Bijlage_8_FF_onderzoek
Tekst van het document
Ecologische Quickscan aan de Molenstraat 32, 34 en 40a te Oss Duo Pertinax B.V.
Opdrachtgever:
Opsteller: Kwaliteitscontrole: Datum: Kenmerk:
Duo Pertinax B.V. Maasdijk 29a 5366 AA Megen
Ecologisch adviesbureau Eceau 5.1.2e 5.1.2e
20 September 2024 MIB-1QS240614 5.1.2e
Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van de Omgevingswet. Desondanks accepteert Ecologisch adviesbureau Eceau op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke ondernemingen die de opdrachtgever naar aanleiding van onderhavige ecologische quickscan uitvoert. Onderhavige rapportage of delen daarvan mogen niet zonder toestemming van zowel de opdrachtgever en Ecologisch adviesbureau Eceau gebruikt worden door derden of verspreid worden naar derden. Openbaarmaking, kopiëring en elke andere toepassing inbegrepen, het mag enkel gebruikt worden door de opdrachtgever voor wie het is ontwikkeld.
Inhoudsopgave 1.
Inleiding en planlocatie .......................................................................................................... 2
2.
Doel en vraagstelling .............................................................................................................. 3
3.
Methode ................................................................................................................................ 4 3.1.
Oriëntatie en locatiebezoek .............................................................................................. 4
3.2.
Bureau-onderzoek en rapportage ..................................................................................... 4
4.
Bevindingen ........................................................................................................................... 5 4.1.
Grondgebonden zoogdieren.............................................................................................. 6
4.2.
Vleermuizen ....................................................................................................................... 7
4.3.
Vogels ................................................................................................................................ 9
4.4.
Overige diersoorten ......................................................................................................... 11
4.5.
Vaatplanten ..................................................................................................................... 12
4.6.
Houtopstanden ................................................................................................................ 12
4.7.
Gebiedsbescherming ....................................................................................................... 13
5.
Samenvatting ....................................................................................................................... 14
6.
Vervolgstappen .................................................................................................................... 15 6.1.
Nader onderzoek ............................................................................................................. 15
6.2.
Maatregelen bij de uitvoering ......................................................................................... 15
Bronnen .......................................................................................................................................... 16 Bijlage 1
Foto’s planlocatie ....................................................................................................... 17
1
1. Inleiding en planlocatie De initiatiefnemer is voornemens een gebouwencomplex aan de Molenstraat te Oss te saneren ten behoeve van nieuwbouw. Het plangebied omvat de percelen van Molenstraat 32, 34 en 40a. De gevels van het complex zijn opgetrokken uit gemetselde gevels en voorzien van diverse (raam)kozijnen en overstekken. Het complex is voorzien van zadeldaken met dakpannen alsmede een gedeelte plat dak. De bebouwing in het uiterste zuiden van het plangebied staat op zichzelf en is niet direct verbonden met de rest van de bebouwing van het complex. Het terrein bestaat verder vrijwel volledig uit verharding. De enige aanwezige begroeiing zijn enkele algemene kruiden die tussen de stoeptegels omhoog geschoten zijn, waaronder brede weegbree en klein streepzaad. Het plangebied is gelegen in het centrum van Oss. Zowel de directe omgeving als de ruimere omgeving rondom het plangebied bestaat uit dichtbebouwd stedelijk gebied, met winkels, woningen, appartementen, infrastructuur, sportgelegenheid en kleinschalige (openbare) groenstructuren. Agrarisch of meer bebost terrein bevindt zich in alle richtingen op tenminste 1,5 kilometer afstand. In figuur 1 is de ligging schematisch weergegeven en in bijlage 1 zijn diverse foto’s toegevoegd.
Figuur 1
Schematische weergave van het plangebied aan de Molenstraat te Oss, de rode arcering weergeeft de ligging van het plangebied (kaart overzicht: openbasiskaart; detail: PDOK)
2
2. Doel en vraagstelling Bij (grote) ruimtelijke ontwikkelingen waarbij het redelijkerwijs aan te nemen is dat beschermde soorten potentieel voorkomen is de initiatiefnemer verplicht aan te tonen dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De ecologische quickscan biedt inzicht in de wetgeving aangaande beschermde soorten, beschermde gebieden en houtopstanden, alsmede inzicht in de (eventueel) te nemen vervolgstappen om overtreding van de Omgevingswet in het kader van voorgenoemde zaken te voorkomen. Onderhavige ecologische quickscan kan voor de initiatiefnemer als bewijsstuk dienen dat onderzoek is verricht ten behoeve van de beschermde soorten, beschermde gebieden en houtopstanden. De initiatiefnemer is voornemens een gebouwencomplex te saneren.
Er kan worden gesteld dat de volgende werkzaamheden uitgevoerd zullen worden ten behoeve van de ontwikkeling: sloopwerkzaamheden verwijderen bestrating en overige terreininrichting bouwrijp maken van het terrein realiseren nieuwe bebouwing herbestrating, herbeplanten en overige revitalisatiewerkzaamheden In het kader van de te verrichten werkzaamheden komen overige zaken en effecten tevens aan de orde, waaronder: transport puin, groenafval en bestrating transport nieuwe materialen plaatsen bouwverlichting (mogelijk) plaatsen bouwkeet Realiseren bedrijfsunits akoestische, trillings en optische verstoring van de directe omgeving Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden eventueel aanwezige ecologische functies mogelijk vernietigd of verstoord, tevens zal er sprake zijn van (tijdelijke) verstoring van de directe omgeving. Flora en fauna die gebruik maken van het leefgebied op of nabij de planlocatie zullen negatieve effecten ervaren.
In het kader van de beoogde ontwikkeling zullen middels de ecologische quickscan onderstaande vragen beantwoord worden: Welke beschermde flora en fauna van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving zijn (potentieel) aanwezig binnen de grenzen van het ontwikkelgebied? Is de voorgenomen ontwikkeling op basis van de gevonden resultaten in strijd met de Omgevingswet en welke effecten worden verwacht? Dienen eventuele vervolgstappen genomen te worden alvorens de aanvang van de uitvoering om overtreding van de Omgevingswet te voorkomen?
3
3. Methode Middels voorliggende ecologische quickscan is de potentie voor beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Daarnaast is onderzocht of de beoogde ontwikkeling potentieel een negatief effect heeft op houtopstanden en nabijgelegen beschermde gebieden. De ecologische quickscan is op te delen in enkele stappen: oriëntatie locatiebezoek bureau-onderzoek rapportage
3.1.
Oriëntatie en locatiebezoek
Bij de oriëntatie van het onderzoek wordt een eerste indruk verkregen van de locatie middels spreidingsdata van soorten, luchtfoto’s, kaarten en aangeleverde data vanuit de opdrachtgever. Gedurende het locatiebezoek wordt het ontwikkelgebied op potentiële verblijfslocaties en functionele onderdelen van leefgebieden van beschermde flora en fauna gecontroleerd. Tevens wordt een momentopname gedaan van de thans aanwezige beschermde soorten, functies en locatiekenmerken. Buiten de individuen om wordt voornamelijk gelet op sporen of restanten van de flora en fauna. Voorbeelden hiervan zijn veren, braakballen, prooiresten, geursporen, holen en uitwerpselen. Het veldbezoek is uitgevoerd op 13 augustus 2024.
3.2.
Bureau-onderzoek en rapportage
Nadat de locatie bezocht is wordt door middel van het raadplegen van naslagwerken, informatiebronnen, kaartdatabases en andere (externe) hulpmiddelen een beoordeling gemaakt van de potentie van het plangebied voor beschermde soorten, nabijgelegen beschermde gebieden en houtopstanden. Bij het uitwerken van de rapportage worden de vergaarde data bij de oriëntatie, de aangetroffen zaken tijdens het veldbezoek en de informatie uit het bureau-onderzoek vervolgens samen getoetst. Daaruit volgend wordt duidelijk of bij de uitvoering van de werkzaamheden sprake is van overtreding van de Omgevingswet in het kader van beschermde soorten, beschermde gebieden en houtopstanden, indien er geen vervolgstappen worden genomen. Op basis van deze toetsing worden aanbevelingen gedaan voor een eventueel vervolgtraject, maatregelen ter voorkoming van overtreding of een combinatie van beide.
4
4. Bevindingen In onderhavige paragrafen wordt besproken van welke bijzonderheden sprake is (o.a.: vrijstellingen en bepalingen), welke soorten in het aangetroffen habitat voorkomen en van welke soorten het voorkomen in de nabijheid van de onderzoeklocatie bekend is. Van de beschermde soorten die in de omgeving van de onderzoeklocatie voorkomen wordt dieper ingegaan op het leefgebied en belangrijke en functionele onderdelen daarvan; waaronder vaste verblijfplaatsen, foerageergebieden en verbindingsroutes. De daadwerkelijk aangetroffen habitatonderdelen worden vergeleken met bovenstaande om te bepalen of er sprake is van (negatieve) effecten. Aan de hand van de te verwachten effecten wordt bekeken of er vervolgstappen benodigd zijn ten behoeve van de betreffende soorten.
5
4.1. 4.1.1.
Grondgebonden zoogdieren Bescherming en soorten
Grondgebonden zoogdieren komen vrijwel overal voor in Nederland. Gezien het opportunistische karakter van diverse van deze algemene soorten zijn een aantal soorten vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De binnen Noord-Brabant vrijgestelde zoogdiersoorten zijn opgenomen in tabel 1. Tabel 1 Vrijgestelde grondgebonden zoogdieren van de provincie Noord-Brabant Aardmuis Haas Tweekleurige bosspitsmuis Bosmuis Huisspitsmuis Veldmuis Dwergmuis Konijn Vos Dwergspitsmuis Ondergrondse woelmuis Wild Zwijn Egel Ree Woelrat Gewone bosspitsmuis Rosse woelmuis
4.1.2.
Habitatonderdelen
De projectlocatie betreft een volledig kunstmatig ingericht terrein, bestaande uit een gebouwencomplex. Vegetatie beperkt zich vrijwel volledig tot tussen de stoeptegels opgekomen grassen en kruiden. Er is geen sprake van natuurlijke omstandigheden en er is geen oppervlaktewater aanwezig. De aanwezigheid van onder andere zeezoogdieren (bruinvis, grijze zeehond), soorten van kruidenrijke gebieden (noordse woelmuis, europese hamster), van gevarieerde waterrijke/verstoringsarme gebieden (waterspitsmuis, bever, otter), van kleinschalig structuurrijk (cultuur)landschap (das, wezel, bunzing, hermelijn), en van bossen en grotere houtopstanden (boommarter, eekhoorn, wolf) kan op voorhand worden uitgesloten. Resterend is enkel de gebouwbewonende steenmarter. De steenmarter is een soort die verblijfplaatsen heeft in stenige objecten en bebouwing, maar ook in hopen snoeiafval, kruipruimten, ongebruikte schuurtjes, holle bomen of verlaten holen van andere grotere grondgebonden zoogdieren. Voor steenmarters is het van belang dat er relatief grote openingen aanwezig zijn. Voor steenmarters dienen de openingen een afmeting te hebben van ca. 5cm breed of een lange spleet van minimaal 3cm breed (natuurpunt.be, 2023). De bebouwing is in zijn geheel gecontroleerd op de aanwezigheid van dergelijke openingen, alsmede overige mogelijke verblijfplaatsen voor steenmarters.
Deze zijn echter niet aangetroffen. Daarnaast ontbreken alle mogelijke sporen, die op bewoning door steenmarters kunnen duiden, zoals latrines, loopsporen, uitwerpselen of prooiresten. De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van steenmarters is derhalve uitgesloten.
4.1.3.
Effecten
Gezien de inrichting van het projectgebied worden geen beschermde grondgebonden zoogdieren verwacht. Algemene en opportunistische grondgebonden zoogdieren zoals huismuis, huisspitsmuis en bruine rat maken mogelijk algemeen gebruik van het plangebied. Voor dergelijke soorten zijn er voldoende alternatieven in de omgeving om tijdelijk naar uit te wijken. Bovendien zijn alle mogelijk aanwezige beschermde soorten opgenomen in het vrijstellingsbesluit van de provincie NoordBrabant. Behoudens de Algemene Zorgplicht zijn geen bijzondere maatregelen benodigd in het kader van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet voor grondgebonden zoogdieren.
6
4.2. 4.2.1.
Vleermuizen Bescherming en soorten
Ondanks dat vleermuizen vrijwel overal in Nederland aangetroffen worden, zijn er geen vleermuissoorten vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Door de continue verduurzaming van bestaande en nieuwe bebouwing waarbij gevels en daken worden geïsoleerd is er een sterke afname in potentieel geschikte verblijfslocaties voor vleermuizen. Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn beschermd middels de Habitatrichtlijn van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Naast de individuen zijn tevens de vaste rust- en/of verblijfslocaties, essentiële vliegroutes en functionele foerageergebieden beschermd.
4.2.2.
Habitatonderdelen
In Nederland komen diverse vleermuissoorten voor die als verblijfslocaties onder andere gebruik maken van bebouwing. Voorbeelden hiervan zijn de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger. Dit geldt voor zowel de zomer-, paar-, winter- en kolonieverblijven. Open stootvoegen, kierende daklijsten, openstaande/overhangende dakpannen, scheuren in gevels of enige andere opening die toegang verleend tot een holle achterliggende ruimte bieden potentie om als verblijfplaats te dienen. Goede voorbeelden van achterliggende ruimten zijn de spouw, de ruimte onder dakpannen en toegankelijke verstoringsvrije zolderruimten met een stabiel microklimaat. Ook onder boombewonende soorten bevinden zich enkele algemeen voorkomende soorten, waaronder rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Deze soorten bezetten verblijfplaatsen in boomholten van met name oude bomen met een grote omvang, zodat de holten een voldoende bufferende werking hebben. Vanuit de verblijfslocaties verplaatsen vleermuizen zich vaak via vaste routes naar geschikte foerageergebieden, waarbij gebruik gemaakt wordt van lijnvormige structuren als de luwte van bebouwing, bomenlanen en oppervlaktewateren. Dergelijke structuren kunnen beschermd zijn indien er onvoldoende alternatieven aanwezig zijn.
Binnen de planlocatie zijn geen bomen aanwezig, waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen op voorhand is uitgesloten. Het plangebied is tevens slechts zeer marginaal geschikt als foerageerlocatie voor vleermuizen en er is een grote variatie aan ruimtelijke oriëntatiepunten aanwezig in de nabije omgeving. Derhalve is er geen sprake van functioneel of essentieel foerageergebied of essentiële migratiestructuren. Ook zal er na de ingreep opnieuw bebouwing aanwezig zijn die kan dienen als oriëntatiepunt. De bebouwing is tevens in zijn geheel gecontroleerd op de aanwezigheid van openingen die leiden tot een potentiële vaste rust- en/of verblijfslocatie voor gebouwbewonende vleermuizen (figuur 2). In de gevels van het westelijke gedeelte van het gebouwencomplex zijn diverse open stootvoegen aangetroffen. Deze stootvoegen leiden mogelijk naar achterliggende spouwruimten, die door vleermuizen gebruikt kan worden als vaste verblijfplaats. Dit betreft de enige plek waar vleermuizen aannemelijk de bebouwing kunnen betreden. Op andere plekken in de bebouwing zijn geen stootvoegen aanwezig. Tevens zijn er geen kieren aangetroffen onder de daklijsten en overstekken. Het is niet uitgesloten dat verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in de bebouwing, hoewel openingen enkel aanwezig zijn in de gevels van het westelijke deel van de bebouwing.
Ondanks dat er geen sprake is van aantasting van essentiële of functionele foerageer- en/of migreerstructuren, is het niet uitgesloten dat vleermuizen de planlocatie betreden of deze opportunistisch gebruiken als foerageerlocatie.
4.2.3.
Effecten
In de gevels van het westelijke gedeelte van het gebouw zijn diverse open stootvoegen aangetroffen die mogelijk leiden naar voor vleermuizen geschikte achterliggende holle ruimten. Het is niet uitgesloten dat vaste rust- en/of verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen aanwezig zijn. Derhalve is het noodzakelijk om, alvorens de aanvang van de werkzaamheden, nader onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen.
7
Gelet op de inrichting van het plangebied, alsmede de directe omgeving ervan zijn foerageer- en migreerstructuren binnen de grenzen van het projectgebied niet als functioneel of essentieel aan te merken. Effecten op essentiële vlieg- en foerageerroutes zijn uitgesloten. Desondanks zal de locatie opportunistisch gepasseerd worden door vleermuizen. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden gedurende de donkere en schemerende dagdelen dan kunnen aanwezige en passerende vleermuizen verstoord worden door bouwverlichting. Dit is alleen van toepassing in de periode april t/m oktober, buiten de winterrustperiode. Om dergelijke onnodige verstoring te voorkomen dient het de voorkeur in deze periode overdag te werken of vleermuisvriendelijke bouwverlichting toe te passen (naar beneden gericht, convergerend).
Figuur 2
In het westelijke gedeelte van de bebouwing zijn diverse open stootvoegen aangetroffen, die mogelijk toegang bieden tot voor vleermuizen geschikte achterliggende holle ruimten.
8
4.3. 4.3.1.
Vogels Bescherming en soorten
Alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op Europees grondgebied zijn beschermd middels de Vogelrichtlijn. Hierin is opgenomen dat het verboden is opzettelijk individuen te doden of te vangen, hun nesten of eieren vernielen, beschadigen of weg te nemen en om de vogels dermate (opzettelijk) te verstoren dat een broedsel mislukt, dit laatste geldt voornamelijk binnen de broedperiode (medio maart t/m medio juli). Daarnaast is er een categorisering in beschermingsniveau. Er wordt een jaarronde bescherming van nesten (ook buiten broedseizoen, zonder eieren) gehanteerd voor soorten die erg honkvast zijn, ieder jaar terugkeren naar dezelfde locatie of het nest jaarrond gebruiken (cat. 1 t/m 4). Daarnaast geldt aanvullend voor een aantal soorten jaarronde bescherming van nesten indien zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen (cat. 5). Gedurende het broedseizoen zijn aanvullend alle in gebruik zijnde nesten beschermd, waaronder die van veelvoorkomende soorten zoals turkse tortel, kauw, zwarte roodstaart en witte kwikstaart.
4.3.2.
Habitatonderdelen
Aangezien de beoogde ingreep plaatsvindt op een vrijwel volledig kunstmatig ingericht perceel binnen dichtbebouwd stedelijk gebied, zijn een aantal soorten van de categorie 1 t/m 4 al op voorhand uit te sluiten. Zo is de aanwezigheid van nesten van soorten die broeden nabij snelstromend water (grote gele kwikstaart), in bossen of grotere houtopstanden (buizerd, havik, oehoe), in gevarieerd open agrarisch gebied (ooievaar, boomvalk), op hoge gebouwen of in masten (slechtvalk) of kleinschalig cultuurlandschap (steenuil, kerkuil) op voorhand uit te sluiten. In de bomen in de directe omgeving van het plangebied zijn geen nesten aangetroffen van soorten zoals roek, sperwer of ransuil. Resterend zijn enkel de gebouwbewonende huismussen en gierzwaluwen. De huismus stelt hoge eisen aan het habitat, daar verblijft de soort dan ook het gehele jaar. Indien een aantal van de habitateigenschappen niet voorkomt zal de huismus wegblijven. Als nestlocatie wordt gebruik gemaakt van openingen in bebouwing, met name pannendaken worden bewoond.
In de directe omgeving van een potentiële nestlocatie dienen diverse habitatonderdelen aanwezig te zijn, waaronder schoon drinkwater, voldoende schuilgelegenheid in de vorm van jaarrond bladhoudende struiken, hagen of heesters, grind en/of kleine steentjes, voldoende foerageermogelijkheden, droog zand voor zandbaden en niet te veel grote bomen (Kennisdocument Huismus, 2023). De bebouwing binnen het plangebied is geheel gecontroleerd op de aanwezigheid van openingen die leiden naar mogelijke nestholten waar huismussen gebruik van kunnen maken. In de gevels zijn geen openingen aanwezig die geschikt zijn voor huismussen, aangezien de enige openingen enkele stootvoegen betreffen. Er zijn tevens geen openingen in de overstekken en/of onder de daklijsten aangetroffen. Het is echter niet met zekerheid te stellen, dat huismussen geen nesten kunnen bouwen onder de onderste dakpannen aan de oostelijke zijde van het plangebied. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van huismus is derhalve niet uitgesloten. De gierzwaluw is een soort die vrijwel zijn gehele leven in de lucht doorbrengt. Enkel om te broeden verlaat de soort het luchtruim. Als nestlocatie worden openingen in daken, overstekken, gevels en andere nissen van bebouwing in gebruik genomen.
Hierbij is een vereiste dat de opening op een hoogte van minimaal drie meter aanwezig dient te zijn, zodat het nest met een vrije val verlaten kan worden om eenvoudig weg te kunnen vliegen. Gierzwaluwen broeden in losse kolonies, bestaande uit zowel broedparen als ongepaarde vogels. De bebouwing in het plangebied is in zijn geheel onderzocht op de aanwezigheid van geschikte openingen. Gezien de afwezigheid van kant- of nokpannen, nissen of andere dergelijke openingen is de aanwezigheid van vaste nestplaatsen van gierzwaluw uitgesloten. Voor soorten van de categorie 5 die broeden in dergelijke bebouwde biotopen (ekster, zwarte roodstaart) is in de nabije omgeving voldoende alternatief broedhabitat beschikbaar, zodat er geen ecologisch zwaarwegende feiten zijn die jaarronde bescherming van nesten van deze soorten noodzakelijk maken.
9
4.3.3.
Effecten
Het is niet uitgesloten dat binnen het plangebied nesten aanwezig zijn van huismus, welke jaarronde bescherming genieten conform de Vogelrichtlijn en de verordeningen van de provincie NoordBrabant. Derhalve is het noodzakelijk, alvorens de werkzaamheden te starten, nader onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van nesten van huismus. Geschikte habitattypen en nestlocaties voor andere soorten van de categorie 1 t/m 4 ontbreken binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling. Aanvullend is er thans geen sprake is van relevante zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die rechtvaardigen om categorie 5 soorten, zoals boomkruiper en ekster, zwaarder te beschermen. Daarnaast zijn er mogelijk nesten van algemene broedvogels, zoals turkse tortel, houtduif, merel en winterkoning, aanwezig op en rond de bebouwing op het plangebied. In het kader van de Algemene Zorgplicht en de verbodsbepalingen van de Vogelrichtlijn binnen het broedseizoen (ca. medio maart t/m medio juli) wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten deze periode aan te vangen of alvorens de broedperiode de planlocatie ongeschikt te maken als nestlocatie. Indien de werkzaamheden aanvangen binnen het broedseizoen en de locatie niet vooraf ongeschikt is gemaakt dient de locatie door een deskundige onderzocht te worden op de aanwezigheid van nesten.
Bij het eventueel aantreffen van nesten bij een dergelijke inspectie dienen de werkzaamheden opgeschort te worden en dienen de aanvullende instructies van de deskundige opgevolgd te worden om overtreding van de Omgevingswet te voorkomen.
10
4.4. 4.4.1.
Overige diersoorten Bescherming en soorten
Overige diersoorten betreffen de vlinders, libellen, overige ongewervelden, amfibieën, reptielen en vissen. Door de afwezigheid van oppervlaktewateren, kleinschalige poelen, plassen en sloten kan de aanwezigheid van geschikte leefgebieden voor amfibieën, vissen, libellen en watergebonden ongewervelden uitgesloten worden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Van de amfibieën zijn door de hoge trefkans enkele soorten vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen, dit betreft de bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en bastaardkikker (vrijstellingen provincie Noord-Brabant). Van de Habitatrichtlijnsoorten, zoals heikikker, rugstreeppad of boomkikker, is geen geschikt habitat aanwezig binnen de planlocatie of in de directe omgeving daarvan. Een diverse (kruiden- en bloemrijke) vegetatie is voor veel algemene insecten essentieel. Bovendien zijn er voor een groot aantal vlinders, libellen en andere ongewervelde specifieke waardplanten waarvan de soort afhankelijk is. Binnen het plangebied is nauwelijks vegetatie aanwezig. Gelet op het ontbreken van waardplanten, bijzondere habitateigenschappen, natuurlijke omstandigheden en de bekende verspreiding van beschermde libellen, vlinders en overige ongewervelden kan het voorkomen ervan redelijkerwijs uitgesloten worden.
Reptielen komen voor in natuurlijke, dynamische en relatief verstoringsarme biotopen. Door de huidige inrichting van het terrein, alsmede de ligging worden reptielen niet verwacht.
4.4.2.
Habitatonderdelen
De projectlocatie betreft een gebouwencomplex met omliggend verhard terrein waarop geen natuurlijke omstandigheden aanwezig zijn. Gezien het ontbreken van natuurlijke en verstoringsvrije biotopen alsmede bijzondere habitateigenschappen voor beschermde vlinders, libellen, ongewervelde, reptielen, amfibieën en vissen wordt de aanwezigheid van habitatrichtlijnsoorten of bijzondere overige soorten van voornoemde soortgroepen in de huidige situatie niet verwacht.
4.4.3.
Effecten
Gelet op het ontbreken van geschikte leefgebieden, voortplantingslocaties en verblijfslocaties voor beschermde soorten binnen de soortgroepen vlinders, libellen, overige ongewervelden, reptielen, amfibieën en vissen, en de afstand tot bekende populaties van beschermde soorten, alsmede de afwezigheid van potentiële migratieroutes, is een effect uitgesloten. Voor algemene soorten zijn er voldoende alternatieven in de directe omgeving om tijdelijk naar uit te wijken en zijn de te verwachten soorten allen opgenomen in de vrijstellingsverordening van de provincie. Voor de vrijgestelde soorten zijn er, behoudens de Algemene Zorgplicht, geen bijzondere maatregelen benodigd ter voorkoming van de overtreding van de verbodsbepalingen van het Besluit activiteiten leefomgeving ten aanzien van beschermde vlinders, libellen, overige ongewervelden, reptielen, amfibieën en vissen.
11
4.5. 4.5.1.
Vaatplanten Bijzonderheden
Ondanks dat een groot deel van de beschermde vaatplanten enkel te determineren is gedurende de periode van bloei, is goed te bepalen of dergelijke soorten potentieel voorkomen op een bepaalde locatie. Veel soorten komen voor in specifieke habitattypen of plantengemeenschappen: een verscheidenheid aan soorten die elkanders potentiële voorkomen aantonen doordat dergelijke soorten in vergelijkbare (abiotische) omstandigheden en biotopen groeien.
4.5.2.
Habitatonderdelen
De geschiktheid van een locatie is direct afhankelijk van de aanwezige (abiotische) omstandigheden, zoals oppervlaktewater, zuurgraad, voedingsrijkdom van de bodem, lichtinval en standplaatsen. Gezien de ligging van de planlocatie binnen dichtbebouwd gebied en de inrichting ervan bestaande vrijwel volledig uit verhard terrein kan de aanwezigheid van beschermde, zeldzame en bijzondere vaatplanten worden uitgesloten. Het plangebied betreft een volledig kunstmatig ingericht perceel, en de aangetroffen vegetatie bestaat vrijwel volledig uit tussen de stoeptegens opgekomen kruiden en grassen, zoals hoge fijnstraal, brede weegbree, en klein streepzaad. Bovendien is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekende in de directe omgeving van de locatie.
4.5.3.
Effecten
Binnen het plangebied is geen natuurlijke vegetatie aanwezig. Ten tijde van het veldbezoek zijn geen beschermde vaatplanten of restanten ervan waargenomen. Er worden geen effecten verwacht en er zijn geen vervolgstappen of bijzondere bepaling van toepassing in het kader van beschermde vaatplanten.
4.6.
Houtopstanden
Houtopstanden zijn beschermd krachtens de Omgevingswet, indien van toepassing zal er of sprake zijn van een meldplicht of van een vergunningplicht. Deze artikelen zijn echter niet van toepassing op de houtopstanden binnen de grenzen van de planlocatie. Wegens het onderstaande: Artikel 11.111, lid 2a van het Besluit activiteiten leefomgeving: de afdeling [met betrekking tot het vellen van houtopstanden] gaat niet over: houtopstanden binnen de in het omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour houtkap, bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving Indien bomen gekapt gaan worden dient enkel voldaan te worden aan de gemeentelijke richtlijnen. De Omgevingswet vormt geen bezwaar.
12
4.7. 4.7.1.
Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Brabant (NNB)
De projectlocatie is gelegen op ca. 1,6km tot de aangemerkte NNB-gebieden. Gezien de afstand, de kenmerken van het tussenliggende gebied met dichte bebouwing, en de aard van de werkzaamheden, kunnen effecten op het Natuurnetwerk Brabant worden uitgesloten. Tevens is de ontwikkellocatie geen onderdeel van andere beschermde gebieden zoals ecologische verbindingszones, natuurcompensatiegebieden of belangrijke weidevogelbeschermingsgebieden.
4.7.2.
Natura 2000-gebieden
De planlocatie is gelegen op een afstand van ca.11,2km tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, betreffende het gebied ‘Rijntakken’. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een verrijkend extern effect. Voorbeelden van externe werking betreffen een permanente toename van geluid, licht of stikstofdepositie of door optreden van een (grote) tijdelijke toename in dergelijke effecten. Gelet op de afstand tot de nabijgelegen Natura 2000-gebieden, alsmede de inrichting van het tussengelegen gebied, waaronder dichtbebouwd gebied, kunnen effecten anders dan stikstofdepositie bij voorbaat uitgesloten worden. Tevens zal een potentieel effect als gevolg van een verandering in tijdelijke en permanente stikstofdepositie niet verwacht worden. Het voornemen bestaat uit het saneren van de aanwezige bebouwing en het realiseren van nieuwbouw. Het is aannemelijk dat de nieuwe verbouwing zal voldoen aan diverse verduurzamingseisen waarvan in de huidige situatie geen sprake van is. Dit, tezamen met de afstand en de aard van het tussenliggende gebied, bestaande uit intensieve landbouw, stedelijk gebied en houtopstanden, wordt verwacht dat de toename van de stikstofdepositie in het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied onder de norm van 0,00 mol/ha/jaar zal vallen. Een effect op Natura 2000-gebieden is zowel in de gebruiksfase als gedurende de realisatiefase uitgesloten.
13
5. Samenvatting Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling aan de Molenstraat 32, 32 en 40a te Oss is een ecologische quickscan uitgevoerd. Het saneren van een bedrijfsgebouw en het realiseren van nieuwe bebouwing, en alle bijbehorende werkzaamheden leiden mogelijk tot aantasting van vaste verblijfplaatsen of nesten van gebouwbewonende vleermuizen en huismussen. Behoudens algemene broedvogels en vrijgestelde soorten, worden geen effecten verwacht op functionele leefomgevingen en vaste rusten/of verblijflocaties van andere beschermde soorten, beschermde gebieden of houtopstanden. Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren is enkel de Algemene Zorgplicht van toepassing Ten aanzien van vleermuizen is het vooralsnog niet bekend of verblijfplaatsen aanwezig zijn in de bebouwing. Daarnaast passeren en foerageren vleermuizen aannemelijk op of rondom de locatie en worden door (foutief toegepaste) bouwverlichting mogelijk verstoord. Ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en/of leefgebieden is enkel de aanwezigheid van huismus niet uitgesloten. Ten aanzien van algemene vogels kunnen broedsels en nesten verstoord worden gedurende het broedseizoen Ten aanzien van amfibieën worden enkel vrijgestelde soorten verwacht.
Voor deze soorten is de Algemene Zorgplicht van kracht Voor vlinders, libellen, overige ongewervelden, reptielen en vissen met een beschermde status krachtens het Besluit activiteiten leefomgeving is geen geschikt leefgebied aanwezig Standplaatsen en geschikte omstandigheden ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn niet aangetroffen Er is geen sprake van effecten op houtopstanden onder bescherming van de Omgevingswet Gelet op de afstand tot beschermde gebieden, de aard van de werkzaamheden, de genomen maatregelen en de tussengelegen inrichting van het gebied worden geen (negatieve) effecten verwacht
14
6. Vervolgstappen Er zijn enkele aanleidingen aangetroffen die het noodzakelijk maken dat vervolgstappen of aanvullend onderzoek uitgevoerd moet worden. Voor een aantal soorten is het voldoende als er tijdens de uitvoering rekening wordt gehouden met de eventuele aanwezigheid.
6.1.
Nader onderzoek
Alvorens de aanvang van de beoogde ontwikkeling dient voor vleermuizen aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om uitsluitsel te geven over de aan- dan wel afwezigheid van vaste rust- en/of verblijflocaties in de huidige bebouwing. Slechts in het westelijke deel van de bebouwing zijn open stootvoegen aangetroffen, derhalve is het uitvoeren van het onderzoek met één ecoloog per veldbezoek voldoende. Het onderzoek betreft vijf gerichte veldbezoeken in de periode mei t/m oktober. Bij het onderzoek dient rekening gehouden te worden met gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Alvorens de aanvang van de beoogde ontwikkeling dient voor huismussen aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om uitsluitsel te geven over de aan- dan wel afwezigheid van vaste verblijflocaties in de huidige bebouwing, derhalve is het uitvoeren van het onderzoek met één ecoloog per veldbezoek voldoende. Het onderzoek betreft twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei, oftewel door dakpannen te lichten om nesten te zoeken in de periode 15 september t/m 1 maart. Afhankelijk van de bevindingen van het nadere onderzoek naar huismussen en vleermuizen zullen vervolgmaatregelen, een ontheffingsaanvraag of geen vervolgstappen benodigd zijn
6.2.
Maatregelen bij de uitvoering
Voor vleermuizen dient rekening gehouden te worden met mogelijk foeragerende of passerende individuen middels het juist toepassen van bouwverlichting óf door te werken buiten de schemerende en donkere dagdelen indien in de periode april t/m oktober gewerkt wordt. Voorbeelden van juiste verlichting: amber-/roodkleurige verlichting, beperkte hoogte van lichtmasten en verlichting naar beneden gericht en convergeren In verband met de potentie voor algemene vogelsoorten zoals zwarte roodstaart, turkse tortel en overige kleine zangvogels werkzaamheden buiten het broedseizoen (betreffende de periode medio maart t/m medio juli) uitvoeren. Indien de werkzaamheden opgestart en uitgevoerd worden binnen het broedseizoen dient de locatie ongeschikt gemaakt te worden alvorens de aanvang van het broedseizoen. Indien nodig kan ook binnen het broedseizoen gewerkt worden door de planlocatie vlak voorafgaand aan de werkzaamheden te laten controleren op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten In het kader van de Algemene Zorgplicht dient voorzichtig gehandeld te worden met alle aanwezige flora en fauna
15
Bronnen BIJ12, 2024. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 2.0. April 2024, Utrecht. BIJ12, 2023. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 2.0. Juli 2023, Utrecht BIJ12, 2023. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 2.1. Februari 2023, Utrecht Websites, geraadpleegd 2024: atlasleefomgeving.nl bomen.meetnetportaal.nl decentrale.regelgeving.overheid.nl natura2000.eea.europa.eu pas.natura2000.nl rug.maps.arcgis.com wetten.overheid.nl www.floravannederland.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.rvo.nl www.sovon.nl www.telmee.nl www.vleermuis.net www.vogelbescherming.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl
16
Bijlage 1
Foto’s planlocatie
De bebouwing is opgetrokken uit gemetselde gevels en voorzien van een pannendak.
Een klein deel van de bebouwing is niet verbonden met de rest van het complex.
17
De gevels zijn uit verschillende typen steen opgetrokken.
Aan de westelijke gevel bevindt zich een uitwendige wenteltrap.
18
Legenda toegepaste uitzonderingsgrondslagen In dit document zijn gegevens geanonimiseerd op grond van: Wet
Artikel
Omschrijving
Pagina's
Wet open overheid
Art. 5.1 lid 2 sub e
De eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
1