderzuring. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Enkele waargenomen soorten in de groenstruwelen op de planlocatie betreffen braam (spec.), esdoorn, meidoorn, rode kornoelje en Spaanse aak. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, voor zover deze zichtbaar zijn gedurende de winterperiode. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, bosmuis, bunzing, das, dwergmuis, rode eekhoorn, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2013-2023).
Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, das, rode eekhoorn, steenmarter en wezel. Tijdens het veldbezoek zijn langs de gehele oever omgeknaagde boomstammen aangetroffen. Tussen het gebouw aan de oostzijde van de planlocatie en de oever is een beverburcht aangetroffen met een duidelijk en veelgebruikt sleepspoor of ‘beveropgang’ (figuur 3.1). Op en rond de beverburcht zijn verse knaagsporen aangetroffen wat betekent dat de beverburcht momenteel actief in gebruik is. De aanwezigheid van de bever ter hoogte van de planlocatie is reeds langer bekend (NDFF 2013-2023). Bevers leven in het overgangsgebied tussen water en land: moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen. De aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever is een vereiste. Het voedsel bestaat in de zomer uit een divers dieet van waterplanten, kruiden, bladeren en scheuten van wortels die in de overgangszone van oever naar water groeien. In de winter bestaat het voedsel vooral uit bast en twijgjes van voornamelijk wilg en populier. Om deze te bereiken worden de bomen langs de oever omgeknaagd. 12
Tijdens dat proces laten ze grote hopen snippers en duidelijke vraatsporen achter in de boom. In de winter is de aanwezigheid van een bever daardoor makkelijk aan te tonen. In de zomer verblijven bevers overdag vaak in legers van houtsnippers in dichte vegetaties en onder struiken langs oevers. De meest kwetsbare periode van de bever is tussen begin mei en eind augustus. ’s Winters of in periodes waarin ze jongen hebben verblijven bevers in burchten van stammen en takken, die aan de waterkant liggen of boven het water uit wordt gebouwd. De ingang van een burcht ligt onder water om te voorkomen dat predatoren hierdoor naar binnen kunnen komen. In gebieden met steile oevers worden ook holen gegraven, die met takken soms wordt uitgebreid tot een burcht. Als tijdens hoogwater de burcht of het hol overstroomd, worden vluchtig bijburchten gebouwd. In stromend water bouwen zij dammen om het waterpeil te verhogen en zodoende hun territorium uit te breiden. Bij voorkeur worden hiervoor dunne boompjes omgeknaagd (BIJ12 kennisdocument Bever, 2017). Gezien de aanwezige beverburcht en beverwaarnemingen is de zuid- en oostzijde van de planlocatie onderdeel van het leefgebied van de bever. Aantasting van oppervlaktewater of (graaf)werkzaamheden aan oevers kan tot gevolg hebben dat er sprake is van (tijdelijke) aantasting van het leefgebied van de bever of verstoring van de bever.
Indien er werkzaamheden aan de zuid- en oostzijde van de planlocatie uitgevoerd worden met een verstorend effect op de bever dient vooraf een aanvullend onderzoek naar de bever te worden uitgevoerd (zie H5.3). Indien er sprake is van een overtreding van een verbodsbepaling (wegnemen van leefgebied en/of verstoring van de bever) dient een ontheffing Wet natuurbescherming voorhanden te zien alvorens de ingreep uitgevoerd kan worden.
Figuur 3.1 Boven: vraatsporen door de bever. Onder: aanwezige beverburcht met sleepspoor vanuit de oever (rode pijlen) De bunzing, steenmarter en wezel behoren tot de marterachtigen. Deze soorten zijn kenmerkend voor kleinschalige cultuurlandschappen met voldoende structuurelementen die beschutting bieden, zoals houtstapels of heggen. De rust- en verblijfplaatsen zijn voornamelijk in oude holen van muizen, ratten en konijnen waar voldoende beschutting aanwezig is. De vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de steenmarter bevinden zich voornamelijk in gebouwen. De dichtstbijzijnde waarneming van de bunzing, steenmarter en wezel zijn bekend op respectievelijk 630 meter ten noordwesten, 450 meter ten oosten en 1,7 km ten noorden van de planlocatie. De groenstruwelen op de planlocatie bieden geschikte beschutting en rust- en verblijfplaatsen voor de bunzing, steenmarter en wezel. De bebouwing, overkappingen en trailers bieden voor de steenmarter ook geschikte rust- en verblijfplaatsen. Het grasveld kunnen door marterachtigen gebruikt worden als migratieroutes en/of foerageergebied.
13
Gebaseerd op bekende verspreidingsgegevens, de ligging van de planlocatie en de aanwezigheid van potentiële rust- en verblijfplaatsen zijn negatieve effecten ten aanzien van de bunzing, steenmarter en wezel niet uit te sluiten. Voorafgaande de beoogde ontwikkeling dient middels een aanvullend onderzoek de potentiële functie van de planlocatie voor de bunzing, steenmarter en wezel in kaart te worden gebracht (zie H5.3). De das leeft in gebieden die bestaan uit een combinatie van diverse habitattypen. Vaak zijn dit kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen. Belangrijk voor de habitat van de das is dat er voldoende voedselaanbod is, een goed vergraafbare grond aanwezig is, voldoende dekking in de vorm van houtwallen of heggen is en het gebied weinig wordt verstoord (BIJ12 kennisdocument Das, 2017). De planlocatie bestaat deels uit een verruigd grasveld omringd met groenstruwelen. Er zijn meerdere waarnemingen van de das bekend in de omgeving van de planlocatie waarvan de dichtstbijzijnde waarnemingen van de das bekend zijn op circa 550 meter ten oosten en ten noordwesten. Het is niet uit te sluiten of er sprake is van verschillende dassenterritoriums in de directe omgeving van de planlocatie. Ondanks het ontbreken van de sporen ten tijde van het veldbezoek kan de planlocatie deel uitmaken van het leefgebied van de das.
Derhalve dient er aanvullend onderzoek plaats te vinden voor het bepalen of de planlocatie tot een essentieel foerageergebied behoort (zie H5.3). De rode eekhoorn leeft in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos (Zoogdiervereniging eekhoorn, 2023). De rode eekhoorn bouwt nesten in bomen en maakt ook gebruik van boomholten of oude vogelnesten als rust- en voortplantingsplaats. De dichtstbijzijnde waarneming van de eekhoorn zijn bekend op circa 1 km ten zuidwesten van de planlocatie en wordt van de planlocatie gescheiden door meerdere woonwijken, wegen en waterwegen. Er zijn, tijdens het veldbezoek, geen nesten of andere potentiële verblijfplaatsen van de rode eekhoorn aangetroffen. In de directe omgeving van de planlocatie is voldoende alternatief leefgebied met hoge kwaliteit aanwezig, langs de watergangen zijn voldoende foerageergebieden en migratieroutes aanwezig. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft derhalve geen negatieve effecten ten aanzien van verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van de rode eekhoorn. De planlocatie heeft mogelijk nog een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bruine rat, egel, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden.
Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger (NDFF 2013-2023). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4).
Op de planlocatie zijn de bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In enkele bomen op en nabij de planlocatie zijn boomholten aangetroffen waar boombewonende vleermuizen potentieel gebruik van kunnen maken (figuur 3.2). De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen.
14
Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De te slopen bebouwing is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en een pannen zadeldak. De spouw en/of open dakruimte zijn voor vleermuizen toegankelijk middels kierende kantpannen en openingen in de gevel (figuur 3.2). Hierdoor is het mogelijk dat de beoogde ruimtelijke ingreep resulteert in het wegnemen van vleermuisverblijfplaatsen. Gebaseerd op de bekende verspreidingsgegevens, de ligging van de planlocatie en de bebouwing en bomen is potentie voor verblijfplaatsen van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis (tabel 3.1). Om aan- of afwezigheid van vleermuizen vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden middels veldbezoeken in de periode april-september (zie H5.3).
Figuur 3.2 Boven en rechtsonder: Openingen in aanwezige bomen op de planlocatie die boombewonende vleermuizen mogelijk toegang kunnen bieden tot een geschikte verblijfplaats. Linksonder: Potentiële invliegopeningen voor vleermuizen in de slopen bebouwing. Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De groenstruwelen die als lijnvormige structuren op de planlocatie aanwezig zijn, kunnen potentieel als vliegroute fungeren. Daarnaast kan het verruigde grasveld en het aangrenzende oppervlaktewater potentieel als foerageergebied fungeren. Om de aan- of afwezigheid van essentieel foerageergebied of vliegroute vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden (zie H5.3).
15
Tabel 3.1
Samenvatting van de beoordeling van verblijfplaatsen, essentiële vliegroute en foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten.
Vleermuissoort
Potentie
Onderbouwing
Gewone dwergvleermuis
Ja
Geschikte openingen in bebouwing
Ruige dwergvleermuis
Ja
Geschikte openingen in bebouwing en bomen
Laatvlieger
Ja
Geschikte openingen van voldoende grootte in bebouwing
Gewone grootoorvleermuis
Ja
Geschikte openingen in bebouwing en bomen en weinig lichtverstoring
Meervleermuis
Nee
Buiten bekende verspreiding
Watervleermuis
Ja
Aanwezigheid van groot oppervlaktewater in de omgeving, weinig lichtverstoring en bomenkap
Rosse vleermuis
Ja
Weinig lichtverstoring en bomenkap
Tweekleurige vleermuis
Nee
Buiten bekende verspreiding en afwezigheid van zeer hoge bebouwing voor paarverblijfplaatsen
Vleermuizen algemeen
Potentie
Onderbouwing
Massawinterverblijfplaats (gewone dwergvleermuis) Essentiele vliegroute
Nee
Geen hoge bebouwing met bufferende vermogen
Ja
Aantasting van lijnvormige structuren
Essentieel foerageergebied
Ja
Aantasting van oppervlaktewater
Tabel 3.2
houtopstanden
met
struweel
en
Samenvatting van de potentie voor vleermuissoorten op de planlocatie.
Vleermuissoort
Zomer
Kraam
Paar
Massawinter
Gewone dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Ruige dwergvleermuis
Ja
Nee
Ja
Nee
Gewone grootoorvleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Laatvlieger
Ja
Ja
Ja
Nee
Watervleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Rosse vleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander (NDFF 2013-2023). Voor de Alpenwatersalamander geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De Alpenwatersalamander komt vooral voor in heidegebieden, bossen, agrarisch gebied op zandgrond maar wordt ook aangetroffen in steden en dorpen. Het voortplantingswater van de Alpenwatersalamander bestaat uit allerlei oppervlaktewateren, met uitzondering van stromende of visrijke wateren (Creemers & Van Delft, 2009). Het voortplantingswater dient vanaf de overwinterplaats goed bereikbaar te zijn. De dichtstbijzijnde waarneming van de Alpenwatersalamander is bekend op circa 2 km ten zuidwesten van de planlocatie. Het oppervlaktewater grenzend aan de planlocatie bevat, gezien de verbinding met de naastgelegen rivier de Maas, stromend en visrijk water. Wegens het ontbreken van geschikt voortplantingswater in de omgeving kan tevens uitgesloten worden dat de planlocatie onderdeel is van het leefgebied van beschermde amfibieën. De aanwezigheid van de Alpenwatersalamander is op de planlocatie uitgesloten.
Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
16
Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2013-2023). Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de aanwezigheid van steile oevers en de hoge mate van menselijke verstoring in de directe omgeving is het voorkomen van beschermde reptielen binnen de planlocatie uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20132023). Mogelijk leiden de beoogde werkzaamheden (tijdelijk) tot verstoringen (geluid/trillingen), echter zijn er in de watergangen voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden buiten de verstoringszone. Bij de beoogde werkzaamheden aan de oever dienen enkele maatregelen getroffen te worden (zie H5.4). Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2013-2023). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen sporen en/of delen van beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen.
Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: boomkruiper, groenling, huismus, pimpelmees, tjiftjaf en vink. Gedurende het veldbezoek zijn huismussen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2013-2023). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn.
De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2023). Het te slopen gebouw is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en pannen zadeldak. Aan de dakvoet is er voldoende ruimte onder de dakpannen voor de aanwezigheid van huismusnesten (figuur 3.3). Derhalve is er mogelijk sprake van het aantasten van nestlocaties van de huismus. Rond de te slopen bebouwing zijn diverse groenstructuren aanwezig welke komen te vervallen. Om de aan- of afwezigheid van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus vast te stellen, dient derhalve een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie H5.3).
17
Figuur 3.3 Impressie van de openingen in de te renoveren woning die voor huismussen kunnen dienen als (potentiële) nestlocatie. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. De te slopen bebouwing is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en een pannen zadeldak. De zuidgevel van het gebouw bevat, door de aanwezige bomen, geen geschikte aanvliegroute voor de gierzwaluw. De gevels en kantpannen die een geschikte aanvliegroute hebben (noordgevel), hebben geen openingen van voldoende grootte voor de gierzwaluw. Derhalve kan uitgesloten worden dat er nestlocaties van de gierzwaluw aanwezig zijn op de planlocatie.
De bebouwing is niet toegankelijk voor uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil). Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. Daarnaast zijn er op de planlocatie geen waarnemingen bekend van uilen en roofvogelsoorten. Op en nabij de planlocatie zijn daarbij geen waarnemingen bekend van nesten van uilen en roofvogelsoorten (NDFF 2013-2023). De aanwezigheid van in bebouwing en bomen broedende soorten als buizerd, kerkuil, steenuil, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. De planlocatie kan potentieel als foerageergebied dienen voor uilen en roofvogelsoorten, gezien de grote hoeveelheid aan alternatief foerageergebied in de nabije omgeving, is er echter geen sprake van leefgebied essentieel in het functioneren van nesten en vaste rustplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli.
Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
18
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 11 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 3.4).
Figuur 3.4 De planlocatie ligt op een afstand van circa 11 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van nieuw gemeenschapshuis met parkeergelegenheid. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling.
Gezien er sprake is van een grote afstand (11 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een stikstofonderzoek middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Brabant of de Groenblauwe mantel. Op een afstand van circa 80 m ligt het Natuurnetwerk Brabant (figuur 3.5). Op een afstand van circa 20 m ligt de Groenblauwe mantel (figuur 3.6). Ten aanzien van de Groenblauwe mantel, geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant geldt dat externe werking (o.a. geluid, licht of trillingen) wel een toetsingskader biedt. De afstand van de planlocatie tot het NNB betreft circa 80 m. Tussen de planlocatie en het gebied is een dijk en jachthaven gelegen. De dijk houdt het geluid en licht van de werkzaamheden tegen.
19
Daarnaast zijn de trillingen die worden veroorzaakt door de werkzaamheden van tijdelijke duur en zullen deze in het niets vallen tegen de grote hoeveelheid menselijke activiteit (i.e. verstorende elementen) die reeds aanwezig zijn tussen de planlocatie en het NNB. Er zijn geen negatieve effecten ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant met betrekking tot geluid, licht en trilling.
Figuur 3.5 De planlocatie ligt op een afstand van circa 80 km tot het Natuurnetwerk Brabant (bron: noord-brabant.tercera-ro.nl).
Figuur 3.6 De planlocatie ligt op een afstand van circa 20 m tot de groenblauwe mantel (bron: noordbrabant.tercera-ro.nl).
20
3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
21
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: bever, das, marterachtigen, vleermuizen en huismus. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Mogelijke functie planlocatie
Planten Grondgebonden zoogdieren Bever Das Marterachtigen
art. 3.5 art. 3.10 art. 3.10
Ja Ja Ja
Vleermuizen
art. 3.5
Ja
Verblijfplaats in bomen en gebouwen, essentiële vliegroute & essentieel foerageergebied
art. 3.1
Ja
Nestlocatie/foerageergebied
Verblijfplaats & essentieel leefgebied
Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Huismus Vogels (Algemeen en cat. 5)
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Nader onderzoek
Natura 2000 Natuurnetwerk Brabant Groenblauwe mantel
11 km 80 m 20 m
Geen Geen Geen
N.v.t. N.v.t. N.v.t.
4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
22
5 Conclusie 5.1
Conclusie De beoogde ruimtelijke ingreep aan de Bleek e.o. te Ravenstein is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te planlocatie een relevante functie heeft voor de bever, das, huismus, kleine marterachtigen en vleermuizen. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, huismus: er zijn belangen vanuit volksgezondheid en/of openbare veiligheid - aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd).
Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
5.3 Vervolgstappen • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei, conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2023). • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB). Hiervan dienen drie rondes in het voorjaar en twee rondes in het najaar plaats te vinden. De potentie van de planlocatie voor verschillende typen verblijfplaatsen en vleermuissoorten wordt in tabel 3.1 en 3.2 uiteengezet. • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar de das en marterachtigen uitgevoerd te worden tussen mei – augustus. Dit kan door middel van het plaatsen van strategisch geplaatste cameravallen en marterboxen om zo de functie van het plangebied te achterhalen. • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar de bever uitgevoerd te worden. Dit kan door minimaal twee veldbezoeken; één bij voorkeur maart-april en de ander enkele maanden later in het begin van het seizoen.
5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht).
23
• Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. • De beoogde werkzaamheden leiden niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vissoorten.
Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht. • De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
24
Bronvermelding Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Bever (Castor fiber) Kennisdocument Das (Meles meles) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.noord-brabant.maps.arcgis.com www.noord-brabant.tercera-ro.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1 Bijlage 2
Fotografische impressie Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming
25
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Bleek e.o. te Ravenstein en bestaat uit een parkeerplaats, verruigd grasveld met groenstruwelen en bomen en een gebouw. De initiatiefnemers zijn voornemens om een nieuw gemeenschapshuis met parkeergelegenheid, groene zone en half bastions te realiseren.
Figuur 2
Impressie van de groenstruwelen en bomen die het verruigd grasveld omringen.
26
Figuur 3
Impressie van de watergang die de planlocatie grenst.
Figuur 4
Impressie van de trailers die aanwezig zijn op de planlocatie.
27
Figuur 5
Impressie van een sleepspoor van de beverburcht aan de zuidoost zijde van de planlocatie
Figuur 6
Impressie het verruigde grasveld op de planlocatie.
28
Bijlage 2 Vervolgstappen Wnb Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
29
Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; c) de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee).
De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5.
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c) er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
30
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven en zijn aanvullend op de belangen die voor Habitatrichtlijnsoorten kunnen worden aangevoerd (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2). 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het
daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen,
industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; 3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter
plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 6. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of 8. in het algemeen belang.
31
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 32