CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7 bij toelichting rob Hoogoordstraat 3 Macharen.PDF

Adviescommissie Ruimte 20 mei 2021, gemeente OssBij agendapunt: BII Tervisielegging ontwerpbestemmingsplan Ontwikkelingen 2 Buitengebied Oss - 202117.068 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

25

De locatie is gelegen binnen een gebied met de functie ‘Water voor het gemengd landelijk gebied’. Binnen deze functie vallen aanduidingen ‘gemengd landelijk gebied’ en ‘accentgebied agrarische ontwikkelingen’ uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening. Het waterbeheer richt zich op een goede waterhuishouding voor een duurzame en concurrerende landbouw. Randvoorwaarden zijn de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn water en afstemming met de maatregelen voor de Natura 2000gebieden en de Natte natuurparels. De ontwikkelingen passen dit beleid. Voor het overige geldt geen specifiek beschermingsbeleid.

Afbeelding 10: Kaart Landelijke hoofdstructuur

Gemeente

Het waterkwaliteitsbeheer en het waterkwantiteitsbeheer is in Oss in handen van het Waterschap Aa en Maas en de gemeente Oss. Gemeente Oss heeft in November 2012 het Plan Watertaken (vGRP +) 2012 – 2017 gepubliceerd. Dit Watertakenplan (WTK) is van toepassing op al het water (oppervlaktewater, grondwater, afvalwater en hemelwater) binnen de gemeentegrenzen waar de gemeente verantwoordelijkheid of zorg voor heeft, maar gaat vooral in op de bebouwde gebieden. Dit plan heeft de status van wettelijk verplicht vGRP. Waterzorg die nadrukkelijk tot de taak van de regionale waterbeheerder (Waterschap Aa en Maas), de provincie (diepte grondwater) of het Rijk (de Maas) behoort, wordt in dit Watertakenplan niet behandeld.

Waterschap Aa en Maas Uitgangspunten watertoets waterschap Aa en Maas

Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer hier invulling aan te geven:

26

1. Wateroverlastvrij bestemmen Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de norm uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). In eerste instantie zal bij de locatiekeuze van een ontwikkeling gezocht moeten worden naar een plek „die hoog en droog genoeg‟ is. Mocht dit echter niet mogelijk of wenselijk zijn, dan zal in de compenserende of mitigerende sfeer gezocht moeten worden naar maatregelen die het gewenste beschermingsniveau tegen wateroverlast helpen realiseren. Liever nog dan mitigeren of compenseren, wordt bij voorkeur gebouwd op locaties die als gevolg van hun ligging nú al voldoen aan de NBW-norm voor de toekomstige functie. 2. Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater Het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het binnen het plangebied verwerken van het schone hemelwater. Afhankelijk van de omstandigheden ter plaatse kan een compromis gesloten worden, waarbij de minimale inzet (in bestaand bebouwd gebied) is om het vuile en het schone water gescheiden aan te bieden op het (reeds aanwezige) gemengde rioolstelsel. Het waterschap zal echter niet akkoord gaan met de aanleg van nieuwe gemengde rioolstelsels. 3.

Doorlopen van de afwegingsstappen: “hergebruik - infiltratie - buffering -afvoer” In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen “hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer” (afgeleid van de trits “vasthouden - bergen - afvoeren”) doorlopen. Hergebruik van hemelwater wordt voornamelijk overwogen bij grootschalige voorzieningen als scholen, kantoorgebouwen ed. Voor particuliere woningen wordt dit, ook gezien de landelijke ervaringen met grijswatersystemen, niet gestimuleerd. Binnen grondwaterbeschermingsgebieden kunnen door de grondwaterbeheerder (provincie) aanvullende kwalitatieve eisen gesteld worden in de Provinciale Milieu Verordening. Ook kan een vergunning nodig zijn van de grondwaterbeheerder. 4. Hydrologisch neutraal ontwikkelen Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. Hierbij mag de natuurlijke GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) niet verlaagd worden en mag bijvoorbeeld bij transformatie van landelijk naar bebouwd gebied de oorspronkelijke landelijke afvoer in de normale situatie niet overschreden worden.

Het waterpeil sluit aan bij optimale grondwaterstanden en in poldergebieden worden seizoensfluctuaties toegestaan. 5. Water als kans ”Water” wordt door stedenbouwkundigen bij inrichtingsvraagstukken vaak benaderd als een probleem (“er moet ook ruimte voor water gecreëerd worden, en m2 zijn duur”). Dat is erg jammer, want “water” kan ook een meerwaarde geven aan het plan, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de belevingswaarde van water. Zo is „wonen aan het water‟ erg gewild, een mooie waterpartij met bijbehorend groen wordt door vele inwoners gewaardeerd etc.

6. Meervoudig ruimtegebruik

“Er moet ruimte voor water gecreëerd worden, en m2 zijn duur”. Maar door bij de inrichting van een plangebied ruimte voor twee of meer doeleinden te gebruiken, is het “verlies” van m2 als gevolg van de toegenomen ruimtevraag vanuit water te beperken. Zo is het in bepaalde gevallen mogelijk om het flauwe talud ook te gebruiken als onderhoudsstrook. Flauwe taluds geven veel ruimte voor buffering van water, maar zijn ook te gebruiken voor recreatieve doeleinden (een fietspad dat af en toe niet te gebruiken is). 7. Voorkomen van vervuiling Bij de inrichting, het bouwen en het beheer van gebieden wordt het milieu belast. Vanuit zijn wettelijke taak ten aanzien van het waterkwaliteitsbeheer streeft het waterschap ernaar om nieuwe bronnen van verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. Deze bronaanpak is ook verwoord in het Emissiebeheersplan. Het waterschap besteedt hier reeds aandacht aan in de fase van de watertoets, zodat dit aspect als randvoorwaarde kan worden meegenomen in het verdere ontwerpproces.

27

8. Waterschapsbelangen

Er zijn „waterschapsbelangen‟ met een ruimtelijke component. Dit betreft het volgende: a) ruimteclaims voor waterberging b) ruimteclaims voor de aanleg van natte EVZ‟s en beekherstel c) aanwezigheid en ligging watersysteem d) aanwezigheid en ligging waterkeringen e) aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims tbv de afvalwaterketen in beheer van het waterschap. Indien deze belangen een rol spelen in het ruimtelijke plan dan zou hieraan in de toelichting, de voorschriften en de plankaart aandacht besteed moeten worden.

Waterbeheerplan 2016-2020

In het Waterbeheerplan (WBP) beschrijft het waterschap Aa en Maas haar doelstellingen voor de periode 2016 – 2021 en de wijze waarop deze doelstellingen bereikt moeten worden. Hiermee geeft het waterschap invulling aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening water NoordBrabant om een waterbeheerplan op te stellen. In het waterbeheerplan wordt een indeling gemaakt in de volgende programma’s: - Veilig en bewoonbaar; - Voldoende water en robuust watersysteem; - Schoon water; - Gezond en natuurlijk water; - Het leveren van maatschappelijke meerwaarde Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschat; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.

Keur

De Keur is een waterschapverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels.

Legger

De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel.

28

Met behulp van een eenvoudige rekenregel uit de Algemene Regel (Artikel 15 Afvoer hemelwater door verhard oppervlak), behorend bij de Keuren van de drie Brabantse waterschappen, kan de vereiste

compensatie voor een specifieke locatie berekend worden. Deze rekenregel geldt voor een toename van het verhard oppervlak van tenminste 2.000 m2 en maximaal 10.000 m2. De te bergen hoeveelheid hemelwater dient als volgt te worden berekend:

Benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m2) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m)

Bestaande situatie waterhuishouding

In de bestaande situatie wordt het huishoudelijk afvalwater geloosd op het gemeentelijk riool. Hierop is geen hemelwater en/of bedrijfsafvalwater aangesloten. Dit zal in de toekomst ook nooit het geval zijn aangezien dit niet is toegestaan. Het bedrijfsafvalwater gaat naar de mestkelder. Het hemelwater dat valt op de laatst opgerichte stal uit 2012 komt via het dak in een afvoergeul terecht. Via deze geul stroomt het water, onder de erfverharding door, naar de retentievijver. Deze hemelwateropvang is gerealiseerd ten behoeve van de laatst opgerichte stal. Het hemelwater van de oude ligboxenstal infiltreert aan de noordzijde direct in de bodem. Aan de zuidzijde wordt het hemelwater afgevoerd naar een buffersloot die parallel ligt aan de Hoogoordstraat. Deze buffersloot staat bij een gangbare waterstand niet in directe verbinding met de grotere waterlopen. Het water kan hier zonder problemen infiltreren. Het hemelwater van de jongveestal/werktuigenloods loopt via de erfverharding naar onverharde delen op het erf. Hier kan het water infiltreren/afvloeien. De erfverharding en daken van de bebouwing worden schoongehouden zodat het hemelwater niet verontreinigd wordt en het zonder problemen kan infiltreren/afvloeien.

Toekomstige situatie waterhuishouding

Ten aanzien van afvalwater verandert in te beoogde situatie niets. Het huishoudelijk afvalwater wordt afgevoerd middels mechanische riolering. Het bedrijfsafvalwater gaat naar de mestkelder. Het hemelwater wordt niet afgevoerd middels mechanische riolering maar blijft op- en rondom het erf waar het in de bodem infiltreert. Onderhavig initiatief voorziet in een vergroting van het huidige bouwvlak van 16.600 m2 naar 19.900 m2 ten behoeve van sleufsilo’s en erfverharding. Dit is een toename van 3.400 m2 verhard oppervlak. Derhalve dient er een waterbergingsvoorziening te worden gerealiseerd van 204 m3 (3.400 m2 x 60 millimeter). Hiervoor wordt aan de zuidzijde van het plangebied een kavelsloot in combinatie met een stuw gerealiseerd. Het hemelwater dat valt op het verhard oppervlak wordt naar deze kavelsloot geleidt. De locatie van deze kavelsloot is weergegeven in afbeelding 11 De locatie van de stuw is weergegeven met een kruis. Deze stuw zorgt ervoor dat het hemelwater niet direct wegstroomt van het plangebied via de parallel gelegen sloot aan de Hoogoordstraat, maar infiltreert in de bodem. De stuw borgt dat het waterniveau tot, ten minste het maximaal peil van één meter, in de kavelsloot blijft staan zodat het kan infiltreren.

De bodem van deze kavelsloot is zodanig dat het hemelwater binnen vijf dagen kan infiltreren in de bodem zodat de berging op korte termijn weer volledig beschikbaar is. Wanneer de sloot vol zou raken en het hemelwaterniveau hoger komt dan de hoogte van de stuw, zal het water overstorten op de gemeentelijke zaksloot langs de Hoogoordstraat (afbeelding 12, oranje gebied is eigendom Gemeente). De Gemeente geeft toestemming om het hemelwater te lozen op de gemeentelijke zaksloot op voorwaarde dat de sloot eerst wordt geprofileerd zodanig dat de hoeveelheid te lozen water op een deugdelijke manier kan worden afgevoerd via de zaksloot zonder dat dit leidt tot overstroming van aangrenzende percelen. Het eenmalig profileren zal in overleg met de gemeentelijk opzichter plaatsvinden. De kosten voor het profileren komen volledig voor rekening van initiatiefnemer. Daarnaast verplicht Gemeente Oss zich niet om in de toekomst onderhoud uit te voeren aan de zaksloot. De sloot aan de noordzijde van het erf is eigendom van waterschap Aa en Maas. Zonder toestemming van Aa en Maas mag op deze sloot geen hemelwater worden geloosd. Er is geen sprake van lozing op deze sloot.

29

Afbeelding 11: Locatie waterbergingsvoorziening (rood is buffersloot, kruis is stuw) en GHG- niveau

Afbeelding 12 : Oranje gebied = eigendom Gemeente, Groene sloot = eigendom Aa en Maas

30

Extra waterberging

Het gemiddelde GHG-niveau ter plekke van de beoogde kavelsloot bedraagt 60-80 cm. Voor de extrawaterbergingscapaciteit wordt gerekend tot een diepte van 60 cm. De werkelijke diepte van de kavelsloot bedraagt 1,25 meter vanaf maaiveld. Op maaiveld-niveau is de sloot twee 2,40 meter breed. De bovenste 10 cm wordt niet betrokken bij de waterbergingscapaciteit. De breedte op maximaal peil niveau bedraagt 2,30 meter. Op bodemniveau bedraagt de breedte 1,15 meter. Op 60 cm diepte (GHG) vanaf maximaal peil bedraagt de breedte van de sloot 1,78 meter. De gemiddelde breedte van de waterbergingscapaciteit bedraagt 2,04 meter ((2,3+1,78)/2 = 2,04). De lengte van de kavelsloot bedraagt 200 meter. Derhalve bedraagt de oppervlakte van de waterbergingscapaciteit 200 m x 2,04 x = 408 m2. De inhoud bedraagt 408 m2 x 0,5 m = 204 m3. Dit is voldoende voor de toename van het verhard oppervlak. De kavelsloot is opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan. De stuw borgt dat het waterniveau tot, ten minste het maximaal peil van één meter, in de kavelsloot blijft staan zodat het kan infiltreren.

Afbeelding 13: Waterbergingscapaciteit

31

Beschermingszone A-watergang

In de beschermingszone beperkt mogen louter werken of voorwerpen worden geplaatst of behouden die relatief eenvoudig te verplaatsen/verwijderen zijn. Daarmee worden werken of voorwerpen bedoeld die zonder al te veel kosten en zonder al te veel moeite verwijderd/verplaatst kunnen worden. Het werk of voorwerp dient met ‘gangbaar’ gereedschap en/of eenvoudige hulpmiddelen te verplaatsen of te verwijderen te zijn. Voorbeelden zijn een (houten) afrastering, tuinhuisje, bankje, bestrating, gras, (eenjarige) beplanting of struiken. Voor bomen geldt dat wanneer deze worden geplaatst nadat de beschermingszone beperkt is ingesteld, dat deze niet worden toegestaan. Bomen die zijn geplaatst vóór 2010, mogen blijven staan mits deze voldoen aan de Algemene regel ‘overgangsbepaling obstakels langs waterlopen’. Bomen die zijn geplaatst na 2010, maar voordat de beschermingszone beperkt is ingesteld, dienen te worden verwijderd. Voor de andere soorten werken of voorwerpen geldt dat deze niet duurzaam met de grond verbonden mogen zijn (bijvoorbeeld d.m.v. fundamenten). Aan de noordzijde van het plangebied is een A-watergang gesitueerd. In de Keur is een verbod opgenomen om binnen 5,00 meter breedte, gemeten vanaf de insteek aan beide zijden van een Awatergang, nieuwe obstakels te plaatsten of te hebben.

Gelet op de waterhuishoudkundige belangen is het noodzakelijk om deze zone, de beschermingszone vrij te houden van alle obstakels. Binnen 5,00 meter van de A-watergang staat één boom welke is aangebracht voor 1 januari 2010. Deze boom voldoet aan de Algemene regel ‘overgangsbepaling obstakels langs waterlopen’. Derhalve vormt dit geen belemmering voor onderhavig initiatief. Verder ziet onderhavig initiatief op uitbreiding van het bouwblok ten behoeve van sleufsilo’s en erfverharding en niet op het realiseren van nieuwe obstakels binnen een zone van 5,00 meter rondom de A-watergang.

Afbeelding 14: Bovenaanzicht A-watergang

32

4.6 Natuur Onderstaand worden diverse aspecten met betrekking tot natuur- en groene wetgeving getoetst. De effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op natuuraspecten worden hiermee in kaart gebracht.

Natura 2000-gebieden

De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden betreffen Rijntakken op een afstand van ongeveer 9,6 km en Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek op een afstand van 20 kilometer. Gezien de activiteit zijn effecten als verdroging en vernatting uitgesloten. Verstoring door geluid, licht, trilling en optische verstoring zijn gezien de grote afstand en de tussenliggende landschappelijke elementen uit te sluiten. Deze aspecten en de depositie op de betreffende gebieden zijn getoetst in het kader van een melding op grond van het PAS (PAS-melding). Derhalve is gekozen om in de regels bij dit plan te borgen dat onderhavige ontwikkeling niet kan leiden tot mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden. In het nieuwe bestemmingsplan ‘Ontwikkelingen 2 Buitengebied Oss – 2021’ wordt hierbij gebruik gemaakt van de regels en verbeelding uit het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’. In het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ is een stikstofregeling opgenomen met als doel te voorkomen dat dat plan kan leiden tot mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden. De regeling bestaat uit een detaillering van het doel 'uitoefening van het agrarisch bedrijf' binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’, waarmee getracht is ontwikkelruimte te bieden aan afzonderlijke agrarische bedrijven zonder dat er sprake is van een toename van de vergunde stikstofdepositie.

Onderhavige locatie Hoogoordstraat 3 Macharen is opgenomen in de tabel (9) behorende bij de stikstofregeling waarmee is getracht én de bovengenoemde situatie, én een PASmelding vast te leggen. Hiermee is beoogd te borgen dat eventuele toekomstige wijzigingen in het project passen binnen het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’. Door voor deze deellocatie van het veegplan gebruikt te maken van de regels en verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ wordt op dezelfde wijze geprobeerd te borgen dat het plan niet kan leiden tot mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Daarbij komt dat onderhavige ontwikkelingen alleen zien op toename van erfverharding en sleufsilo’s. Er worden geen nieuwe mogelijkheden gecreëerd voor een toename van bebouwing of het houden van meer dieren. Dat de toename van sleufsilo’s ook enkel voor dit doel wordt gebruikt, wordt geborgd door de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – opslag ruwvoer’ toe te voegen in het bestemmingsplan. Hiermee is uitgesloten dat onderhavige ontwikkelingen kunnen leiden tot negatieve effecten op Natura-2000 gebieden.

Natuur Netwerk Nederland

Natuur Netwerk Nederland is een samenhangend geheel van natuurgebieden van (inter)nationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat de natuurgebieden hun waarde verliezen. Het bedrijf is niet gelegen in een gebied met de aanduiding “Natuur Netwerk Nederland. Er ontstaan dan ook geen negatieve effecten. Hiernaast wordt het bedrijf landschappelijk ingepast, wat een positief effect heeft op eventueel voorkomende soorten door het creëren van nieuwe rust en verblijfplaatsen.

33

Afbeelding 15: Uitsnede kaart Natuurnetwerk Nederland

Soortenbescherming

In zijn algemeenheid is bij ruimtelijke ingrepen sprake van directe, indirecte, tijdelijke en permanente effecten. Onder directe effecten worden effecten verstaan waarmee planten en dieren rechtstreeks te maken krijgen als gevolg van de ontwikkeling. Verlies van habitat en kwaliteit zijn directe effecten en bovendien permanent. Indirecte effecten betreffen onder andere verstoring, waarbij de aanwezigheid van mensen, licht en geluid een rol speelt. Verstoringen tijdens de bouwwerkzaamheden zijn tijdelijk, maar verstoringen kunnen ook een permanent karakter hebben. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven: 

Vogels Dit betreffen alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb) en de onder de voormalige Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd. Voor een aantal vogelsoorten geld dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken.

Internationaal beschermde soorten

Dit betreffen alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb);

Overige beschermde soorten

Dit betreffen soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraad 3.3. van de Wnb). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de voormalige Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wnb niet meer is beschermd). Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.

34

Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. De locatie aan de Hoogoordstraat 3 is gelegen in een landelijk gebied met veel agrarische bedrijvigheid. De grond waar de sleufsilo’s en erfverharding worden opgericht is voorheen in gebruik geweest voor voederwinning en begrazing van het vee. Opgaande beplanting is ter plaatse niet aanwezig. De aanwezigheid van beschermde beplanting is daarmee uitgesloten. De aanwezigheid van beschermde fauna is gezien bovenstaande uitgesloten. Deze dieren leven niet in een dergelijk gebied. Nader onderzoek is derhalve niet vereist.

4.7 Bodem Op 8 februari 2018 heeft gemeente Oss de Nota bodembeheer gepubliceerd. De Nota Bodembeheer beschrijft op welke wijze de gemeente invulling geeft aan het Besluit bodemkwaliteit voor de droge landbodem. Het Besluit bodemkwaliteit streeft naar een balans tussen de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu en ruimte voor maatschappelijke ontwikkelingen. Het Besluit is hierin kaderstellend, waarbij lokale overheden verantwoordelijkheden en bevoegdheden hebben om lokaal bodembeleid te ontwikkelen. De aanleiding voor deze Nota bodembeheer is tweeledig. Enerzijds verloopt in 2018 de huidige bodemkwaliteitskaart met als gevolg een noodzakelijke actualisatie. Anderzijds is de grond in een deel van Oss heterogeen verontreinigd met DDT/DDD/DDE en heeft de gemeente een sterke behoefte om overzicht te creëren in de mogelijkheden ten aanzien van de omgang met deze veelal licht verontreinigde grond. Deze Nota bodembeheer, vanaf nu Nota te noemen, schept een kader waarbinnen de eisen zijn vertaald die vanuit de diverse wet- en regelgevingen met betrekking tot bodemkwaliteit zijn gesteld. Via een modulaire beschrijving van beleid en regelgeving, alsmede toezicht en handhaving wordt geanticipeerd op de nieuwe Omgevingswet die op korte termijn van kracht gaat worden.

Een belangrijke doelstelling van het Besluit bodemkwaliteit is het zoveel mogelijk hergebruiken van grond-/baggerspecie en bouwstoffen, zodat minder primaire grondstoffen nodig zijn. Een belangrijke randvoorwaarde hierbij is dat het hergebruik op een milieuhygiënische verantwoorde wijze plaatsvindt. Deze Nota heeft de volgende doelstellingen: - Optimaal gebruik van de bodem als belangrijk aspect van de fysieke leef kwaliteit; - Streven naar een duurzame bodemkwaliteit; - Streven naar een lokale verbetering van de bodemkwaliteit. - Streven naar een milieuhygiënisch verantwoorde, kosteneffectieve en pragmatische oplossing voor de DDT/DDD/DDE-bodemproblematiek. Met deze bestemmingsplanwijziging vinden er geen wijzigingen in het huidige agrarische gebruik plaats. Er is alleen sprake van uitbreiding van het bestaande bouwvlak tot 2 hectare, waardoor bestaande (deels) en nog op te richten sleufsilo’s en erfverharding binnen het bouwvlak komen te liggen. Ter plaatse van de sleufsilo’s met een oppervlakte van 0,5 hectare krijgt het bouwvlak de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – opslag ruwvoer’.

35

In afbeelding 15 is te zien dat het plangebied is gelegen binnen deelgebied <AW. Dit betreft o.a. de zone 1 Buitengebied klei. De bodemfunctieklasse betreft Agrarisch/natuur. Tevens ligt het plangebied binnen zone A waarin aanvullende eisen gelden voor organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) zoals vastgesteld in gebiedsspecifiek beleid voor de omgang met DDT/DDD/DDE verontreinigde grond. De bodemfunctieklasse Agrarisch/natuur vormt geen belemmering voor het beoogde agrarisch gebruik. Het regionale bodemloket/bodeminformatiesysteem is geraadpleegd of in het plangebied eerder bodemonderzoeken zijn uitgevoerd. Dit is niet het geval. Derhalve is geen informatie bekend over de bodemkwaliteit binnen het plangebied zelf.

Afbeelding 16: Uitsnede ontgravingskaart Nota Bodembeheer 2018 Gemeente Oss

4.8 Gezondheid Volgens de Gezondheidsraad is endotoxine een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden van veehouderijen aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Daarom is in de notitie ‘Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ de blootstelling aan endotoxine en de advieswaarde van de Gezondheidsraad als insteek gekozen. Het endotoxine toetsingskader 1.0 biedt de mogelijkheid om bij de vergunningverlening aan veehouderijen uit voorzorg bescherming te bieden aan omwonenden. Recentelijk zijn de resultaten van het gezondheids- (VGO) en het endotoxineonderzoek gepubliceerd. Uit het VGO-onderzoek is onder andere gebleken dat er een afname is van de longfunctie bij iedereen die woont in een gebied met meer dan 15 veehouderijen binnen een straal van 1000 meter. Het is volgens de onderzoekers het meest waarschijnlijk dat deze effecten veroorzaakt worden door de blootstelling aan stoffen afkomstig van veehouderijen. Uit VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Met het VGO-3 onderzoek is dit bevestigd. Uit VGO-3 onderzoek blijkt verder dat er geen relatie is tussen de aanwezigheid van pluimveehouderijen en het voor komen van longontsteking.

36

De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 bevat een praktisch stappenplan en richtafstanden om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Dit stappenplan is opgesteld voor om ontwikkelingen bij veehouderijen te beoordelen. Daarnaast kan het eventueel gebruikt worden bij de afweging om nieuwe gevoelige objecten toe te staan. Onderhavig initiatief voorziet in de vergroting van het bouwvlak zodat bestaande en toekomstige sleufsilo’s en erfverharding binnen het bouwvlak komen te liggen. Zowel in de huidige als toekomstige situatie is sprake van gelijkwaardige omstandigheid met betrekking tot het aspect volksgezondheid. In die zin verandert er niets aan de situatie en neemt tevens het aantal blootgestelde in de toekomst niet toe. Met het oog op het woon- en leefklimaat rondom het plangebied kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloedt. Het voornoemde stappenplan hoeft daarom voor dit initiatief niet te worden doorlopen en een advies van de GGD is niet nodig.

4.9 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn:  Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);  Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb);  Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico:

Plaatsgebonden risico (PR)

Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR)

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaade omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

37

Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

Tabel 4: Uitsnede provinciale Risicokaart

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Barra, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz. Toetsing

Inventarisatie risicobronnen

Met behulp van de nationale risicokaart is gekeken welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Een uitsnede van de risicokaart met het plangebied vindt u hieronder.

Afbeelding 17: Uitsnede nationale risicokaart met plangebied

38

De Risicokaart geeft een beeld van de risico's in de woon- en leefomgeving. In provincies, gemeenten en regio’s worden risico-inventarisaties en risicoanalyses uitgevoerd. De Risicokaart geeft een beeld van deze inventarisaties en analysen. Uit de risicokaart blijkt, dat in de omgeving van het plangebied geen buisleidingen, wegen, vaarwegen, spoorlijnen of inrichtingen aanwezig zijn, waarvan een risicocontour over het plangebied is gelegen. Er is een kleine kans op overstromingen. Gekeken naar het verleden met daarbij de waterkering aan de Sluisweg is het risico op overstromingen nihil. Geconcludeerd kan worden dat op het gebied van externe veiligheid geen belemmeringen aanwezig zijn voor de gewenste ontwikkeling. Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Oss beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid. Een belangrijke reden voor de gemeente Oss om een integrale visie op externe veiligheid te formuleren is de door landelijke wetgeving opgelegde plicht tot het expliciet verantwoorden van veranderingen in de voor inwoners aanwezige risico’s. Hierin is de ambitie verwoord dat de gemeente Oss naast het voldoen aan de normen voor het plaatsgebonden risico met behulp van de beleidsvisie invulling wil geven aan het groepsrisicobeleid. Bij ruimtelijke besluiten binnen het invloedsgebied van een risicobron dient invulling te worden gegeven aan de verantwoordingsplicht.

In de beleidsvisie zijn planologische kaders gegeven, waarmee de scheiding tussen risicobronnen en risico-ontvangers en de voorwaarden waaronder deze wel kunnen worden gemengd worden uitgewerkt. Het betreft planologische kaders voor:  Spoor- en rijkswegen  LPG-tankstations  Overige Bevi-bedrijven In deze beleidsvisie is gekozen om de planologische kaders af te stemmen op de kans dat een groep mensen in een gebied betrokken wordt bij een incident met gevaarlijke stoffen. Hoe groter de kans, des te nadrukkelijker ruimtelijke keuzes gemaakt en verantwoord moeten worden. De kaders zijn gericht op nieuwe planologische situaties. Steeds zal de locatiespecifieke afweging bepalend zijn. Op basis van de signaleringskaart uit de Beleidsvisie externe veiligheid blijkt dat het plangebied is gelegen binnen ‘invloedsgebied wegen’. Op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) heeft een gemeente de bevoegdheid om een route vast te stellen voor de transporten met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijke routering betekent dat lokale wegen worden aangewezen waarover bepaalde gevaarlijke stoffen uitsluitend vervoerd mogen worden. Dat het plangebied is gelegen binnen ‘invloedsgebied wegen’ vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkelingen.

39

Afbeelding 18: Uitsnede signaleringskaart invloedsgebieden gemeente Oss

Conclusie Externe veiligheid is geen belemmering voor het plan.

40

4.10 Overige aspecten Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen

Hoewel in geen enkele wettelijke regeling in acht te nemen afstanden zijn opgenomen voor spuitzones tussen gevoelige bestemmingen enerzijds en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt anderzijds, dient op basis van het criterium goede ruimtelijke onderbouwing wel te worden beoordeeld of het gebruik van die middelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een afstand van 50 meter tussen het perceel waarop te teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies kan worden gehanteerd. Onderhavig voornemen voorziet in de vergroting van het bouwvlak zodat bestaande sleufsilo’s en erfverharding binnen dit bouwvlak komen de liggen. Zowel in de huidige als toekomstige situatie is sprake van een gelijkwaardige omstandigheid met betrekking tot het aspect gewasbeschermingsmiddelen. In die zin verandert niets aan de situatie en neemt tevens het aantal blootgestelden in de toekomst niet toe. Met het oog op het woon- en leefklimaat op- en rondom het plangebied kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woonen leefklimaat negatief beïnvloedt.

Hoogspanningslijnen

Op een afstand van 3,15 kilometer ligt een hoogspanningslijn. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.

4.11 M.e.r.-beoordeling In beginsel wordt het bedrijf gezien als een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren. In de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage is deze categorie opgenomen als ‘D14 De

oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren’.

In het beoogde voornemen is echter geen sprake van een oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren maar een vergroting van het bouwvlak ten behoeve van bestaande en toekomstige sleufsilo’s en erfverharding. Tevens wordt de oppervlakte ter plaatse van de sleufsilo’s voorzien van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – opslag ruwvoer’ waardoor oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie wordt uitgesloten. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit.

41

5 Uitvoerbaarheid en procedure Uit voorgaande toetsing is gebleken dat de gewenste ontwikkeling past binnen het beleid en de wettelijke kaders. Hierna wordt de uitvoerbaarheid toegelicht.

5.1 Economische uitvoerbaarheid Initiatiefnemer betreft een particuliere partij. Deze particuliere partij draagt zorg voor de kosten welke gepaard gaan met de voorgenomen ontwikkeling. De financiële uitvoering van de ontwikkeling is daarmee geborgd. De Wet ruimtelijke ordening geeft gemeenten meer regie en sturing op de ruimtelijke ontwikkelingen op lokaal niveau. De nieuwe wetgeving maakt het mogelijk voor gemeenten om de kosten met betrekking tot het plan te verhalen op diegene die de ontwikkeling initieert. Voor de economische uitvoerbaarheid wordt een anterieure overeenkomst gesloten met de gemeente.

42

6 Conclusie Uit voorgaande toetsing blijkt dat de gewenste ontwikkeling past binnen het rijksbeleid en beleid van de provincie Noord-Brabant en de gemeente Oss. Het plan voldoet tevens aan de gestelde eisen op het gebeid van milieu en levert geen beperkingen op ten aanzien van ruimtelijke aspecten. Daarnaast is tevens de uitvoerbaarheid voldoende gegarandeerd. De vergroting van het bouwvlak kan dan ook zonder bezwaren plaats vinden.

43

Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5.

Situatietekening beoogd en bestaand Landschappelijk inpassingsplan BZV-toets Gespreksverslagen dialoog Verslag adviescommissie agrarische bouwaanvragen

44

Bijlage 1: Situatietekening beoogd en bestaand

45

SITUATIETEKENING BESTAAND BOUWBLOK De Cas melkvee, Dhr. van de Koolwijk, Hoogoordstraat 3 5367 ND Macharen. SCHAAL 1 : 1000

DATUM : 22-06-2020

FORMAAT : A4

Getekend : G. van de Rijt

SCHAAL 1 : 1000

DATUM : 22-06-2020

FORMAAT : A3

Getekend : G. van de Rijt

SITUATIETEKENING NIEUW BOUWBLOK (gebouwen / sleufsilo's) De Cas melkvee, Dhr. van de Koolwijk, Hoogoordstraat 3 5367 ND Macharen.

Bijlage 2: Landschappelijk inpassingsplan

46

Ruimtelijke Onderbouwing Hoogoordstraat 3 Macharen

Bijlage IV BEPLANTINGSPLAN Motivatie beplanting Naar aanleiding van het realiseren uitbreiding van het rundveebedrijf aan de Hoogoordstraat te Macharen, is de bestaande beplanting geïnventariseerd en een beplantingsplan opgesteld. Op 2 november 2017 is Marieke Rekswinkel landschapsarchitect van de gemeente Oss ter plaatse wezen kijken. We hebben een rondgang over het bedrijf gemaakt en gekeken waar de voeropslagen gerealiseerd zijn en gaan worden. Verder hebben we besproken wat de plannen voor de erfbeplanting zijn en hoe de voeropslagen het beste in het landschap ingepast kunnen worden. Het bedrijf is gelegen in een agrarisch gebied in het reconstructiegebied aangegeven als een verwevingsgebied. Het is dus een agrarisch gebied zonder beperkingen voor de ontwikkeling van grondgebonden veehouderij. Het is een gebied waarbij voor agrarische ontwikkeling de eis geldt dat het landschappelijk inpasbaar moeten zijn. Bij het inventariseren van de locatie en de bestaande beplanting worden de volgende zaken voorgesteld: -

-

Er wordt gekozen voor cluster- en rijbeplanting rondom de inrichting en de nieuwe voeropslagen. De clusterbeplanting zal bestaan uit in totaal 2 clusters á 150 m2 .(20 bij 7,5 meter). De clusters bestaan in totaal uit;  Gelderse Roos (Viburnum opulus L.) 75 st.  Hazelaar (Corylus Avellana L.) 75 st.  Eenstijlige Meidoorn (Crataegus monogyna) 150 st.  Gewone Els (Alnus (L.) 150 st.  Lijsterbes (Sorbus aucuparia) 75 st.  Hondsroos (Rosa canina) 75 st.  Kornoelje (Cornus sanguinea) 75 st. Een derde (bestaande) cluster is ca. 250 m2 groot en bevat een gelijk aantal planten. De beplanting is gekozen, rekening houdend met de ligging op een oeverwal, een relatief vochtige grond in het gebied. De rijbeplanting aan de noordzijde bestaat uit Gewone Els (Alnus), over een afstand van ± 100 mtr. zijn de bomen om de 5 meter geplant. De rij aan de achterzijde van de bebouwing zal ± 120 mtr lang worden (bomen om de 10 meter) en zal bestaan uit knotwilgen of geknotte els. De rij aan de zuidzijde zal ± 150 mtr lang worden (bomen om de 10 meter) en zal bestaan uit knotwilgen of geknotte els. Sleufsilo wanden aan oost en zuidzijde zullen worden aangeaard met grond waardoor deze opgaan in het landschap.

16

Onderbouwing oppervlakte landschappelijk inpassing Hoogoordstraat 3 Macharen Conform artikel 40.3.1 van het bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2020 moet ten minste 10 % van de omvang van het bouwperceel bestaan uit landschappelijke inpassing. Het beoogde bouwperceel bedraagt 2 ha. Derhalve dient 0,2 ha te bestaan uit landschappelijke inpassing. In onderstaande afbeeldingen zijn uitsneden te zien van de percelenkaart van RVO.

Bomenrij 1 Noordzijde erf Breedte: 3m Lengte: 100 m Oppervlakte: 300 m2

Bomenrij 2 Oostzijde erf Breedte: 2m Lengte: 120 m Oppervlakte: 240 m2

Bomenrij 3 Zuidzijde erf Breedte: 2m Lengte: 150 m Oppervlakte: 300 m2

Cluster 1 Noordoostzijde erf Breedte: 7,5 m Lengte: 20 m Oppervlakte: 150 m2

Cluster 2 Zuidoostzijde erf Breedte: 7,5 m Lengte: 20 m Oppervlakte: 150 m2

Cluster 3 Bestaand struikgewas en bomen Oppervlakte: 250 m2

Retentievijver en fruitbomen Oppervlakte: 1.000 m2

In onderstaande afbeelding is het bovenaanzicht van het bedrijf weergegeven met de beschrijvingen per landschapsonderdeel.

Landschapsonderdeel: Bomenrij 1 Noordzijde erf Bomenrij 2 Oostzijde erf Bomenrij 3 Zuidzijde erf Cluster 1 Noordoostzijde erf Cluster 2 Zuidoostzijde erf Cluster 3 Bestaand struikgewas en bomen Retentievijver en fruitbomen Totale oppervlakte:

Oppervlakte (m2) 300 240 300 150 150 150 1.000 2.290

Conclusie: De vereiste oppervlakte aan landschappelijke inpassing bedraagt 2.000 m2. De oppervlakte landschappelijke inpassing bedraagt 2.290 m2. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het plan voldoet aan de eisen uit artikel 40.3.1 van het Bestemmingplan Buitengebied Oss – 2020.

Bijlage 3: BZV-toets en beoordelingsrapport

47

Beoordelingsrapport milieuonderdelen BZV 2.1 Aan:

Gemeente Oss

Van:

Omgevingsdienst Brabant Noord, Gerrie van Sommeren

Zaaknummer:

Z/134080

Datum:

10 december 2020

Veehouderij:

Hoogoordstraat 3, Macharen, De Cas Melkvee

Algemeen Op 22 maart 2013 is door Provinciale Staten van Noord-Brabant (PS) de “Transitie naar een zorgvuldige veehouderij 2020” vastgesteld. De uitwerking hiervan vindt onder andere plaats via de Verordening ruimte 2014 (Vr 2014) en de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV). Op 18 maart 2014 zijn de Vr 2014 en de BZV in werking getreden. Dit betekent dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen voor veehouderijen slechts onder voorwaarden verleend kunnen worden. Deze voorwaarden zijn opgenomen in de Vr 2014. Op 15 juli 2015 is de Vr gewijzigd vastgesteld en is de BZV 1.1 in werking getreden. Op 10 januari 2017 is BZV 1.2 in werking getreden. Op 8 juli 2017 is de ‘actualisatie 2017’ van de Vr 2017 vastgesteld en is de titel gewijzigd in Verordening ruimte Noord-Brabant (Vr NBr). Deze wijziging is op 15 juli 2017 in werking getreden. Op 9 februari 2018 is de BZV 2.0 in werking getreden. Sinds 5 november 2019 is de BZV opgenomen in de Interim Omgevingsverordening NoordBrabant. En sinds 1 oktober 2020 geldt BZV versie 2.1. In dit rapport is getoetst of er een voldoende BZV-score (7,25 punten) wordt behaald en of er wordt voldaan aan de voorwaarden voor een zorgvuldige veehouderij als bedoeld in het bestemmingsplan van de gemeente Oss en de Interim Omgevingsverordening.

Uitgangspunten aanvraag en toetsing De ruimtelijke onderbouwing (waar de BZV onderdeel van uitmaakt) is bij de gemeente Oss ingediend op 29 juni 2020. De ruimtelijke onderbouwing dient ter onderbouwing van het plan om het bouwvlak op de locatie te vergroten. De toets aan het bestemmingsplan en de interimverordening wordt door de gemeente Oss gecontroleerd. De toets in dit document is of er terecht geclaimd is dat er 7,25 punten op de BZV worden gescoord. De beoordeling is uitgewerkt op de volgende pagina’s. Advies De BZV toets voldoet (na aanvulling) aan de vereisten. De geclaimde score is voldoende onderbouwd of aangetoond met bewijsstukken.

De Cas Melkvee, Hoogoordstraat 3, Macharen

1

Beoordeling Datum aanvraag en eventuele aanvullingen De aanvraag omgevingsvergunning voor een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, 1e lid onder c, betrekking op het uitbreiden van het bouwvlak van een veehouderij. De BZV is op 12 november 2020 aangeleverd bij de Omgevingsdienst. De bewijsstukken, ter onderbouwing van de behaalde punten op mineralenboekhouding en certificaten van de BZV, zijn op 25 november 2020 aangeleverd. Op 9 december 2020 zijn een looplijnenschets en een tekening aangeleverd ter onderbouwing van de scores op het onderdeel gezondheid van de BZV. Vanwege een correctie in certificaten is op 10 december 2020 een gecorrigeerd BZV-scoreformulier toegestuurd. Dit betreft rapport versie 2.1.0.0. De BZV en de bijlagen bestaan uit de volgende documenten: x Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij, uitdraai webapplicatie d.d. 10 december 2020; x Onderbouwing mineralenkringloop, 2 blz; x Certificaat Gezondheidsdienst (BVD-vrij, IBR-vrij, Leptospirose-vrij en paratuberculose status A) d.d. 23 november 2020; x Foqusplanet Duurzaamheid- en weidegangscertificaat d.d. 24 november 2020; x Gecombineerde opgave 2020, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, d.d. 15 mei 2020.; x Looplijnenschets, ontvangen op 9 december 2020; x Plattegrondstekening en kadastrale situatie van de inrichting, ter onderbouwing van de score op het onderdeel gezondheid.

Tekening laatst gewijzigd op 8 december 2020.

De Cas Melkvee, Hoogoordstraat 3, Macharen

2

Toets milieuvoorwaarden Interim Omgevingsverordening (iov) 1. Fijn stof De achtergrondconcentratie fijn stof, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, mag op gevoelige objecten een jaargemiddelde fijnstof-concentratie veroorzaken van maximaal 31,2 μg/m3. Beoordeling: Bij de MER aanmeldnotitie is een berekening gevoegd betreffende de concentraties fijn stof in de omgeving. Deze berekening heeft plaatsgevonden met het programma ISL3a, versie 2020_2. De berekening en de gehanteerde uitgangspunten zijn gecontroleerd en akkoord bevonden. Uit de ISL3a-berekening blijkt dat de achtergrondconcentratie fijn stof als gevolg van de reeds aanwezige achtergrondconcentratie vermeerderd met de bijdrage vanuit het bedrijf op de meest belaste burgerwoning Dorpenweg 2 en Hoogoordstraat 12 en 12a gezamenlijk 18,24 μg/m3 bedraagt. Hiermee wordt aan de norm van 31,2 μg/m3 uit de Iov voldaan. 2. Geur Op grond van de iov mag de kans op geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger zijn dan 12% en in het buitengebied niet hoger dan 20%. Uitgezonderd de gevallen dat de achtergrondbelasting in de bestaande situatie reeds hoger is en er maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert.

Als er geen eigen dosis-effectrelatie beschikbaar is, dan wordt het aantal odour units (ouE/m3) bepaald aan de hand van tabel A uit Bijlage 6 behorende bij de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij. In concentratiegebied bedraagt de norm dan 10 ouE/m3 voor geurgevoelige objecten in de bebouwde kom en 20 ouE/m3 voor objecten in het buitengebied. Beoordeling: Voor melkrundvee is geen geuremissiefactor opgenomen in de Wgv. Binnen het bedrijf worden ook geen andere dieren gehuisvest waarvoor op grond van de Wgv een geuremissiefactor geldt. Dit betekent dat alleen vaste afstanden gelden en dat het bedrijf op papier niet bijdraagt aan de achtergrondbelasting voor geur. Toets aan de norm van 12 en 20% geurgehinderden is daarom niet aan de orde. Ook is het voor het bedrijf onmogelijk om, indien een overbelaste situatie aan de orde zou zijn, maatregelen te treffen die zorgen voor een afname van de achtergrondbelasting. Dit betekent dat aan de eis uit de Iov wordt voldaan.

De Cas Melkvee, Hoogoordstraat 3, Macharen

3

Toets BZV-score Inleiding De toets heeft plaatsgevonden op basis van het aangeleverde BZV-scoreformulier (PdfWebapplicatie) bijlagen en aanvullingen. Bij de beoordeling is een vergelijking gemaakt met de vigerende vergunningssituatie voor het onderdeel milieu met een doorkijk naar de gewenste toekomstige situatie . Gecontroleerd is of de gegevens met elkaar overeenkomen. Niet alle gegevens zijn terug te vinden in de stukken van de vergunning of de aanvraag. In dat geval is gecontroleerd of de gegevens overeenkomen met andere aangeleverde gegevens bij deze aanvraag. Leidend voor de bepaling van de BZV-score zijn de door GS vastgestelde ‘Nadere regels BZV 2.1’ en de daarbij behorende ‘Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij - versie 2.1’, Deze versie is op 1 oktober 2020 in werking getreden. 1. Bedrijfs-, adviseurs- en stalgegevens 1. De algemene bedrijfsgegevens:

komen overeen

2. De stalgegevens:

komen overeen

Opmerkingen: De BZV is ingevuld voor de toekomstige situatie. Volgens de ruimtelijke onderbouwing is hier reeds gedeeltelijk vergunning voor verleend. Of het in zijn geheel vergund kan worden in deze vorm moet nog worden beoordeeld. Conclusie basisgegevens: De ingevulde basisgegevens zijn akkoord 2. Resultaat Het resultaat is een samenvatting van de overige onderdelen. Op de pijler Certificaten moet 0,2 punten behaald worden, op de pijler Inrichting & Omgeving minimaal 0,6 punten. De totaalscore BZV moet minimaal 7,25 punten te bedragen. In de eindconclusie is hier verder op ingegaan. 3. Certificaten In dit blad zijn de certificaten vermeld die het bedrijf heeft of wil gaan behalen. Bij de aanvraag zijn gegevens overlegd waaruit blijkt dat: *het certificaat Focusplanet aanwezig is; *GD-melkvee IBR-vrij aanwezig is; *GD-melkvee BVD-virusvrij aanwezig is; *GD-melkvee Leptiprosen aanwezig is; *Foqusplanet certificaat voor energie aanwezig is; Opmerkingen: Conclusie certificaten: De ingevulde certificaatgegevens zijn akkoord.

De Cas Melkvee, Hoogoordstraat 3, Macharen

4

4. Gezondheid In dit blad worden de fysiek aanwezige maatregelen ten behoeve van gezondheid ingevuld. Zie ook bijlage 1 van de BZV. Bedrijfsniveau: Onderdeel 3. Afstand tot ander veebedrijf 5. Scheiding schone-vuile weg: a. Vul- en afvoerpunten aan vuile weg b. Afleverruimte voor dieren c. Geen kruisende looplijnen d. Hygiënesluis op scheiding e. Kadaveropslag op vloeistofdichte vloer met opvang f. Looplijnenschets zichtbaar 6. Hygiënesluis met: a. Scheiding schoon-vuil b. Bedrijfseigen kleding c. Douches 8. Opslag vaste mest 9. Spoelplaats veewagen 11.Verharding direct om stal Diersoortniveau: Onderdeel

1. Quarantainestal 2. Buitenuitloop / weidegang 4. Bedrijfsmatig houden van andere veesoorten

Score (ja/nee) nee

Komt overeen (ja/nee) ja

Akkoord Opmerking (ja/nee) ja Afstand <100m Op tekening aangegeven

nee

ja

ja

ja nee ja nee

ja ja ja ja

ja ja Ja ja

ja

ja

ja Op tekening aangegeven

Ja Ja ja nee ja nee

ja ja ja ja ja ja

Ja ja ja ja ja ja

Score

Komt overeen met (zie inleiding) (ja/nee) ja ja ja

Akkoord Opmerking

(ja/nee) nee nee ja

De Cas Melkvee, Hoogoordstraat 3, Macharen

(ja/nee) Ja ja ja

5

Stalniveau: Onderdeel 7.Hygiënevoorziening per diercategorie / stal 10. Zuivering interne stallucht 12. Gescheiden huisvesting per diercategorie

Score (ja/nee) ja

Komt overeen (ja/nee) ja

Akkoord Opmerking (ja/nee) ja Voor alle stallen

nee

ja

ja

ja

ja

ja

Stal 2,4 en 5

Opmerkingen: Conclusie gezondheid: De ingevulde gezondheidsgegevens zijn akkoord. 5. Geuremissie In het kader van de BZV gaat het om het belonen van een extra afname van de geuremissie uit bestaande en nieuwe stallen. De geuremissie in de gewenste situatie wordt vergeleken met de geuremissie in de referentiesituatie. Op dit bedrijf worden alleen dieren van diercategorieën gehouden waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld. Op dit onderdeel wordt 0 punten behaald. Opmerkingen: Conclusie geuremissie: De ingevulde gegevens voor geuremissie zijn akkoord. 6. Geurimpact Op het bedrijf worden alleen dieren van diercategorieën gehouden waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld. Op dit onderdeel wordt 0 punten behaald. Opmerkingen: Conclusie geurimpact: De ingevulde gegevens voor geurimpact zijn akkoord.

De Cas Melkvee, Hoogoordstraat 3, Macharen

6

7. Fijn stof en endotoxinen In het kader van de BZV gaat het om het belonen van een extra afname van de fijn stofemissie uit bestaande en nieuwe stallen. De fijn stofemissie in de gewenste situatie wordt vergeleken met de fijn stofemissie in de referentiesituatie. Voor de referentiesituatie wordt de fijn stofemissie op basis van de gewenste stallen en dieraantallen berekend met de emissienormen uit de wet- en regelgeving. Voor stallen die aan bijlage 2 bij het Besluit emissiearme huisvesting (in werking getreden op 1 augustus 2015) moeten voldoen zijn dit de maximale emissiewaarden uit dit besluit. Voor alle andere stallen zijn dit emissiewaarden voor de traditionele stallen (overige huisvestingssystemen). De emissiefactoren die per diercategorie als referentie gelden zijn opgenomen in bijlage 3 van de BZV. Opmerkingen: In deze situatie worden geen stallen gebouwd met een lagere uitstoot dan de wettelijke norm. Hierdoor worden er op dit onderdeel geen punten gescoord. Conclusie fijn stof: De ingevulde gegevens voor fijn stof zijn akkoord. 8. Mineralenkringloop/ P-lokaal In dit blad worden de gegevens betreffende fosfaatproductie en fosfaataanwending en/of afzet ingevuld. Uitgangspunt hiervoor is de gecombineerde opgave voor het ministerie van LNV. In de aanvulling van 25 november 2020 is voorgerekend wat het BEX voordeel in 2019 bedroeg.

Het ging hierbij om 243 melkkoeien en 23 stuks jongvee. Dit is doorgerekend naar 560 melkkoeien en 118 stuks jongvee, de gewenste hoeveelheid vee. Hierbij is de melkproductie verlaagd van gemiddeld 9.873 naar 8.929 kilo per koe omdat verwacht wordt dat een uitbreiding in de veestapel leidt tot een lagere gemiddelde melkgift. Ter compensatie hiervan is het BEX voordeel verlaagd van 27% naar 25%. P-mest totaal De totale P-mestproductie bedraagt 19.673 kg P. Deze gegevens zijn terug te vinden in de gecombineerde opgave en in de toelichting op de BZV. P-aanwending mest De hoeveelheid grond in eigen gebruik binnen een straal van 15 km bedraagt 31,72 ha. De gehanteerde P-norm bedraagt 75, 80, 95 en 105 kg/ha. Dit is voorgerekend in de toelichting op de BZV en terug te vinden in de gecombineerde opgave. Hieruit volgt een plaatsingsruimte van 3.014 kg P. Opmerkingen: De P-mest is ook berekend met de gemiddelde melkgift van 9.873 kg per koe, bij een BEX voordeel van 25%. Als een worst-worst case scenario. Het gescoorde aantal punten wordt daarmee 14,34. Hiermee is de totaalscore BZV 7,26 en nog steeds voldoende Conclusie mineralenkringloop: De ingevulde gegevens voor mineralenkringloop zijn akkoord

De Cas Melkvee, Hoogoordstraat 3, Macharen

7

9. Verbinding, biodiversiteit en omgeving In dit blad zijn de maatregelen vermeld die genomen zijn ten bate van de verbinding met en de biodiversiteit in de omgeving. Onderdeel 1. Inkijk in de stal en/of zicht op dieren of permanent beschikbare uitloop 2. Oppervlakte groen op het erf en direct aansluitend op bouwwblok 3. Beperken geluidshinder door inpandig laden en lossen van bijproducten, voer en dieren 4. Beperken geurhinder als gevolg van brijvoer / bijproducten 5. Beperken verrommeling of overlast door mestbeof verwerking / mestdroging 6. Opslag kadavers in een afgesloten en ondergrondse kadaverophaalplaats

Score (ja/nee)

Komt overeen (ja/nee)

Akkoord Opmerking (ja/nee)

Nee

Ja

Ja

Nee

Ja

Ja

Nee

Ja

Ja

Ja

Ja*

Ja*

Nee

Ja

Ja

Nee

Ja

Ja

zie beneden

Opmerkingen: Er worden 10 punten gescoord omdat er geen bijproducten worden toegepast. Bij rundveehouderij kan hier worden gedacht aan bierbostel of perspulp van suikerbieten. Het is raadzaam om dit te signaleren of dit terug komt bij de Omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu en het daar (ook) te borgen. Conclusie verbinding, biodiversiteit en omgeving: De ingevulde gegevens voor verbinding, biodiversiteit en omgeving zijn akkoord.

De Cas Melkvee, Hoogoordstraat 3, Macharen

8

Conclusie BZV In tabblad 3 zijn de resultaten samengevat en uitgewerkt tot een totaalscore BZV. Hieronder zijn de behaalde scores afgezet tegen de vereisten uit de BZV. Uit de navolgende tabel blijkt dat de scores akkoord zijn. BZV-score Basisscore Inrichting en omgeving

Eis BZV >=6,00 >=0,60

Behaalde score 6,00 0,82

Oordeel Akkoord Akkoord

56,57 0,00 0,00 0,00 15,32 10,00

Akkoord Akkoord Akkoord Akkoord Akkoord

- gezondheid - geuremissie - geurimpact - fijnstof en endotoxine (emissie) - mineralenkringloop / P-lokaal - verbinding, biodiversiteit, omgeving Certificaten Innovatie Totaalscore BZV Eindoordeel BZV

>=0,20 >=0,00 >=7,25

0,46 0,00 7,27

Akkoord Akkoord Akkoord Akkoord

Volgens de Nadere regels Verordening ruimte is sprake van een zorgvuldige veehouderij als ten minste 7,25 punten behaald worden overeenkomstig de bij deze nadere regels behorende Brabantse Zorgvuldige Veehouderij. Daarnaast moet ten minste 0,2 punten behaald worden via de pijler Certificaten en minimaal 0,6 punten via de pijler Inrichting & Omgeving.

De Cas Melkvee, Hoogoordstraat 3, Macharen

9

Bijlage 4: Gespreksverslagen dialoog

48

Bijlage 5: Verslag adviescommissie agrarische bouwaanvragen

49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=605bf57c-04f9-4e72-91ac-025930547bb9