CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7A Toelichting Burgemeester van Erpstraat 56A Berghem

Adviescommissie Ruimte 29 september 2022, gemeente OssBij agendapunt: A Gebundelde procedure 7 ontwerpbestemmingsplannen22.913 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Burgemeester van Erpstraat 56a Berghem – 2022, pag. 24 van 56 ontwerp 27-05-2022

verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Om het archeologisch traject te borgen is aan het gebied een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie historische kern’ en ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde middelhoog toegekend. Voor het gebied geldt dat bij bodemverstoringen groter dan 50 m² en 1000 m² en dieper dan 30 cm beneden huidig maaiveld archeologisch onderzoek nodig is. Opmerking: Op basis van de resultaten van het archeologisch rapport is een vervolgonderzoek nodig in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Aangezien het ernaast gelegen perceel (nr. 58) ook op korte termijn wordt ontwikkeld, kan het slim zijn de gravende onderzoeken gezamenlijk te laten uitvoeren. Dat kan aanzienlijk in de kosten schelen

5.2.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.

In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.

De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen.

Burgemeester van Erpstraat 56a Berghem – 2022, pag. 25 van 56 ontwerp 27-05-2022

Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.

De planlocatie is getoetst aan de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. De planlocatie is niet gelegen binnen een cultuurhistorische landschap of vlak. De voorgenomen toevoeging van één vrijstaande woning op de planlocatie heeft dan ook geen (negatieve) invloed op eventuele cultuurhistorische waarden.

5.3

Mobiliteit en parkeren

5.3.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen In de huidige situatie is de planlocatie in gebruik als tuin. Middels de voorgenomen toevoeging van een vrijstaande woning neemt het aantal verkeersbewegingen licht toe. De toevoeging van één vrijstaande burgerwoning leidt tot een toename van 8,2 verkeersbewegingen per etmaal plaats, conform de CROWpublicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ Verkeer: ontsluitingswegen De Burgemeester van Erpstraat betreft een gebiedsontsluitingsweg met een maximum snelheid van 50 kilometer per uur. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de situatie verkeerskundig nauwelijks wijzigt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. De beschikbare capaciteit van de omliggende infrastructuur is met de huidige intensiteiten ruim voldoende om de toekomstige minimale toename van het aantal bewegingen van licht verkeer vlot en veilig te verwerken.

Voornemen is om ten behoeve van de woning een nieuwe inrit te realiseren op de Burgemeester van Erpstraat. Op de gemeentegrond gelegen aan de voorzijde van de planlocatie zijn echter een tweetal waardevolle bomen aanwezig. In de basis is het onwenselijk dat er direct onder de kroonprojectie van de boom gegraven wordt, of in elk geval niet binnen de afstand van 6x de stamdiameter van de boom.

Burgemeester van Erpstraat 56a Berghem – 2022, pag. 26 van 56 ontwerp 27-05-2022

In het geval dat het niet lukt om van beide bomen 6x de stamdiameter in acht te houden, dienen om verder te kunnen de wortels in kaart gebracht worden. Om te weten hoe de wortels in de grond liggen, moeten er proefsleuven gegraven worden. De kosten hiervoor zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Mogelijk liggen de meeste grote dikke wortels richting de tuin. Als dat het geval is, zou er met toepassing van boomgranulaat in de bodem wel gemotoriseerd verkeer over de wortels heen kunnen gaan met een inritbreedte van 3,50 meter. Zitten er wel dikke wortels in de grond, dan kunnen deze niet verwijderd worden zonder dat dit een risico gaat vormen voor de bomen. In wezen kan er dan geen inrit aangelegd worden, omdat er niet in de grond gegraven kan worden. Conclusie: Op dit moment kan nog niet met zekerheid gezegd worden dat het aanleggen van een inrit op de voorgestelde locatie mogelijk is.

5.3.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Uitgangspunt voor herontwikkeling is dat het parkeren op eigen terrein dient te worden opgelost. Voor een vrijstaande koopwoning in één van de kernen is door de gemeente Oss een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen vastgelegd. Deze parkeernorm is inclusief bezoekersparkeren. Het aantal parkeerplaatsen wordt naar boven afgerond op 3 parkeerplaatsen. Bij de nieuw te realiseren woning zal worden voorzien in deze 3 parkeerplaatsen op eigen terrein

5.4

Water

5.4.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGRP een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.

De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid;

Burgemeester van Erpstraat 56a Berghem – 2022, pag. 27 van 56 ontwerp 27-05-2022

Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: - schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; - de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; - de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; - de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen.

Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap: Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt.

Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen

Burgemeester van Erpstraat 56a Berghem – 2022, pag. 28 van 56 ontwerp 27-05-2022

-

3. Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.

5.4.2 Watertoets Kenmerken huidige watersysteem Het plangebied is gelegen binnen de kern Berghem. Voor de kenmerken van het plangebied is gebruik gemaakt van de bodematlas van de provincie Noord-Brabant en de Legger van waterschap Aa en Maas. Bodem De bodem in het plangebied bestaat uit lage enkeerdgronden van leemarm en zwak lemig fijn zand Oppervlaktewater Binnen de planlocatie zijn geen oppervlaktewateren in de vorm van watergangen aanwezig. De meest dichtbij gelegen watergang betreft de ten noorden van de planlocatie gelegen A-watergang op ca. 120 meter. Riolering Ter plaatse van Burgemeester van Erpstraat is vrijverval riolering aanwezig. Hier kan de nieuw te realiseren woning op aangesloten worden. Gezien het feit dat de ontwikkeling van slechts één woning kleinschalig van aard is, zal de huidige capaciteit van het rioleringsstelsel de toename aan waterafvoer kunnen verwerken en behoeft dus geen aanpassing. De kosten voor aansluiting op het rioleringsstelsel zijn voor de initiatiefnemer. Voor de aansluiting op het rioleringstelstel zal een aansluitvergunning aangevraagd moeten worden. Initiatief Bij voorliggend initiatief wordt op de planlocatie, binnen de reeds vigerende woonbestemming, een bouwvlak toegevoegd ten behoeve van de oprichting van een nieuwe vrijstaande woning. Dit bouwvlak heeft een oppervlakte van 102 m2.

Er wordt aangenomen dat dit bouwvlak voor het grootste gedeelte zal worden bebouwd. Daarnaast is het aannemelijk dat op het perceel nog een bijgebouw en erfverharding zullen worden aangebracht. Op basis van een ruime schatting wordt er vanuit gegaan dat het verhard oppervlak op de planlocatie als gevolg van voorliggend plan toeneemt met 250 m 2. Voor het initiatief is de Digitale Watertoets ingevuld. Hieruit blijkt dat sprake is van een normale procedure. Verzocht wordt om bij de bouw af te zien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Daarnaast dient de ontwikkeling te voldoen aan het principe van 'hydrologisch neutraal ontwikkelen' (HNO). De digitale watertoets is als bijlage toegevoegd aan voorliggende toelichting. Bij de nieuw te bouwen woning wordt het hemelwater gescheiden afgevoerd van het afvalwater. Het afvalwater wordt afgevoerd op de aanwezige gemeentelijke vrijverval riolering. Ten behoeve van het hemelwater wordt voorgesteld om bij de bouw van de woning grindkoffers toe te passen. Op deze manier vindt berging en infiltratie van dit hemelwater in de bodem plaats. Voor de woning, het eventuele

Burgemeester van Erpstraat 56a Berghem – 2022, pag. 29 van 56 ontwerp 27-05-2022

bijgebouw en de erfverharding geldt dat voorzien dien te worden in een infiltratievoorziening met een capaciteit van: 250*0,06 = 15 m3. Een nadere definitieve keuze voor de toe te passen infiltrerende maatregelen dient gemaakt te worden bij de uitwerking van de aanvraag omgevingsvergunning bouwen voor de woning en het bijgebouw. In het kader van het wettelijk vooroverleg is voorliggend plan gezonden aan Waterschap Aa en Maas.

5.5

Defensie

Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.

Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.

5.6

Milieuaspecten

In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: Bedrijven en milieuzonering Bodem Externe veiligheid Geurhinder: agrarisch Geur: industrieel Luchtkwaliteit Straling Weg-, spoor-, en industrielawaai Gezondheid Spuitzones

Burgemeester van Erpstraat 56a Berghem – 2022, pag. 30 van 56 ontwerp 27-05-2022

5.6.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te voeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Omgevingstype In een intensief gebruikt gebied met veel functies en ‘bedrijvigheid’ wordt vaak minder hinder ervaren van een milieubelastende activiteit dan in een rustige woonwijk. De VNG-handreiking hanteert voor de omgevingstypen de volgende omschrijving: Rustige woonwijk en rustig buitengebied “Een rustige woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer.

Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.” Gemengd gebied “Een gemengd gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.” Het plangebied is gelegen in een rustige woonwijk. Op basis van het voor het perceel vigerende bestemmingsplan wordt in onderhavig hoofdstuk de aanwezigheid van milieubelastende functies in de nabijheid van het plangebied onderzocht. Aangegeven wordt welke afstanden uit de VNG brochure van toepassing zijn en getoetst wordt of hieraan kan worden voldaan. Hiermee wordt inzichtelijk gemaakt of met de beoogde ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Milieuzonering Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt binnen de reeds vigerende bestemming ‘Wonen – Vrijstaand’ een bouwvlak toegevoegd ten behoeve van de bouw van een vrijstaande woning. De nieuw toe te voegen woning betreft een gevoelig object dat op voldoende afstand van omliggende bedrijven dient te worden gepositioneerd.

De woning zelf betreft geen milieubelastende activiteit, waarmee de ontwikkeling niet van invloed is op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestaande burgerwoningen. In het kader van voorliggend initiatief is het hiermee van belang om na te gaan wat de mogelijke milieuhinder afkomstig van de omliggende (agrarische) bedrijven op de nieuw op te richt burgerwoning op de planlocatie bedraagt. Hiermee wordt zeker gesteld dat ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van deze omliggende bedrijven. Hiertoe zijn in onderstaande figuren de hindercontouren van de omliggende bedrijven (binnen een straal van 250 meter van de planlocatie) aangegeven. De hindercontouren komen voort uit de voor de functie van toepassing zijnde richtafstanden uit de VNG handreiking. Betreffende richtafstanden zijn gemeten vanaf de grens van het perceel waarop de bestemming ‘Bedrijf’ (of andere milieubelastende functie) rust tot de rand van het nieuwe bouwvlak aan de Burgemeester van Erpstraat 56a. De afstanden gelden voor een zogenaamde rustige woonwijk. Aan de oostzijde van het plangebied is het perceel Burgemeester van Erpstraat 58 gelegen waar een woningbouwontwikkeling plaatsvindt. Het plan aan de Burgemeester van Erpstraat 58 ziet toe op een

Burgemeester van Erpstraat 56a Berghem – 2022, pag. 31 van 56 ontwerp 27-05-2022

bestemmingswijziging van ‘Gemengd’ naar ‘Wonen’. Hiermee wordt de op dat perceel gevestigde sportschool beëindigd, ten behoeve van de toevoeging van woningbouw op deze locatie. De voorbereidingen van dit plan zijn in een vergevorderd stadium. Daarom is na overleg door de gemeente Oss aangegeven dat ten aanzien van de beoordeling van de milieuzonering voor voorliggend initiatief mag worden uitgegaan van de aanstaande bestemming ‘Wonen’ ter plaatse van het perceel Burgemeester van Erpstraat 58. Om dit uitgangspunt juridisch te borgen, wordt voorzien in een voorwaardelijke verplichting.

Figuur 5.1: Overzicht en toetsing richtafstanden. Uit figuur 5.1 volgt dat wordt voldaan aan de genoemde richtafstanden van alle omliggende bedrijfsmatige functies tot de nieuw te bouwen woning. Er zijn hiermee geen belemmeringen vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering voor voorliggend initiatief.

5.6.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Aan Milon B.V. is opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een verkennend bodem- en asbestonderzoek ter plaatse van de planlocatie. Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd aan voorliggende toelichting. De conclusie van het onderzoek is hieronder samengevat opgenomen en luidt als volgt: Samenvatting en conclusies Door MILON bv te Veghel is een verkennend bodem- en asbestonderzoek verricht volgens de onderzoeksprotocollen NEN 5725, NEN 5740 en NEN 5707. De onderzoekslocatie betreft het perceel Burgemeester van Erpstraat 56a te Berghem. De aanleiding voor het uitvoeren van de onderzoeken wordt gevormd door de voorgenomen bestemmingsplanwijziging van de locatie en het toevoegen van een bouwvlak.

Doel van het verkennend bodemonderzoek is het verkrijgen van inzicht in de bodemopbouw en actuele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. Het doel van het asbestonderzoek is, met een relatief geringe onderzoeksinspanning, na te gaan of de verdenking van de bodem met asbest terecht is. Vooronderzoek De onderzoekslocatie betreft een tuin aan de Burgemeester van Erpstraat 56a te Berghem. De tuin is grotendeels zowel onverhard als onbebouwd. Voor zover bekend zijn op of nabij de onderzoekslocatie

Burgemeester van Erpstraat 56a Berghem – 2022, pag. 32 van 56 ontwerp 27-05-2022

geen verdachte locaties aanwezig of aanwezig geweest en zijn geen potentieel bodembelastende activiteiten uitgevoerd. Conform de NEN 5740 is de locatie onderzocht met de onderzoeksstrategie voor een onverdachte niet lijnvormige locatie (ONV-NL). Binnen de onderzoekslocatie worden geen andere stoffen verwacht dan de parameters uit het standaardpakket grond en het standaardpakket grondwater. Onderzoeksresultaten Verkennend bodemonderzoek Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de boven- en ondergrond bijmengingen van baksteen, metselpuin, beton en glas waargenomen. In deze lagen worden maximaal de achtergrondwaarden overschreden voor diverse parameters. Deze geven geen aanleiding voor nader onderzoek. Verkennend asbestonderzoek In verband met het aantreffen van asbestverdachte bodem bijmengingen is op een deel van de locatie (500 m2 ) een asbest onderzoek uitgevoerd met als hypothese verdachte bovengrond. Tijdens de veldwerkzaamheden is op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Uit het laboratoriumonderzoek blijkt dat in het mengmonster geen asbestgehalte boven de detectielimiet is aangetoond in de fijne fractie. Dit geeft geen aanleiding om een nader asbestonderzoek uit te voeren. Conclusies en aanbevelingen Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie.

De licht verhoogde gehalten in de bodem zijn vermoedelijk veroorzaakt door de aanwezigheid van bijmengingen in de bodem. Vervolgonderzoek wordt niet zinvol geacht. Ter plaatse is geen indicatief asbestgehalte boven de grenswaarde voor nader asbestonderzoek aangetroffen. De locatie is daarmee onverdacht op het voorkomen van een verontreiniging met asbest. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. De locatie is geschikt voor het toekomstig gebruik als woonblok.

5.6.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven.

In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest.

Burgemeester van Erpstraat 56a Berghem – 2022, pag. 33 van 56 ontwerp 27-05-2022

Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie.

Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. De Beleidsvisie Externe Veiligheid Oss – maart 2011, revisie 6.4 beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Beschouwing risicobronnen Met behulp van de risicokaart is nagegaan of er risicobronnen aanwezig zijn die van invloed zijn op het plangebied. Het plangebied ligt op ca. 660 meter afstand van een tankstation met LPG aan de Burgemeester van Erpstraat 23. Daarnaast is op ca. 500 meter van het plangebied het spoortracé Tilburg – Nijmegen gelegen. Tot slot is de planlocatie gelegen aan de Burgemeester van Erpstraat. Dit een hoofdweg binnen het gemeentelijke netwerk, maar deze weg is niet opgenomen in de route voor gevaarlijke stoffen. In figuur 5.2 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven met daarop de planlocatie aangeduid.

Figuur 5.2: Uitsnede risicokaart (bron: www.risicokaart.nl). Plaatsgebonden risico Voor LPG-stations dient de PR 10-6 contour (plaatsgebonden risico) te worden vastgelegd. Deze staan vermeld in Bijlage 1 tabel 1 van de Regeling externe veiligheid. Binnen deze contouren mogen geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden gerealiseerd. Er wordt onderscheid gemaakt in stations die

Burgemeester van Erpstraat 56a Berghem – 2022, pag. 34 van 56 ontwerp 27-05-2022

meer of minder dan 1.000 m3 LPG doorzet hebben. Het verschil zit met name in de afstand tot het vulpunt. Het LPG-station aan Burgemeester van Erpstraat 23 heeft een doorzet kleiner dan 1.000 m 3 (afstand tot vulpunt minimaal 45 meter). De plaatsgebonden risicocontouren van het tankstation lopen daarmee niet tot het plangebied. Er wordt hiermee voldaan aan de norm voor het plaatsgebonden risico. Voor het spoortracé Tilburg – Nijmegen is geen PR 10-6 contour aanwezig, zoals ook blijkt uit figuur 5.2. Volgens Basisnet geldt dat de veiligheidszone 0 meter bedraagt. Het plaatsgebonden risico vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief. Groepsrisico Naast een PR 10-6 contour, waarbinnen geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd, kennen LPG-stations een toetsingsafstand voor het GR (groepsrisico). Indien binnen een afstand van 150 meter van het vulpunt nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, geldt een verantwoordingsplicht waarbij het huidige en toekomstige groepsrisico in beeld moet worden gebracht. De op de planlocatie nieuw op te richten woning ligt op ca. 660 meter van het vulpunt van het LPG-station aan Burgemeester van Erpstraat 23. Dit betekent dat een verantwoording van het groepsrisico conform de vereisten van het Bevi niet benodigd is. Het plangebied ligt daarnaast binnen het invloedsgebied van het spoortracé Tilburg – Nijmegen.

Dit betekent dat een verantwoording van het groepsrisico nodig is. Uit de signaleringskaart Externe veiligheid 2016 van de gemeente Oss blijkt dat de spoorlijn Oss – Ravenstein op circa 500 meter van het plangebied is gelegen. Over deze spoorlijn worden brandbare en toxische gassen als vloeistoffen vervoerd. Maatgevend rampscenario voor het spoortracé is een toxische wolk. Een toxische wolk wordt veroorzaakt door een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank. Hierdoor ontstaat een gat in de tank, waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreidt. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Gezien de ligging van het plangebied (> 300 meter van het spoor) wordt deze aangemerkt als Zone IV en is conform Bijlage 2 van de Beleidsvisie Externe Veiligheid Oss een standaard verantwoording (bij grotere afstand) van toepassing. Hierbij wordt alleen rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. In dit gebied zijn geen functies uitgesloten, bescherming wordt geboden door ‘ramen en deuren te sluiten’. Voor de motivatie van ontwikkelingen in deze zone is door de gemeente Oss een standaard verantwoording geschreven. Die verantwoording geldt voor onderhavige ontwikkeling.

De verantwoording luidt als volgt: Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat: • vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; • de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas); het groepsrisico niet significant zal toenemen. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico: De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is geen item. • Toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico. • De kans op overlijden door een incident met gevaarlijke stoffen is hier bijzonder klein.

Burgemeester van Erpstraat 56a Berghem – 2022, pag. 35 van 56 ontwerp 27-05-2022

De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/de Veiligheidsregio opgestelde 'risicoprofiel'. Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid: Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas.

Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelinginstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS3 als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De zone III gebieden in de bebouwde kom van Oss vallen geheel binnen het dekkingsgebied van het WAS. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Conclusie Door de gemeente Oss wordt een advies bij de Veiligheidsregio opgevraagd. De veiligheidsregio adviseert om de volgende maatregelen te nemen om de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen. Informeer de initiatiefnemers c.q. de toekomstige bewoners actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit om zich op deze locatie te vestigen. Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van- en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger.

Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid.

5.6.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na:

Burgemeester van Erpstraat 56a Berghem – 2022, pag. 36 van 56 ontwerp 27-05-2022

de burger beschermen tegen geurhinder; de veehouderijen niet onnodig beperken; ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. -

In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss

1,0 Ou

B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij

2,0 Ou

C. Plangebied (bij kern A en B)

3,0 Ou

D. Woonkern met intensieve veehouderij

6,0 Ou

E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal

6,0 Ou

F. Recreatiegebieden

8,0 Ou

G. Extensiveringsgebieden

8,0 Ou

H. Bedrijventerreinen

8,0 Ou

I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk

12,0 Ou

J. Verwevingsgebied

14,0 Ou

K. Landbouwontwikkelingsgebied

14,0 Ou

Voorgrondbelasting De Wgv biedt aan gemeenten de mogelijkheid om middels een gebiedsvisie, binnen bepaalde marges, af te wijken van de in de wet genoemde geurnormen. Wanneer er geen geurverordening wordt opgesteld, blijven de vaste wettelijke normen en afstanden uit de Wgv van kracht. Zoals bovenstaand benoemd heeft de gemeenteraad van Oss heeft in haar vergadering van 28 april 2017 de ‘Verordening Geurhinder en Veehouderij gemeente Oss 2017’ vastgesteld. Met de verordening wordt invulling gegeven aan de beleidsruimte die de geurwetgeving biedt. De gemeente Oss heeft in haar Verordening kleinere vaste afstanden opgenomen, te weten ten minste 50 meter binnen de bebouwde kom en ten minste 25 meter buiten de bebouwde kom. Daarnaast heeft zij voor het gebied waarin de planlocatie gelegen is een afwijkende geurnorm van 2,0 (in plaats van 3,0) opgesteld voor wat de betreft individuele geurbelasting van veehouderijen op gevoelige objecten. Doordat, zoals blijkt uit figuur 5.2, ruimschoots aan de vaste afstand tot de melkveehouderijen aan Burgemeester van Erpstraat 70 en Burgemeester van Erpstraat 72 en de paardenhouderij aan Burgemeester van Erpstraat 77 wordt voldaan (dieren zonder geuremissie), kan worden aangenomen dat ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat v.w.b. geur afkomstig van deze bedrijven.

Daarnaast zijn tussen de genoemde bedrijven en de planlocatie reeds diverse burgerwoningen gelegen. Deze burgerwoningen zijn het maatgevende object voor de uitbreidingsruimte van deze bedrijven. Hierdoor worden genoemde bedrijven dan ook niet belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van de voorgenomen toevoeging van de woning.

Burgemeester van Erpstraat 56a Berghem – 2022, pag. 37 van 56 ontwerp 27-05-2022

Achtergrondbelasting Om aan te tonen dat er binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt getoetst of de achtergrondbelasting voldoet aan de Interim omgevingsverordening of gemeentelijke beleidsregel. Voor de achtergrondbelasting zijn in de Interim omgevingsverordening de volgende toetswaarden worden aangehouden: - 10 ouₑ/m³ voor objecten in de bebouwde kom; - 20 ouₑ/m³ voor objecten in het buitengebied. De gemeente Oss heeft in haar ‘Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder’ aansluiting gezocht bij deze normen en opgenomen wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De planlocatie is gelegen in de bebouwde kom met geurnorm 2. Indien de achtergrondbelasting is geclassificeerd als ‘onvoldoende’ dan is er in beginsel geen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiervan is sprake bij een achtergrondbelasting van 10 ouₑ/m³ of meer. Door de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant (ODZOB) is de achtergrondbelasting voor wat betreft geur in kaart gebracht. Figuur 5.3 geeft een uitsnede van de geurkaart met daarin rood omkaderd de planlocatie weergegeven. De achtergrondbelasting geur bedraagt ter plaatse van de planlocatie minder dan 5 ouₑ/m³. De wettelijke norm van 10 ouₑ/m³ wordt hiermee niet overschreden.

Het woon- en leefklimaat ter plekke van de planlocatie als gevolg van de gecumuleerde geurbelasting (achtergrondbelasting) kan dan ook worden aangemerkt als goed tot zeer goed. Er zijn hiermee voor wat betreft het aspect geur geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Figuur 5.3: Uitsnede geurkaart achtergrondbelasting (bron: ODZOB).

5.6.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het

Burgemeester van Erpstraat 56a Berghem – 2022, pag. 38 van 56 ontwerp 27-05-2022

toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Het initiatief is niet gelegen in de buurt van een industrieterrein. De meest dichtbij gelegen bedrijven zijn daarnaast op ruime afstand van het plangebied gelegen. Zoals blijkt uit hoofdstuk 5.6.1 van voorliggende toelichting wordt ruimschoots aan de richtafstanden voor ‘geur’ voldaan ten opzichte van niet-agrarische bedrijven in de omgeving van het plangebied.

5.6.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is.

Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de

Burgemeester van Erpstraat 56a Berghem – 2022, pag. 39 van 56 ontwerp 27-05-2022

context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit.

Figuur 5.4: Uitkomst berekening NIBM-tool 2020 (bron: www.infomill.nl). Het plan betreft de toevoeging van één burgerwoning op de planlocatie. In de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ is het aantal verkeersbewegingen voor een vrijstaande koopwoning vastgesteld op 8,2 bewegingen per etmaal per woning. Met behulp van de NIBM-tool is de verkeersaantrekkende werking van de beoogde ontwikkeling in kaart gebracht. De uitkomst van de berekening van de NIBM-tool is in figuur 5.4 weergegeven. Hieruit volgt dat voorliggend initiatief een bijdrage van niet in betekende mate heeft op de luchtkwaliteit. Nadere toetsing van het effect van onderhavig plan op de luchtkwaliteit is dan ook niet aan de orde

Burgemeester van Erpstraat 56a Berghem – 2022, pag. 40 van 56 ontwerp 27-05-2022

Naast het effect dat het plan heeft op de luchtkwaliteit dient ook gekeken te worden naar de luchtkwaliteit binnen het plangebied zelf. Het woon- en leefklimaat ter plaatse wordt deels bepaald door de luchtkwaliteit. In de nieuwe situatie is door de toevoeging van de woning sprake van één gevoelig object. De achtergrondconcentraties fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van het plangebied zijn dermate laag dat de normen voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is af te leiden uit de GCN-kaarten van het RIVM zoals bovenstaand opgenomen. De achtergrondconcentraties fijnstof ter plaatse van het plangebied bedragen respectievelijk minder dan 18 μg/m3 (PM10) en minder dan 10 μg/m3 (PM2,5). De norm bedraagt 40 μg/m3 en op basis van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 31,2 μg/m3 . De achtergrondconcentratie stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van het plangebied ligt tussen de 10 en 15 μg/m3 . De norm bedraagt eveneens 40 μg/m3 . De conclusie is dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbare luchtkwaliteit.

5.6.7

Straling

Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. In het bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de magneetveldzone. Dit betekent dat, zoals hierboven reeds aangegeven is, voorkomen moet worden dat er gevoelige functies binnen een zone van een hoogspanningslijn komen te liggen. Is dit wel het geval, dan moet er een zorgvuldige afweging plaatsvinden. Het RIVM heeft een kaart ontwikkeld waarop indicatieve zones voor magneetvelden van alle bovengrondse hoogspanningslijnen zijn opgenomen. De indicatieve zones zijn de meest ruime afstanden waar rekening mee moet worden gehouden. Uit deze kaart blijkt dat de

Burgemeester van Erpstraat 56a Berghem – 2022, pag. 41 van 56 ontwerp 27-05-2022

planlocatie op ruime afstand van de hoogspanningslijnen is gelegen, buiten de indicatieve zone. Het aspect hoogspanningslijnen vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief

5.6.8 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen.

De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe.

Wegverkeerslawaai De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij de vaststelling van een bestemmingsplan of bij het verlenen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Als gevolg van de voorgenomen toevoeging van een vrijstaande woning op de planlocatie, wordt een nieuw geluidgevoelig object in de zin van de Wgh opgericht. In het kader van voorliggend plan is opdracht versterkt aan Tritium Advies B.V. voor het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd aan voorliggende toelichting. De conclusie van het akoestische onderzoek is hieronder samengevat opgenomen: Samenvatting en conclusie: In opdracht van Kastelijn Ruimtelijk Advies is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd ten behoeve van de beoogde nieuwbouw van een vrijstaande woning op het perceel ten oosten van Burgemeester van Erpstraat 56A te Berghem, gemeente Oss. De woning wordt beoogd op de open plek tussen de bestaande bebouwing. De ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Het onderzoek is derhalve uitgevoerd ten behoeve van een juridischplanologische procedure.

Burgemeester van Erpstraat 56a Berghem – 2022, pag. 42 van 56 ontwerp 27-05-2022

Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de Burgemeester van Erpstraat en de Harenseweg. Voor de Harenseweg geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woning overschrijdt. Voor de Burgemeester van Erpstraat geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 10 dB overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet en wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in onderhavige situatie niet doeltreffend. De Burgemeester van Erpstraat is echter reeds voorzien van stille elementenverharding.

Het verder verbeteren van de aanwezige elementenverharding is derhalve niet realistisch. Ten behoeve van het akoestisch onderzoek is tevens rekening gehouden met de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” van de gemeente Oss. De locatie is gelegen aan de vervoersas Burgemeester van Erpstraat het ambitieniveau betreft derhalve 48 dB. In onderhavige situatie wordt niet voldaan aan het ambitieniveau. Het is echter alsnog mogelijk om een hogere waarde te verkrijgen wanneer wordt voldaan aan ten minste één van de subcriteria uit het gemeentelijk geluidbeleid en aan de in het geluidbeleid genoemde aanvullende voorwaarden. In onderhavige situatie is sprake van het opvullen van een open plaats tussen bestaande bebouwing. Derhalve wordt voldaan aan ten minste één van subcriteria uit het gemeentelijk geluidbeleid. Uit de rekenresultaten blijkt dat de woning beschikt over een geluidluwe achtergevel en dat de geluidbelasting op deze gevel meer dan 15 dB lager is dan de geluidbelasting op de voorgevel. Aan deze voorwaarde wordt derhalve voldaan. De voorwaarden met betrekking tot de aanwezigheid van voldoende verblijfsruimten en een buitenruimte aan de geluidluwe gevel kunnen in de bestemmingsplanfase niet voldoende worden getoetst.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=bd8b7c9b-d4b9-4c68-924f-e36082aba223