Bijlage 8 bij toelichting - ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30 in Geffen.PDF
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
28
Afbeelding 15: weergave projectlocatie met beoogde ontwikkeling (bron: Qgis) De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart die bij de nieuwe Keur is gevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval Aa en Maas, verdeeld in drie categorieën. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼ (Laag), ½ (Gemiddeld) en 1 (Hoog). Zoals uit navolgende afbeelding blijkt is er voor de locatie aan de Kruiskampweg 26 - 30 een gevoeligheidsfactor van 1 (Hoog) van toepassing.
Afbeelding 16: uitsnede kaart 'Gevoeligheidsfactor' (bron: Waterschap Aa en Maas) De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m3/ha) die de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario’s. Dit is een vast gegeven in de formule.
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
29
Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Dit betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden. Benodigde compensatie = 4.069 m2 x 1 x 0,06 = 244 m3 Bij de uitwerking van de compenserende maatregelen zal ook rekening gehouden moeten worden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De voorziening mag namelijk niet dieper worden afgegraven dan de GHG ter plaatse. De gemiddelde hoogste grondwaterstand is af te leiden uit de gedetailleerde bodematlas van de provincie Noord-Brabant. Zoals uit navolgende afbeelding blijkt ligt de gemiddelde hoogste grondwaterstand ter plaatse van de beoogde bedrijfsbebouwing tussen 60 - 80 cm beneden maaiveld.
Afbeelding 17: weergave Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) (bron: brabant.kaarten.nl) Zoals beschreven paragraaf 4.2.2 Bestaande waterhuishoudkundige situatie is er naar aanleiding van de ruimtelijke procedure van 2012 een waterbergingscapaciteit van 241 m3 berekend. In de beoogde situatie is een benodigde compensatie van 244 m3 berekend. In de beoogde situatie moet de retentievoorziening in totaal 485 m3 aan water kunnen bergen. Zie navolgende tabel. In de bestaande situatie zijn er 2 zaksloten aanwezig met een waterbergingscapaciteit van 173 m3. Dit betekent dat de retentievoorziening in de beoogde situatie uitgebreid moet worden met 312 m3.
Tabel 3: overzicht opvangcapaciteit water Berekende retentievoorziening ontwikkeling 2012 Benodigde compensatie beoogde ontwikkeling Totaal omvang retentievoorziening
Berekend 241 m3 244 m 485 m3 3
Gerealiseerd
Nog te realiseren
173 m3
312 m3
173 m3
312 m3
Voor onderhavig initiatief is als extra retentievoorziening gekozen voor een infiltratiebosje om het hemelwater dat afkomstig is van de (extra) verharding te kunnen bergen en te laten infiltreren in de bodem. Het water, afkomstig van het vlak ‘bouwwerken geen gebouw zijnde’ van 4.069 m2 en (deels) van stal 8, zal afgevoerd worden naar het infiltratiebosje. Het infiltratiebosje heeft een omvang van 1.900 m2 en wordt ongeveer 20 centimeter verdiept. De totale waterbergingscapaciteit van het infiltratiebosje komt daarmee op 1.900 m2 x 0,20 m = 380 m3.
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
30
In de beoogde situatie zijn er 2 bestaande retentiesloten met een opvangcapaciteit van 173 m3 en een infiltratiebosje met een capaciteit van 380 m3. De totale opvangcapaciteit in de beoogde situatie is 553 m3 (173 m3 + 380 m3). Hiermee is ruim voldoende opvangcapaciteit aanwezig om het hemelwater op te vangen en te laten infiltreren. In afbeelding 18 zijn de bestaande retentiesloten en beoogde infiltratiebosje weergegeven. Door de realisatie van deze retentievoorziening is verzekerd dat er geen directe afvoer van hemelwater naar bestaande watergang plaatsvindt.
Afbeelding 18: overzicht beoogde situatie retentievoorzieningen (bron: Qgis) Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3 Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.3.1
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
31
NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Verordening de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Interim omgevingsverordening (Iov). Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor.
Conform paragraaf 3.2.3 van de Iov is binnen de projectlocatie geen NNB aanwezig, zie onderstaande afbeelding. In de nabijheid van de projectlocatie is een ecologische verbindingszone gelegen, namelijk De Hertogswetering.
Afbeelding 19: uitsnede kaart Iov, kaartlagen paragraaf 3.2.3 (bron: viewer 01-03-2020) De Hertogswetering valt onder het beheertype ‘Beek en Bron’. Het beheertype ‘Beek en Bron’ zijn vaak kleine stromende wateren met hun bronnen die uiteindelijk uitmonden in een rivier. Beken en bronnen zijn van groot belang voor verschillende planten en dieren die in de beek en/op de oevers van de beek leven. Bedreigingen voor de beek is het verslechteren van de waterkwaliteit door vermesting en vervuiling, afdamming en opstuwing van de beek waardoor vissen niet ongehinderd kunnen trekken door de beek, het rechttrekken en opstuwen verminderd daarnaast ook de overlevingskansen voor libellen, haften, kokerjuffers en platwormen. De beoogde ontwikkeling tast de ecologisch waarden en kenmerken van de ecologische verbindingszone niet aan. De oevers van de waterloop van de daarlangs gelegen dijk blijven intact. Er vindt geen oprichting, wijziging en/of uitbreiding van een dierenverblijf plaats. De vormverandering van het bouwvlak leidt hierdoor niet tot een toename van verzurende/vermestende activiteiten wat de waterkwaliteit en de leefomgeving van de van de Hertogswetering zou kunnen beïnvloeden. De omvang Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
32
van de beoogde ontwikkeling is kleinschalig van aard en heeft derhalve geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. Hiermee wordt voldaan aan de regels zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening onder paragraaf 3.2.3 Natuur Netwerk Brabant.
4.3.2
Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Rijntakken, Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen.
Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Rijntakken, dat op een afstand van ongeveer 7 kilometer ligt. In het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ is een stikstofregeling opgenomen met als doel te voorkomen dat dat plan kan leiden tot mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden. De regeling bestaat uit een detaillering van het doel 'uitoefening van het agrarisch bedrijf' binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’, waarmee getracht is ontwikkelruimte te bieden aan afzonderlijke agrarische bedrijven zonder dat er sprake is van een toename van de (in dit geval) natuur vergunde stikstofdepositie. Voorliggend agrarisch bedrijf op de locatie Kruiskampweg 30 te Geffen is opgenomen in de tabel in bijlage 9 behorende bij de stikstofregeling waarmee de natuurvergunning(en) van het bedrijf zijn vastgelegd. Hiermee is geborgd dat eventuele toekomstige wijzigingen in het project passen binnen het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’. Door voor deze deellocatie van het veegplan gebruik te maken van de regels en verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ wordt op dezelfde geborgd dat het plan niet kan leiden tot mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden.
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Het bedrijf is in het bezit van een Natuurbeschermingswetvergunning voor de huidige activiteiten. De Natuurbeschermingswetvergunning (zaaknr. 2012-016938) is op 11 februari 2013 afgegeven door de Provincie Gelderland en op 1 december 2014 door de provincie Noord-Brabant (zaaknr. C2094258/3694672). Deze stikstofrechten zijn tevens vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’ in bijlage 9 Tabel ‘Stikstofrechten’. Het beoogde initiatief betreft een vormverandering van het bestaande bouwvlak. De vormverandering heeft geen negatieve effecten op de Natura 2000gebieden. Er is immers geen sprake van oprichting, wijzing of uitbreiding het dierenverblijf. Daarnaast vinden er ook geen bouwwerkzaamheden plaats. Wanneer een uitbreiding of wijziging van het dierenverblijf plaatsvindt zal er ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning getoetst moeten worden of de beoogde activiteiten geen negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt middels het rekenprogramma AERIUS waarmee de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden wordt berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Omdat er geen sprake is van een oprichting, wijziging of uitbreiding een dierenverblijf of
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
33
bouwwerkzaamheden is er geen sprake van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Overige storingsfactoren De beoogde vormverandering van het bouwvlak leidt verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn.
In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de op de projectlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden.
Voor beoogde initiatieven dient onder andere bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren nieuw te realiseren bebouwing, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Door middel van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is gekeken of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten. Voor de vormverandering van het bouwvlak is er sprake van de activiteit ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. Uit de effectenindicator volgt dat de mogelijke aanwezigheid van vogels is, zie navolgende afbeeldingen.
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
34
Afbeelding 20: uitsnede kaart ‘Effectenindicator soorten’
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
35
Afbeelding 21: Conclusie ‘Effectenindicator soorten’ Initiatiefnemer is voornemens de vorm van het bouwvlak te wijzigen. Er vindt geen vergroting van het bouwvlak plaats. Daarnaast is er geen sprake van oprichting, wijziging of uitbreiding van dieren of gebouwen. De sleufsilo’s zijn al aanwezig binnen het beoogde bouwvlak. Met het voornomen initiatief vindt er geen aantasting plaats van nesten, voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van vogels. De verplaatsing van de landschappelijke inpassing zal buiten het broedseizoen plaatsvinden. Voorafgaand aan de verplaatsing van de landschappelijke inpassing worden de bomen en/of struiken gecontroleerd op nesten. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak is de aanwezigheid van (weide)vogels op de projectlocatie daarbij ook niet te verwachten. Gelet op de aard van het initiatief aan de Kruiskampweg 26-30 te Geffen is er geen sprake van handelingen die leiden aantasting van beschermde natuurwaarden. Geconcludeerd kan worden dat er geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet Natuurbescherming. 4.4 Ammoniak Ammoniak is een belangrijk milieuthema bij veehouderijen. Er is wet- en regelgeving voor het beoordelen van het aspect ammoniak. Hierna wordt het initiatief getoetst aan deze wet- en regelgeving.
4.4.1
Kwetsbare gebieden
De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is het exclusieve toetsingskader voor ammoniakemissies van veehouderijen. In de Wav zijn regels gesteld voor het oprichten en uitbreiden van veehouderijen die in
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
36
of op minder dan 250 meter van een (zeer) kwetsbaar bos- of natuurgebied liggen. Deze bedrijven mogen hun bedrijf slechts uitbreiden indien de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger is dan het gecorrigeerde emissieplafond. Wanneer de ammoniakemissie op grond van de geldende vergunning lager is dan het gecorrigeerd emissieplafond, mag de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger zijn dan de vergunde ammoniakemissie.
Afbeelding 22: uitsnede WAV-kaart met zeer kwetsbare gebieden (bron: provincie Noord-Brabant) In afbeelding 22 is te zien dat het bedrijf buiten een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied ligt. In het kader van de Wet ammoniak en veehouderij kan het bedrijf uitbreiden in ammoniak.
4.4.2
Besluit emissiearme huisvesting
Naast de regels voor bedrijven binnen de 250 meter-zones bevat de Wav generieke regelgeving voor de toepassing van emissiearme stalsystemen. Op 23 juni 2015 is het Besluit emissiearme huisvesting vastgesteld (voorts Besluit), en is op 1-8-2015 in werking getreden. In dit Besluit is onderscheid gemaakt tussen melk- en kalfkoeien (artikel 3) en varkens, kippen en kalkoenen (artikel 5). Binnen het Besluit zijn maximale emissiewaarden opgenomen, in bijlage 1 bij het Besluit, voor nieuwe stallen (kolom B en C) en zijn de maximale emissiewaarden voor bestaande stallen gewijzigd (kolom A). Voor vleesstieren (A6) zijn geen maximale emissiewaarden opgenomen in het Besluit. Voor intensieve veehouderijen geldt artikel 5 van het Besluit. Het onderscheid in bestaande en nieuwe stallen, met de daaraan gekoppelde maximale emissiewaarden, wordt gemaakt op basis van datum van realisatie van het dierenverblijf, dan wel verlening van de (omgevings-)vergunning voor het te bouwen dierenverblijf. Kolom A van het Besluit is van toepassing indien een dierenverblijf is opgericht voor 1 juli 2015. Hierbij geldt dat indien de omgevingsvergunning voor het bouwen van dit verblijf is verleend voor 1 juli 2015, het verblijf opgericht is voor 1 oktober 2016 ook Kolom A van toepassing is.
Indien de omgevingsvergunning voor het bouwen ingediend is voor 1 juli 2015, voldoet aan de indieningsvereisten uit de Regeling omgevingsrecht (Mor), maar nog niet onherroepelijk is, maar wel wordt opgericht binnen 15 maanden na onherroepelijk worden, geldt ook Kolom A. Kolom B geldt voor een dierenverblijf dat is opgericht op of na 1 juli 2015, tenzij Kolom C van toepassing is. Kolom C geldt voor een dierenverblijf dat is opgericht op of na 1 januari 2020 indien het bij oprichting onderdeel is van een IPPC-installatie.
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
37
In onderstaande tabel zijn de maximale emissiewaarde voor bestaande stallen opgenomen. Tevens is de werkelijke emissie van de stallen in deze tabel opgenomen. Tabel 4: emissieplafond o.b.v. Besluit emissiearme huisvesting RAV Code
Stalsysteem
Aantal dieren
vleesvarkens
D 3.2.15.1
BWL 2006.14.V3
2
vleesvarkens
D 3.2.15.1
3
vleesvarkens
4
Nr
Dier categorie
1
Werkelijke emissie
Maximale emissie
kg NH3 per dier
totaal kg NH3
Drempelwaarde
totaal kg NH3
504
0,45
226,8
1,60
806,4
BWL 2006.14.V3
560
0,45
252,0
1,60
896,0
D 3.2.15.1
BWL 2006.14.V3
576
0,45
259,2
1,60
921,6
vleesvarkens
D 3.2.7.2.1
BWL 2004.05.V2 mestopp. ≤ 0,18 m2
1.144
1,50
1.716,0
1,60
1.830,4
5
vleesstieren en overig vleesvee van 6 tot 24 maanden
A 6.100
alle huisvestingssystemen
356
5,30
1.886,8
5,30
1.886,8
6
vleesvarkens
D 3.2.7.2.1
BWL 2004.05.V2 mestopp. ≤ 0,18 m2
1.440
1,50
2.160,0
1,60
2.304,0
8a
vleesvarkens
D 3.2.15.4
BWL 2009.12.V4
1.512
0,45
680,4
1,10
1.663,2
8v
vleesvarkens
D 3.2.15.4
BWL 2009.12.V4
1.440
0,45
648,0
1,10
1.584,0
Totaal:
7.829,20
11.892,40
Op 18 februari 2015 is een omgevingsvergunning voor de onderdelen bouw en milieu verleend voor het houden van 7.176 vleesvarkens en 356 vleesstieren. Voor vleesstieren zijn geen maximale emissiewaarden opgenomen. Stallen 1,2,3,4 en 6 (varkensstallen) zijn opgericht vóór 1 juli 2015. Hierdoor is kolom A van toepassing voor deze stallen. Stal 8 is nog in oprichting. Hiervoor gelden de maximale emissiewaarden zoals opgenomen in Kolom C van het Besluit. De totale ammoniak is lager dan dat volgens het Besluit emissiearme huisvesting is toegestaan. Dit betekend dat de bestaande stallen voldoen aan het Besluit emissiearme huisvesting. 4.5 Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. De beoogde activiteit betreft het een vormverandering van het bestaande bouwvlak ten behoeve van bestaande sleufsilo’s. De bestaande sleufsilo’s komen hierdoor binnen het bouwvlak te liggen. Ter plaatse van de sleufsilo’s krijgt het bouwvlak de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – ruwvoer’. Er is geen sprake van eventuele bodembedreigende activiteiten die in de beoogde situatie wijzigen.
Het bodembedreigende risico blijft daarmee gelijk. In de Nota Bodembeheer Oss is een praktische en heldere invulling gegeven aan het Besluit bodemkwaliteit en overige bodemgerelateerde wetgeving. In de Nota is onder andere een bodemfunctieklassenkaart opgenomen waarin de functies van het gehele grondgebied zijn vastgelegd. De kaart maakt onderscheid tussen de volgende functieklassen: Landbouw/natuur, Wonen en Industrie. Dit zijn de functieklassen die gelden in het generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit.
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
38
Uit de bodemkwaliteitskaart van gemeente Oss blijkt dat de projectlocatie voor wat betreft de vaste bodem in de bodemkwaliteitszone ‘landbouw/natuur is gelegen. In afbeelding 23 is een uitsnede weergegeven van de bodemkwaliteitskaart van gemeente Oss . Een bodemkwaliteit ‘landbouw/natuur’ vormt geen belemmeringen voor het agrarische gebruik.
Projectlocatie
Afbeelding 23: uitsnede bodemkwaliteitskaart gemeente Oss (bron: gemeente Oss) Tevens blijkt uit het bodemloket/bodeminformatiesysteem Squit iBis dat in de projectlocatie in 1994 een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van een aanvraag om een bouwvergunning. Destijds zijn alleen lichte verontreinigingen van zink, cadmium, minerale olie en EOX in de grond aangetroffen. De aangetroffen verontreinigingen vormen geen bezwaar voor het agrarische gebruik. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er daarom geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling. 4.6 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de beoogde ontwikkeling moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.6.1
Cultuurhistorie en aardkunde
Uit de kaart behorende bij paragraaf 3.2.4 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de projectlocatie niet in een gebied ligt met aardkundige waarden. Wel is de projectlocatie gelegen in een gebied met cultuurhistorische waarden. Zie navolgende afbeelding voor een uitsnede van paragraaf 3.2.4 van de Iov.
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
39
Afbeelding 24: uitsnede kaart Iov, kaartlagen paragraaf 3.2.4 (bron: viewer 01-03-2020)
Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is de locatie gelegen in ‘Cultuurhistorische waardevol gebied’. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant weergegeven.
Projectlocatie
Afbeelding 25: uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (bron: provincie Noord-Brabant) De projectlocatie is gelegen in het cultuurhistorisch vlak ‘Beerse en Baardwijkse Overlaat’, dat valt onder het gebied de ‘Maaskant’. In onderstaande kader wordt een toelichting gegeven op de regio ‘Maaskant’.
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
40
Maaskant De regio Maaskant maakt onderdeel uit van het jonge rivierkleilandschap van de Maas met zandige oeverwallen en donken en lager gelegen open komgronden. Aan de zuidzijde wordt het gebied begrensd door een brede dekzandrug die de overgang met het Brabant van het zand markeert. De Maaskant wordt gekenmerkt door onder andere de openheid van het landschap in de kommen. Hier bevinden zich veelal moderne, grootschalige veehouderij bedrijven.
Cultuurhistorisch belang
De strijd tegen het water en de voortdurend terugkerende overstromingen van de Beerse Maas hebben de inrichting en het gebruik van het gebied bepaald. De regio heeft een grote cultuurhistorische betekenis doordat de strijd tegen het water zich nog zo goed in het huidige landschap laat herkennen. Daarnaast verlenen de vele verdedigingswerken het gebied een grote cultuurhistorische waarde.
Essentiële aspecten
In de regio ligt het volgende cultuurhistorische landschap van provinciaal belang: Beerse en Baardwijkse Overlaat; Dragende structuren in de regio zijn: De openheid in de polders; De dijken; De weteringen; De sluizen en gemalen; De oude Maasmeanders en wielen; De eendenkooien; De kloostercomplexen; De verdedigingswerken. De belangrijkste kenmerken die aangegeven worden bij de provinciale cultuurhistorische belangen is het open landschap in de polders (komgebied) en de strijd tegen het water dat in het landschap terug te zien is door onder andere dijken, weteringen, sluizen en gemalen.
De beoogde ontwikkeling betreft een vormverandering van het bouwvlak. Hierbij is geen sprake van oprichting, wijziging en/of uitbreiding van gebouwen. De beoogde ontwikkeling heeft daarom niet of nauwelijks effect op de cultuurhistorische waarden van het gebied de Maaskant zoals hierboven in het kader is omschreven. De vormverandering van het bouwvlak gaat gepaard met een goede landschappelijke inpassing. In het landschappelijk inpassingsplan (bijlage 1) wordt ingegaan op de landschappelijke kenmerken en hoe deze kenmerken worden versterkt in het landschappelijke inpassingsplan. Op deze manier wordt voldaan aan de regels die worden gesteld in artikel 3.29 van de Iov.
4.6.2
Archeologie
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In 2012 zijn de archeologische beleidsadvieskaarten van de gemeente Oss geactualiseerd. Het bijbehorende archeologiebeleid ‘Behoud van het Verleden 2013’ is niet aangepast. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede weergegeven van de archeologische advieskaart die voor de gehele gemeente Oss van toepassing is.
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
41
Projectlocatie
Afbeelding 26: uitsnede archeologische beleidskaart ‘Actualisatie archeologie beleid gemeente Oss’ (bron: gemeente Oss) Uit de archeologische advieskaart van de gemeente Oss blijkt dat het projectlocatie gelegen is lage archeologische verwachting. In bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2020’ zijn de archeologische verwachtingswaarden uit de archeologische advieskaart opgenomen. Voor de projectlocatie is geen aanduiding en/of een dubbelbestemming met een archeologische verwachtingswaarde opgenomen. De gronden ter plaatse van de projectlocatie zijn nu en waren in het verleden in gebruik als landbouwgrond. De gronden zijn ter plaatse ernstig verstoord door de toepassing van diverse landbouwwerkzaamheden zoals diepploegen en -woelen. Ten tijde van de bouw van de bestaande stallen is de grond rondom verstoord door bouwrijp maken en afgravingen t.b.v. fundering en mestkelder. Hierdoor wordt de kans op aanwezigheid van archeologische waarden zeer gering geacht. Het initiatief betreft een vormverandering van het bouwvlak. Met het beoogde initiatief worden geen werken uitgevoerd waardoor eventuele archeologische waarden aangetast worden. Daarom is een nader onderzoek niet noodzakelijk. Ten aanzien van cultuurhistorie, aardkunde en archeologie zijn er derhalve geen bezwaren ten aanzien van de gewenste ontwikkeling.
4.7 Landschappelijke inpassing In het kader van kwaliteitsverbetering van het landschap vanuit de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant, en de regels uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld voor voorliggend initiatief. In paragraaf 3.1.3 is eerder gemotiveerd hoe voldaan wordt aan de vereiste kwaliteitsverbetering van de provincie. In de ‘Nota Landschapsbeleid 2015’ van de gemeente Oss wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De projectlocatie is gelegen in het komgebied van de gemeente Oss, in het primair agrarisch gebied. De belangrijkste kwaliteit van het komgebied is het open karakter. In het komgebied wordt gestreefd naar het versterken van een rechtlijnige opbouw. Vaak is er sprake van een rechthoekig bouwblok met voor het erf, een woonhuis met siertuin en daarachter grote stallen en schuren. Ook zijn er vaak grote silo’s en kuilplaten aanwezig. De erven in het komgebied vormen vaak een eiland ven bebouwing in een open en modern landschap. Als landschappelijke inpassing wordt voorgesteld dat het erf omzoomd kan worden met een transparante bomenrij(en). Hierdoor zijn stallen en loodsen (gedeeltelijk) in het zicht gelegen. Het agrarisch gebruik mag gezien worden. In afbeelding 27 is een uitsnede van het
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
42
landschappelijke inpassingsplan weergegeven. Het volledige plan is als separate bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing toegevoegd.
Afbeelding 27: uitsnede landschappelijke inpassingsplan locatie Kruiskampweg 26-30 te Geffen De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd door de opname van een bepaling in de regels van het bestemmingsplan. 4.8 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten.
Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. De projectlocatie ligt in omgevingstype ‘rustig buitengebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door het principe van functiescheiding. In de omgeving bevinden zich voornamelijk veehouderijbedrijven.
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
43
Een varkens- en rundveehouderij behoort tot milieucategorie 3.2 en 4.1 (zie tabel 3). Voor een bedrijf uit deze milieucategorie, liggend in rustig buitengebied, is de grootste richtafstand 200 meter in verband met geur. Wat betreft veehouderijen wordt in de volgende paragraaf getoetst aan de wetgeving die specifiek van toepassing is voor veehouderijen met betrekking tot het aspect geur. De dichtstbijzijnde agrarische bedrijfswoning is gelegen aan de Hoolbeemdweg 52 te Geffen. Het betreft hier een varkenshouderij. Conform de handreiking geldt voor een bedrijf, liggend in een rustig buitengebied, een richtafstand van 50 meter. Het agrarisch bedrijf is in de huidige situatie gelegen op 104 meter afstand (gemeten van rand bouwvlak tot rand bouwvlak). In de beoogde situatie wordt dit vergroot naar 126 meter. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden. De dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijvigheid is opslag/caravanstalling aan de Brandstraat 28 te Oss, wat behoort tot milieucategorie 2 (zie tabel 5). Conform de handreiking geldt voor dit bedrijf, liggend in een rustig buitengebied, een richtafstand van 30 meter. Voor het bedrijf op de projectlocatie geldt een richtafstand van 200 meter. Het bedrijf aan de Brandstraat 28 te Oss ligt op ongeveer 1 kilometer van het bouwvlak van de projectlocatie. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden.
De dichtstbijzijnde woonbestemming is Brandweg 26 te Oss, deze is op 1 kilometer gelegen van bouwvlak van de projectlocatie. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de richtafstanden voor een verantwoorde afstand tussen bedrijvigheid en woningen.
Tabel 5: richtafstanden milieuzonering Omschrijving Fokken en houden van rundvee Fokken en houden van varkens Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)
SBI-code
Milieucategorie
Geur
Stof
Geluid
Gevaar
SBI-0141, 0142
3.2
100
30
30
0
SBI-0146
4.1
200
30
50
0
2
0
0
30
10
SBI- 52109
Onderhavig voornemen voorziet in de vormverandering van een reeds bestaand bouwvlak. Door de verandering aan oostzijde neemt de afstand van het bouwvlak ten opzichte van nabijgelegen (bedrijfs)woningen op enkele plekken af. Aan de westzijde vindt een ‘vergroting/uitstulping’ plaats. Deze wijzigingen hebben, gezien de werkelijke afstanden tot omliggende (bedrijfs)woningen, geen invloed en het aantal blootgestelden neemt niet toe. Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloedt. Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden. 4.9
4.9.1
Geur
Individuele hinder
De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels betreffende geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. Voor kleinere bedrijven zijn deze regels opgenomen in het Activiteitenbesluit. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig te beperken door ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
44
“Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het beoogde initiatief betreft een vormverandering van het bouwvlak van een varkens- en rundveehouderij. Met de beoogde wijziging vindt geen oprichting, wijziging of uitbreiding van dieren of stalsystemen plaats. Op 18 februari 2015 is een omgevingsvergunning (bouw en milieu) verleend voor het houden van 7.176 vleesvarkens en 356 vleesstieren. Bij een wijziging en/of uitbreiding in dieren of stalsystemen zal een nieuwe omgevingsvergunning aangevraagd moeten worden waarin onder andere het aspect geur hierin getoetst wordt. Hierdoor zijn er wat betreft het aspect individuele geurhinder van het agrarische bedrijf geen beperkingen.
4.9.2
Cumulatieve geurhinder
Conform de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie dient aangetoond te worden dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%. Na aanleiding van de uitbreiding van het grondgebied van de Oss met een deel van de voormalige gemeente Maasdonk, heeft de gemeente Oss de geurbelasting in kaart laten brengen. In de ‘Harmonisatie Geurnormen Wet Geurhinder en Veehouderij’ gemeente Oss d.d. 2 maart 2017 is de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder voor de situatie 2015 opgenomen. In afbeelding 28 is een uitsnede van deze kaart weergegeven waarop de geurwolken van de verschillende bedrijven met geur in de omgeving zijn weergegeven. In afbeelding 29 de bijbehorende achtergrondgeurbelasting weergegeven in odours (oue), het percentage geurgehinderden (kans op geurhinder) en de beoordeling klimaat. Projectlocatie
Afbeelding 28: indicatieve achtergrondbelasting t.a.v. geurhinder (bron: ‘Harmonisatie Geurnormen Wet Geurhinder en Veehouderij’ van de gemeente Oss)
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
45
Afbeelding 29: beoordeling leefklimaat o.b.v. indicatieve achtergrondbelasting t.a.v. geurhinder (Harmonisatie Geurnormen Oss) In afbeelding 28 is geurcontour van het bedrijf aan de Kruiskampweg 30 weergegeven. Hieruit blijkt dat de omliggende woningen (buiten bebouwde kom) een achtergrondgeurbelasting hebben van 3,1 t/m 7,4 oue Dit is lager dan de 20 oue zoals opgenomen in de Iov. De achtergrondbelasting van 3,1 tot 7,4 oue is vergelijkbaar met een percentage geurgehinderden van 5 t/m 10%, zie afbeelding 29. Hiermee voldoet bedrijf aan de achtergrondgeurbelasting zoals opgenomen in de Iov. In de beoogde situatie is sprake van een vormverandering van het bestaand bouwvlak. Er vindt geen uitbreiding en/of wijzing plaats van dierenverblijven. Hierdoor zal de geurbelasting op geurgevoelige objecten afkomstig van het bedrijf aan de Kruiskampweg 30 niet wijzigen. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ is in de regels geborgd dat bij een uitbreiding van dierenverblijven getoetst moet worden aan de eisen van de eisen van de Iov met betrekking tot de cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten.
4.9.3
Woon- en leefklimaat
In het kader van de ruimtelijke procedure is het wenselijk dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op het woon- en leefklimaat in de omgeving van de projectlocatie. Ook na de beoogde ontwikkeling dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De gemeentelijke beleidsregel ‘Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder’ is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In onderstaande tabel zijn de toetswaarden weergegeven uit de ‘Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Oss 2013’. Onderstaande toetswaarden vormen een vertaling van het criterium ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ voor het aspect cumulatieve geurhinder uit stallen van veehouderijen. Deze waarden zijn uitgedrukt in Europese odour units (oue).
Tabel 6: toetswaarden woon- en leefklimaat (bron: beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Oss 2013)
Zoals in paragraaf 4.9.2 is toegelicht, is de achtergrondgeurbelasting van de omliggende woningen in het buitengebied 3,1 t/m 7,4 oue. In tabel 6 zijn de toetswaarden voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat weergegeven voor het aspect cumulatieve (achtergrond) geurhinder. Hierop is af te lezen dat de woningen in het buitengebied een ‘goed’ woon- en leefklimaat hebben. Ten aanzien van het woon- en leefklimaat vinden er geen wijzigingen plaats. Het initiatief betreft alleen een vormverandering van het bouwvlak. Er vinden geen wijzigingen plaats in het aantal dieren en/of gebouwen. Bij eventuele
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
46
wijzigingen en/of uitbreidingen van de dierenverblijven zal getoetst moeten worden aan de gemeentelijke geurverordening, het vigerend bestemmingsplan en aan de Iov. Ten aanzien van het aspect geur kan daarom worden gesteld dat het woon- en leefklimaat niet veranderd in de beoogde situatie. Er is sprake is van een ‘goed’ woon- en leefklimaat in de directe omgeving van de projectlocatie. 4.10 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. In de agrarische sector is voornamelijk de emissie van fijnstof bepalend voor de luchtkwaliteit op de omgeving. Fijnstof, zowel PM10 en PM2,5 komt voornamelijk door emissie van huid-, mest-, voer- en strooiseldeeltjes uit de stallen. Dit gebeurt continu (24 uur per dag). De belangrijkste bron bij een veehouderij zijn de stallen. Het vrijkomen van fijnstof ten gevolge van overige activiteiten op het bedrijf zijn verwaarloosbaar ten opzichte van de emissie uit de stallen.
In de beoogde situatie is er sprake van een vormverandering van het bestaande bouwvlak. Er vindt geen oprichting, wijziging of uitbreinding plaats van dieren en/of gebouwen. De hoeveelheid fijnstof wijzigt daarom niet ten opzichte van de huidige situatie. Achtergrondconcentratie fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2 ) In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2 ) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. De verontreiniging is afkomstig van verschillende bronnen zoals het gemotoriseerde verkeer, industriële en agrarische inrichtingen en achtergrondconcentraties van verontreinigde stoffen. Fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2 ) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. In de directe omgeving van de projectlocatie liggen bedrijven die de luchtkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden ter plaatse van de projectlocatie.
Echter is de achtergrondconcentraties fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) binnen de gemeente Oss dermate laag dat de normen voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is af te leiden van de Grootschalige Concentratie Nederland kaarten (GCN-kaarten) van RIVM. Op onderstaande kaarten zijn de concentraties van PM10, PM2,5 en NO2 weergegeven ter plaatsen van de projectlocatie. De concentratie is gemiddeld over een jaar (2020) en wordt uitgedrukt in microgram per kubieke meter (µg/m3). In afbeelding 30 is de achtergrondconcentratie weergegeven. Zo is de achtergrondconcentratie PM2,5 ten hoogte van de projectlocatie circa 11,49 µg/m3. De norm voor PM2.5 bedraagt 25 µg/m3. De achtergrondconcentratie PM10 ter plaatse van de projectlocatie 19,14 μg/m3, zie afbeelding 31. De norm bedraagt 40 μg/m3. Op afbeelding 32 is de achtergrondconcentratie stikstofdioxide (NO2) weergegeven. Ter plaatse van de projectlocatie bedraagt de achtergrondconcentratie NO2 13,50 μg/m3. De norm voor NO2 bedraagt 40 μg/m3. Hieruit is te concluderen dat ter plaatse van de projectlocatie een aanvaardbare luchtkwaliteit aanwezig is.
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
47
Projectlocatie
Afbeelding 30: achtergrondconcentratie fijnstof (PM2,5) (bron: http://geodata.rivm.nl/gcn/)
Projectlocatie
Afbeelding 31: achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) (bron: http://geodata.rivm.nl/gcn/)
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
48
Projectlocatie
Afbeelding 32: achtergrondconcentratie stikstof (NO2) (bron: http://geodata.rivm.nl/gcn/) 4.11 Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. De geluidsproductie van een varkens- en rundveehouderij is in hoofdzaak afkomstig van transportbewegingen, het laden en lossen, ventilatie en overige motoren binnen de inrichting. In de Wet geluidhinder is bepaald dat voor locaties in het bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In deze situatie is geen sprake van een nieuwe geluidgevoelige bestemming, het betreft namelijk vormverandering van het bouwvlak. In de inrichting vinden wel activiteiten plaats die een geluidsuitstraling hebben naar de omgeving. Hier vinden geen wijzigen in plaats. De eventuele geluidbelasting als gevolg van de bedrijfsvoering is laag en de activiteiten vinden veelal inpandig of nabij de stallen plaats. Bovendien is de afstand tot de geluidgevoelige objecten zo groot dat de activiteiten geen overlast zullen veroorzaken.
4.12 Spuitzones In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de planlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. De projectlocatie ligt direct aansluitend aan landbouwgronden. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van de projectlocatie komen geen boomgaarden voor.
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
49
Daarnaast wordt in Nederland doorgaans gebruik gemaakt van driftarme doppen om mogelijke drift die ontstaat bij de bespuiting tot een minimum te beperken. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van 50-95% gehaald, afhankelijk van het type dop en de spuitdruk. Deze worden spuitdoppen getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling, versie 19 feb 2016). Deze maximale windsnelheid is vastgesteld op 5 m/s. Hiervan uitgaande zal in de beoogde situatie niet gespoten worden bij een windsnelheid van 5 m/s op spuithoogte. Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor de ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. Onderhavig project voorziet in de vormverandering van het bouwvlak zonder vergroting van het bouwvlak, waarbij geen nieuwe gevoelige functies worden opgericht. Zowel in de huidige als toekomstige situatie is sprake van een gelijkwaardige omstandigheid met betrekking tot het aspect gewasbeschermingsmiddelen.
In die zin verandert er niets aan de situatie en neemt tevens het aantal blootgestelden in de toekomst niet toe. Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloedt. 4.13
Verkeer en parkeren
4.13.1 Verkeer
In de beoogde situatie wijzigen de bedrijfsactiviteiten niet. De ontwikkeling betreft enkel een vormverandering van het bouwvlak. De beoogde ontwikkeling heeft derhalve geen gevolgen voor het verkeersaantrekkende werking van de projectlocatie.
4.13.2 Ontsluiting
De projectlocatie is gelegen aan de Kruiskampweg, buiten de bebouwde kom van Geffen. De projectlocatie is ontsloten via de oprit aan de Kruiskampweg. Op afbeelding 33 is een luchtfoto van de projectlocatie weergegeven, waarbij de ontsluiting met een pijl is aangegeven. Via de Kruiskampweg en De Gemertweg is Geffen te bereiken. Via de Kruiskampweg en de Gewandeweg is Oss te bereiken.
4.13.3 Parkeren
Binnen de projectlocatie is voldoende parkeergelegenheid aanwezig. Dit is tevens te zien op een luchtfoto van de projectlocatie, zie afbeelding 33. Op het bedrijf zijn naast de parkeermogelijkheden voor de bewoners zelf ook voldoende ruimte parkeergelegenheid voor bezoekers van het bedrijf. De vormverandering van het bouwvlak heeft geen gevolgen voor de parkeergelegenheid op het bedrijf.
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
50
Afbeelding 33: weergave projectlocatie (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) 4.14 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
4.14.1 Regelgeving
De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, voor Kruiskampweg 26-30 kunnen zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In navolgend kader worden deze risico’s nader uitgelegd.
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
51
Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn.
Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Indien de projectlocatie gelegen is binnen het invloedsgebied geldt er een verantwoordingsplicht met betrekking tot het groepsrisico. Dit betekent dat het groepsrisico verantwoord moet worden.
4.14.2 Toetsing aan beleid
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Indien van toepassing moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening getoetst worden aan overige wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid zoals bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit en Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen. Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Oss beschikt over ‘Beleidsvisie externe veiligheid Oss’ (maart 2011). Hierin wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke omgang met externe veiligheid.
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
52
Afbeelding 34: uitsnede risicokaart (bron: www.risicokaart.nl) Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteit, vormverandering van het bouwvlak, op de projectlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de projectlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de projectlocatie. Het project voorziet niet in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Aangezien de projectlocatie niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit project geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De projectlocatie ligt op 4 kilometer van de Rijksweg A50 gelegen, en ongeveer ruim 2 kilometer van de spoorlijn. In onderstaande afbeelding is een uitsnede weergegeven van de signaleringskaart met invloedsgebieden in de gemeente Oss afkomstig uit ‘Beleidsvisie externe veiligheid Oss’. Op de kaart is de projectlocatie weergegeven.
Ten tijde van het opstellen van de ‘Beleidsvisie externe veiligheid Oss’ behoorde Geffen nog niet tot de gemeente Oss. De projectlocatie is daarom niet gelegen binnen het plangebied van deze beleidsvisie. Wél is op de kaart te zien dat de projectlocatie buiten de invloedsfeer ligt van de Rijksweg A50. De projectlocatie is wel binnen de invloedsfeer gelegen van het spoortraject. Over dit spoortraject wordt namelijk de gevaarlijke stof D4 vervoerd. Dit geeft een invloedsgebied van 4 km. De afstand van de projectlocatie tot het spoortraject is ruim 2 kilometer. Omdat de afstand meer dan 200 meter bedraagt kan er op grond van de artikel 7 van het Bevt worden volstaan met een beperkte groepsrisico verantwoording waarin de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van de eventuele ramp wordt beschreven en de zelfredzaamheid van de aanwezige personen. De (beperkte) verantwoording groepsrisico is in onderstaand kader beschreven.
Ruimtelijke onderbouwing Kruiskampweg 26-30, Geffen
53
Projectlocatie
Afbeelding 35: uitsnede signaleringskaart met invloedsgebieden (bron: beleidsvisie externe veiligheid Oss 2011) Verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch, artikel 7 Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in de verantwoording. Scenario(‘s) Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreidt. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar.