Bijlage 7A Toelichting BP Partiële Herziening 5 Buitengebied Oss - 2020.PDF
Tekst van het document
5.6
Defensie
Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.
Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.
5.7
Milieuaspecten
In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: Bedrijven en milieuzonering Bodem Externe veiligheid
Partiële herziening 5 Buitengebied Oss - 2020, pag. 47 van 68 vastgesteld 15 juni 2023
-
Geurhinder: agrarisch Geur: industrieel Luchtkwaliteit Straling Weg-, spoor-, en industrielawaai Gezondheid Spuitzones
5.7.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uit te voeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn (zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten.
In dit geval zijn er in de omgeving een aantal functies/bedrijven aanwezig, waarvoor in de VNG-publicatie een richtafstand is opgenomen. In onderstaande tabel zijn de functies/bedrijven en de aan te houden richtafstand weergegeven. Adres
Soort
Richtafstand
Mr. van Coothstraat 50
Akkerbouw
30 meter
Mr. van Coothstraat 54
Paardenhouderij
50 meter
Mr.van Coothstraat 54B
Varkenshouderij
200 meter
Kesselsegraaf 3
Poelier
10 meter
De afstanden in bovenstaande tabel zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ en kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. In de publicatie is aangegeven dat, indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kleinere richtafstanden gemotiveerd kunnen worden aangehouden. In dit geval zijn in de omgeving gemengde functies te vinden. Er zijn woningen, landbouwgronden en (agrarische) bedrijven in de omgeving gelegen. Er is sprake van een gemengd gebied, waardoor de aan te houden afstanden met 1 stap mogen worden verkleind. In de onderstaande tabel en figuur is getoetst of er kan worden voldaan aan de richtafstanden conform de VNG-publicatie welke met 1 stap zijn verkleind. Adres
Soort
Richtafstand
Werkelijke afstand
Voldaan?
Mr. van Coothstraat 50
Akkerbouw
10 meter
135 meter
Ja
Mr. van Coothstraat 54
Paardenhouderij
30 meter
45 meter
Ja
Mr.van Coothstraat 54B
Varkenshouderij
100 meter
135 meter
Ja
Kesselsegraaf 3
Poelier
0 meter
165 meter
Ja
Partiële herziening 5 Buitengebied Oss - 2020, pag. 48 van 68 vastgesteld 15 juni 2023
Figuur 11 Afstand tussen plangebied en omliggende functies
Uit de tabel blijkt dat aan alle minimumafstanden kan worden voldaan. Het aspect milieu- en bedrijvenzonering zorgt dan ook niet voor een belemmering van de voorgestane ontwikkeling. Met betrekking tot de aspecten geur, geluid, gevaar en stof vanuit bedrijven kan worden gesteld dat ter plaatse van de (beoogde) woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.7.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. De omschakeling naar een woonbestemming zorgt ervoor dat de bestemming gevoeliger wordt dan in de huidige situatie het geval is. Ten aanzien van de woonbestemming dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit acceptabel is voor deze functie. In de beoogde situatie zal één van de bedrijfswoningen ongewijzigd blijven behouden. De woning en de gronden rondom de woning zijn altijd al in gebruik geweest ten behoeve van woondoeleinden.
Hierdoor is het perceel ter plaatse van deze woning geen verdachte locatie voor bodemverontreiniging. De nieuw te bouwen woningen worden echter wel geplaatst op gronden waar bedrijfsactiviteiten plaatsvinden/hebben plaatsgevonden. Gezien het beoogde gebruik gevoeliger is dan de huidige situatie zal nader moeten worden aangetoond dat de locatie op het gebied van de bodemkwaliteit geschikt is voor woondoeleinden.
Partiële herziening 5 Buitengebied Oss - 2020, pag. 49 van 68 vastgesteld 15 juni 2023
In dit geval staan er in de huidige situatie ter plaatse van de nieuwe woningen nog een aantal bedrijfsgebouwen. Om praktische en financiële redenen wordt de bedrijfsbebouwing eerst geheel gesloopt alvorens het verkennend bodemonderzoek wordt uitgevoerd. Een historisch bodemonderzoek (NEN5725) is uitgevoerd. Dit historisch bodemonderzoek is als Bijlage III bij deze toelichting gevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat een verkennend bodemonderzoek (NEN5740) en een aanvullend asbestonderzoek (NEN5707) noodzakelijk zijn. Dit verkennend onderzoek vindt dus plaats na de sloop en wordt ingediend in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning. Om te borgen dat uit onderzoek moet blijken dat bodemkwaliteit geschikt is voor woondoeleinden, is een voorwaardelijke verplichting op de verbeelding en in planregels opgenomen. Hierdoor is het planologisch-juridisch geborgd dat alvorens gestart wordt met de bouw van de woningen middels een bodemonderzoek is aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Conclusie Ten behoeve van de ontwikkeling zal nader moeten worden aangetoond dat de locatie op het gebied van de bodemkwaliteit geschikt is voor woondoeleinden. In dit geval worden het verkennend bodemonderzoek (NEN5740) en het aanvullend asbestonderzoek (NEN5707) om praktische en financiële redenen uitgesteld tot na de sanering van de bedrijfsbebouwing en bouwwerken.
De ontwikkeling en realisatie van de nieuwe woningen is enkel mogelijk indien middels een uitgevoerd verkennend bodemonderzoek is aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Deze voorwaarde is middels een voorwaardelijke verplichting op de regels en in de verbeelding geborgd in het bestemmingsplan. Het aspect ‘bodem’ vormt vooralsnog geen belemmering voor het planvoornemen. 5.7.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven.
Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1%
Partiële herziening 5 Buitengebied Oss - 2020, pag. 50 van 68 vastgesteld 15 juni 2023
letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Met behulp van de risicokaart is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In figuur 12 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven.
Figuur 12 Uitsnede Risicokaart omgeving plangebied
Risicovolle inrichting Ter plaatse van De Lithse Ham 3 is een recreatiecomplex aanwezig. Binnen dit complex zijn twee bovengrondse propaantanks met een inhoud van respectievelijk 5 m3 en 13 m3 aanwezig. Ten aanzien van deze propaantanks dient een veiligheidsafstand van 25 meter te worden aangehouden. Gezien de inhoud van de propaantanks betreffen dit geen Bevi-inrichtingen. Het plangebied is op een afstand van 775 meter van deze propaantanks gelegen, waardoor wordt voldaan aan de minimumafstand. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen. Dit vormt dus geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Transportroutes gevaarlijke stoffen In de omgeving van het plangebied zijn geen transportroutes van gevaarlijke stoffen over (spoor-)wegen gelegen. Wel vindt er transport van gevaarlijke stoffen plaats over de Maas welke op een afstand van circa 1,31 kilometer van het plangebied is gelegen. De risicocontour van de Maas reikt tot niet ver buiten de oever. Het plangebied is dus ruimschoots buiten deze risicocontour gelegen.
Partiële herziening 5 Buitengebied Oss - 2020, pag. 51 van 68 vastgesteld 15 juni 2023
Het invloedsgebied van de Maas reikt tot een afstand van 1.070 meter. Het plangebied is ook buiten deze afstand gelegen, waardoor er zowel ten aanzien het het plaatsgebonden risico als het groepsrisico geen belemmeringen zijn. Conclusie Uit de risicokaart blijkt dat er geen buisleidingen in de omgeving van het plangebied zijn gelegen. Daarnaast is het plangebied buiten de risicocontouren van risicovolle inrichtingen en transportroutes van gevaarlijke stoffen gelegen. Ten slotte is het initiatief ter vooroverleg voorgelegd aan de Veiligheidsregio Brabant Noord. Het advies van de Veiligheidsregio is bijgevoegd als separate bijlage. Uit de beoordeling blijkt dat het beste kan worden ingezet op het optimaliseren van de zelfredzaamheid. Dit betekent dat de initiatiefnemers c.q. de toekomstige bewoners actief dienen te worden geïnformeerd over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit om zich op deze locatie te vestigen. Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van- en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen Het aspect externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor onderhavig plan.
5.7.4 Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken; - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss
1,0 Ou
B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij
2,0 Ou
C. Plangebied (bij kern A en B)
3,0 Ou
D. Woonkern met intensieve veehouderij
6,0 Ou
E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal
6,0 Ou
F. Recreatiegebieden
8,0 Ou
G. Extensiveringsgebieden
8,0 Ou
Partiële herziening 5 Buitengebied Oss - 2020, pag. 52 van 68 vastgesteld 15 juni 2023
H. Bedrijventerreinen
8,0 Ou
I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk
12,0 Ou
J. Verwevingsgebied
14,0 Ou
K. Landbouwontwikkelingsgebied
14,0 Ou
In artikel 4 van de verordening is vastgelegd dat op grond van artikel 6, lid 3 van de Wet en in afwijking van artikel 4, lid 1 van de wet de afstand tussen een bedrijf met een geringe omvang en een geurgevoelig object in de gebieden: • binnen de bebouwde kom ten minste 50 meter moet bedragen; • buiten de bebouwde kom ten minste 25 meter moet bedragen. Gezien het plangebied buiten de bebouwde kom ligt, dient een afstand van 25 meter te worden aangehouden. Paardenhouderij Meester van Coothstraat 54 Op het naastgelegen perceel is een paardenhouderij gevestigd. In het kader van de Wet geurhinder en veehouderij dient een vaste afstand tussen een paardenhouderij en geurgevoelige objecten te worden aangehouden. Tussen geurgevoelige objecten en het dichtstbijzijnde emissiepunt van een paardenhouderij geldt een minimumafstand van 25 meter. De bestaande en te realiseren woningen liggen allen op een grotere afstand dan 25 meter van bedrijfsbebouwing van de naastgelegen paardenhouderij. Hiermee wordt voldaan aan de minimumafstand tot de paardenhouderij en vormt dit geen belemmering voor de ontwikkeling. Intensieve veehouderij Meester van Coothstraat 54B Daarnaast is er conform het geldende bestemmingsplan ter plaatse van Meester van Coothstraat 54B een intensieve veehouderij met geuremissie gelegen. In feitelijke zin wordt deze veehouderij beëindigd en gesaneerd.
Derhalve wordt deze veehouderij voor de volledigheid meegenomen in deze toetsing. Vaste afstand In het geval sprake is van een bedrijfswoning behorende bij een andere veehouderij of een voormalige bedrijfswoning die op of na 19 maart 2000 geen deel meer uitmaakt van een andere veehouderij mag worden getoetst aan vaste afstanden in plaats van maximale normen voor de geurbelasting. Op de planlocatie is door de beëindiging van de kalverhouderij sprake van voormalige bedrijfswoningen welke na 19 maart 2000 geen deel meer uitmaken van een veehouderij. Voor deze woningen geldt dat dient te worden voldaan aan een minimumafstand van 50 meter (buiten de bebouwde kom) tot omliggende veehouderijen. De afstand tussen de bestaande bedrijfswoning tot deze veehouderij, bedraagt circa 120 meter. Er wordt dus voldaan op het gebied van vaste afstanden. Geurbelasting Voor de nieuw te realiseren woningen geldt dat het toetsen aan de vaste afstand niet voldoende is. Voor deze woningen dient te worden gekeken naar de geurbelasting op de woningen. Om te bepalen of de geursituatie ter plaatse van het plangebied acceptabel wordt geacht, is een geuronderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 8. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies weergegeven.
Uit het onderzoek blijkt dat de berekende achtergrondgeurbelasting bedraagt ten hoogste 4,8 OUE/m3 ter plaatse van de nieuwe woningen en 4,5 OUE/m3 ter plaatse van de om te zetten agrarische bedrijfswoning binnen het plangebied. Op basis van de berekening en de kwalificaties kan het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen en de om te zetten agrarische bedrijfswoning binnen het plangebied worden gekwalificeerd als ‘goed’. Conclusie Uit het voorgaande blijkt dat zowel op het gebied van vaste afstanden als geurbelasting kan worden voldaan aan de normen conform de Wgh. Voor de beoogde situatie kan worden uitgegaan van een aanvaardbare situatie ten aanzien van geur. Dit aspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
Partiële herziening 5 Buitengebied Oss - 2020, pag. 53 van 68 vastgesteld 15 juni 2023
5.7.5 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is.
Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. De beëindiging van de kalverhouderij heeft een positief effect op de luchtkwaliteit. Daarnaast worden met onderhavige ontwikkeling twee nieuwe gevoelige objecten gerealiseerd. De twee bestaande bedrijfswoningen worden omgezet naar burgerwoningen, waarvan één woning wordt herbouwd. De bestemming ter plaatse van de in totaal vier woningen wordt gewijzigd in een woonbestemming. Ter plaatse van woningen dient er sprake te zijn van een aanvaardbare situatie om voor langere tijd te kunnen verblijven. Daarom is getoetst of er op het gebied van fijnstof en stikstofdioxide sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De toetsing is gebaseerd op de concentratie- en depositiekaarten van het RIVM en de data uit het NSL. Deze gegevens zijn globale gegevens die in specifieke situaties kunnen afwijken.
Zo kunnen veehouderijen in de directe omgeving van meetpunten invloed hebben op de fijnstof of stikstofdioxide uitstoot. Op basis van de NSL gegevens blijkt dat de invloed van veehouderijen op de luchtkwaliteit geen overschrijdingen met zich meebrengt. Daarnaast is de veehouderij op de Meester van Coothstraat 54B gestopt en wordt ook de veehouderij binnen de planlocatie gesaneerd. De staking van deze bedrijven heeft in de toekomst een gunstig effect op de uitstoot van fijnstof en stikstofdioxide op de woningen binnen het plangebied.
Partiële herziening 5 Buitengebied Oss - 2020, pag. 54 van 68 vastgesteld 15 juni 2023
Fijnstof Voor fijnstof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie en 50 µg/m3 voor een daggemiddelde concentratie. De waarde voor fijnstof ter plaatse van de planlocatie bedraagt conform de kaarten van het RIVM circa 18,35 µg/m3 en conform de data uit het NSL circa 15,972 µg/m3. Dat betekent dat dit beneden de gestelde grenswaarden volgens de Wet milieubeheer ligt en op het gebied van fijnstof het woon- en leefklimaat dus aanvaardbaar is. Stikstofdioxide Voor stikstofdioxide (NO2) geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie en 200 µg/m3 voor een daggemiddelde concentratie. De waarde voor stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van de planlocatie bedraagt conform de kaarten van het RIVM circa 15,02 µg/m3 en conform de data uit het NSL circa 12,421 µg/m3. Dat betekent dat ook de hoeveelheid stikstofdioxide ruim beneden de gestelde grenswaarden volgens de Wet milieubeheer ligt en er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Initiatief Het toevoegen van twee nieuwe woningen zorgt voor een toename van het aantal verkeersbewegingen. Door veranderingen in het aantal verkeersbewegingen, kan er ook een verandering plaatsvinden met betrekking tot de hoeveelheid fijnstof in de lucht.
Echter blijkt uit paragraaf 5.6.1 dat afname van het aantal voertuigbewegingen ten behoeve van het kalverbedrijf groter is dan de toename ten behoeve van de woondoeleinden. Per saldo is er dus sprake van afname, waardoor de ontwikkeling een positief effect heeft op de hoeveelheid fijnstof in de lucht. Daarnaast heeft de varkenshouderij aan de Meester van Coothstraat 54B geen vergunde rechten meer en kent de naastgelegen paardenhouderij geen uitstoot van fijn stof. Conclusie De hoeveelheid fijnstof en stikstofdioxide ter plaatse van de planlocatie ligt ruimschoots beneden de gestelde grenswaarden en zal door onderhavige ontwikkeling niet toenemen, waardoor dit geen belemmeringen oplevert voor voorgestane ontwikkeling. 5.7.6 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt.
Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Uit de hoogspanningslijnnetkaart van het RIVM blijkt dat er geen hoogspanningslijnen in de directe omgeving het plangebied zijn gelegen. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. 5.7.7 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden.
Partiële herziening 5 Buitengebied Oss - 2020, pag. 55 van 68 vastgesteld 15 juni 2023
In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen.
Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Door de beëindiging van de kalverhouderij is er geen sprake meer van de aan- en afvoer van dieren, mest, voer, etc. Hierdoor neemt het aantal transportbewegingen afkomstig van de planlocatie af (zie ook paragraaf 5.6.1). Dit heeft tot gevolg dat de geluidsbelasting op omliggende woningen afneemt en het woon- en leefklimaat verbeterd. In dit geval worden binnen het plangebied twee nieuwe woningen mogelijk gemaakt en worden de zuidelijk gelegen bedrijfswoning vervangen door een nieuwe woning. In de beoogde situatie zijn er dus vier geluidsgevoelige objecten aanwezig. Omdat de locatie wordt ontsloten door wegen met een hogere maximumsnelheid dan 30 km/uur, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geluid. Daarom is er een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek weergegeven. De volledige onderzoeksrapportage is bijgevoegd als bijlage 9.
Bestaande woning De geluidsbelasting ter plaatse van de gevels van de bestaande woning bedraagt (incl. correctie conform artikel 110g) ten hoogste 58 dB. Hiermee wordt niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde en ontheffingswaarde. Volgens Artikel 76, lid 5 van de Wet geluidhinder hoeft de geluidbelasting afkomstig van aanwezige wegen (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. Hierop gelet worden de overschrijdingen op de bestaande woning niet bezwaarlijk geacht. De geluidbelasting bij de bestaande woning afkomstig van het wegverkeer exclusief aftrek van artikel 110g bedraagt ten hoogste 63 dB. Uitgaande van een gevelwering van 20 dB op basis van het Bouwbesluit, wordt niet voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit. Aangezien er sprake is van bestaande bouw dat niet wordt gewijzigd in de toekomstige situatie, is het van rechtens verkregen niveau van toepassing. Ter hoogte van de tuin- en buitenruimten van de bestaande woning heerst een redelijk tot goede milieukwaliteit. Beoogde woningen Ter plaatse van de gevels van de drie beoogde woningen bedraagt de geluidbelasting afkomstig van het wegverkeer inclusief correctie van artikel 110g ten hoogste 47 dB. Derhalve wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
De geluidbelasting bij de drie beoogde woningen afkomstig van het wegverkeer exclusief aftrek van artikel 110g bedraagt ten hoogste 52 dB. Met een gevelwering welke ten minste 20 dB bedraagt op basis
Partiële herziening 5 Buitengebied Oss - 2020, pag. 56 van 68 vastgesteld 15 juni 2023
van het Bouwbesluit, zal het binnenniveau van de woning ten hoogste 32 dB bedragen en wordt voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit. Ter hoogte van de tuin- en buitenruimten van de beoogde woningen heerst een goede milieukwaliteit. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Conclusie Het aspect geluid staat een goede ruimtelijke ordening derhalve niet in de weg. 5.7.8 Gezondheid Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Pluimvee- en varkenshouderijen In 2016 zijn verschillende onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie afkomstig van veehouderijen. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico ten aanzien van pluimvee- en varkenshouderijen.
In dit geval dient er getoetst te worden aan de richtafstand tot de varkenshouderij aan de Jan van Ingenstraat 7. • De fijnstofemissie (PM10) voor het varkensbedrijf bedraagt 123 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 57 meter. De werkelijke afstand tot de planlocatie bedraagt circa 440 meter. Er wordt dus voldaan aan de minimumafstand. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert. In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk.
Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen).
Partiële herziening 5 Buitengebied Oss - 2020, pag. 57 van 68 vastgesteld 15 juni 2023
Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij. Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het infomeren van de aanvragers over het risico b. terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen c. na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan. Geitenhouderijen in de omgeving In het rapport VGO is gesteld dat er tevens gezondheidsrisico’s zijn vastgesteld voor omwonenden van geitenhouderijen. Uit het rapport komt naar voren dat omwonenden een grotere kans hebben op het krijgen van longontsteking. Eerder zijn hiervoor al aanwijzingen gevonden die nu nader onderbouwd zijn voor een langere periode. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij.
Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat binnen een straal van 2 kilometer rondom geitenhouderijen een verhoogd aantal gevallen longontstekingen voordoet. Binnen een straal van 2 kilometer rondom het plangebied is in de huidige situatie aan Lankerweg 1 een geitenhouderij gelegen. Deze geitenhouderij is op circa 520 meter en zuidwesten van de planlocatie gelegen. Het beleid voor geitenhouderijen in de gemeente Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het informeren van de aanvragers over het risico b. terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvesten of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijk ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan Hieronder wordt nader ingegaan op de bovenstaande criteria. a.
Informeren van de aanvragers over het risico De potentiële kopers/bewoners van de percelen zullen in het kader van het aspect volksgezondheid door de initiatiefnemer op de hoogte worden gebracht van de ligging van de geitenhouderij. De initiatiefnemer zal er rekening mee houden dat er wordt voldaan aan dit criterium.
b.
Terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvesten of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen De ontwikkeling is niet gericht op het huisvesten van de genoemde doelgroepen. Aan dit criterium wordt dan ook voldaan.
c.
Na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan Het planvoornemen voorziet in een wenselijke ontwikkeling. Op de locatie wordt een veehouderij gesaneerd om ruimte te creëren voor 4 kavels. De sanering van de veehouderij gaat gepaard met een milieu- en gezondheidswinst voor de omgeving. Zo vindt er een forse daling van emissies van fijnstof, en daarmee endotoxines, geur en stikstof plaats. De forse milieu- en gezondheidswinst gaat daarbij gepaard met de realisatie van 2 extra woningen die gezien de huidige krapte op de woningmarkt maatschappelijk gezien zeer gewenst zijn. In deze toelichting heeft een zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden van milieukundige, ruimtelijke, visuele, landschappelijke en cultuurhistorische waarden. De ontwikkeling is wenselijk vanuit deze verschillende waarden. Deze belangen zijn afgewogen tegen het mogelijk zeer beperkte gezondheidsrisico dat kan plaatsvinden als gevolg van realisatie van de woningen binnen 2 kilometer van een geitenhouderij. De belangenafweging maakt dat de realisatie van het planvoornemen wenselijk is.
Partiële herziening 5 Buitengebied Oss - 2020, pag. 58 van 68 vastgesteld 15 juni 2023
Sinds de Q-koortsepidemie van 2007 is de regelgeving rondom geitenhouderijen strenger geworden. Zo ook in de gemeente Oss. In het d.d. 28-08-2018 vastgestelde voorbereidingsbesluit ‘geitenhouderijen Oss 2018’, zijn deze strengere regels opgenomen. Zo mogen geitenhouderijen op basis van dit voorbereidingsbesluit (voorlopig) niet meer uitbreiden en/of meer geiten gaan houden. Ook de provincie heeft in 2017 een tijdelijke voorzorgsmaatregel genomen en besloten tot een moratorium die de bouw en ingebruikname van nieuwe geitenstallen verbiedt. Deze voorzorgsmaatregelen maken dat geen verdere verslechtering van het woon- en leefklimaat kan plaatsvinden in de nabije toekomst. Daarnaast komen er steeds meer innovatieve ontwikkelingen die de emissie en immissie van aan gezondheid te relateren stoffen zo niet geheel dan toch wel in beduidende mate zullen beperken. Het is dan ook de verwachting dat het woon- en leefklimaat de komende jaren drastisch zal verbeteren. Het is dan ook de vraag of het in algemene zin aangetoonde verhoogde risico binnen een straal van 2 kilometer van geitenhouderijen zwaarder weegt dat de sanering van een agrarisch bedrijf en de ontwikkeling van nieuwe woningen. Zeker nu de ontwikkeling van nieuwe woningen een groot sociaalmaatschappelijk belang dient.
Gezien het al relatief hoge aantal bestaande woningen en gevoelige objecten binnen de straal van 2 kilometer van de geitenhouderij en het ontbreken van bekende gezondheidsklachten van omwonenden is het aannemelijk dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd is voor de bewoners van de nieuwe woningen binnen het plangebied. Conclusie Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat, ondanks dat het plangebied binnen de risicocontour van de geitenhouderij op de Lankerweg 1 ligt, de ontwikkeling aanvaardbaar is. 5.7.9 Spuitzones Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden.
Binnen een afstand van 50 meter bevinden zich geen gronden welke worden gebruikt ten behoeve van land-/akkerbouw. Met betrekking tot de (nieuwe) woningen worden dus geen belemmeringen verwacht, waardoor in de beoogde situatie kan worden uitgegaan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Er zijn geen belemmeringen ten aanzien van het aspect spuitzones gewasbeschermingsmiddelen. 5.7.10 Niet gesprongen Explosieven (NGE) Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen, blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het plangebied bevindt zich in verdacht gebied met betrekking tot niet gesprongen explosieven (NGE). Dit vanwege de ligging binnen het voormalig front richting Kerkdriel. Dit betreft een gebied wat verdacht is omdat het in de oorlog is beschoten met artillerie. Mortieren en/of raketten. Dan kans bestaat dat er munitie aanwezig is. De huidige stallen zijn gebouwd in 1959, waarmee ze naoorlogs zijn gerealiseerd. Hierdoor is de verwachting dat de grond ter plaatse al is geroerd en is de kans klein dat er nu nog munitie artikelen worden gevonden. Daarom wordt nader onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten op dit punt niet noodzakelijk geacht.
De te herbouwen bedrijfswoning is wel voor een groot deel beoogd op een deel van het plangebied waar geen huidige bebouwing staat, waardoor de grond naar verwachting niet dusdanig is geroerd.
Partiële herziening 5 Buitengebied Oss - 2020, pag. 59 van 68 vastgesteld 15 juni 2023
Het plangebied is verdacht vanwege zijn ligging binnen het voormalig front richting Kerkdriel op de bodembelastingkaart ontplofbare oorlogsresten WOII en het daaraan gekoppelde vooronderzoek uit 2016 (zie hieronder). Dit is een gebied wat verdacht is omdat het in de oorlog is beschoten met artillerie, mortieren en/of raketten. Hierdoor is de kans op munitie aanwezig.
Figuur 13 Verdacht gebied op voorkomen oorlogsresten rood gearceerd met plangebied blauw gearceerd
Wanneer er grondwerkzaamheden plaats vinden kunt u onderzoek laten uitvoeren door een hiervoor gecertificeerd opsporingsbedrijf . Bij vooronderzoek en/of risicoanalyse moet een opsporingsbedrijf werken volgens het certificatieschema vooronderzoek en risicoanalyse ontplofbare oorlogsresten (CSVROO) en bij detectie en gravend onderzoek volgens het certificatieschema opsporen ontplofbare oorlogsresten (CS-OOO). Het is de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever van grond- en bouwwerkzaamheden dat werknemers de werkzaamheden veilig uit kunnen voeren. Indien er een verwachting is voor ontplofbare oorlogsresten en deze kunnen een gevaar opleveren voor de veiligheid en gezondheid van werknemers dienen de risico’s te worden onderzocht en eventueel weggenomen. Bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen, dient er vanuit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven. Dit kan met behulp van het nader onderzoek waardoor de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart worden gebracht. Dit is echter in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het advies is om altijd binnen een verdacht gebied het protocol toevalsvondsten onder de aandacht te brengen van mensen die grond- en bouwwerkzaamheden verrichten.
Het is te allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij bouw- en/of grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving. Bij het toevallig vinden van een artikel wat er uit ziet als een explosief of munitie, stop de werkzaamheden, iedereen verlaat lopend het werkterrein (i.v.m. trillingen door voertuigen en machines) en bel de politie. De Explosieven Verkenner (EV) of Teamleider Explosieven en Veiligheid (TEV) van de politie komt op de locatie beoordelen of het om munitie gaat die moet worden geruimd. Zo ja, schakelt deze de Explosieven Opruimingsdienst van Defensie (EODD) in. Zo nee, dan kunnen werkzaamheden worden hervat. 5.8
Milieueffectrapportage (M.e.r.)
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen.
Partiële herziening 5 Buitengebied Oss - 2020, pag. 60 van 68 vastgesteld 15 juni 2023
Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Sinds de implementatie van de gewijzigde M.e.r.-richtlijn op 16 mei 2017 is de procedure voor de vormvrije en de formele m.e.r.-beoordeling bijna gelijk. Het enige verschil is dat van het besluit bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen kennisgeving wordt gedaan. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project 3.
kenmerken van het potentiële effect. Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen. Verantwoording Hier dient u aan te geven of er sprake is van m.e.r., een m.e.r.-beoordeling of een vormvrije m.e.r.beoordeling. Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. De omschakeling van een agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming en de realisatie van twee nieuwe woningen komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Volgens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r.
kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om “bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan”. Er is sprake van een stedelijke ontwikkeling wanneer er 12 of meer woningen worden gebouwd. Het toevoegen van slechts twee woningen betreft dan ook geen stedelijk ontwikkelingsproject. Daarnaast is er sprake van een gebied dat aanzienlijk kleiner is dan 100 ha en het plan aanzienlijk minder dan 2.000 woningen omvat. Er geldt in dit geval geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Er hoeft dan ook geen m.e.r.-procedure doorlopen te worden en is de ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Conclusie Onderhavig plan komt dus niet voor in de C- of D-lijst. Een m.e.r.(beoordelings-)procedure is in dit geval daarom niet noodzakelijk.
Partiële herziening 5 Buitengebied Oss - 2020, pag. 61 van 68 vastgesteld 15 juni 2023
Hoofdstuk 6 6.1
Toelichting op de regels
Algemeen
Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. In het bestemmingsplan Partiële Herziening 5 Buitengebied Oss – 2020 is gekozen voor een gedetailleerde regeling. Voor de opzet van de regels is aangesloten bij de “Standaardregels bestemmingsplannen Oss”. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels (artikelen 1 en 2), de bestemmingsregels (artikelen 3 tot en met 5), de algemene regels (artikelen 6 tot en met 13) en de overgangs- en slotregels (de artikelen 14 en 15). Bij de regels hoort een bijlage, te weten een milieuzoneringslijst. In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels en de bijlage toegelicht. 6.2
Regels
Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen. Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel geeft aan op welke manier het meten van in de regels genoemde begrippen moet plaatsvinden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels De in dit hoofdstuk geregelde bestemmingen zijn achtereenvolgens: Artikel 3: Agrarisch met waarden – Landschap Gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor het gebruik voor agrarische doeleinden en mede voor de ontwikkeling, behoud en herstel van landschappelijke, cultuurhistorische en aardkundige waarden. Artikel 4: Wonen Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor woondoeleinden. Bij de woning zijn onder andere aanhuis-gebonden activiteiten, een bed and breakfast en ondergeschikte/bijbehorende voorzieningen toegestaan. Artikel 5: Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog Dit is een dubbelbestemming. Dat betekent dat bepaalde archeologische waarden, in aanvulling op de geldende enkelbestemming, extra beschermd worden.
Partiële herziening 5 Buitengebied Oss - 2020, pag. 62 van 68 vastgesteld 15 juni 2023
Artikel 6: Waarde – Landschap Dit is een dubbelbestemming. Dat betekent dat de gronden, in aanvulling op de geldende enkelbestemming mede bestemd zijn voor de instandhouding en bescherming van op of in die gronden aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische waarden in de vorm van terpen. Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk geeft een aantal gebruikelijke algemene regels. Het betreft achtereenvolgens: Artikel 7: Anti-dubbeltelregel Dit artikel regelt dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. Artikel 8: Landschappelijke tegenprestatie Dit artikel regelt de verplichte tegenprestatie bij bepaalde ontwikkelingen. Artikel 9: Algemene bouwregels Dit artikel geeft een aantal bouwregels die algemene werking hebben, en dus niet in één of meerdere specifieke bestemmingen gegeven worden. Artikel 10: Algemene gebruiksregels Dit artikel geeft een aan wat in ieder geval onder strijdig gebruik wordt verstaan. Artikel 11: Algemene aanduidingsregels Dit artikel bestaat uit een aantal (algemene) aanduidingen. Artikel 12: Afwijken van de bouw- en gebruiksregels algemeen Dit artikel geeft een algemene afwijkingsregeling van de bouw- en gebruiksregels.
Artikel 13: Wijzigingsregels Dit artikel bevat een aantal algemene wijzigingsregels. Artikel 14: Overige regels Dit artikel regelt de verwijzing naar andere wettelijke regelingen. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 15: Overgangsrecht Dit artikel regelt het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 16: Slotregel Dit artikel regelt de formele titel waaronder het bestemmingsplan kan worden aangehaald. Bijlage: milieuzoneringslijst In deze bijlage zijn de bedrijfsactiviteiten genoemd die volgens de regels toelaatbaar zijn. De lijst is opgesteld vanuit de typering van het plangebied als een rustige woonwijk.
Partiële herziening 5 Buitengebied Oss - 2020, pag. 63 van 68 vastgesteld 15 juni 2023
Hoofdstuk 7 7.1
Handhaving
Beleidskader
Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria: - het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels; - het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken; - zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavingsinstrumenten.
Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien: - het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes; - nakoming van afspraken en naleving van regels. In het Handhavingsprogramma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden. De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de regels en desnoods bestuursrechtelijke handhaving. Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven. 7.2
Professionele handhaving en handhavingsprogramma
De gemeente Oss voldoet aan de wettelijke kwaliteitscriteria voor een professionele handhavingsorganisatie. Elke vier jaar wordt er een Handhavingsprogramma opgesteld waarin de prioriteiten voor de uitvoering worden vastgelegd. Dit gebeurt na de aantreding van een nieuwe gemeenteraad en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders. Elk jaar wordt aan de hand van een probleem- of omgevingsanalyse een voortschrijdend programma gemaakt, waarin rekening wordt gehouden met gewijzigde wetgeving en de op dat moment concrete problematiek. Handhaving van bestemmingsplannen is een vaste prioriteit in het programma.
Partiële herziening 5 Buitengebied Oss - 2020, pag. 64 van 68 vastgesteld 15 juni 2023
7.3
Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht
De regels van dit bestemmingsplan zijn getoetst op handhaafbaarheid. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorziet in een verbod op het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit. In beginsel worden bouwwerken die in overeenstemming zijn met het vorige bestemmingsplan positief bestemd. Hetzelfde geldt voor gebruik in overeenstemming met het vorige bestemmingsplan. Met andere woorden: bestaande rechten worden gerespecteerd. Zij zijn in beginsel alleen onder het algemene overgangsrecht gebracht als te voorzien is dat zij binnen de planperiode van tien jaar zullen verdwijnen. Als sprake is van een naar huidige beleidsinzichten onwenselijke situatie die in het vorige bestemmingsplan al onder het overgangsrecht valt, is bezien of deze onder het persoonsgebonden overgangsrecht kan worden gebracht. Dat wil zeggen dat het overgangsrecht voor de betreffende percelen is beperkt tot degenen die die percelen gebruiken op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Voortgezet gebruik door anderen wordt niet als bestaand gebruik aangemerkt. Wij geven hieraan de voorkeur boven een uitsterfconstructie. Een uitsterfconstructie houdt in feite een positieve bestemming in, die afloopt na beëindiging van het betreffende gebruik. Dit maakt opvolging in de tijd door meerdere gebruikers mogelijk.