Bijlage 7 bij toelichting - ruimtelijke onderbouwing Hoogoordstraat 3 in Macharen.PDF
Tekst van het document
Toelichting
Hoogoordstraat 3 Macharen
Toelichting
Datum: Status: Projectlocatie: Opgesteld door:
14 september 2021 Definitief Hoogoordstraat 3 5367 ND Macharen T. Vloet
1
Inhoudsopgave Inhoudsopgave ........................................................................................................................................................ 2 1 Inleiding ............................................................................................................................................................... 3
1.1 Huidig en gewenste bouwvlak ............................................................................................. 5 1.2 Ruimtelijke en functionele structuur..................................................................................... 6
2 Planologisch kader ............................................................................................................................................... 7
2.1 Rijksbeleid......................................................................................................................... 7 2.2 Provinciaal beleid ............................................................................................................... 7 2.2.1 Structuurvisie.............................................................................................................. 7 2.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant ..................................................................................... 9 2.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ............................................................... 9 2.3 Gemeentelijk beleid.......................................................................................................... 13 2.3.1 Structuurvisie............................................................................................................ 13 2.3.2 Bestemmingsplan ...................................................................................................... 13
3 Ruimtelijke aspecten .......................................................................................................................................... 17
3.1 Stedenbouw en landschap ................................................................................................ 17 3.2 Verkeer en infrastructuur .................................................................................................. 17 3.3 Archeologie ..................................................................................................................... 17
4 Milieuaspecten ................................................................................................................................................... 21
4.1 Geluid ............................................................................................................................. 21 4.2 Fijnstof ........................................................................................................................... 22 4.3 Geur ............................................................................................................................... 24 4.4 Bedrijfszonering ............................................................................................................... 25 4.5 Water ............................................................................................................................. 26 4.6 Natuur ............................................................................................................................ 33 4.7 Bodem ............................................................................................................................ 36 4.8 Gezondheid ..................................................................................................................... 37 4.9 Externe veiligheid ............................................................................................................ 38 4.10 Overige aspecten ...........................................................................................................
42 4.11 M.e.r.-beoordeling.......................................................................................................... 42
5 Uitvoerbaarheid en procedure ............................................................................................................................ 43
5.1 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................ 43 6 Conclusie ............................................................................................................................................................ 44 Bijlagen ................................................................................................................................................................. 45
2
1 Inleiding Initiatiefnemer exploiteert aan de Hoogoordstraat 3 te Macharen een melkveehouderijbedrijf. Voor het melkveehouderijbedrijf is op 31 maart 2009 een vergunning op grond van de Wet Milieubeheer verleend voor het houden van 346 melkkoeien en 218 stuks jongvee. De planlocatie bestaat uit twee ligboxenstallen, twee jongveestallen, een voershed en diverse sleufsilo’s. Eén ligboxenstal is nog niet opgericht. Hiervoor is reeds een milieuvergunning onderdeel milieu en bouw verleend. Initiatiefnemer is voornemens om binnen de vergunde stallen te groeien in dieraantallen. De stallen worden dusdanig aangepast dat in de beoogde situatie 560 melkkoeien en 118 stuks vrouwelijk jongvee gehouden worden. Deze wijzigingen passen binnen het bestaande bouwvlak. Binnen het bestaande bouwvlak is sprake van een tekort aan ruwvoeropslagcapaciteit. Er zijn reeds drie sleufsilo’s aanwezig, namelijk twee ten zuiden en één ten westen van de grote ligboxenstal. Initiatiefnemer is voornemens om in de beoogde situatie drie nieuwe sleufsilo’s te realiseren en één bestaande sleufsilo te vergroten. Het totaal aan sleufsilo’s bedraagt in de beoogde situatie zes stuks. In de bijlage is een onderbouwing opgenomen waaruit blijkt dat in de bestaande situatie sprake is van een tekort aan ruwvoeropslagcapaciteit.
Ook is een onderbouwing bijgevoegd van de benodigde ruwvoeropslagcapaciteit in de toekomstige situatie met 560 melkkoeien en 118 stuks vrouwelijk jongvee. Een aantal van de beoogde sleufsilo’s zijn gesitueerd buiten het huidige bouwvlak. Hiernaast vallen gedeeltes van de erfverharding buiten het huidige bouwvlak. Hiervoor is onderhavige toelichting opgesteld. De vergunde situatie van onderhavige locatie betreft de hierboven genoemde milieuvergunning d.d. 31 maart 2009. Onderhavige ontwikkelingen zien enkel op vergroting van het bouwvlak ten behoeve van ruwvoeropslagcapaciteit en erfverharding. In principe zou onderhavige toelichting gebaseerd kunnen worden op de dieraantallen uit de milieuvergunning d.d. 31 maart 2009. Echter initiatiefnemer is voornemens een nieuwe aanvraag milieu in te dienen voor het houden van 560 stuks melkvee en 112 stuks vrouwelijk jongvee. Op 26 mei jl. heeft het College van Burgemeester en wethouders van gemeente Oss een positief M.e.r.-besluit genomen voor deze ontwikkeling. Dit besluit is bijgevoegd als bijlage. Het houden van de beoogde dieraantallen past binnen het huidige bouwvlak en kan op basis van huidige regelgeving vergund worden.
Vanuit het aspect zorgvuldige beoordeling zullen de beoogde wijzigingen in dieraantallen meegenomen en beoordeeld worden in onderhavige toelichting, zonder dat dit strikt noodzakelijk is aangezien de bouwvlakvergroting niet nodig is voor het houden van de beoogde dieraantallen. Initiatiefnemer verzoekt om het bouwvlak in de beoogde situatie te vergoten tot 1,99 hectare. Hiervan wordt 0,5 hectare uitsluitend gebruikt voor voorzieningen ten behoeve van de opslag van ruwvoer en voorzien van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – opslag ruwvoer’. De gemeente Oss ziet aanknopingspunten in het ruimtelijk beleid voor vergroting van het agrarisch bouwvlak om de gewenste uitbreiding te realiseren. 16 april 2020 is het bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020 vastgesteld. Onderhavige vergroting van het bouwvlak kon niet meer in deze procedure worden meegenomen. Om deze reden wil gemeente Oss de gewenste ontwikkelingen meenemen in het veegplan van gemeente Oss. In dit veegplan worden nieuwe ontwikkelingen meegenomen die eigenlijk bestemd waren voor het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’, maar daar niet tijdig gereed voor waren. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing betreft de planologische verantwoording voor onderhavig initiatief en maakt als bijlage onderdeel uit van het veegplan.
Ligging
De locatie is gelegen buiten de bebouwde kom in de gemeente Oss vlakbij de kern Macharen. De afstand tussen het bedrijf en de kern van Macharen bedraagt 200 meter.
3
Afbeelding 1: Ligging ten opzichte van de nabijgelegen kern, bron: Bing maps
Afbeelding 2: Bovenaanzicht bedrijf, bron: ruimtelijke plannen
4
1.1 Huidig en gewenste bouwvlak Binnen het huidige bouwvlak zijn een woonhuis, vier rundveestallen en drie sleufsilo’s toegestaan. Eén sleufsilo is ten oosten van de grote ligboxenstal gerealiseerd en heeft een oppervlakte van 1.800 m2. De andere twee sleufsilo liggen ten zuiden van de grote ligboxenstal en hebben een oppervlakte van 1.050 m2 en 550 m2. Dit is de zien in afbeelding 3. Initiatiefnemer is voornemens om de sleufsilo ten oosten van de grote ligboxenstal te vergroten van 1.800 m2 naar 2.000 m2. Deze vergroting zorgt ervoor dat de sleufsilo deels buiten het bouwblok komt te liggen. Hiernaast worden drie nieuwe sleufsilo’s opgericht; - Ten oosten van de jongveestal: 425 m2 (buiten het huidige bouwblok) - Ten noorden van de grote ligboxenstal: 375 m2 (buiten het huidige bouwblok) - Centraal tussen de grote ligboxenstal: 600 m2 (binnen het huidige bouwblok) De twee bestaande sleufsilo’s met een oppervlakte van 550 m2 en 1.050 m2 blijven ongewijzigd. De totale oppervlakte sleufsilo’s in de beoogde situatie bedraagt 5.000 m2. Een deel van de erfverharding ligt ook buiten het bouwvlak. Middels een uitbreiding van het bouwvlak komen alle sleufsilo’s en de erfverharding binnen het bouwvlak te liggen. Dit is te zien in afbeelding 3. Het totale bouwvlak heeft in de beoogde situatie een oppervlakte van 1,99 hectare.
De ruwvoeropslagvoorzieningen hebben een oppervlakte van 5.000 m2. Deze oppervlakte zal worden voorzien van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – opslag ruwvoer’. In de huidige situatie is een puinweg gelegen aan de westzijde van het erf. Dit is de zien in afbeelding 3, bestaand bouwvlak. Deze puinweg is in 2012 gerealiseerd voor bouw- en werkverkeer voor de bouw van de laatst opgerichte stal. In de beoogde situatie zal deze puinweg worden verwijderd waardoor deze geen deel uit gaat maken van het beoogde bouwvlak. Op afbeelding 3, nieuw bouwblok is te zien dat deze puinweg niet meer aanwezig is in de beoogde situatie. Het verkeer kan via de hoofdingang van het erf, naast het woonhuis, het erf betreden. Voor het melkveebedrijf is op 31 maart 2009 is een vergunning verleend op grond van de Wet Milieubeheer. De omgevingsvergunning voor de activiteit bouw van de stallen is ook verleend. Binnenkort wordt een aanvraag omgevingsvergunning onderdeel milieu ingediend voor het houden van 560 melkkoeien en 112 stuks vrouwelijk jongvee. De wijzigingen in dieraantallen passen binnen het huidige en beoogde bouwvlak.
Afbeelding 3: Huidig en beoogde bouwvlak
5
1.2 Ruimtelijke en functionele structuur De locatie is gelegen in het buitengebied van Oss, vlakbij de kern Macharen. De locatie is gelegen aan een verharde weg (Hoogoordstraat) welke met name gebruikt wordt door bestemmingsverkeer en landbouwverkeer. De Hoogoordstraat komt na 250 meter vanaf het bedrijf uit op de Dorpenweg. Dit is de verbindingsweg tussen de kernen in het buitengebied van Oss. In de nabije omgeving van de Hoogoorstraat 3 bevinden zich een aantal agrarische bedrijven en een aantal burgerwoningen. Op 200 meter afstand van het bedrijf ligt de bebouwde kom van Macharen. Het meest nabijgelegen agrarisch bedrijf betreft de intensieve veehouderij aan de Hoogoordstraat 10. Dit bedrijf is gelegen op een afstand van circa 100 meter. Dit bedrijf is tevens in eigendom van initiatiefnemer. Het landschap kenmerkt zich vooral door de vele graslanden voor de veehouderij en een nabijgelegen bos. Dit bos ligt in een waterwingebied. Het bedrijf aan de Hoogoordstraat 3 ligt gedeeltelijk binnen dit grondwaterbeschermingsgebied.
6
2 Planologisch kader De ruimtelijke ontwikkeling is alleen mogelijk als deze past binnen het gestelde beleid door de diverse overheden. Hieronder wordt de ontwikkeling getoetst aan het beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente.
2.1 Rijksbeleid In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. De SVIR is vastgesteld en inwerking getreden op 13 maart 2012. Het Rijk stelt heldere ambities voor Nederland in 2040. Het doel van deze structuurvisie is een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland creëren. Het Rijk richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Provincies en gemeenten hebben in het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden gekregen. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland; Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Het Rijk benoemt daarnaast 13 nationale belangen. Hiervoor is het Rijk verantwoordelijk. In het MIRT wordt de samenhang van deze rijksbelangen met decentrale belangen en regionale opgaven besproken.
De nationale belangen uit de SVIR worden op basis van de Wet ruimtelijke ordening juridisch geborgd middels twee besluiten. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Een gedeelte van de bepalingen in het Barro worden in de regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) uitgewerkt. Onderhavig initiatief is kleinschalig van aard en heeft geen betrekking op de nationale projecten zoals genoemd in het Barro. Verdere toetsing aan dit beleid is dan ook niet noodzakelijk. Aspecten waaronder milieu, waterhuishouding en overige zaken welke van belang zijn en geborgd zijn middels het Bro zullen in deze toelichting worden getoetst.
2.2 Provinciaal beleid Het planologische beleid van de provincie is verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant en juridisch geborgd middels de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
2.2.1 Structuurvisie Op 1 oktober 2010 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 vastgesteld. Provinciale Staten hebben op 7 februari 2014 de partiële herziening 2014 van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 vastgesteld. Deze partiële herziening is in werking getreden op 19 maart 2014.
7
2.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant In de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’, welke is vastgesteld op 14 december 2018, geeft de provincie Noord-Brabant het volgende aan ten aanzien van de landbouw. Als provincie wil Noord-Brabant ook in de toekomst voorop blijven lopen als provincie van agrarische kennis- en productie. De export van hoogwaardige Brabantse producten, agro-techniek en –kunde, is een belangrijke bron van inkomsten. Om dit te behouden en verbeteren, is een transitie noodzakelijk waarvan de eerste stappen al gezet zijn. Hierdoor ontstaat een diverser palet aan productiemethoden op de as low-tech hightech. Dit vraagt nu en in de toekomst om inspanningen in de gehele keten. Het stimuleren van een innovatieve ketensamenwerking, waarbij een gezonde en duurzame voedselproductie voorop staat en consumenten meer bewust worden gemaakt van de impact van de voedselproductie, is cruciaal voor onze agrofood van de toekomst. Eerst en vooral is een verdere beperking van de impact van de primaire landbouw door emissies vanuit de veehouderij en de gevolgen van het gebruik van mest- en gewasbeschermingsmiddelen van belang. Ook de landschappelijke inpassing van stallen, kassen, plastic tunnels en loodsen verdient aandacht. Daarnaast is gezondheid een thema waaraan alle partijen in de keten gezamenlijk moeten werken.
Circulariteit, nieuwe productiewijzen en kortere schone ketens zijn een belangrijke sleutel om bij te dragen aan klimaatoplossingen. Ook kan de agrarische wereld intensief bijdragen aan de energietransitie. Onderhavig initiatief draagt bij aan een toekomstbestendig landbouwbedrijf. Door voldoende opslagcapaciteit kan voor de gehele winterperiode ruwvoer worden opgeslagen en is het bedrijf minder afhankelijk van elders aangekocht (ruw)voer.
2.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. Daarna heeft reeds een wijziging plaatsgevonden. In 2021 treedt de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet ook de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening. Dit zijn de: Provinciale milieuverordening Verordening natuurbescherming Verordening ontgrondingen Verordening ruimte Verordening water Verordening wegen Onderhavige locatie is gelegen in ‘gemengd landelijk ‘stalderingsgebied’. Zie hieronder de uitsnede van de omgevingsverordening Noord-Brabant.
gebied’ en heeft de aanduiding kaart behorende tot de Interim
Binnen de aanduiding ‘Stalderingsgebied’ is een toename van dierenverblijf voor hokdierhouderijen alleen mogelijk als er elders binnen het gebied oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren wordt gesaneerd. In de beoogde situatie vindt geen toename van hokdierenverblijven plaats, derhalve zijn de regels met betrekking tot staldering niet van toepassing.
9
Afbeelding 5: Uitsnede kaart behorende tot de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Hieronder wordt getoetst aan de van toepassing zijnde regels.
Paragraaf 3.1.2 basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1 Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Lid 2 Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: 1. zorgvuldig ruimtegebruik; 2. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; 3. meerwaardecreatie. Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: 1. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; 2. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); 3. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.
10
Lid 2 Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel. Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering Lid 1 De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Lid 2 De lagenbenadering omvat de effecten op: 1. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; 2. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. 3. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Lid 3 Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Artikel 3.8 meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: 1. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; 2.
de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: 1. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of 2. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: 1. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; 2. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; 3. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; 4. het wegnemen van verharding; 5. het slopen van bebouwing; 6.
de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; 7. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.
11
Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken. De sleufsilo’s en erfverharding worden direct aan de stallen gesitueerd, deze volgen de kavelrichting. De ruimte tussen de sleufsilo’s blijft beperkt en wordt afgestemd op het gebruik van landbouwwerktuigen van gangbare grootte. Hetzelfde geldt voor de erfverharding. Deze ontwikkelingen veroorzaken gaan onverwachte vormen in het bouwvlak. Geconcludeerd kan dan ook worden dat de ontwikkelingen aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik voldoen. De sleufsilo’s betreffen relatief lage bouwwerken welke qua oppervlakte ondergeschikt zijn aan de bestaande stallen. Ter bevordering van de ruimtelijke kwaliteit wordt de locatie landschappelijk ingepast met streekeigen beplanting. Hiertoe is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld en als bijlage bijgevoegd. De Interim omgevingsverordening stelt regels aangaande de kwaliteitsverbetering van het landschap.
Hierin is bepaald dat een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving. Hierbij bevat de toelichting een verantwoording dat de verbetering binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijke beleid past en de wijze waarop deze verbetering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd. Gemeente Oss heeft samen met gemeente Uden, Bernheze, Schijndel, Mill en Sint-Hubert in overleg met de provincie een notitie opgesteld vastgesteld waarin onderscheid wordt gemaakt tussen categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen, rekening houdend met de impact op de omgeving. Afhankelijk van de impact wordt in het LIR bepaald hoe invulling wordt gegeven aan het vereiste van kwaliteitsverbetering van het landschap. Categorie 1: Categorie 2: Categorie 3:
Voor ontwikkelingen die geen of een verwaarloosbare impact hebben ten opzichte van het huidige gebruik geldt geen landschappelijke tegenprestatie. Voor ontwikkelingen die een beperkte impact hebben ten opzichte van het huidige gebruik op de omgeving is een landschappelijke inpassing vereist. Voor ontwikkelingen met een aanzienlijke impact ten opzichte van het huidige gebruik is een landschappelijke investering vereist. Het gaat hier om minimaal 20% van de meerwaarde van de gronden (en niet de gebouwen).
Onderhavig initiatief behoort tot categorie 2. De ontwikkeling wordt concreet genoemd in de toelichting op het ontwerp bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020. Voor onderhavig initiatief is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Dit landschappelijk inpassingsplan is bijgevoegd.
12
2.3 Gemeentelijk beleid
2.3.1 Structuurvisie De Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015 is op 1 april 2016 vastgesteld door de gemeenteraad. Het hoofddoel van deze structuurvisie is het bieden van een integrale visie op het buitengebied van de gemeente Oss. Onderhavige locatie is gelegen in gemengd landelijk gebied. Het versterken van de oeverwal is een belangrijk onderwerp in deze streek. In dit plangebied krijgen agrarische bedrijven reële ontwikkelingsmogelijkheden. De ruimtelijke randvoorwaarden worden hierop toegesneden en moet gebeuren binnen de mogelijkheden die het provinciale beleid biedt. Om deze reden neemt de gemeente het beleid over van de provincie dat alleen opslag van ruwvoer, met een maximum van 0,5 hectare, kan plaatsvinden buiten het bestaande bouwvlak van 1,49 hectare. De landschappelijke draagkracht is medebepalend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven. Ondanks het feit dat het aantal agrarische bedrijven afneemt, blijft de landbouw een belangrijke rol spelen in het buitengebied van Oss en het agrifoodcomplex. Onderhavig initiatief past binnen dit beleid.
Afbeelding 6: Uitsnede kaart behorende tot Structuurvisie buitengebied Oss - 2015
2.3.2 Bestemmingsplan Het bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 is op 16 april 2020 vastgesteld. Conform dit bestemmingsplan heeft de locatie de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – landschap’. Een deel van de locatie heeft de dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie verwachtingswaarde hoog’. De locatie bevindt zich binnen gebiedsaanduidingen ‘overige zone – oeverwal’ en ‘overige zone – stads- en dorpsranden’. De locatie heeft een bouwvlak en functieaanduidingen ‘specifieke vorm van agrarisch - veehouderij’ en ‘specifieke vorm van agrarisch – vergroting bouwvlak tot 2 ha’. In afbeelding 7 is een uitsnede te zien van het bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020.
13
Afbeelding 7: Uitsnede bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020
In artikel 40.3.2 is een bevoegdheid opgenomen ten behoeve van de vergroting van een agrarisch bouwvlak met de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ tot een maximale oppervlakte van 2 ha, mits aan de voorwaarden uit artikel 40.3.1 wordt voldaan. Artikel 40.3.2 luidt als volgt:
40.3.2 Vergroting agrarisch bouwvlak tot 2 ha Indien wordt aangetoond dat een dialoog is gevoerd met de direct aanwonenden zijn burgemeester en wethouders bevoegd om onder de in artikel 40.3.1 genoemde voorwaarden een bouwvlak van een agrarisch bedrijf binnen de bestemming ' Agrarisch met waarden - Landschap' te vergroten tot een maximale oppervlakte van 2 ha onder de volgende aanvullende voorwaarden: a. er is sprake van een teeltbedrijf/vollegrondsteeltbedrijf, of b. er is sprake van een veehouderij; in dit geval gelden de volgende voorwaarden: 1. de veehouderij ligt binnen de zone 'overige zone - komgebied' of het betreft een bedrijf met een bouwvlak met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch vergroting bouwvlak tot 2 ha' 2. het betreft een veehouderij die vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer 3. het bestemmingsplan borgt dat voor zover het bouwvlak door en na wijziging groter is dan 1,5 ha, de grotere oppervlakte uitsluitend gebruikt wordt voor voorzieningen voor de opslag voor ruwvoer die geen gebouw zijn 4. binnen het bestaande bouwvlak is geen ruimte aanwezig voor de benodigde opslag van ruwvoer De locatie aan de Hoogoordstraat 3 heeft de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch –vergroting bouwvlak tot 2 ha’.
Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de ontwikkelingen passen binnen de regels van het bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020. Het melkveebedrijf van initiatiefnemer is voor de bedrijfsvoering in overwegende mate aangewezen op de opslag van ruwvoer. Binnen het huidige bouwperceel is sprake van een tekort aan ruwvoeropslagcapaciteit. Derhalve wordt het bouwvlak in de beoogde situatie uitgebreid tot 1,99 hectare. De ruwvoeropslagvoorzieningen hebben een oppervlakte van 0,5 hectare. Bijgevoegd zijn twee bijlagen waaruit blijkt dat in de vergunde situatie sprake is van een tekort aan ruwvoeropslagcapaciteit én waaruit blijkt dat er niet onnodig veel
14
ruwvoeropslagcapaciteit wordt gerealiseerd in de toekomstige situatie. Het AAB-advies onderschrijft dat deze ruwvoeropslagcapaciteit noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. De 0,5 hectare ruwvoeropslag zal worden voorzien van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – opslag ruwvoer’. Hiermee wordt middels het bestemmingsplan geborgd dat de gronden binnen deze functieaanduiding uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van de opslag van ruwvoer. Initiatiefnemer heeft een dialoog gevoerd met direct aanwonenden inzake de beoogde ontwikkelingen. Hiervan zijn gespreksverslagen bijgevoegd. Hieronder wordt getoetst aan de regels uit artikel 40.3.1.
40.3.1 Vergroting agrarisch bouwvlak tot 1,5 ha Indien wordt aangetoond dat een dialoog is gevoerd met de direct aanwonenden zijn burgemeester en wethouders bevoegd om een bouwvlak van een agrarisch bedrijf binnen de bestemming ' Agrarisch met waarden - Landschap' te vergroten tot een maximale oppervlakte van 1,5 ha mits: a. de noodzaak ervan is aangetoond aan de hand van een ondernemersplan, in welk kader burgemeester en wethouders advies inwinnen van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen;
Het advies van de Adviescomissie Agrarische Bouwaanvragen is bijgevoegd. Uit dit advies blijkt dat onderhavige ontwikkelingen noodzakelijk zijn voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering.
b. aangetoond is dat voldaan wordt aan de eisen van de milieuwetgeving (ammoniak, geur, volksgezondheid en dergelijke) en er geen onevenredige nadelige gevolgen zijn voor de in de omgeving aanwezige waarden (zoals water, ecologie, Natura 2000-gebied, landschap, cultuurhistorie en archeologie) en voor de belangen van derden;
In onderhavige toelichting wordt in hoofdstuk 4 getoetst aan de eisen van de milieuwetgeving. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkelingen niet resulteren in onevenredige nadelige gevolgen voor de in de omgeving aanwezige waarden en voor de belangen van derden.
c.
bouwvlak goed en zorgvuldig landschappelijk wordt ingepast met inheemse beplanting;
Voor de locatie is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Dit plan is bijgevoegd.
d. een goede uitstraling van het geheel in stedenbouwkundige, landschappelijke en/of architectonische zin wordt bereikt;
Onderhavige ontwikkelingen betreffen geen hoge bouwwerken. De sleufsilo’s worden niet dermate hoog uitgevoerd dat dit resulteert in een andere uitstraling van het bedrijf in stedenbouwkundige en architectonische zin. Middels streekeigen beplanting behoudt het bedrijf een goede landschappelijke uitstraling.
e. de uitbreiding een positieve bijdrage levert aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken; deze voorwaarde geldt uitsluitend indien het uit te breiden bouwvlak en/of de uitbreiding geheel of gedeeltelijk ligt binnen de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel'; Het bouwvlak is niet gelegen in binnen de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel'. f.
voor zover er sprake is van veehouderij: 1. er geborgd is dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan;
Voor onderhavige ontwikkelingen is een BZV-toets (Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij) uitgevoerd. Uit deze toets blijkt dat sprake is van een zorgvuldige veehouderij. De resultaten zijn bijgevoegd.
2. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving inpasbaar is in de omgeving. Het betreft hier onder andere bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de
15
landschappelijke waarden, verkeersafwikkeling, milieuaspecten en volksgezondheid;
In onderhavige toelichting wordt in hoofdstuk 3 aan de hierboven genoemde aspecten getoetst. De ontwikkeling is vanuit een goede leefomgeving inpasbaar in de omgeving.
3. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -als blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting die ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
Op onderhavige locatie worden melk- en kalfkoeien en vrouwelijk jongvee gehouden. Voor deze diercategorie is geen geuremissiefactor vastgesteld in de Wet geurhinder en veehouderij. Derhalve gelden hiervoor vaste afstanden tot de dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten. In paragraaf 4.3 ‘geur’ van onderhavige toelichting wordt hier verder op in gegaan.
4. de landschappelijke inpassing ten minste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat;
Het landschappelijk inpassingsplan is bijgevoegd. Hieruit blijkt de ten minste 10% van de omvang van het bouwperceel landschappelijk wordt ingepast.
5. de toelichting een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling;
Er is een zorgvuldige dialoog gevoerd met directe omwonenden. Hiervan zijn gespreksverslagen bijgevoegd.
6. binnen de zone 'overige zone - beperking veehouderij' sprake is van een grondgebonden veehouderij; Het bouwvlak is niet gelegen in de zone ‘overige zone – beperking veehouderij’. g. er geen sprake is van de vestiging van, de uitbreiding van, de omschakeling naar en/of een toename van de oppervlakte dierenverblijf van geitenhouderijen.
Onderhavige locatie betreft geen geitenhouderij.
16
3 Ruimtelijke aspecten De ruimtelijke aspecten stedenbouw en landschap, cultuurhistorie, archeologie en externe veiligheid komen in dit hoofdstuk aan bod. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het beleid omtrent deze aspecten.
3.1 Stedenbouw en landschap De ruimtelijke ontwikkeling aan de Hoogoordstraat 3 wordt grotendeels omringd door landbouwgrond welke tot het bedrijf behoort. Het woonhuis grenst met de westzijde aan de Hoogoordstraat. De Hoogoordstraat wordt voornamelijk gebruikt door bestemmingsverkeer en landbouwverkeer. Doorgaand verkeer maakt gebruik van de Dorpenweg en de Ossestraat. Deze wegen verbinden de kernen en de stad Oss met elkaar. Er bevinden zich een aantal agrarische bedrijven in de nabije omgeving van de Hoogoordstraat 3. Ook zijn er wat burgerwoningen in de buurt van de locatie te vinden. De kern van Macharen bevindt zich op 200 meter van de locatie. Buiten de bebouwde kom, voornamelijk in de Hoogoordstraat en aan de Dorpenweg, zijn de woonhuizen ruim opgezet op grote kavels. Deze locaties in het buitengebied hebben veel ruimte rondom het huis. De relatief kleine kern van Macharen kenmerkt zich door een compacte bebouwing. De ligboxenstal welke in 2012 is gebouwd is 75 meter lang bij 36 meter breed. Vanuit het perspectief van de kern Macharen worden de ontwikkelingen aan de achterzijde van deze stal gerealiseerd. Vanuit het dorp en de drukke Dorpenweg zullen deze ontwikkelingen nauwelijks zichtbaar zijn omdat de ligboxenstal ervoor gesitueerd is. Vanuit het perspectief van de Hoogoordstraat worden de ontwikkelingen landschappelijk ingepast.
3.2 Verkeer en infrastructuur Voor wat betreft het aspect verkeer is er met onderhavige ontwikkeling, uitbreiding sleufsilo’s en erfverharding, geen sprake van een toename. Ondanks dat er meer sleufsilo’s zijn, neemt het aantal transportbewegingen niet toe. Het voer kan door de ontwikkelingen voor een langere periode opgeslagen worden waardoor er minder regelmatig voer gebracht wordt. In de toekomst is initiatiefnemer voornemens om te groeien in melkkoeien van 346 naar 560 stuks melkvee. Het aandeel jongvee neemt af van 218 tot 118 stuks. Deze wijzigingen passen binnen het huidige en beoogde bouwvlak. Met deze voorgenomen wijziging van het bedrijf nemen de dieraantallen toe. Hierdoor zullen alleen de transportbewegingen met betrekking tot laden van mest toenemen. De transportbewegingen met betrekking tot lossen van voeders, laden van melk en dieren nemen niet toe. De melk wordt, net als in de huidige situatie, eenmaal per drie dagen opgehaald door de zuivelonderneming. De hoeveelheid melk per ophaalbeurt zal toenemen. Dit heeft geen invloed op het aantal transportbewegingen. Hetzelfde geldt voor het lossen van voeders en laden van dieren. De omliggende wegen zijn geschikt voor landbouwvoertuigen en behoeven dan ook geen aanpassingen. De capaciteit van de omliggende infrastructuur is voldoende gebleken en behoeft geen aanpassingen.
Parkeren/stalling van de voertuigen gebeurt op eigen terrein op achtererfgebied.
3.3 Archeologie Wetgeving en beleid
De Nederlandse wetgeving ten aanzien van archeologische waarden is momenteel aan veranderingen onderhevig. De Monumentenwet 1988 is vanaf 1 juli 2016 deels overgegaan in de Erfgoedwet. De
17
onderdelen over omgevingsrecht uit de Monumentenwet gaan (naar verwachting) in 2021 over naar de Omgevingswet. Voor deze laatste onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021. De Erfgoedwet en de Omgevingswet regelen de omgang met het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van de wetgeving is om het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en beheermaatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. Op grond van deze wetten worden gemeenten verantwoordelijk geacht voor de bescherming van archeologische waarden. Artikel 9.1 (overgangsrecht omgevingswet) van de Erfgoedwet zegt:
Voormalig artikel 38a: De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1, onderscheidenlijk artikel 3.38, van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees: archeologische resten). Voormalig artikel 41: De aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (o.a. gebruiken van gronden in strijd met een bestemmingsplan) kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden verplicht een rapport over te leggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1 van die wet in voldoende mate is vastgesteld. Beleidsmatig heeft de gemeente Oss voornoemde wettelijke plicht vertaald in de nota 'Archeologiebeleid gemeente Oss 2010', vastgesteld door de gemeenteraad op 14 oktober 2010. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid (opnieuw) vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk.
Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld.
Tabel 1: Archeologische verwachtingswaarde
18
Afbeelding 8: Uitsnede beleidskaart. Legenda: Rode lijn = begrenzing plangebied; Rood = hoge verwachtingswaarde. Groen = hier heeft al onderzoek plaatsgevonden
Volgens de beleidskaart is aan een deel van het plangebied (rood op de beleidskaart) een hoge verwachtingswaarde toegekend. Concreet betekent dit dat voor dit gebied een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm -mv én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². In een deel van het plangebied (groen op de beleidskaart) heeft al onderzoek plaatsgevonden:
Wilbers, A.W.E., 2008. Inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Hoogoordstraat, Macharen. Gemeente Oss. Projectnummer 07291207/26492. Becker & Van de Graaf, Katwijk. Uit de
resultaten van dit onderzoek bleek dat dit gebied ligt op een opgevulde restgeul van de stroomrug van Macharen, die bedekt is met een dik pakket aan komkleien. Het gebied ligt daardoor lager en is nat waardoor het terrein minder geschikt is voor gebruik door de mens. Het gebied heeft daarom een lage verwachting voor het aantreffen van archeologische waarden. Binnen dit gebied zijn waarschijnlijk geen archeologische waarden aanwezig. Op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek werd geadviseerd om af te zien van vervolgonderzoek.
Toetsing van de plannen
Om de beoogde ontwikkeling te realiseren (aanleg sleufsilo’s) wordt waarschijnlijk nauwelijks dieper gegraven dan 30 cm beneden huidig maaiveld. Bovendien liggen 2 van de 3 nieuw aan te leggen sleufsilo’s binnen het vrijgegeven gebied van Becker & Van de Graaf (zie hierboven). Alleen de nieuwe silo ten oosten van de jongveestal (425 m2) is nog niet onderzocht. De landschappelijke situatie is hier waarschijnlijk vrijwel identiek als het eerder onderzochte gebied, waardoor de verwachting naar beneden kan worden bijgesteld. Daarnaast wordt de silo vrijwel tegen de huidige bebouwing aan geprojecteerd. De ondergrond is hier naar verwachting dan ook al (deels) verstoor. Voor deze ontwikkeling is archeologisch onderzoek dan ook niet noodzakelijk.
19
Archeologische dubbelbestemming
Door de gemeente is besloten dat aan het gebied geen archeologische dubbelbestemming meer hoeft te worden toegekend en wel om de volgende redenen: - Het grootste deel van het gebied is al onderzocht en vrijgegeven. - De verwachting op het aantreffen van archeologische resten in het overige deel van het plangebied kan daarmee ook naar beneden worden bijgesteld. - Het nog niet onderzochte terrein is al langere tijd zeer intensief in gebruik (achtererf boerderij) en daardoor naar verwachting al voor een (groot) deel verstoord - In het gebied zijn geen archeologische waarden vastgesteld (historische huislocatie, monumententerrein), het betreft ‘slechts’ een verwachtingsgebied. Op basis hiervan wordt verder archeologisch onderzoek in het gebied niet meer nodig geacht.
20
4 Milieuaspecten In dit hoofdstuk wordt de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling getoetst aan de verschillende bepalingen omtrent geluid, fijnstof, geur, water, natuur en bodem. De effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op het milieu wordt hiermee in beeld gebracht.
4.1 Geluid Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de Wet geluidhinder in acht te worden genomen. De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. De Wet geluidhinder richt zich vooral op de ruimtelijke inpassing van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) in relatie met belangrijke geluidsbronnen zoals (spoorweg)verkeer en gezoneerde industrieterreinen. Met de invoering van geluidproductieplafonds voor hoofd(spoor)wegen op 1 juli 2012 (opgenomen in de Wet milieubeheer) geldt de Wet geluidhinder niet meer voor de aanleg/wijziging van hoofd(spoor)wegen, maar nog wel voor de bouw van gevoelige bestemmingen langs deze wegen. Ook in situaties dat de Wet geluidhinder niet van toepassing is zal in het kader van een goede ruimtelijke ordening een akoestische beoordeling moeten plaatsvinden. Voor geluid in de ruimtelijke ordening voor zover niet geregeld in de Wet geluidhinder vindt toetsing plaats in het kader van de Wet ruimtelijke ordening en/of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De Wet ruimtelijke ordening bepaalt in artikel 3.1 dat bestemmingen worden gelegd en regels worden gesteld in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’.
Als hulpmiddel hierbij kan gebruik gemaakt worden van bijvoorbeeld de ‘Brochure Bedrijven en Milieuzonering’ (VNG), geluidbeleid en toetsingskaders op basis van de Wet milieubeheer. In het kader van de verleende vergunning op grond van de Wet Milieubeheer d.d. 31 maart 2009 is getoetst aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving in het kader van geluid. Toetsing aan het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de maximale geluidniveaus vindt plaats aan de grenswaarden in de "Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening" d.d. 21 oktober 1998. Hoofdstuk 4 van voornoemde Handreiking is van toepassing op situaties waarbij nog geen gemeentelijk beleid voor de normstelling voor industrielawaai is opgesteld. De geluidsemissie op onderhavig bedrijf wordt vooral bepaald door het laden en lossen van dieren, het lossen van voer en overige producten zoals diesel, het ophalen van melk, het werken met tractoren en machines binnen de inrichting, het inkuilen en uithalen van voeders uit sleufsilo’s, het voeren van de dieren en het ophalen van drijfmest in de dagperiode. De akoestische gevolgen van het bedrijf zijn vastgelegd in het akoestisch rapport wat onderdeel uitmaakt van de vergunning op grond van de Wet Milieubeheer d.d. 31 maart 2009. Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie.
Dit is de toestand waarbij de inrichting volledig gebruik maakt van de volledige capaciteit in de betreffende beoordelingsperiode. Beoordeeld worden het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, de maximale geluidsniveaus, incidentele afwijkingen en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting. Onder indirecte hinder wordt verstaan hinder die niet rechtstreeks voortvloeit uit de activiteiten van de inrichting maar wel kan worden toegeschreven aan de aanwezigheid van de inrichting. Als gevolg van transportbewegingen van en naar de inrichting kunnen omwonenden geluidsoverlast ondervinden. Het geluid van het verkeer van en naar de inrichting over de openbare weg is beoordeeld volgens de circulaire 'Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer' d.d. 29 februari 1996. Indirecte hinder is aan de orde.
21
Voor wat betreft het aspect geluid is er met onderhavige ontwikkeling geen sprake van een toename. Ondanks dat er meer sleufsilo’s zijn, neemt het aantal transportbewegingen niet toe. Het voer kan door de ontwikkelingen voor een langere periode opgeslagen worden waardoor er minder regelmatig voer gebracht wordt. Gezien voornoemde en de afstanden tot de woningen in de omgeving van de inrichting is uit te sluiten dat geluid een belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. Initiatiefnemer is voornemens om te groeien in melkkoeien van 346 naar 560 stuks melkvee. Het aandeel jongvee neemt af van 218 tot 118 stuks. Deze wijzigingen passen binnen het huidige en beoogde bouwvlak. Met deze voorgenomen wijziging van het bedrijf nemen de dieraantallen toe. Hierdoor zullen alleen de transportbewegingen met betrekking tot laden van mest toenemen. De transportbewegingen met betrekking tot lossen van voeders, laden van melk en dieren nemen niet toe. De melk wordt, net als in de huidige situatie, eenmaal per drie dagen opgehaald door de zuivelonderneming. De hoeveelheid melk per ophaalbeurt zal toenemen. Dit heeft geen invloed op het aantal transportbewegingen. Hetzelfde geldt voor het lossen van voeders en laden van dieren. De verkeersbewegingen in verband met het afvoeren van de mest nemen toe in de dagperiode toe.
Aangezien dit zich beperkt tot een aantal dagen in het voorjaar en de acceptabele afstand tot de dichtstbijzijnde woningen zal de toekomstige situatie voor wat betreft geluid rondom het bedrijf niet verslechteren.
4.2 Fijnstof In het kader van onderhavige ruimtelijke ontwikkeling is het noodzakelijk aan te tonen dat de ontwikkeling niet tot een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. Aangezien verlening van de vergunning gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit dient onderzoek te worden verricht naar de gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. De emissie van fijnstof moet getoetst worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Dit staat in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden opgenomen ten aanzien van fijnstof. De jaargemiddelde achtergrondconcentratie dient maximaal 40 μg per m³ te bedragen en een 24-uursconcentratie van 50 μg per m³ die maximaal 35 keer per jaar mag worden overschreden.
Emissie fijnstof op het bedrijf
Fijnstof komt voornamelijk door emissie van huid-, mest- en strooiseldeeltjes uit de stallen. Dit gebeurt continu (24 uur per dag). In de beoogde situatie wordt het bouwvlak uitgebreid ten behoeve van de uitbreiding van de ruwvoeropslagcapaciteit en erfverharding. Het opslaan van ruwvoer veroorzaakt geen emissie van fijnstof. Hierdoor neemt de fijnstofemissie niet toe. In de nabije toekomst is initiatiefnemer voornemens om uit te breiden in melkveeplaatsen. Het aantal stuks melkvee stijgt van 346 tot 560. Het aantal stuks vrouwelijk jongvee daalt van 218 naar 118. Per saldo resulteren deze wijzigingen in een toename van 35,3 kg/jaar. De fijnstofemissie in de vergunde situatie bedraagt 49,1 kg/jaar. De fijnstofemissie in de beoogde situatie bedraagt 84,8 kg/jaar.
22
In het kader van de Wet milieubeheer is met behulp van het programma ISL3-a getoetst aan de grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer. De jaargemiddelde achtergrondconcentratie dient maximaal 40 μg per m³ te bedragen en een 24-uursconcentratie van 50 μg per m³ die maximaal 35 keer per jaar mag worden overschreden. Hieronder zijn de resultaten weergegeven. De volledige berekening is als bijlage bijgevoegd. Hieruit blijkt dat ruimschoots voldaan wordt aan de normen.
Afbeelding 9: Resultaten ISL3-a berekening beoogde situatie De achtergrondconcentratie op deze locatie is circa 19,17 μg/m³ ter plaatse van Hoogoordstraat 3. Dit is te zien in afbeelding 10.
Afbeelding 10: Uitsnede grootschalige Concentratie en Depositiekaarten Nederland (2018) Gezien het feit dat wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer, in combinatie met de lage achtergrondconcentratie op de locatie is het niet aannemelijk dat onderhavige ontwikkelingen zorgen voor significante negatieve effecten op de luchtkwaliteit rondom het bedrijf aan de Hoogoordstraat 3.
23
4.3 Geur Wet geurhinder en veehouderij
Vanuit een veehouderij wordt geuremissie uitgestoten. In de Wet geurhinder en veehouderij worden regels gesteld aangaande de voorgrondbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten. Ten aanzien van bedrijven met dieren zonder vastgestelde geuremissiefactor gelden minimaal vereiste afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De minimaal vereiste afstand buiten de bebouwde kom bedraagt 50 meter, binnen de bebouwde kom 100 meter. Ten aanzien van bedrijven met dieren waarvoor wel geuremissiefactoren zijn vastgesteld zijn maximale geurnormen gesteld. Binnen een concentratiegebied geldt binnen de bebouwde kom een maximale norm van 3,0 odour units en buiten de bebouwde kom een norm van 14 odour units. De gemeenteraad kan op grond van artikel 6 van de wet een eigen geurverordening met afwijkende normen vaststellen. Onverminderd voorgaande bepalingen bedraagt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object 50 meter binnen de bebouwde kom en 25 meter buiten de bebouwde kom. Onderhavige veehouderij betreft een melkveebedrijf met vrouwelijk jongvee. Voor deze diercategorieën is geen geuremissiefactor vastgesteld. Er moet dus getoetst worden aan de hierboven genoemde afstanden. De locatie Hoogoordstraat 12 is gelegen buiten de bebouwde kom. De afstand tot de gevel van stal 2 bedraagt 88 meter.
De afstand tot de locatie Hoogoordstraat 10 bedraagt 77 meter. Dit is een bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat wordt voldaan aan de regels uit de Wet geurhinder en veehouderij.
Acitiviteitenbesluit milieubeheer
Uit artikel 3.46 lid 3 van het Activiteitenbesluit kan worden afgeleid dat voor sleufsilo’s een afstand van minimaal 25 meter tot gevoelige objecten dient te worden aangehouden. Dit kan in onderhavige situatie tevens als leidraad aangehouden worden. Het dichtstbijzijnde gevoelige object, Hoogoordstraat 12, is gelegen op een afstand van circa 80 meter. De dichtstbijzijnde sleufsilo ligt op voldoende afstand, namelijk 80 meter.
Omgekeerde werking
De ontwikkelingen vallen niet onder geurgevoelige objecten. De dichtstbijzijnde sleufsilo ligt op voldoende afstand. Verder onderzoek naar de geurbelasting van omliggende veehouderijen op deze locatie zijn derhalve niet noodzakelijk.
24
4.4 Bedrijfszonering Het ruimtelijk ordeningsbeleid regelt de situering van milieubelastende en milieugevoelige functies. Het doel is de kwaliteit van de leefomgeving te beschermen. Goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). De VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" is hierbij een belangrijk hulpmiddel. In deze brochure is onderscheid gemaakt in verschillende bedrijfsactiviteiten en gebieden. In de brochure is een lijst opgenomen die snel inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf ingedeeld zou kunnen worden. Per bedrijf is in beeld gebracht welke richtafstand aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype ‘rustige woonwijk’. In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een ‘rustige woonwijk’, maar een ‘gemengd gebied’ waarbij een vermindering met 1 afstandsstap kan worden gehanteerd. In de nabije omgeving van Hoogoordstraat 3 zijn een aantal agrarische bedrijven en meerdere burgerwoningen gelegen. De bebouwde kom van Macharen is gelegen op 200 meter afstand van het bedrijf. Hiermee is sprake van een gemengd gebied.
De dichtstbijzijnde woningen betreffen Hoogoordstraat 10 en Hoogoordstraat 12. Deze zijn beide gelegen op een afstand van 80 meter vanaf de grens van het beoogde bouwvlak tot het woonhuis. De woning aan Hoogoordstraat 10 betreft een woning bij een veehouderij. Voor bedrijven met de activiteit ‘fokken en houden van rundvee’, geldt volgens de VNG-brochure een richtafstand van 100 meter voor geur, 30 meter voor stof, 30 meter voor geluid en 0 meter voor gevaar. Aan de afstand voor stof, geluid en gevaar wordt derhalve voldaan. Aan de afstand voor geur wordt niet voldaan. De realisatie van sleufsilo’s en erfverharding resulteren niet in extra geurhinder vanuit de stallen. Het aspect geur in relatie tot het houden van dieren is getoetst en toegelicht in paragraaf 4.3.
Afbeelding 11: Afstand tussen de locaties Hoogoordstraat 10 en 12 en grens bouwblok Hoogoordstraat 3
25
4.5 Water Het nationale kader ten aanzien van water is vastgelegd in het Nationaal Waterplan 2016-2021. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet welke is vastgesteld op 22 december 2009. Met de Waterwet heeft het Rijk invulling gegeven aan de Europese Kaderrichtlijn Water. De taak van de provincies is het nationale Waterplan te vertalen in provinciaal beleid. In de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening van de provincie Noord-Brabant zijn bepalingen opgenomen ter bevordering van een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem, een betere waterveiligheid door preventie en de koppeling van waterberging en droogtebestrijding. De watertoets en hoe hiermee om te gaan zijn beschreven in het Provinciaal Water Plan. De gemeenten en de waterschappen dienen hun beleid te baseren op dit Provinciaal Water Plan. De watertoets is van toepassing verklaard op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze meewegen bij alle ruimtelijke plannen en besluiten die relevant zijn voor de waterhuishouding.
Beleid Rijk
Op 14 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan 201620121 vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015. Het gewijzigde beleid met betrekking tot waterveiligheid en zoetwater is in dit nieuwe Nationaal Waterplan verankerd. Daarnaast heeft het kabinet de afgelopen jaren over verschillende beleidsterreinen afspraken gemaakt die raakvlakken hebben met water, zoals afspraken over energie (Energieakkoord), natuur (Natuurvisie), internationale inzet en vernieuwde bestuurlijke verhoudingen (onder meer Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, Bestuursakkoord Water en Deltaprogramma). Deze afspraken zijn verwerkt in dit Nationaal Waterplan. Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet stimuleren dat Nederlanders waterbewust leven.
Provincie
Op 18 december 2015 hebben Provinciale Staten het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 (PMWP) vastgesteld. Met het PMWP draagt de provincie bij aan een Brabant waar mens, plant en dier gezond en prettig kunnen leven, met ruimte voor een elkaar versterkende economische, maatschappelijk en ecologische ontwikkeling. Met andere woorden: voldoende water voor mens, plant en dier; schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. De provincie wil deze doelen realiseren in samenwerking met haar partners op basis van gezamenlijke verantwoordelijkheid. De zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving staat centraal in dit Provinciaal Milieu- en Waterplan. De Agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het Provinciaal Milieuplan 2012-2015 en het Provinciaal Waterplan 2010-2015 gaven hieraan de afgelopen jaren invulling. Het Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP) 2016-2021 integreert de milieu- en de wateropgave. Het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten.