Bijlage 7 Archeologisch onderzoek Meanderende Maas.pdf
Tekst van het document
6500 voor Chr.
RAAP-RAPPORT 3383
Integrale Verkenning RavensteinLith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
3750 voor Chr.
2200 voor Chr.
700 voor Chr.
150 na Chr.
320 na Chr.
250 na Chr.
Versie 7.0
1650 na Chr.
Colofon Opdrachtgever: TAUW Titel: Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap Status: eindversie Datum: 29 mei 2018 Auteurs: ir. E.H. Boshoven, S. van der Veen, MA en drs. B.J.G. van Snippenburg Projectcode: RALIT Bestandsnaam: RA3383_RALIT Projectleider: ir. E.H. Boshoven Projectmedewerker: S. van der Veen MA, drs. B.J.G. van Snippenburg ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer: nvt Bewaarplaats documentatie: RAAP Oost-Nederland Autorisatie: drs. H.F.A. Haarhuis Bevoegd gezag: Gemeente Oss, gemeente West Maas en Waal, gemeente Wijchen, pr ovincie Noord-Brabant, provincie Gelderland.
ISSN: 0925-6229
RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. Leeuwenveldseweg 5b
telefoon: 0294-491 500
1382 LV W eesp
telefax: 0294-491 519
Postbus 5069
E-mail: raap@raap.nl
1380 GB W eesp
© RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2018 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassi ng van de adviezen.
Versie 7.0
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
Samenvatting Projectorganisatie Meanderende Maas is voornemens dijksversterkingsmaatregelen te treffen aan de Maasdijk in de gemeente Oss en de uiterwaarden van de Maas gelegen in de gemeente Oss, West Maas en Waal en Wijchen in het kader van het Hoogwater Beschermingsprogramma (HWBP). De Integrale Verkenning Ravenstein-Lith bestaat uit een aantal onderzoeken waaronder ecologisch onderzoek, historisch vooronderzoek Niet Gesprongen Explosieven en een bureauonde rzoek archeologie, cultuurhistorie en Landschap. Tauw heeft RAAP Archeologisch Adviesbur eau opdracht gegeven het archeologische, cultuurhistorische en landschappelijke deelonderzoek uit te voeren. Conclusie Landschap Het onderzoeksgebied bevindt zich in het rivierengebied, een gebied dat sterk beïnvloed wordt door de rivieren Maas en Rijn. Voor de archeologie belangrijke afzettingen dateren uit het laat pleistoceen waar ten tijde van de laatste ijstijd (Weichselien) in het hele rivierengebied vooral grofzandige en grindrijke sedimenten zijn afgezet. In het Vroeg -Holoceen veranderde de rivier van een vlechtende in een meanderende rivier en zich kenmerkte door één insnijdende geul. In de loop van de tijd steeg de zeespiegel, waarmee de riviergeulen in dit gebied veranderden van een insnijdend (erosief) naar een accumulerend systeem.
Door avulsi es ontstonden er door de tijd heen herhaaldelijk nieuwe stroomgordels en werden oude inactief. In de Romeinse tijd ontstond de huidige loop van de Maas, waarvan verreweg het grootste deel van de afzettingen in het huidige buitendijkse gebied ligt. Al de bekende rivierafzettingen zijn in kaart gebracht en voorzien van een gespecificeerde archeologische verwachting. Archeologie De archeologische inventarisatie laat zien dat er uit de Steentijd en Bronstijd nauwelijks vin dplaatsen in het onderzoeksgebied bekend zijn in het onderzoeksgebied. De oudst bekende nederzettingslocaties dateren uit het Neolithicum en bevinden zich op restanten van oude stroo mgordels. Theoretisch kunnen oudere archeologische resten op (laat)pleistocene terrasrestanten aanwezig zijn, maar deze terrasrestanten zijn in bijna het gehele onderzoeksgebied reeds ve rstoord. Vanaf de IJzertijd kende het onderzoeksgebied een intensieve bewoningsperiode. Uit de opvolgende Romeinse Tijd zijn vele nederzettingsterreinen bekend. Nadat in de Vroege Mi ddeleeuwen eerst het bevolkingsaantal afnam ontstonden vanaf de Karolingische tijd de huidige do rpen. In de Volle en Late Middeleeuwen breidden deze zich langzaam uit. Tevens ontstond de bovenklasse van lage adel die diverse kastelen bouwden. Ook ontstonde n in deze periode kerken en kapellen.
De archeologische inventarisatie heeft vele vindplaatsen opgeleverd. Soms betreffen dit losse vondsten zonder enkele context, maar veelal zijn het ook nederzettingsterreinen waarvan de begrenzen grotendeels bekend is. Tevens komen er 15 AMK-terreinen voor.
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[3 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
Cultuurhistorie Uit het cultuurhistorisch onderzoek is gebleken dat het onderzoeksgebied een zeer waardevol gebied betreft. Voor dit onderzoek heeft een inventarisatie plaatsgevonden van beschermde en niet-beschermde cultuurhistorische waarden. De beschermde waarden bestaan uit een groot aantal rijks- en gemeentelijke monumenten. Ook de niet-beschermde cultuurhistorische waarden zijn geïnventariseerd en geanalyseerd. Hieruit is gebleken dat het landschap waarin de dij k ligt op veel locaties nog gaaf tot zeer gaaf is. Over enkele delen scoort de dijk hoog, onder andere doordat het verloop de rijke geschiedenis van dit deel van het rivierengebied leesbaar maakt. Over het algemeen scoort de dijk echter gemiddeld, omdat deze door verhoging en verharding zijn historische profiel heeft verloren. Advies/handreiking Archeologie en landschap De hier uitgevoerde inventarisatie van archeologische vindplaatsen en verwachtingszones bi nnen het onderzoeksgebied is actueler dan de inventarisatie waarop de vigerende archeologische beleidskaarten van de betreffende gemeenten gebaseerd is. De onderhavige inventarisatie ve rschaft het meest actuele uitgangspunt voor toekomstig archeologisch onderzoek in het onde rzoeksgebied en voor de inhoudelijke input voor het MER dat naar verwachting nodig is.
In deze fase van de Meanderende Maas zijn nog geen concrete ingrepen die getoetst kunnen worden tegen onderhavige studie. Op basis van het uiteindelijke projectplan kan worden bepaald wat de loc atie is van de toekomstige ingrepen. Deze ingrepen zullen individueel moeten worden getoetst of er bekende en/of verwachte archeologische resten worden bedreigd, en wat het effect hierop is. Dit kan worden bepaald aan de hand van een op te stellen gespecificeerde archeologische verwachting en onderzoeksadvies in de vorm van een beknopte quickscan per ingreep. Om te voorkomen dat archeologische resten bij uitvoering van een OCE -onderzoek ongeregistreerd worden vergraven en verwijderd, verdient het aanbeveli ng dergelijk OCE-onderzoek archeologisch te laten begeleiden en hierover vroeg in de aanbesteding met de betreffende OCE onderaannemer afspraken te maken. Zie voor de afstemming tussen archeologie en OCE werkzaamheden de SIKB Handreiking Samenloop Archeologie en Explosievenopsporing (www.sikb.nl).
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[4 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
Inhoudsopgave Samenvatting .......................................................................................................................... 3 Inhoudsopgave ........................................................................................................................ 5 1. Inleiding .............................................................................................................................. 7 1.1 Kader en doelstelling ................................................................................................................. 7 1.2 De scheidslijn tussen archeologie en cultuurhistorie .................................................................... 9 1.3 Leeswijzer ................................................................................................................................. 9
2. Landschappelijk en historisch kader ................................................................................... 10 2.1 Aardkundig landschap .............................................................................................................. 10 2.2 Prehistorische bewoningsgeschiedenis (tot 15 voor Chr.) ........................................................... 16 2.3 Protohistorie: Romeinse tijd (15 voor Chr. tot 450 na Chr.) ........................................................ 19 2.4 Vroege Middeleeuwen (450-1050)............................................................................................. 20 2.5 Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd (1050-heden) ........................................................................ 21
3
Archeologie ...................................................................................................................... 31 3.1 Methoden en bronnen .............................................................................................................. 31 3.2 Toelichting op het archeologisch verwachtingsmodel ................................................................. 34 3.3 Archeolandschappelijke eenheden en verwachtingen ................................................................. 37 3.4 Bekende archeologische vindplaatsen ....................................................................................... 43 3.5 Tweede Wereldoorlog .............................................................................................................. 47
4
Cultuurhistorie .................................................................................................................. 48 4.1 Inleiding .................................................................................................................................. 48 4.2 Methoden en bronnen .............................................................................................................. 48 4.3 Cultuurlandschappen ............................................................................................................... 54 4.4 Dijklandschap .......................................................................................................................... 67
5 Advies cultuurhistorie ......................................................................................................... 77 5.1
Formulering effectbeoordeling cultuurhistorie .......................................................................... 77
6. Advies archeologie en landschap ....................................................................................... 78 6.1 Toepasbaarheid ....................................................................................................................... 78 6.2 Formulering effectcriteria archeologie ....................................................................................... 78 6.3 Wettelijke geldigheid ................................................................................................................ 79 6.4 Afstemming archeologie ........................................................................................................... 79 6.5 Vervolgstappen ........................................................................................................................ 80
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[5 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
Literatuur .............................................................................................................................. 82 Overzicht van figuren, tabellen en bijlagen ............................................................................. 84
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[6 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
1. Inleiding 1.1 Kader en doelstelling 1.1.1 Aanleiding 1
Projectorganisatie Meanderende Maas is voornemens dijksversterkingsmaatregelen te treffen aan de Maasdijk in de gemeente Oss en de uiterwaarden van de Maas gelegen in de gemeente Oss, West Maas en Waal en Wijchen in het kader van het Hoogwater Beschermingsprogramma (HWBP). De Integrale Verkenning Ravenstein-Lith bestaat uit een aantal onderzoeken waaronder ecologisch onderzoek, historisch vooronderzoek Niet Gesprongen Explosieven en een bureauonderzoek Archeologie, cultuurhistorie en Landschap. Tauw heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau opdracht gegeven het archeologische, cultuurhistorische en landschappelijke deelonderzoek uit te voeren.
1.1.2 Doelstelling Het doel van het archeologisch, cultuurhistorisch en landschappelijk onderzoek is het opstellen van een inventarisatie voor het onderzoeksgebied, dat inzicht moet geven in de aanwezigheid van:
Bekende en te verwachten archeologische vindplaatsen;
aardkundige elementen (c.q. archeologische verwachtingsgebieden);
cultuurhistorische elementen, patronen en structuren.
Om meer inzicht te krijgen in de kwaliteit van de cultuurhistorische elementen is hiervoor tevens een waardering opgesteld voor de landschapstypen en de Maasdijk. De cultuurhistorische elementen zijn geïnventariseerd door beschermde (rijks - en gemeentelijke monumenten, beschermde dorpsgezichten en landgoederen) en niet -beschermde waarden (cultuurlandschap, landschapselementen, etc.) te inventariseren. Hierbij is een opdeling gemaakt in cultuurlandschap, landschapselementen en historische bouwkunst. Voor de archeologische inventarisatie is het Archeologische Informatiesysteem (ARCHIS) geraadpleegd waarin archeologische waarnemingen en de Archeologische Monumentenkaart (AMK) zijn opgenomen. Deze informatie is aangevuld met gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaarten, archeologische vindplaatsen uit historische bronnen, zoals hist orisch kaartmateriaal. Op basis van diverse kaarten met betrekking op bodem, stroomgordels, geomorfologie en hoogteligging is inzicht gekregen in de opbouw van het aardkundig landschap. De resultaten van het archeologisch en landschappelijk onderzoek en het cultuurhistorisch onderzoek worden gepresenteerd in vier kaartbijlagen. Voorliggend rapport vormt een toelichting op
1
Meanderende Maas is een samenwerkingsverband van 10 verschillende partijen: de waterschappen Aa en Maas en Rivierenland, de provincies Noord-Brabant en Gelderland, gemeenten Oss, W est Maas en W aal en W ijchen, Natuu rmonumenten, het Ministerie van Infrastructuur en W aterstaat en Rijkswaterstaat
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[7 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
deze drie kaarten. In de rapportage worden tevens handreikingen gedaan die als input kunnen dienen voor inspirerende, kansrijke oplossingsrichtingen voor de omgang met erfgoed bij de voorgenomen dijkversterkingsmaatregelen.
1.1.3 Onderzoeksgebied Het onderzoek vindt plaats in verband met de verste rking van de Maasdijk tussen Ravenstein en Lith. Tevens kunnen bodemingrepen plaatsvinden in het gehele buitendijkse gebied tussen deze twee plaatsen. De buitenteen van de noordelijke Maasdijk (gelegen in gemeenten West Maas en Waal en Wijchen) vormt de noordelijke begrenzing van het onderzoeksgebied. Omdat in huidig projectstadium de ontwerpen nog vervaardigd moeten worden, is door het waterschap een begrenzing van 100 m binnendijks van de zuidelijke Maasdijk (gelegen in gemeente Oss) aang ehouden als onderzoeksgebied .
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[8 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
1.1.4 Geplande maatregelen In deze fase van de planontwikkeling zijn er nog geen concrete ingrepen die getoetst kunnen worden aan onderhavige studie.
1.2 De scheidslijn tussen archeologie en cultuurhistorie Wat wel en niet onder archeologische resten begrepen moet worden is een kwestie van definitie. Ten eerste is de scheidslijn tussen archeologische en cultuurhistorische resten onduidelijk. Over het algemeen geldt voor archeologische resten dat het reeds bekende resten en artefacten van menselijke bewoning of de neerslag van andere menselijke activiteiten in het verleden betreft, die niet meer boven het huidige maaiveld aanwezig zijn. Cultuurhistorische resten zijn juist wel zichtbaar boven het maaiveld. Waar deze scheidslijn niet duideli jk is, zoals bij bijvoorbeeld de nog zichtbaar aanwezige omwalling van verdwenen kastelen, worden deze wel tot de archeol ogische resten gerekend. Ten tweede is de tijdsperiode een punt van discussie. Waar in het ene geval archeologische resten uit de Nieuwe tijd gezien worden als verstoring, wordt dit in het andere geval juist opgevat als archeologisch belangrijk. Een en ander is mede afhankelijk van het type vindplaats en de doelstelling van het archeologisch onderzoek. Om een zo compleet mogelijk beeld t e schetsen van de archeologische identiteit van het onderzoeksgebied worden op kaartbijlage 1 de archeologische resten uit alle archeologische perioden (vanaf het Paleolithicum tot en met de Tweede Wereldoorlog) weergegeven.
Met betrekking tot (potentiële archeologische vindplaatsen uit WOII zijn gegevens uitgewisseld met Bombs Away, de uitvoerder van het vooronderzoek naar NietGesprongen Explosieven.
1.3 Leeswijzer De rapportage van het conditionerend onderzoek archeologie, cultuurhistorie en landschap is opgedeeld in zes hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk is de aanleiding, doelstelling en de afbakening van het onderzoek beschreven. Om de rol van de archeologische en cultuurhistorische objecten, structuren en gebieden in een groter ruimtelijk en tempor eel kader te kunnen plaatsen is in hoofdstuk 2 het landschappelijk en historisch kader beschreven. De toelichting op de aardkundige en archeologische bronnen- en verwachtingskaart (kaartbijlage 1) en de cultuurhistorische inventarisatie en waardering (kaartbijlagen 2 en 3) en waarderingskaart (kaartbijlage 4) vindt respectievelijk in hoofdstuk 3 en 4 plaats. Per hoofdstuk worden de geraadpleegde bronnen en gehanteerde methode beschreven en worden de eenheden zoals deze zijn weergegeven op de kaartbijlagen inhoudelijk toegelicht. In hoofdstuk 5 volgen adviezen ten aanzien van het thema cultuurhistorie en in hoofdstuk 6 zijn de adviezen over archeologie verwoord.
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[9 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
2. Landschappelijk en historisch kader 2.1 Aardkundig landschap Het onderzoeksgebied bevindt zich in het rivierengebied, een gebied dat sterk beïnvloed wordt door de rivieren Maas en Rijn. Voor de landschappelijke ontwikkeling van het grotere gebied De Maaskant wordt verwezen naar de publicatie van Jansen (2014) . Voor de archeologie belangrijke afzettingen dateren uit het laat-pleistoceen waar ten tijde van de laatste ijstijd (Weichsel) in het hele rivierengebied vooral grofzandige en grindrijke sedimenten zijn afgezet. De top van de pleistocene afzettingen wordt gekenmerkt door een stugge en lemi ge kleilaag (Formatie van Kreftenheye; Laag van Wijchen). De bovenkant van deze afzettingen varieert ter hoogte van het onderzoeksgebied sterk: op zo’n 2 tot 6 m beneden maaiveld. In enkele gebieden bevinden op deze pleistocene afzettingen zich rivierduinen uit het Laat Pleistoceen/Vroeg Holoceen. Dergelijke duinen liggen in het gebied noordelijk van de Maas net het onderzoeksgebied bij het gehucht Lienden (oostelijk van Batenburg), bij Appeltern. Zuidelijk van de Maas worden dergelijke rivierduinen aangetroffen bij Teeffelen, Haren en Deursen-Dennenburg. In het Vroeg-Holoceen veranderde de Maas van een vlechtende in een meanderende rivier en 2
zich kenmerkte door één insnijdende geul . Deze bevond zich in het uiterste oostelijke deel van het onderzoeksgebied ter hoogte Ravenstein en Lith en stroomde in min of meer noordwestelijke richting (figuur 2.1A). In deze periode overstroomde de geul nauwelijks. In de loop van de tijd steeg de zeespiegel, waarmee de terrassenkruising in oostelijke richting opschoof. Tussen zo’n 7000 tot 5800 jaar passeerde de terrassenkruising het onderzoeksgebied waarmee de riviergeulen in dit gebied veranderden van een insnijdend (erosief) naar een accumulerend systeem. Kenmerkend voor een accumulerend meanderend riviersysteem is een s terke differentiatie in afzettingsmilieus (figuur 2.2). Binnen de actieve rivierbedding ontwikkelde zich een zandige m eandergordel, geflankeerd door zones met (relatief zandige) oeverafzettingen. De oeverwallen worden samen met de meandergordel tot de stroomgordel gerekend. Op grotere afstand van de actieve rivierloop werden alleen de allerfijnste deeltjes afgezet en wordt het landschap geke nmerkt door komklei-afzettingen.
2
Cohen & Stouthamer 2012
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[1 0 ]
F. circa 25 v. Chr.
C. circa 4100 v. Chr.
Figuur 2.1. overzicht van de actieve en inactieve stroomgordels en crevasses tijdens 8 momenten in het Holoceen (naar: Cohen en Stouthamer, 2012).
H. circa 1400 na Chr.
E. circa 1200 v. Chr.
B. circa 5200 v. Chr,
Onderzoeksgebied
actieve crevasse
inactieve crevasse
actieve stroomgordel
inactieve stroomgordel
Stroomgordels
Laatglaciale riviervlakte
Actieve holocene dalvlakte
Inactieve holocene dalvlakte
Vroegholocene dalsysteem
G. circa 350 na Chr.
D. circa 2800 v. Chr.
A. circa 6000 v. Chr.
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
Figuur 2.2. Schematische doorsnede door het onderzoeksgebied.
In de loop van het Holoceen (ca. 10.000 jaar BP – heden) is ter hoogte van het onderzoeksgebied een tot ca. 2 tot 6 meter dik pakket klei en zand afgezet in het gebied. Dit geheel aan hol ocene rivierafzettingen wordt gerekend tot de Formatie van Echteld (De Mulder e.a ., 2003).
Wanneer de terrassenkruising het onderzoeksgebied passeert, ontstaan er door crevassen (oeverwaldoorbraken) nieuwe stroomgordels. De oudste stroomgordels binnen het onderzoeksgebied zijn actief in het Vroeg en Midden Neolithicum en worden de stroomgordels van Molenblok en Pre-Lith genoemd (tabel 2.1, figuur 2.1B en 2.1C). De Molenblok stroomgordel heeft vermoedelijk zo’n 1300 jaar bestaan en schampte het noordwestelijke deel van het onderzoeksgebied, terwijl de Pre-Lith stroomgordel door het westelijke deel van het onderzoeksgebied stroomde (figuur 2.1C). Door avulsies (stroomgordelverleggingen) zijn in het Midden Neolithicum nieuwe stroomgordels in het onderzoeksgebied ontstaan te weten die van Haren en Lithoijen (figuur 2.1D). Ook in de Bronstijd volgen nieuwe stroomgordels: Lith (fase 3), Huisseling-Demen en Macharen (figuur 2.1E). De huidige Maas ontstaat in de Vroeg Romeinse tijd en waarvan verreweg het grootste deel van de afzettingen in het huidige buitendijkse gebied ligt , maar verspreid over het gebied
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[1 2 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
zijn ook binnendijks resten van de Maas te vinden zoals bij Megen, Maasbommel en Oi jen (figuur 2.1G).
e
e
Door de bedijking die in de loop van de 13 en 14 eeuw plaatsvond is de loop van de Maas echter ingeperkt tot het huidige buitendijkse uiterwaard. Door het meanderend gedrag van de Maas zijn in de loop van de eeuwen nieuwe meanderbochten ontstaan en zijn op andere locaties weer meanderbochten verlaten.
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[1 3 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
Zo is eigenlijk van het gehele uiterwaard een indicatie te geven hoe o ud een bepaalde zone is e
e
(figuur 2.4). Op basis van historisch kaartmateriaal uit de 17 tot en met de 19 eeuw kunnen ook voor bepaalde andere delen van de uiterwaarden uitspraken worden gedaan over de ouderdom e
e
er van, evenals de verlegging van de Maasbedding in de 18 en 20 eeuw door menselijk handee
len. Hierbij dient te worden opgemerkt dat met name in de 20 eeuw (jaren 1930 en 1950) de Maasbedding grootschalig verlegd is. Tot slot hebben diverse dijkdoorbraken invloed gehad op het landschap. Zo zijn de diverse wielen in het gebied de nog stille getuigen van deze dijkdoorbraken en bevindt zich in het onderzoeksgebied veelal een pakket overslaggrond (dijkdoorbraakafzettingen). Veelal is dit pa kket niet dikker dan 50 cm en wordt derhalve niet weergegeven op de bodemkaart met kaartschaal van 1:50.000, maar wel op gedetailleerde bodemkaarten, zoals de bodemkundige ove r3
zichtskaart van de Maaskant . Figuur 2.5 laat een uitsnede van de bodemkaart van Van Diepen (1954) zien, waarbij grote delen van het gebied direct achter de Maasdijk zijn afgedekt met een pakket overslaggrond.
Figuur 2.5. Uitsnede van de bodemkaart van Van Diepen (1954) voor het gebied tussen Megen en Rave nstein met in rode kleur overslaggronden met een dikte van meer dan 50 cm en met rode arcering overslaggronden met een dikte tot 50 cm.
3
Van Diepen 1954
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[1 5 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
2.2 Prehistorische bewoningsgeschiedenis (tot 15 voor Chr.) Paleolithicum en Mesolithicum In tegenstelling tot wat nog in de eerste helft van de 20e eeuw werd verondersteld, woonden er al vele duizenden jaren voor ‘de komst van de Bataven’ mensen in het rivierengebied, al zijn binnen het onderzoeksgebied, dan wel uit de directe omgeving van het onderzoeksgebied, uit deze periode nog geen vindplaatsen bekend. Bij dat wonen moeten we overigens niet zozeer aan permanente bewoning denken, maar aan tijdelijke verblijfplaatsen (kampementen). Er zijn zelfs vondsten aangetroffen die erop wijzen dat er al in het Midden Paleolithicum mensen in het rivierengebied aanwezig waren. Dit is nog maar relatief kort bekend, omdat vondsten uit die periode relatief diep gelegen zijn (> 2 m –Mv) en veelal moeilijk te herkennen zijn. In het Midden Paleolithicum heeft zich een aantal relatief wa rme perioden voorgedaan waarin de huidige Betuwe door mensen werd bezocht. Mogelijk stammen de meeste midden-paleolithische vondsten uit het warme Eemien, een periode die werd opgevolgd door de laatste ijstijd (Weichselien). Het grootste deel van het Weichselien was Nederland onbewoond. Tegen het eind van deze ijstijd werd het gebied periodiek bewoond door jagers (Laat Paleolithicum).
Uit deze periode zijn echter nauwelijks vondsten in het rivierengebied aangetroffen, vanwege de diepte van de geol ogische niveaus waarin resten uit het Laat Paleolithicum kunnen voorkomen. Veel vindplaatsen uit deze periode zijn bovendien in de loop der eeuwen waarschijnlijk verspoeld door latere erosie en sedimentatieprocessen. Een belangrijk kenmerk van het Paleolithicum en het daaropvolgende Mesolithicum is dat de voedselvoorziening van de mens uitsluitend door middel van jagen en verzamelen geschiedde. In het grootste deel van Nederland, waaronder het rivierengebied, is deze levenswijze tot in de Late Steentijd (Neolithicum) gehandhaafd. In de warmere en vochtigere periode van het Holoceen veranderde d e vegetatie geleidelijk en nam de diversiteit aan wild en vis toe. Daarvan maakte de mens dankbaar gebruik bij zijn pogi ngen om zoveel mogelijk bronnen in de natuurlijke omgeving te benutten. De jager -verzamelaars trokken door het landschap en verbleven slechts tijdelijk op een bepaalde plaats. Waarschijnlijk lieten ze zich met name leiden door (jaarlijkse) migratiepatronen van wild (en vissen) en de oogstperiode van verschillende wilde planten in specifieke landschappen. Ze maakten gebruik van vuurstenen werktuigen en bewapening, waarvan bewerkte vuurstenen spitsen en klingen een belangrijk onderdeel vormden.
Bij de kampvuren op de pleisterplaatsen verwerkte men de jach tbuit en herstelde men de schade aan de uitrusting. Zoals gezegd zijn er binnen het onderzoeksgebied geen vindplaatsen uit het Paleolithicum en Mesolithicum bekend. Landschappelijk gezien kunnen vindplaatsen uit deze perioden voorkomen op de Vroeg Holocene meandergordel die in het uiterste oosten van het onderzoeksgebied aanwezig was (zie figuur 2.1a), maar deze afzettingen zijn door latere rivieractiviteit verstoord g eraakt.
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[1 6 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
Neolithicum In het uiterste zuiden van Nederland (het Limburgse lössgebied) vestigden zich al vanaf 5300 voor Chr. de eerste boeren. Verder naar het noorden trokken nog lang kleine groepen mensen volgens een seizoengebonden patroon rond op zoek naar voedsel. In de loop van het Vroeg Neolithicum (circa 4900 voor Chr.) werden de mensen in het rivierengebied ook gaandeweg b e4
invloed door deze nieuwe levenswijze. Dit proces waarbij geleidelijk het leven van jagerverzamelaar werd verruild voor dat van boer besloeg vele honderden jaren. Aan deze jagers met-akkertjes hebben archeologen de naam Swifterbantcultuur gegeven. Van permanente bew oning was toen nog geen sprake. Dat zou duren tot omstreeks 3500 voor Chr. (in het Midden Neolithicum) toen er verspreid over de bewoonbare gronden (stroomgordels, crevassen, zandopdu ikingen) kleine agrarische nederzettingen ontstonden (waarschijnlijk vaak slechts één boerderij). De nalatenschap van deze mensen wordt aangeduid met de benaming Vlaardingencultuur (circa 5
3500-2500 voor Chr.). Deze boeren woonden op de overwegend beboste oeverwallen (en crevassen) langs de rivieren. Men hield met name runderen en varkens; schapen lijken een minder 6
grote rol van betekenis te hebben gespeeld. Het nieuwe gebruik van uit klei gebakken vaatwerk wordt eveneens als een kenmerk van het Neolithicum beschouwd. Naast akkerbouw en veeteelt bleef overigens ook de jacht nog lange tijd van betekenis in de voedselv oorziening.
7
De opbouw van het landschap wijst op een rustig en gevarieerd milieu met gunstige bewoning smogelijkheden. Indien neolithische vindplaatsen op de meandergordels liggen, correspondeert de einddatering van deze meandergordels over het algemeen m et het begin van de neolithische bewoningsfase. Dit komt overeen met het uitgangspunt dat een meandergordel zeer aantrekkelijk wordt voor bewoning indien deze zijn bloeifase heeft gehad en nog wel open water bevat in de vorm van (rest)geulen. Binnen het onderzoeksgebied zijn er in het Neolithicum enkele voorlopers van de huidige Maas actief. Het betreft de stroomgordels Molenblok, pre Lith, Haren en Lithoijen (fase 2). De diepteligging van neolithische en andere prehistorische vindplaatsen kan sterk variëren. De diepteligging is sterk afhankelijk van de lokale situatie. In het algemeen kan gesteld worden dat op de dagzomende hooggelegen prehistorische meandergordels de vindplaatsen (vrijwel) aan het maaiveld liggen, terwijl deze op diepgelegen prehistorische meandergordels en complexen van oeverzones met crevassesystemen en komafzettingen zijn afgedekt. Uit het onderzoeksgebied is slechts één vondst uit het Neolithicum bekend. Het betreft een vuu r8
stenen bijl die tijdens baggerwerkzaamheden in de Maas nabij Maasbommel is aangetroffen. Uit de directe omgeving van het onderzoeksgebied zijn daarentegen meer vindplaatsen uit deze periode bekend. Noordwestelijk van Maasbommel bevindt zich een AMK -terrein. Het betreft een
4 5 6 7 8
Raemaekers, 1999: hfdst. 5. Louwe Kooijmans, 200: deel II, hoofdstuk 12. De Ridder, 2010: 38. De Ridder, 2010: 37-42. ARCHIS: zaakidentificatienummer 3108118100
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[1 7 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
locatie waar bewoning plaatsvond op een oever langs een toen actieve geul van de stroomgordel 9
van Molenblok. Op basis van het aangetroffen vondstmateriaal is de einddatering van de nede rzetting vastgesteld op de Bronstijd. Ook zuidelijk van het onderzoeksgebied, bij Macharen, zijn op de oevers van de Haren/Macharen stroomgordels archeologische resten uit het Neolithicum gevonden, duidend op een nederzetting uit die periode, zoals een vindplaats net buiten het pla ngebied aan de Dorpstraat in Macharen waaruit blijkt dat de locatie bewoond is geweest in het Laat Neolithicum.
10
Bronstijd In de Vroege Bronstijd was de bewoningsdichtheid van het rivierengebied nog gering, maar in de Midden Bronstijd nam deze geleidelijk toe.
11
De actieve stroomgordels in de Vroege en Midden
12
Het aantal kleine nederzettingen dat in het rivieren-
Bronstijd zijn die van Haren en Lith fase 3. gebied in kaart is gebracht, is aanzienlijk. afmetingen van meer dan 20 m lengte.
14
13
De boerderijen hadden in deze tijd veelal zeer forse
Kenmerkend is het gebruik van bronzen gebruiksvoor-
werpen (o.a. bijlen en sikkels) die in de beginfase door middel van ‘internationale’ handelsrel aties in het rivierengebied zijn terechtgekomen, maar al snel door inheemse productiecentra we rden vervaardigd en verhandeld.
15
Binnen het onderzoeksgebied zijn geen AMK-terreinen uit de
Bronstijd aanwezig. Bij de aanleg van de sluis ten noorden van Lith is in de jaren 1930 een zwaard uit de Midden Bronstijd aangetroffen. Ook zijn in de jaren 1930 langs de oever van de Maas bij Megen urnen met crematieresten aangetroffen, maar hieraan is slechts een globale datering tussen Late Bronstijd en Vroege Middeleeuwen toegekend.
16
Direct buiten het onderzoeksgebied zijn ook enkele locaties met resten uit de Bronstijd bekend. Zo is op afzettingen van de stroomgordel van Lithoij en (fase 2) handgevormd aardewerk uit de Bronstijd/IJzertijd aangetroffen
17
en op een afstand van circa 2 km buiten het onderzoeksgebied
een AMK-terrein met nederzettingsresten uit o.a. de Bronstijd op afzettingen van de stroomgordel van Macharen.
18
Door een tijdelijke vernatting van het klimaat gedurende de Late Bronstijd en Vroege IJzertijd had het rivierengebied in toenemende mate last van overstromingen. Als gevolg hiervan was er in die periode een sterke afname van de bevolking.
9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19
19
AMK-nr. 3650; gelegen op zo’n 300 m buiten huidig onderzoeksgebied. Jansen 2014: 127-135 Lange e.a., 2014: 119. Cohen & Stouthamer, 2012. ARCHIS, 2016. Tussen Kesteren, Haaften en Culemborg zijn totaal 898 waarnemingen op 125 locaties (waarn emingsnummers) van nederzettingen daterend uit de Bronstijd bekend. Lange e.a., 2014: 122, 128. Arnoldussen, 2008: 443, 444. ARCHIS: zaakidentificatie 2905498100 ARCHIS: zaakidentificatie 2180328100 AMK nr. 11682 Arnoldussen, 2008: 412. Arnoldussen baseert zich op het ontstaan van nieuwe riviertakken in de vroege ijzertijd en het ontbreken van bewoningssporen uit de Vroege IJzertijd in onder meer Medel -Bredesteeg.
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[1 8 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
IJzertijd Vanaf de Midden IJzertijd nam de gemiddelde omvang van de nederzettingen toe.
20
Met name in
de Late IJzertijd, op een moment dat ook de bevolkingsaanwas het sterkst was, bevonden zich her en der nederzettingen die bestonden uit een aantal boerenerven op terreinen met e en omvang van meerdere hectaren. De grootste prehistorische nederzettingen in het rivierengebied stammen uit de periode 50 tot 15 voor Chr., toen de Bataven zich in dit gebied vestigden. De hogere bevolkingsdichtheid, gecombineerd met de grotere trefkans ( vindplaatsen uit de IJzertijd zijn groter, liggen vaak vrijwel aan het huidige maaiveld en worden gekenmerkt door veel nederzettingsafval), heeft ertoe geleid dat het rivierengebied een relatief hoge dichtheid aan vindplaatsen uit deze periode kent. In veel gevallen gaat het om sporen van nederzettingsterre inen, vaak geconcentreerd langs de toen actieve meandergordels met aangrenzende oeverzones. Veel nederzettingsterreinen uit de IJzertijd liggen in zones met oude woongronden met een lan gdurige bewoningscontinuïteit (Late IJzertijd-Romeinse Tijd-Middeleeuwen). Deze bevinden zich vaak op de hoogste delen van de stroomruggen, die daardoor soms tot meer dan 1 m hoger liggen dan de omgeving. Deze terreinen worden vaak gekenmerkt door een zwarte humusrijke bodem met veel archeologische vondsten (nederzettingsafval).
Ze zijn daarom voor een deel reeds in de jaren 1940-1975 herkend en gekarteerd door bodemkundigen van de Stichting voor Bodemkartering (Stiboka), en gekenschetst als zogenaamde ‘oude woongronden’. Vindplaatsen uit de IJzertijd zijn voornamelijk gelegen op de rivierduinen die buiten huidig o nderzoeksgebied zijn gelegen, evenals op de (verlaten) stroomgordels als de stroomgordel van Haren, stroomgordel van Huisseling-Demen en stroomgordel van Lithoijen. Een aantal vindplaatsen betreft een oude woongrond, zoals die noordelijk van de Hogenhofstraat ten westen van Maasbommel en een terrein direct ten westen van Oijen. Uit het onderzoeksgebied zelf zijn ook meerdere vindplaatsen bekend. Zo is bij de aanleg va n een riool in Macharen in 1973 een cultuurlaag uit de IJzertijd waargenomen
21
en elders in het
22
dorp zijn eveneens archeologische resten aangetroffen . Ook is ter hoogte van de dijk ten oosten van De Waarden aardewerk uit de IJzertijd aangetroffen
23
en bij graafwerkzaamheden bij de
24
Gouden Ham is een ijzeren kokerbijl gevonden , maar de exacte vindplaats is niet bekend.
2.3 Protohistorie: Romeinse tijd (15 voor Chr. tot 450 na Chr.) De Romeinse tijd begint in Nederland rond 15 voor Chr. In deze periode werd de noordelijke Rijntak, de Nederrijn, tot rijksgrens aangewezen. Een stelsel van grensforten (castella) moest deze grens bewaken. Deze grens staat bekend als de Limes. Op de befaamde Tabula Peuting eriana, een middeleeuwse kopie van een Romeinse wegenkaart, staan de belangrijkste legioenplaatsen (castra, zoals Noviomagi ofwel Nijmegen), forten (castella) en bijbehorende vici (milita i-
20 21 22 23 24
Louwe Kooijmans, 2005: 697. ARCHIS: zaakidentificatie 2963720100 ARcHIS: zaakidentificatie 2963737100 ARCHIS: zaakidentificatie 3232501100 ARCHIS: zaakidentificatie 2859288100
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[1 9 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
re nederzettingen bij een castellum) vermeld. Er bestonden ook niet -militaire vici. Langs het Gelderse deel van de limes lagen in de Midden Romeinse tijd (circa 70-270 na Chr.) naast de enige Nederlandse castra (in Nijmegen) circa tien castella.
25
Veel vermoedelijke castella langs de Gel-
derse limes zijn als gevolg van de voortdurende activiteit van de Rijn verspoeld door het water. Het onderzoeksgebied lag circa 10 tot 15 km ten zuiden van de rijksgrens in een streek die werd gedomineerd door de Bataafse cultuur. In het onderzoeksgebied is één AMK-terrein aanwezig met een datering in de Romeinse tijd. Het betreft en relatief veel nederzettingen voor uit de Romeinse tijd. Het betreft een terrein tussen de Dorpsstraat en de Lithoijense Dijk in Lithoijen. In de ondergrond zijn archeologische resten uit de e
2 eeuw aanwezig.
26
Tevens zijn een aantal vindplaatsen/vondstlocaties uit de Rome inse tijd aanwezig in het gebied, zoals bij de Kapelhof te Macharen
27
waar tijdens een booronderzoek enkele aardewerkscherven
zijn aangetroffen en aardewerkscherven bij een afgraving in 1976 in recreatiegebied De Gouden 28
Ham . Een aantal vondstlocaties waarbij materiaal uit de Romeinse tijd is aangetroffen, is geregistreerd met administratieve coördinaten. De exacte vondstlocatie is dan ook niet bekend. M ogelijk betreft het vooral baggervondsten uit de Maas.
29
2.4 Vroege Middeleeuwen (450-1050) Met het uiteenvallen van het Romeinse rijk aan het begin van de 5e eeuw nam de bevolkingsdichtheid langzaam af tot aan de Merovingische tijd. In de Karolingische tijd verplaatsen nederzettingen zich naar de plaats van de huidige dorpen . Op basis van schriftelijke bronnen en archeologische vondsten kan dit ook worden gesteld voor de dorpskern van Megen (oudste vermelding in 721) een oorsprong heeft in deze Karolingische tijd.
30
Mogelijk heeft de vestiging van
de Karolingische heerschappij in de 8e eeuw hier mee te maken. I n deze periode veranderde er veel op het gebied van staatsinrichting, landbouw en bezit. De dorpen met Karolingische oorsprong hebben vaak een langgerekte vorm, begrensd door twee parallelle wegen : een voor- en achterweg, Dit type wordt een esdorp met gestrekte hoofdvorm genoemd (figuur 2.6c).
31
Deze
gestrekte vorm werd waarschijnlijk mede bepaald door de langgerekte stroomruggen met regel32
matig reliëf waar deze nederzettingen op ontstonden ) . Haaks op de richting van de stroomgordel werd een verkaveling opgezet, waardoor de afstand naar het bouw- en weideland voor elke boerderij gelijk was. Esdorpen met gestrekte hoofdvorm die haaks op de rivier liggen in plaats evenwijdig eraan, zijn deels door de steeds breder wordende Waal verzwolgen.
25 26 27 28 29 30 31 32
Van der Heijden, 2016 AMK-nr. 4708 ARCHIS zaakidentificatie 2112425100 ARCHIS zaakidentificatie 2753914100 ARCHIS zaakidentificatie 2838454100, 2911264100, 3108118100 o.a. Van Ingen, 2001; Van Berkel & Samplonius, 2006 ;. Den Uyl, 1958 Harten 1987
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[2 0 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
De laaggelegen gebieden binnen de overgangszone tussen kom en oeverwal werden als g emeenschappelijk hooi- en weidegronden gebruikt. De meest laaggelegen delen werden vóór de bedijking gebruikt voor waterberging. Vondsten uit de Vroege Middeleeuwen beperken zich tot Megen en van baggerwerk bij de Maas dan wel in het recreatiegebied Gouden Ham. Buiten de historische dorpskernen ontbreken eenduidige aanwijzingen voor vroegmiddeleeuwse bewoning. Dit is een weerspiegeling van de concentratie van bewoning in de dorpskernen.
Figuur 2.6. Sterk vereenvoudigede,fictieve weergave van het bewoningspatroon gedurende de Romeinse tijd (a); Merovingische tijd (b); Karolingische tijd (c); en Late middeleeuwen (d).
2.5 Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd (1050-heden) Nederzettingsontwikkeling Het vroegmiddeleeuwse Lithoijen wordt voor het eerst genoemd in 987-996
33
en betrof een hoe-
ve die noordelijk van de huidige plaats lag, ter hoogte van de huidige Sluisstraat. Bij de hoeve
33
Van Berkel & Samplonius 2006
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[2 1 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
behoorde een tufstenen kerkje. Zowel de locatie van de hoeve als het kerkje zijn aangeduid als 34
terrein van hoge archeologische waarde . Binnen Lithoijen zelf is een gebied ten westen van de Margrietstraat aangeduid als terrein van hoge archeologische waarde
35
en betreft een oude
woongrond waar archeologische resten uit de Romeinse tijd in de ondergrond aanwezig zijn. Archeologisch onderzoek op het terrein heeft bovendien aangetoond dat sprake is van bewoning 36
in de Late Middeleeuwen . De historische kern van Oijen is geen AMK-terrein. De oudste vermelding van de plaats dateert uit 1062. In 1672 is bij de inval van de Fransen een deel van het dorp afgebrand. Direct westelijk van het dorp ligt een agrarisch perceel dat is aangeduid als terrein van zeer hoge archeologische waarde en waar vondsten zijn aangetroffen uit de eerste h elft van de Late Middeleeuwen (evenals archeologische resten uit de IJzertijd/Romeinse tijd). Oostelijk van Oijen heeft het Kasteel van Oijen gelegen en is gebouwd in 1361. Dit middeleeu wse kasteel is gesloopt in 1511, waarna in 1594 een nieuw kasteel geb ouwd werd en in 1837 weer afgebroken. De momenteel aanwezige bebouwing betreft bebouwing uit 1825, het Westelijk en 37
he Oostelijk Neerhuis . In 1930 is een deel van de gracht gedempt. Het kasteelterrein en bijbe38
horende gracht is aangeduid as terrein van hoge archeologische waarde . Verschoof (2012) heeft geofysisch onderzoek op het kasteelterrein uitgevoerd, waarbij de ligging van het midde leeuwse kasteel kon worden gereconstrueerd. Uit de Hemelrijksche Waard, het uiterwaardengebied tussen Oijen en Lithoije n, is op historisch e
kaartmateriaal uit de 19 eeuw een locatie met steenovens zichtbaar. Vanwege graafwerkzaa mheden is deze locatie in 2016 opgegraven, waarbij de plattegronden van de drie steenovens nader zijn onderzocht (figuur 2.7).
34 35 36 37 38
Resp. AMK-terrein 4188 en 4187 AMK-terrein 4708 ARCHIS3: zaakidentificatie 2068305100 Rijksmonument 25915 AMK-nr. 4699; ARCHIS3: zaakidentificatie 2348785100
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[2 2 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
Figuur 2.7. Opgravingsvlak met de sporen van drie steenovens in de Hemelrijksche Waard (uit: Hesseling, 2016). 39
De oudst bekende vermelding van Macharen dateert uit 1107 . De historische kern is aangeduid 40
als terrein van hoge archeologische waarde , maar de vondstlocaties die in ARCHIS geregistreerd staan hebben vooral betrekking op vondsten uit de IJzertijd en Romeinse tijd. In Botman (2009) staat het volgende over Megen vermeld: “Megen lag bij een doorwaadbare plaats aan de zuidelijke oever van de rivierarm de Oude Maas, die in de loop der tijd is dichtgeslibd. De naam Megen is verwant aan het Gallo-Romaanse Magus, hetgeen veld, plaats of stad betekent. Ook is het mogelijk dat de naam is afgeleid van het Keltische Magos waarvan de betekenis doorwaadbare plaats is. Een derde naamsverklaring is dat de naam mogelijk is terug te voeren op maginon (magin “de krachtige stroom”). De oudste schriftelijke vermelding van Megen (Meginun) dateert uit het jaar 721/722. De nederzetting lag oostelijk van het grafelijk slot dat in e
e
de 11 of 12 eeuw werd gebouwd. De nederzetting werd oorspronkelijk aan drie zijden door de Maas omsloten. Na de stadsrechtverlening in 1357 door graaf Willem Dickbier werd de jonge stad voorzien van een omwalling met poorten en torens. De gevangentoren is het enige bouwwerk dat in oorsprong nog resteert van deze verdedigingswerken. Tijdens de Brabants-Gelderse oorlogen werd Megen herhaaldelijk geplunderd, gebrandschat en verwoest. Na de slag op de Mookerhei in 1574 hielden de Spaanse troepen huis in het graafsc hap Megen, ondanks het feit dat de toenmalige heersers, de familie De Brimeu, aan de zijde van Spanje stonden. In 1581 brandden door toedoen van de Spaanse troepen onder meer het kasteel en de kerk van Megen af. Vermoedelijk zijn toen ook de vier toegangspoorten en de stadsmuur (gedeeltelijk) verwoest.
39 40
Van Berkel & Samplonius 2006. AMK-nr. 16854
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[2 3 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
De kerk werd niet herbouwd. De Anthoniuskapel werd in 1613 tot parochiekerk gewijd en zou dienst blijven doen tot in 1872 de huidige St. Servatiuskerk in gebruik werd genomen. ” De historische kern is aangeduid als terrein van hoge archeologische waarde.
41
Opvallend is dat
in ARCHIS geen vondsten geregistreerd staan die betrekking hebben op de historische kern van e
Megen. De locatie van het in de 17 eeuw gesloopte kasteel (gelegen aan de westkant van het stadje) is onderdeel van het AMK-terrein. Het kasteel heeft gestaan op het terrein van het huid ige Clarissenklooster Sint-Josephsberg. In de uiterwaard ten oosten van Megen heeft het Maasakkershuis gestaan. Dit huis, gelegen in de heerlijkheid De Maasakkers is gesloopt in 1912 en bestond uit een boerderij met waterput en woontoren. De toren is gebouwd na 1500 en rond 1850 gesloopt, terwijl de boerderij vlak na 1749 gebouwd is en gesloopt is in 1912.
42
Op het perceel waar het Maasakkershuis heeft ge-
staan is in de jaren 1990 een concentratie aan archeologisch materiaal aangetroffen. Het terrein is aangeduid als terrein van archeologische waarde.
43
De oudste vermelding van Dieden dateert uit 1427, maar het dorp is aanzienlijk ouder, aangezien de Sint-Laurentiuskerk
44
e
ut de 12 eeuw dateert. De historische kern is aangeduid als terrein van
hoge archeologische waarde (AMK-nr. 16841). Binnen de dorpskern is een oude woongrond aanwezig die tijdens de bodemkartering in 1948 is vastgesteld. Hierbij is ook vondstmateriaal uit de IJzertijd, Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen aangetroffen.
45
Ruim 500 m westelijk van Dieden heeft het laatmiddeleeuwse kasteel Ter Borch ofwel Eerbosch (Huis te Dieden)gestaan. De gracht van het kasteel is tot op heden aanwezig. Het kasteel, waa rschijnlijk een besheiden edelmanswoning, is in 1875 afgebroken, maar aan de oostkant van het terrein zouden nog stukken muurwerk aanwezig zijn die doorlopen tot in de gracht. Het terrein is aangeduid als terrein van hoge archeologische waarde.
46
Ook elders in het dorps zijn tijdens
graafwerk fragmenten aardewerk uit de (Late IJzertijd en) Romeinse tijd gevonden.
47
48
De historische kern van Demen is aangeduid als terrein van hoge archeologische waarde ,maar uit Demen zijn geen archeologische vondstlocaties bek end. De oudst bekende vermelding da-
41 42 43 44 45 46 47 48
AMK-nr. 16794 Jansen 2014: 299-315 AMK-nr. 13217 ARCHIS3: zaakidentificatie 2911386100 ARCHIS3: zaakidentificatie 2911329100 AMK-terrein 15479; ARCHIS3: zaakidentificatie 3153008100; https://www.kasteleninnederland.nl/kasteeldetails.php?id=861 ARCHIS3: zaakidentificatie 2839037100 AMK-nr. 16840
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[2 4 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
49
e
teert uit 1438 , maar de geschiedenis zou teruggaan tot in de 11 eeuw. De toren naast de 19
e
e
eeuwse kerk dateert uit de 15 eeuw. 50
e
De oudste vermelding van Neerlangel dateert uit 1470-1471 , maar de 11 eeuwse tufstenen e
toren van de 19 eeuwse Rooms-Katholieke kerk
51
bewijst dat de ouderdom van het dorp aan-
e
zienlijk ouder is dan de 15 eeuw. De historische kern is aangeduid als terrein van hoge arche ologische waarde.
52
Ravenstein betreft een historische stad waarvan de geschiedenis teruggaat tot in de Late Middeleeuwen. In het onderzoek van Botman (2009) wordt het volgende over Ravenstein gemeld: Waar nu Ravenstein ligt, lag oorspronkelijk het dorpje Langel. Mogelijk dateert een deel van de wegenstructuur ter hoogte van de markt nog uit deze periode. De Maasdijk werd rond 1330 aa ngelegd. In 1360 bouwde Walraven van Valkenburg zijn kasteel bij Langel ter bescherming van de tol op de Maas en vanuit deze situatie ontstond Ravenstein. Het kasteel werd “verplaatst” vanuit Herpen dat tot dan toe de belangrijkste plaats was in het gebied. Ravenstein is een samenstelling van de vogelnaam raven en stein, hier gebruikt als aanduiding voor een kasteel. Ten oosten van het kasteel vond systematische uitbreiding plaats van het dorp met de Middelstraat, de Nieuwstraat, de Peperstraat en het Nieuwstraatje. Ravenstein kreeg in 1380 stadsrechten. Deze rechten hielden onder meer in dat de stad omgeven zou worden met verdedigingswerken, vermoedelijk in eerste instantie eenvoudig van aard. Men bouwde een stadsmuur met drie poorten en er werd een stadsgracht aangelegd. Het kasteel kwam buiten de stadsmuren te liggen. In het eerste kwart van de 17e eeuw vond de grootste uitbreiding en modernisering plaats van de vestingwerken. De grondvorm werd een onregelmatige vijfhoek met grachten.
Aan de buitenzijde van de grachten lag een contrescarp en om de rivier en de dijk te kunnen beschermen twee hoornwerken. Op de Middelwaard lag ook een ravelijn. Deze beschermde de muur langs de r ie
vier. Een deel van de vestingwerken is afgebroken in 1672 en ook in de 19 eeuw vond grootschalige afbraak plaats, waarbij naast de vestingwerken ook het kasteel het moest ontgelden. De historische kern van Ravenstein, samen met de locatie van het kasteel, is aangeduid als 53
terrein van hoge archeologische waarde . Noordoever van de Maas Op de noordoever van de Maas liggen eveneens een aantal plaatsen waarvan de geschiedenis teruggaat tot in de (Late) Middeleeuwen. Aangezien deze plaatsen nagenoeg geheel buiten het onderzoeksgebied liggen, volgt hieronder slechts een zeer summiere beschrijving. In het westen van het onderzoeksgebied ligt Alphen waarvan de oudste vermelding dateert uit 54
e
1144. : De bebouwing concentreerde zich in de 19 eeuw op de dijk en langs enkele straten die
49 50 51 52 53
Van Berkel & Samplonius 2006 Van Berkel & Samplonius 2006 Rijksmonument 32399 AMK-nr. 16864 AMK-nr. 16799
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[2 5 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
haaks op de dijk lagen. Sueur (2013): “De oudste kern van Alphen ligt in het gebied van de Rooms-katholieke kerk en de voormalige boerderij Het Hof.” Tevens wordt door Sueur melding gemaakt dat het oostelijke deel van het dorp waarschijnlijk is weggeslagen bij een overstroming in de Late Middeleeuwen. Ten noorden van Alphen ligt het buurtschap Greffeling waarvan de oudste vermelding dateert uit 1294/1295.
55 e
Het buurtschap Nieuwe Schans is ontstaan in de 17 eeuw als kleine militaire versterking ter beheersing van het Maasvak tussen Maasbommel en Alphen.
56 57
De oudst bekende vermelding van Maasbommel dateert uit 1144 , kreeg in 1312 stadsrechten en maakte deel uit van het Hanzenverbond. Ten noorden van de Raadhuisdijk heeft tot in de 18
e
eeuw het Hof gestaan. De locatie van dit omgrachte goed is tot op heden zichtbaar en heeft m ogelijk een middeleeuwse oorsprong. De historische kern van Maasbommel is aangeduid als terrein van archeologische waarde.
58
In de uiterwaard van Maasbommel, binnen het onderzoeksgebied, is in 2016 een archeologisch proefsleuvenonderzoek en opgraving uitgevoerd vanwege de aanleg van een overloopgeul. De vindplaats heeft resten opgeleverd van een buitendijks erf met resten die in ieder geval dateren e
tussen de 16e en 18 eeuw. Een oudere, laatmiddeleeuwse oorsprong van het erf is mogelijk, maar door verspoeling van vondsten en daarmee mogelijk opspit onzeker.
59
60
Appeltern is ontstaan op de oeverwal van de Maas. De oudste vermelding dateert uit 1139 , maar is vermoedelijk ouder, aangezien het karakter van de tufstenen toren van de kerk een datee
ring voor of in het begin van de 12 eeuw rechtvaardigt. Ter hoogte van Maasdijk 6 heeft het e
omgrachte Huis te Appeltern gestaan. Het huis is in de 14 eeuw gebouwd en in 1881 grotendeels gesloopt.
61
De oudst bekende vermelding van Batenburg dateert uit 1076-1081 waar gesproken wordt over de heren van Batenburg. De historische kern is aangeduid als terrein van archeologische waarde.
62
In 1349 verkreeg het dorp stadsrechten en mocht derhalve ook munten
slaan. Ten noord(oost)en van de historische kern heeft het kasteel Batenburg gestaan waarvan nu niets meer dan een ruïne rest. De geschiedenis van het kasteel gaat terug tot het midden van e
de 12 eeuw.
54 55 56 57 58 59 60 61 62
Van Berkel & Samplonius 2006 Van Berkel & Samplonius 2006 Sueur 2013: 33 Van Berkel & Samplonius 2006 AMK-nr. 13217 Pronk, in voorbereiding Van Berkel & Samplonius, 2006. Sueur, 2013: 32 AMK-nr. 13198
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[2 6 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
De gestrekte esdorpen die in de Karolingische tijd waren ontstaan dicht bij de rivier consolideerde zich in de Late Middeleeuwen (figuur 2.6d). De bevolkingsgroei in de 11e en 12e eeuw moet er voor hebben gezorgd dat de dorpen geleidelijk uitbreidden. De bewoning in de Late Middeleeuwen wordt gekenmerkt door het voor h et eerst in de geschiedenis op grote schaal toepassen van steenbouw, al bleef hout nog geruime tijd het belangrijkste bouwmateriaal. Een ingrijpende verandering in het rivierengebied was de grootschalige bedijking in de 12e en 13e eeuw. Deze bedijking maakte het mogelijk om ook de relatief lage delen van het rivierengebied, de komgronden, te ontginnen. De ontginning en verkaveling daarvan zou plaatsvinden vanaf de 10e eeuw tot in de 13e eeuw. De precieze ouderdom van de ontginningen in de streek valt slechts voor bepaalde delen of op indirecte wijze te achterhalen. Het algemene beeld is dat de eerste kades en sluisjes al in de 10e eeuw werden aangelegd.
63
De grootschalige
ontginningen vonden plaats in de 11e en 12e eeuw. Wel vonden als gevolg van de bedijking regelmatig catastrofale dijkdoorbraken plaats, waarbij grote delen van het rivierengebied langd urig onder water kwamen te staan. De bewoning in de Late Middeleeuwen concentreerde zich als gevolg hiervan nog steeds op de natuurlijke hoge gronden en tegen d e winterdijken. In het landelijk gebied en de dorpskernen binnen het onderzoeksgebied vonden in de periode 1500- 1850 relatief weinig ontwikkelingen plaats, maar is ons beeld op deze periode door een gebrek aan onderzoek ook onscherp. De dorpskernen behielden hun middeleeuwse structuur in hoofdlijnen en ook trad er weinig verdichting op. Wel hebben dijkdoorbraken en de dreiging daarvan invloed gehad op de bewoningskernen.
Waterstaat Zijkaden, achterkaden en de eerste rivierdijken Nadat in een eerdere periode de meeste hoge oeverwallen ontgonnen waren en geschikt waren gemaakt voor de landbouw, volgden vanaf de 10e eeuw de lagere delen van de oeverwallen en de komgronden. De komgronden werden ontgonnen en ontwaterd door evenwijdig aan elkaar sloten te graven. Om te voorkomen dat het land weer onder liep door de toevoer van water uit stroomopwaarts gelegen komgebieden, werden zijkades of zijdwendes aangelegd aan de oos tzijde van de dorpspolder. Ook werden laagten in de oeverwallen afgesloten door middel van dijken of kades. De volgende stap was de aanleg van achterkaden, die voorkwam dat water uit de kom de polder in stroomde. De hooi- en weilanden die op de overgang van oeverwal naar komgebied lagen waren nu vrij van overstromingsgevaar en konden worden omge zet in akkerland.
64
Deze ontwikkeling voltrok zich waarschijnlijk in de loop van de 11e tot en met 13e eeuw.
Door de geleidelijke inpoldering van de komgebieden en de toegenomen piekafvoer van de Maas als gevolg van klimaatsverandering (en door het kappen van bos en in cultuur nemen van gronden in het bovenstrooms deel van de Maas), zorgde dit er voor dat ook in het onderzoeksgebied
63 64
Van Bavel, 1999: 64 Harten 1997: 14.
RAAP-rapport 3383 eindversie, 29 mei 2018
[2 7 ]
Integrale Verkenning Ravenstein-Lith: Bureauonderzoek Archeologie, Cultuurhistorie en Landschap
rivierdijken moesten worden opgeworpen. Vanaf het eind van de 13e eeuw ontstonden waterschappen omdat het lokaal bestrijden van overstromingsgevaar tot conflicten leidde tussen do rpen onderling. In 1331 werd aan de bewoners van Herpen, Huisseling, Demen, Dennenburg, Deursen en Langel toestemming gegeven voor het bouwen van een dijk en een sluis in het rechtsgebied van Haren. Op deze manier werd het netwerk van achter, -zij- en dwarskades met elkaar verbonden en ontstond er een aaneengesloten dijk langs de Maas.
65
Doorbraken en dijkherstel De toestand van de grote rivieren begon aan het begin van de 18e eeuw zo te verslechteren da t deze aan het eind van de 18e eeuw onhoudbaar werd. Elk decennium waren er meerdere grote overstromingen in het riviergebied: 1757, 1795, 1799, 1803,1809 en 1820 waren rampjaren voor de bewoners van het rivierengebied.
66
Een van de oorzaken van deze overstromingen was de
verzanding van de rivieren, waardoor uitgestrekte ondiepten ontstonden, en zandbanken die zomers droogvielen. Dit leidde tot problemen voor de scheepvaart, maar ook voor de afwatering van de polders. Door de verzanding nam de stroomsnelheid van de rivier af en begonnen de uiterwaarden op te slibben. Hierdoor nam de waterbergende capaciteit van de uiterwaarden af, waarop men reageerde met het ophogen van de dijken en het aanpassen van uitwateringsslu izen. Toen de rivier zich met bedding en al boven het omringende land begon te verheffen, leidde dit tot een toename van kwelwater langs de binnenteen van de dijken. De grootste gevaren deden zich voor aan het einde van de winter. Vanuit huidig perspectief w aren deze winters zeer streng en was het niet uitzonderlijk dat complete rivieren dichtvroren. Wanneer na de vorstperiode de dooi intrad, moest men er voor waken dat het drijfijs in beweging bleef. Wanneer de schotsen vastliepen vingen ze aandrijvend ijs op waardoor een gevaarlijke ijsmassa ontstond die over de dijk kon worden gestuwd. Zelfs het harde bevroren dijklichaam kon hierdoor beschadigd raken, hetgeen tot grote catastrofes leidde.
Beerse Overlaat In de jaren 20 van de 19e eeuw werd een tijdelijke oplossing gevonden door het aanleggen va n overlaten: een verlaagde dijk waar bij extreem hoge rivierstanden het water over kon stromen naar een serie onbewoonde polders die dienden als tijdelijk reservoir. Een van de meest o mvangrijke overlaten was de Beerse Maase die bij extreme waterstanden he t te veel aan Maaswater kon omleiden. Via twee overlaten bij Beers en Gassel kon het water worden ingelaten, om binnendijks af te stromen op de Dieze ten noorden van ’s-Hertogenbosch. Het mocht niet baten, in 1876 en 1880 overstroomden grote delen van Noor d-Brabant als gevolg van dijkdoorbraken.