CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6D Bijlagen bij toelichting BP Langestraat 14 Dieden - 2022.PDF

Gemeenteraad 15 juni 2023, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststelling 7 bestemmingsplannen, gebundelde procedure17.926 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Functieverandering en beoogde werkzaamheden De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een groene en natuurlijke omgeving waar activiteiten en dagrecreatie op plaats kan vinden. Het agrarische veld (A) wordt hierbij als natuur ingericht, met onder andere bos, watergangen en wandelpaden. Er wordt driedelig onderscheid gemaakt in intensief, extensief en geen gebruik van het perceel (figuur 3). Het intensieve gedeelte, de twee velden direct grenzend aan het huidig bouwvlak, zal met goed weer dagelijks gebruikt worden, voornamelijk in de lente en de zomer. Het extensieve gedeelte zal enkel in de weekenden gebruikt worden en betreft het middengedeelte en de twee ‘groene klaslokalen’, welke ingezet gaan worden voor educatieve doeleinde. Het bos zal alleen gebruikt worden om, via de aangegeven paadjes, doorheen te lopen naar de klaslokalen. In het overige delen van het plangebied zal zo goed als geen verstoring plaatsvinden. De visvijver (B) zal in de huidige staat behouden blijven, hier zullen enkel beheermatige werkzaamheden plaatsvinden. Tevens is de wens hier ‘dag-visvergunningen’ te verlenen aan recreanten. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • •

3

verwijderen huidige terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; plaatselijk ophogen terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; aanplant groen: waaronder het bos, mantelzoom, hagen en bomenrijen; revitalisatie terrein en aanleg halfverharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 3

Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Orbis).

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op Datum en is uitgevoerd door ing G Fairhurst. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 17 Celsius en windkracht 3-4 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie.

4

Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de Omgevingsverordening Provincie Noord-Brabant is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. Aardmuis Gewone pad Ree Bastaardkikker

Haas

Rosse woelmuis

Bosmuis

Huisspitsmuis

Tweekleurige bosspitsmuis

Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis

Kleine watersalamander Konijn Meerkikker

Egel Gewone bosspitsmuis

Ondergrondse woelmuis

Veldmuis Vos Wildzwijn Woelrat

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Brabant. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Binnen het Natuurnetwerk Brabant geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden die onder provinciaal beleid valt dient tevens een vergunning voorhanden te zijn. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen.

Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.

5

Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Planten Binnen een straal van 2,5 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2011-2021). Gedurende het veldbezoek zijn tevens geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. Aan de bosschage en visvijver zijn geen werkzaamheden beoogd welke leiden tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. De planlocatie betreft een agrarisch perceel met een sterk verstoorde en geëutrofieerde bodem. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status.

Enkele waargenomen soorten betreffen: akkerwinde, duizendblad, echte kamille, gele is, gele plomp, gewone smeerwortel, Jacobskruiskruid, lisdodde, kattenstaart, koningskaars, korenbloem, kleine klaver, moerasspirea, margriet, pitrus, speerdistel, Sintjanskruid, stokroos, riet, vogelwikke en wolfspoot. De bosschage bestaat voornamelijk uit: boswilg, gewone braam, gewone vier, gewen esdoorn, eenstijlige meidoorn, hazelaar, liguster, lijsterbes, prunus, rode bes, zwarte els en zomereik. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende, stikstofarme of vochtige groeiplaatsen. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde planten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2,5 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bruine rat, das, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, steenmarter, veldmuis, vos en woelrat (NDFF 2011-2021).

Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, das, rode eekhoorn en steenmarter. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De bever komt enkel voor in overgangszones van land naar water als uiterwaarden en moerassen. De waarnemingen van de soort zijn dan ook afkomstig uit de uiterwaarden van de Maas.

6

De planlocatie bevat geen essentieel leefgebied voor de soort. Aanwezigheid van de bever is uitgesloten. De steenmarter en overige marterachtigen als de bunzing en wezel komen voornamelijk voor in kleinschalige landschappen met afwisselende groenstructuren als bosschages, houtwallen en begroeide oevers, welke voldoende dekking en voedsel bieden. Mogelijk maken de bosschage en visvijver met omliggend groen deel uit van het leefgebied van marterachtigen. Hier zijn echter geen werkzaamheden beoogd waardoor geen sprake is van afname van essentieel leefgebied. Het agrarisch perceel wordt mogelijk sporadisch gebruikt als foerageergebied, hier is echter wegens het ontbreken van verblijfplaatsen, het huidig gebruik van het perceel en de mate van verstoring geen sprake van essentieel leefgebied van marterachtigen. Negatieve effecten op marterachtigen zijn uitgesloten, aannemelijk zal de planlocatie in de toekomst voor de soorten een hogere natuurwaarde krijgen. De rode eekhoorn komt voornamelijk voor in boomrijke omgevingen als bossen, parken en bosschages. De bosschages maken mogelijk deel uit van het leefgebied van de rode eekhoorn, deze worden binnen de beoogde ontwikkeling echter niet aangetast. Negatieve effecten op de soort zijn uitgesloten.

De das komt voor in kleinschalig landschappen op hoog en lage zandgronden met afwisselende structuren als houtsingels, paardenweide, bosschages en akkers. In de houtsingel direct naast de planlocatie ten zuiden zijn dan ook meerder waarnemingen van de das bekend. In de directe omgeving zijn voldoende structuren die in dekking en voedsel voorzien. De momenteel aanwezige maïsakkers zal hier in slechts een klein deel van het jaar in voorzien en is derhalve niet essentieel. Daarnaast ontbreekt het hier aan sporen als vraatsporen, neusputjes en latrines. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op de das, en zal in de toekomst mogelijk resulteren tot een hogere natuurwaarde. Om verstorende effecten op de das te voorkomen dienen zware trillingen van machinaal gebruik voorkomen worden en de werkzaamheden ten zuidwesten van de planlocatie (langs de houtsingel) uitgevoerd worden buiten de kwetsbare kraamperiode (december t/m juni). Door vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocatie, waar werkzaamheden zijn beoogd, een essentiële functie bevat voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol, vos en veldmuis.

Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2,5 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone grootoorvleermuis, gewone dwergvleermuis en laatvlieger (NDFF 2011-2021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Mogelijk wordt middels beheer in de toekomst enkele bomen gekapt. Er wordt geadviseerd, indien beheermatige kapwerkzaamheden zijn voorzien de bomen voorafgaand te inspecteren op de aanwezigheid van holtes. Wegens het ontbreken van bebouwing is het voor vleermuizen onmogelijk om op de planlocatie geschikte rust- of verblijfplaats te vinden.

Het is uit te sluiten dat de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling worden er geen luwten en groenstructuren aangetast. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen

7

op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn mag enkel vleermuisvriendelijke verlichting gebruikt worden (amberkleurige verlichting, neerwaarts en geconvergeerd). Amfibieën Binnen een straal van 2,5 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en poelkikker (NDFF 20112021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: poelkikker. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat.

Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn koren van de bastaardkikker en poelkikker gehoord in het ondiepe waterpartij aan de oostkant en is de poelkikker aangetroffen ten westen van de planlocatie. Ten oosten van de planlocatie is een ondiepe waterpartij aanwezig. Mogelijk maat deze deel uit van het voortplantingswater van amfibieën als de poelkikker. Deze worden echter niet aangetast waardoor er geen sprake is van negatieve effecten ten aanzien van het voortplantingsgebied van de soort. De poelkikker is ten oosten van de planlocatie waargenomen. Hier zijn verschillende vorstvrijestructuren aanwezig als kleine holen, takenstappels en struweel wat onderdeel uitmaakt van het landhabitat van de soort. In dit deel van de planlocatie zijn tevens geen werkzaamheden beoogd waardoor er geen sprake is van aantasting van het landhabitat van de poelkikker. Daarnaast is er geen sprake van verstoringen gezien de activiteiten op ruime afstand plaatsvinden van het voortplantingswater en overwinterhabitat. Het agrarische veld maakt door de hoge mate van bewerkingen en verstoring geen deel uit van het landhabitat van de poelkikker, wegens het ontbreken van vorstvrije structuren. Echter dient het doden en verwonden van de soort voorkomen te worden.

De graafwerkzaamheden mogen derhalve niet uitgevoerd worden in de migratieperiode van de soort van en naar het landhabitat (medio augustus t/m medio oktober en medio maart t/m medio april) (zie Te treffen maatregelen). Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2,5 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 20112021). Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van essentieel habitat van beschermde reptielen binnen de planlocatie uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2,5 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie bevindt zicht een visvijver en watergang. De visvijver blijft in de huidige staat behouden waardoor negatieve effecten op vissen zijn uitgesloten.

De watergang blijft behouden, hier wordt echter een duiker verplaatst, waarbij mogelijk tijdelijk verstoringen optreden. Echter zijn er voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden indien er in één werkrichting wordt gewerkt (zie Te treffen maatregelen).

8

Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2,5 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie is geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: aalscholver, blauwe reiger, grauwe gans, houtduif, heggenmus, kleine karekiet, meerkoet, merel, tjiftjaf, vink, zanglijster en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. De huismus en gierzwaluw broeden vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Wegens het ontbreken van bebouwing kan het voorkomen van nestlocaties van huismus en gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus en/of gierzwaluw. Op en rondom de planlocatie zijn voornamelijk waarnemingen van de buizerd en slechtvalk bekend.

Mogelijk zijn er dan ook nesten van de buizerd aanwezig in de houtsingels of bosschage rondom de planlocatie en een nest van de slechtvalk in de telefoonmast (Alticom datacenter Megen), direct gelegen naast de planlocatie. Deze nesten worden binnen de beoogde ontwikkeling niet aangetast. Echter dient verstoring voorkomen te worden door werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren (eind februari t/m augustus). Op de planlocatie is mogelijk sprake van functioneel leefgebied van uilen- en roofvogelsoorten. De beoogde ontwikkeling zal echter resulteren in een hogeren natuurwaarde als foerageergebied. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli.

Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

9

Beoordeling (b) gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 8,8 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 4).

Figuur 4

De planlocatie ligt op een afstand van circa 8,8 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: kaartbank.brabant.nl).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een natuurgebied met een (dag)recreatie bestemming. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ontwikkeling in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per d.d. 1 juli 2021 geldt onder de Stikstofwet een partiële vrijstelling voor de bouwfase, waarmee aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wet nb art. 2.9a). Momenteel is de juridische houdbaarheid van deze partiële vrijstelling onzeker.

Gezien er sprake is van een grote afstand (8,8 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: het Natuurnetwerk Brabant. De planlocatie ligt direct naast het Natuurnetwerk Brabant (figuur 5).

10

Figuur 5

De planlocatie ligt direct naast het Natuurnetwerk Brabant (bron: kaartbank.brabant.nl).

Ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Gezien de planlocatie natuurlijk wordt ingericht waarbij grote delen niet of extensief worden gebruikt worden negatieve effecten op het Natuurnetwerk Brabant niet verwacht.

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.

11

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De beoogde ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurwaarde. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Hiervoor dienen enkele maatregelen getroffen te worden om negatieve effecten te voorkomen. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (februari t/m augustus). (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied het Natuurnetwerk Brabant. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUSberekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen kapwerkzaamheden beoogd waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2

Overzicht van de Soortenbescherming. soortenbescherming soortgroep beschermingssoortspecifiek regime Wet nb onderzoek vaatplanten grondgebonden zoogdieren vleermuizen amfibieën poelkikker* reptielen vissen insecten en andere ongewervelden vogels (cat. 1 t/m 4) buizerd* slechtvalk* vogels (cat. 5)

mogelijk functie plangebied

n.v.t. n.v.t n.v.t.

nee nee nee

-

artikel 3.5 n.v.t. n.v.t. n.v.t.

nee nee nee nee

-

artikel 3.1 artikel 3.1 n.v.t.

nee nee nee

-

* Ten aanzien van deze soort dienen maatregelen getroffen te worden om negatieve effecten te voorkomen.

Tabel 3

Overzicht van de Gebiedsbescherming.

gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

Natura 2000

8,8 km

geen

n.v.t.

Natuurnetwerk Brabant

0m

geen

n.v.t.

Tabel 4

Overzicht van de Houtopstanden.

houtopstanden

aanwezig

kap

melding

struiken

ja

mogelijk

n.v.t.

bomen

ja

mogelijk

n.v.t.

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, poelkikker en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

12

Conclusie De beoogde ontwikkeling (realisatie natuur met recreatie bestemming) aan de Langstraat ong. te Dieden is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Vervolgstappen De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • Tijdens de werkzaamheden dient één werkrichting gehanteerd te worden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).

• De graafwerkzaamheden mogen niet uitgevoerd worden in de migratieperiode van de poelkikker van en naar het landhabitat (medio augustus t/m medio oktober en medio maart t/m medio april) om onnodig doden en verwonden van individuen te voorkomen. • Om verstorende effecten op de das te voorkomen dienen zware trillingen van machinaal gebruik voorkomen worden en de werkzaamheden ten zuidwesten van de planlocatie (langs de houtsingel) uitgevoerd worden buiten de kwetsbare kraamperiode (december t/m juni). • De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels als de buizerd en slechtvalk (broedseizoen indicatief eind februari t/m augustus).

13

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Rana lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.kaartbank.brabant.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

14

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ing. G. Fairhurst Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

15

Bijlage 1 Fotografische impressie

16

Figuur 1

De watergang aan de oostzijde van het agrarische perceel, deze blijft behouden.

Figuur 2

De houtsingel direct naast de planlocatie en blijft behouden.

17

Figuur 3

De telefoonmast (Alticom datacenter Megen) staat naast de planlocatie. Hier is een nestlocatie van de slechtvalk aanwezig.

Figuur 4

De aangetroffen poelkikker, het leefgebied van de soort wordt niet binnen de beoogde ontwikkeling aangetast.

18

Bijlage 4

- Watertoets

datum 12-7-2021 dossiercode 20210712-38-27096 Samenvatting ingevoerde gegevens Persoonlijke gegevens aanvrager Projectnaam: Langestraat 14, Dieden Naam aanvrager: Dhr. T. Vette Organisatie: Buro SRO Arnhem Straat/Postbus: Sweerts de Landasstraat Huisnummer: 50 Postcode: 6814 DG Plaats: Arnhem Telefoon: E-mail: Contactpersoon gemeente Naam gemeente: Oss Contactpersoon: Annelien Meulkens Telefoon: 14 0412 E-mail: A.Meulkens@oss.nl Kaartmateriaal Heeft het ingetekende plangebied kaartmateriaal geraakt? ja Welke gemeente omvat het grootste deel van het door u getekende plangebied? Oss Vragen Houdt het plan uitsluitend een interne functieverandering voor een gebouw in? Hierbij is ook geen sprake van een verhardingstoename en/of afkoppeling van hemelwater? nee Is er sprake van een directe lozing van afvalwater op oppervlaktewater? nee Vervolgvragen Omvat het plan een verhardingstoename of een afkoppeling van hemelwater(oppervlak) waarbij het oppervlak 2000 m2 of meer bedraagt? nee Betreft het de bouw van minimaal 100 woningen en/of de (her)ontwikkeling van een bedrijventerrein? nee Is er sprake van een grondwateronttrekking (inclusief drainage)? nee Aanvullende vragen Hoe wordt in het plan het hemelwater verwerkt?

1. Via een gescheiden stelsel: hemelwater wordt geïnfiltreerd {afval_hemelwater_geinfiltreerd} 2. Via een gescheiden stelsel: hemelwater wordt vertraagd afgevoerd naar oppervlaktewater {afval_hemelwater_afvoer-oppervlaktewater} 3. Via een gemengd stelsel {afval_hemelwater_gemengd} Worden er materialen gebruikt waardoor het afstromende hemelwater verontreinigd kan raken? {materiaal_verontreiniging} Ligging plangebied

Waterschap Aa en Maas streeft ernaar om correcte en actuele informatie in deze applicatie aan te bieden. Aan het beschikbaar gestelde kaartinformatie kunnen geen rechten worden ontleend. Waterschap Aa en Maas aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enige vorm van schade naar aanleiding van het gebruik of de informatie die via deze applicatie beschikbaar wordt gesteld. www.dewatertoets.nl

datum 12-7-2021 dossiercode 20210712-38-27096 Bedankt voor het invullen van de Digitale Watertoets! Uit de door u ingevoerde gegevens blijkt dat uw planvoornemen diverse waterbelangen raakt. Vandaar dat wij graag meedenken over de voorgenomen ontwikkeling. Hieronder volgt een opsomming van de waterbelangen die in ieder geval met het plan zijn gemoeid.

Vertraagde afgevoerd op een leggerwatergang of een ander oppervlaktewater Als er sprake is van afvoer naar een nabijgelegen leggerwatergang / overig oppervlaktewater, mag deze alleen vertraagd plaatsvinden. Hierbij mag de afvoernorm (afvoercoëfficiënt) die voor de locatie geldt niet worden overschreden, om overbelasting van het watersysteem te voorkomen. Het water uit een bergingsvoorziening kan via een uitstroomvoorziening (bijvoorbeeld een pijp) vertraagd worden afgevoerd naar oppervlaktewater. De waterafvoer vanuit de bergingsvoorziening mag deze norm niet overschrijden. Voor een uitstroomvoorziening in het talud van een A-watergang dient een watervergunning te worden aangevraagd.

Categorie-A-watergangen dienen te worden aangegeven op de verbeelding Alle categorie-A-watergangen dienen te worden aangegeven op de verbeelding.

Worden er inrichtingsmaatregelen getroffen ter verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit? De wijze van inrichten van een oppervlaktewater kan effect hebben op de oppervlaktewaterkwaliteit. Algen halen veel zuurstof uit het water en hebben hierdoor vaak een negatief effect op het waterleven (bijvoorbeeld vissterfte). Omdat algen op geringe waterdiepten groeien is het belangrijk om waterbodems niet te ondiep aan te leggen. Het bevorderen van de watercirculatie is van belang voor de zuurstofvoorziening. Natuurvriendelijke oevers dienen niet steil te zijn om plek aan allerlei planten zoals riet en onderwaterplanten te kunnen bieden. Deze halen voedingsstoffen uit het water die dan niet meer beschikbaar zijn voor algen. Menging van waterstromen met verschillende kwaliteit mag niet leiden tot een verslechtering van de kwaliteit. Grotere waterpartijen en plassen hebben een waterdiepte van minimaal 1,5m bij streefpeil. Natuurvriendelijke oevers hebben, indien mogelijk, een talud van 1:5 of flauwer waarbij de waterbodem plaatselijk is verdiept tot 2m. Hiermee wordt de verticale watercirculatie in het oppervlaktewater bevorderd en daarmee ook de zuurstofvoorziening. Bij de inrichting van het watersysteem dient water met een betere kwaliteit te stromen naar water met een slechtere kwaliteit.

Aanvoerwater van mindere kwaliteit dan die van het water binnen het plangebied, dient zoveel mogelijk te worden beperkt.

Toevoeging water en waterhuishoudkundige voorzieningen aan bestemmingen in planregels Bij alle bestemmingen in de planregels dient rekening te worden gehouden met water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Met het opnemen van water en waterhuishoudkundige voorzieningen in de verschillende relevante bestemmingsomschrijvingen, kan water op allerlei manieren in een plangebied worden toegepast. Om de flexibiliteit van de toepassing van water in een bestemmingsplan zo groot mogelijk te houden adviseert het waterschap 'water- en waterhuishoudkundige voorzieningen' in de verschillende bestemmingsomschrijvingen op te nemen. Hiermee kan onnodige vertraging van projecten worden voorkomen. Mogelijk noodzakelijke aanvullende ruimtelijke planprocedures hoeven immers niet te worden gevoerd, als voldoende rekening is gehouden met water in het bestemmingsplan. Voor overige ruimtelijke plannen dient een soortgelijke systematiek te worden gevolgd. Gebruik niet-uitlogende materialen Als laatste verzoeken wij u om bij de bouw af te zien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Hiermee worden bijvoorbeeld zink en koper in daken, gevels, goten en leidingen bedoeld. Tot slot Zoals hierboven is aangegeven gaan wij graag met u in gesprek. U kunt contact met ons opnemen via planadvies@aaenmaas.nl

Met vriendelijke groet, Team Planadvies van Waterschap Aa en Maas Let op! De Digitale Watertoets is een hulpmiddel om inzichtelijk te maken welke waterbelangen mogelijk spelen in het plangebied. Vandaar dat dit automatisch gegenereerde toetsresultaat niet gezien kan worden als vervanging van het watertoetsproces of vrijstelling van een eventuele vergunnings- of meldingsplicht op basis van de Keur. Voor meer informatie m.b.t het vergunningverleningsproces kunt u contact opnemen met ons Waterwetloket via 073 615 83 33 of info@aaenmaas.nl Waterschap Aa en Maas streeft ernaar om correcte en actuele informatie in deze applicatie aan te bieden. Aan het beschikbaar gestelde kaartinformatie kunnen geen rechten worden ontleend. Waterschap Aa en Maas aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enige vorm van schade naar aanleiding van het gebruik of de informatie die via deze applicatie beschikbaar wordt gesteld. www.dewatertoets.nl

Bijlage 5

- Bodemonderzoek vooronderzoek extensieve recreatie

Milieuhygiënisch vooronderzoek Langestraat nabij nr. 14 Dieden 21-2264.2-R01AvH

COLOFON

Opdrachtgever

In alle st(r)aten Langestraat 14 5371 KD Dieden

Contactbedrijf

Buro SRO Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG Arnhem

Locatie

Langestraat nabij nr. 14 te Dieden

Type onderzoek

Milieuhygiënisch vooronderzoek NEN 5725

Rapportnummer

21-2264.2-R01AvH

Datum rapport

29 maart 2022

Auteur

Dhr. A.J. van Houwelingen Projectleider Bodem

Kwaliteitscontrole

Mevr. M. Penders Projectleider Bodem

Inventerra Nijverheidsweg 34 3341 LJ Hendrik-Ido-Ambacht (078) 682 24 55 info@inventerra.nl

Milieuhygiënisch vooronderzoek Langestraat nabij nr. 14 te Dieden 21-2264.2-R01AvH

INHOUDSOPGAVE

1.

INLEIDING .......................................................................................................................... 1

2.

MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK NEN 5725 .............................................................. 2

3.

HYPOTHESE ........................................................................................................................ 4

4.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...................................................................................... 5

BIJLAGEN 1. 2. 3.

Weergave onderzoekslocatie Resultaten vooronderzoek Kwaliteitsaspecten van het onderzoek

Milieuhygiënisch vooronderzoek Langestraat nabij nr. 14 te Dieden 21-2264.2-R01AvH

1. INLEIDING

In opdracht van In alle st(r)aten heeft Inventerra in maart 2022 een milieuhygiënisch vooronderzoek conform de NEN 5725 (hierna: vooronderzoek) verricht voor een locatie aan de Langestraat nabij nr. 14 te Dieden. De aanleiding voor het vooronderzoek is de voorgenomen wijziging van de bestemming. Het doel voor het vooronderzoek is het opstellen van een hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van een eventueel uit te voeren bodemonderzoek (aanleiding A uit de NEN 5725:2017). Onderhavig vooronderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725:2017 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek). Die norm beschrijft de werkwijze voor het uitvoeren van het vooronderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Het doel van het vooronderzoek is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreinigingen op de locatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Kwaliteit Inventerra is door TÜV Nederland gecertificeerd voor de algemene kwaliteitsnorm NEN-EN-ISO 9001. Inventerra verklaart hierbij geen organisatorische, financiële of juridische binding te hebben met de opdrachtgever en/of de onderhavige onderzoekslocatie en verklaart daarmee te voldoen aan de vereisten zoals gesteld in Kwalibo (Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer).

In onderhavig rapport wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de uitvoering en resultaten van het vooronderzoek. In hoofdstuk 3 worden de verschillende onderzoeksvragen beantwoord, waarna één of meer hypotheses worden geformuleerd, gebaseerd op de verzamelde informatie. In hoofdstuk 4 worden ten slotte conclusies getrokken uit het vooronderzoek.

Milieuhygiënisch vooronderzoek Langestraat nabij nr. 14 te Dieden 21-2264.2-R01AvH

pag. 1 van 5

2. MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK NEN 5725

Om inzicht te krijgen over de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. De te verzamelen informatie is afhankelijk van de aanleiding en het doel van het vooronderzoek. De aanleiding voor het navolgend beschreven vooronderzoek is het opstellen van een hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van een eventueel uit te voeren bodemonderzoek (aanleiding A uit de NEN 5725). Ten behoeve hiervan dient in ieder geval informatie te worden verzameld over:  Bodemopbouw en geohydrologie, inclusief informatie over de verwachte aan- of afwezigheid van antropogene lagen in de bodem;  Verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit op basis van de bodemkwaliteitskaart, reeds uitgevoerde bodemonderzoeken en of mogelijk sprake kan zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging;  Gebruik en beïnvloeding van de locatie, verdachte situaties, asbest, activiteiten en/of ongewone voorvallen, op basis van het voormalige en huidige gebruik.

Voor het verzamelen van de benodigde informatie kunnen meerdere informatiebronnen worden geraadpleegd, zoals:  Informatie/interview(s) eigenaar en/of opdrachtgever  Archieven gemeente, omgevingsdienst en/of provincie  Online bronnen zoals Bodemloket.nl en Topotijdreis.nl  Bodemkwaliteitskaarten  Topografische kaarten  Geohydrologische kaarten Verder dient een terreinverkenning te worden uitgevoerd. Vermeld dient te worden dat de verantwoordelijkheid voor de resultaten van onderhavig onderzoek wordt beperkt tot de aan deze resultaten ten grondslag liggende en op het moment van onderzoek ter beschikking staande gegevens, alsmede de bij de terreininspectie(s) ter plaatse van de onderzoekslocatie geconstateerde situatie. In navolgende tabel is de tijdens het vooronderzoek verzamelde relevante informatie (samengevat) weergegeven. Waar nodig is uitgebreidere informatie opgenomen in de bijlagen 1 t/m 3 bij dit rapport. In bijlage 1 zijn een tekening en de foto’s van de terreininspectie opgenomen. Tabel 1 Overzicht verzamelde informatie vooronderzoek

Gegevens onderzoekslocatie Adres

Langestraat nabij nr. 14 te Dieden

Kadaster

Ravenstein, sectie C 947 (ged.) en 477

XY-coördinaten

X: 169.450

Oppervlakte

circa 4,3 hectare

Huidig gebruik

De locatie betreft grotendeels akkerland en is deels begroeid met bomen.

Toekomstig gebruik

Gepland is wijziging van de bestemming in verband met realisatie van natuur en extensief gebruik voor dagrecreatie.

Omgeving

De locatie wordt deels omringd door agrarische percelen. Noordelijk is de Galgenstraat gelegen. Westelijk is een voormalige zendmast gesitueerd.

Y: 424.680

Milieuhygiënisch vooronderzoek Langestraat nabij nr. 14 te Dieden 21-2264.2-R01AvH

pag. 2 van 5

Vervolg tabel 1

Overzicht verzamelde informatie vooronderzoek

Overige informatie vooronderzoek Informatie eigenaar / contactbedrijf

Op een deel van het erf van Langestraat 14 is door Bodeminzicht een verkennend bodemonderzoek verricht (rapport B1107, d.d. 19 december 2011). In het rapport wordt het volgende geconcludeerd: “In de zintuiglijk schone bovengrond ter plaatse van de dieseltank (MM1) is een licht verhoogd gehalte aan minerale olie gemeten. De verhoging is marginaal en gerelateerd aan het gebruik van de dieseltank door de jaren heen. In de plaatselijk zwak baksteenhoudende bovengrond van de vaste bodem (MM2) zijn geen verhoogde gehaltes aan onderzochte stoffen aangetoond. In de zintuiglijk schone ondergrond zijn eveneens geen verhoogde gehaltes aan onderzochte parameters aangetoond. In het grondwater ter plaatse van Pb1 is een licht verhoogde gehalte aan barium gedetecteerd. De verhoging is toe te schrijven aan een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek.” De aanwezige grond in de depots betreft grond afkomstig van de grondbank. In bijlage 5 is het rapport van de partijkeuring opgenomen. Hieruit blijkt dat de grond voldoet aan klasse “Achtergrondwaarde”. Oostelijk aangrenzend van de locatie is door Inventerra in 2021 een vooronderzoek uitgevoerd (rapport 21-2264-R01AvH, d.d.

27 oktober 2021) en een verkennend bodemonderzoek (rapport 21-2264.1-R01AvH, d.d. 29 maart 2022). Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat in de grond lichte verontreinigingen met kobalt en nikkel zijn aangetoond. In het grondwater zijn geen verhogingen aangetoond, behoudens een van nature licht verhoogde concentratie barium.

Terreininspectie 8 maart 2022

Uit de terreininspectie blijkt dat op de locatie sprake is van een geoogst maisveld en dat het terrein deels begroeid is met bomen. Op het terrein liggen enkele depots met zand. Bij de terreininspectie is aandacht besteed aan het voorkomen van verdachte punten, zoals brandplaatsen, terreinophogingen of verzakkingen, aanwezigheid van puin op de bodem en de aanwezigheid van asbestverdachte bouw- en/of verhardingsmaterialen. Voornoemde aspecten zijn niet waargenomen.

Kaartmateriaal

Topotijdreis: De locatie is voor zover na te gaan altijd agrarisch in gebruik geweest. Voor zover te herleiden zijn er geen kassen of boomgaarden aanwezig geweest op de onderzoekslocatie. Wel zijn er op kaarten tot 1987 enkele sloten zichtbaar, die vanaf 1988 niet meer aanwezig zijn.

Provincie Noord-Brabant en omgevingsdienst

Via de website van de provincie Noord-Brabant en de omgevingsdiensten is een omgevingsrapportage opgevraagd. Hieruit blijkt dat van de locatie geen informatie bekend is. Aan de Ravensteinsedijk (westelijk van de locatie) zijn twee bodemonderzoeken uitgevoerd, waarbij geen verontreinigingen zijn vastgesteld. Zuidelijk van de locatie is een stortplaats gelegen (locatie Elzenbosstraat te Megen). Bij de uitgevoerde onderzoeken ter plaatse zijn overwegend lichte verontreinigingen aangetoond. Opgemerkt wordt dat de deklaag van de stortplaats te dun is en daarom niet voldoet.

Bodemkwaliteitskaart

De locatie is gelegen in een zone met ontgravingsklasse “<AW” voor zowel de bovengrond als de ondergrond.

Geohydrologie (DinoLoket en Grondwaterkaarten TNO)

De deklaag is ongeveer 5 meter dik en bestaat uit klei, fijn tot matig grof zand. Plaatselijk komt leem en veen voor. Het sediment van de deklaag behoort tot de Nuenengroep. De doorlatendheid van de deklaag is sterk wisselend, afhankelijk van het voorkomen van leem, klei en veen. In de deklaag bevindt zich het freatische grondwater. Het eerste watervoerend pakket is ongeveer 50 meter dik en bestaat uit matig tot zeer grove grindrijke zanden, met plaatselijk een kleilaag. Het bovenste gedeelte van de laag is van de Formatie van Veghel en het onderste gedeelte van de Formatie van Sterksel. De grondwaterstroming van het freatische grondwater is noordelijk gericht, in de richting van de Maas. Het diepe grondwater stroomt noordelijk tot noordwestelijk richting de Maas. De stijghoogte van het freatische grondwater is een meter hoger dan die van het middeldiepe grondwater, zodat er sprake is van inzijging.

Milieuhygiënisch vooronderzoek Langestraat nabij nr. 14 te Dieden 21-2264.2-R01AvH

pag. 3 van 5

3. HYPOTHESE

Ten behoeve van het opstellen van de onderzoekshypothese(s) dienen de volgende onderzoeksvragen te worden beantwoord: Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie? De begrenzing van de onderzoekslocatie is weergegeven op de kadastrale kaart en de situatietekening in bijlage 1. Is sprake van bodemvreemde lagen en waar bevinden deze zich? Er is vooralsnog geen aanleiding om te verwachten dat sprake is van bodemvreemde lagen, behoudens mogelijk dempingsmateriaal ter plaatse van de voormalige sloten. Is de bodem asbestverdacht? Op basis van de beschikbare en geraadpleegde informatie is er vooralsnog geen reden om aan te nemen dat de bodem op de locatie verdacht is voor een verontreiniging met asbest of asbesthoudende materialen. Welke kwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij te onderscheiden? De locatie is gelegen in een zone met ontgravingsklasse “<AW” voor zowel de bovengrond als de ondergrond. Wordt op de locatie of een deel daarvan (een geval van ernstige) bodemverontreiniging vermoed? Op grond van de verzamelde informatie wordt niet verwacht dat sprake is van een bodemverontreiniging op de locatie.

Is er sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn verdachte parameters? De aanwezige slootdempingen zijn formeel verdacht voor bodemverontreiniging, aangezien niet bekend is met welk materiaal de demping is uitgevoerd. Verwacht wordt echter, gezien de periode van demping (eind jaren ’80), dat dit is uitgevoerd met gebiedseigen of schone grond. Is er sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Er wordt niet verwacht dat eventuele (voormalige) activiteiten op de omliggende percelen de bodemkwaliteit op het onderzoeksterrein negatief hebben beïnvloed. Is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? Er is op de locatie nog geen bodemonderzoek uitgevoerd; derhalve is de uitvoering van bodemonderzoek nodig. Welke hypothese(s) en strategie zijn van toepassing bij de uitvoering van bodemonderzoek? De aanwezige slootdempingen zijn formeel verdacht voor bodemverontreiniging, aangezien niet bekend is met welk materiaal de demping is uitgevoerd. Verwacht wordt echter, gezien de periode van demping (eind jaren ’80), dat dit is uitgevoerd met gebiedseigen of schone grond. Voor het overige is de onderzoekslocatie onverdacht voor het voorkomen van een bodemverontreiniging.

Milieuhygiënisch vooronderzoek Langestraat nabij nr. 14 te Dieden 21-2264.2-R01AvH

pag. 4 van 5

4. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

In opdracht van In alle st(r)aten heeft Inventerra in maart 2022 een milieuhygiënisch vooronderzoek conform de NEN 5725 (hierna: vooronderzoek) verricht voor een locatie aan de Langestraat nabij nr. 14 te Dieden. De aanleiding voor het vooronderzoek is de voorgenomen wijziging van de bestemming. Het doel voor het vooronderzoek is het opstellen van een hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van een eventueel uit te voeren bodemonderzoek (aanleiding A uit de NEN 5725:2017). Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem. De aanwezige slootdempingen zijn formeel verdacht voor bodemverontreiniging, aangezien niet bekend is met welk materiaal de demping is uitgevoerd. Verwacht wordt echter, gezien de periode van demping (eind jaren ’80), dat dit is uitgevoerd met gebiedseigen of schone grond. Voor het overige is de onderzoekslocatie onverdacht voor het voorkomen van een bodemverontreiniging.

Milieuhygiënisch vooronderzoek Langestraat nabij nr. 14 te Dieden 21-2264.2-R01AvH

pag. 5 van 5

BIJLAGEN

Bijlage 1 Bijlage 1.1 Bijlage 1.2 Bijlage 1.3

Weergave onderzoekslocatie Omgevingskaart en kadastrale gegevens Situatietekening(en) Foto’s

Bijlage 2

Resultaten vooronderzoek

Bijlage 3

Kwaliteitsaspecten van het onderzoek

Bijlage 1

Weergave onderzoekslocatie

Bijlage 1.1

Omgevingskaart en kadastrale gegevens

Omgevingskaart

Deze kaart is noordgericht. Hier bevindt zich de onderzoekslocatie.

Bijlage 1.2

Situatietekening(en)

9

10

globale ligging depot zand

6

50m

bossage

LEGENDA geplaatste boring geplaatste peilbuis grens onderzoekslocatie locatie inspectie contour bestaande bebouwing perceelgrens 477 perceelnummer 1 fotostandpunt slootdemping

0

4/NUT

G

tr

G 477

akkerland

12

5

s en

8

7

4

C 234

akkerland

3

g al

t aa

13

akkerland

akkerland

akkerland

Galgenstraat

2

akkerland

C 947

Locatieinspectie

PROJECTNR.

21-2264.2

Langestraat 14 Dieden

PROJECT

TITEL

C 1023

Galgenstraat

A3 1.2 BIJLAGE

1:1000 FORMAAT

25-03-2022 SCHAAL

at DATUM

tra Lan ges

11

globale ligging depot zand

14

1

Bijlage 1.3

Foto’s

Bijlage 1.3

Foto’s

Foto 1

Foto 2

Foto 3

Foto 4

Foto 5

Foto 6

Foto 7

Foto 8

Vervolg bijlage 1.3

Foto’s

Foto 9

Foto 10

Foto 11

Foto 12

Foto 13

Foto 14

Bijlage 2

Resultaten vooronderzoek

Topotijdreis.nl 1893 - 1955:

1956 - 1966:

1967 - 1987:

1988 - heden:

Informatie opdrachtgever en/of overheid

21-2264.1 Dieden Omgevingsrapportage

Pagina 1 van 14

-

03-03-2022

Inhoudsopgave Voorblad Inhoudsopgave Inleiding Ravensteinsedijk te Haren Ravensteinsedijk 2a te Megen Elzenbosstraat (voormalig stortplaats) te Megen Kaarten Disclaimer Toelich ng

Pagina 2 van 14

-

03-03-2022

Inleiding Dit betre een rapportage van de milieu-hygiënische bodemkwaliteit van het perceel waarvan de loca e op de eerste pagina van deze rapportage is aangegeven. De rapportage is gemaakt met behulp van het bodeminforma esysteem (bis) van de gezamenlijke omgevingsdiensten in Noord–Brabant. Indien er van het perceel, of de directe omgeving hiervan, bodemonderzoeken of ondergrondse tanks in het bis bekend zijn, bevat deze rapportage een ui reksel hiervan.

Welke informa e bevat het bodeminforma esysteem? Bij de uitvoering van de gemeentelijke en provinciale bodemtaken ontvangen wij bodemrapporten bij grondwerken, bodem- en tanksaneringen, grondtransac es en het behandelen van aanvragen voor omgevingsvergunningen. De resultaten van de bodemonderzoeken worden verwerkt in het bis.

Geen informa e aanwezig Indien er in het bis geen informa e over een perceel aanwezig is, kan niet geconcludeerd worden dat er dan ook geen bodemverontreiniging aanwezig is. Alleen na uitvoering van een volledig verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 kan hierover meer zekerheid worden verkregen. Indien u onderzoek wilt laten uitvoeren dan adviseren wij u contact op te nemen met een SIKB BRL 2000 gecer ficeerd adviesbureau. Alleen onderzoeken die uitgevoerd zijn door een gecer ficeerd bureau worden voor overheidsbeslissingen in behandeling genomen.

Loca es met historisch bodembedreigende ac viteiten Om inzicht te krijgen waar de bodem in het verleden mogelijk verontreinigd is geraakt zijn de loca es met een risico op bodemverontreiniging in kaart gebracht. Deze gegevens zijn a oms g uit oude bestanden en tekeningen, zoals het Hinderwetarchief, milieuarchief en de bestanden van de Kamer van Koophandel. Deze historische informa e zegt iets over het vermoeden van bodemverontreiniging. In feite is het een risicoanalyse die kan leiden tot vervolgonderzoek. Deze loca es zijn ondergebracht in het zogenaamde historische bodembestand (HBB). Op tal van loca es met de meest verdachte bodembedreigende ac viteiten en waar nog niet eerder bodemonderzoek hee plaatsgevonden, hee inmiddels oriënterend bodemonderzoek plaatsgevonden.

Opbouw van de rapportage Op basis van de ingevoerde geografische gegevens die voor de aanvraag van de rapportage zijn ingevoerd, is met behulp van so ware gecontroleerd of er op het perceel of in de directe omgeving hiervan gegevens over de bodem en grondwater beschikbaar zijn. Indien deze informa e aanwezig is dan wordt deze getoond in de onderstaande volgorde: Informa e over de milieukwaliteit op de loca e: Pagina 3 van 14

-

03-03-2022

Overzicht loca egegevens Overzicht bodemonderzoeken Overzicht historische bodembedreigende ac viteiten Overzicht ondergrondse tanks Naast het geselecteerde perceel wordt ook in een straal van 25 meter rond het geselecteerde perceel gekeken of er onderzoeksgegevens beschikbaar zijn. Indien er informa e aanwezig is, dan wordt deze getoond onder het hoofdstuk:“Informa e over de milieukwaliteit in de directe omgeving van de loca e”. Vervolgens worden ook voor de percelen in de directe omgeving de loca egegevens, de historische bodembedreigende ac viteiten en de ondergrondse tanks weergegeven.

Toelich ng bij informa e over de bodemkwaliteit op de loca e Overzicht loca egegevens Onder deze paragraaf worden de loca egegevens getoond zoals deze in het bis bekend zijn. Onder de loca egegevens worden ook de status van de bodemloca e, eventuele verontreinigingen en de vervolgac e aangeven. Overzicht onderzoeken Onder deze paragraaf worden de gegevens van de bodemrapporten die op de loca e zijn uitgevoerd weergeven, zoals soort onderzoek, aanleiding, rapportdatum, beknopte conclusie en resultaat Wet bodembescherming. Overzicht historische bodembedreigende ac viteiten Onder deze paragraaf worden de historische bodembedreigende ac viteiten getoond zoals deze in het bis bekend zijn. Overzicht aanwezige ondergrondse tanks Onder deze paragraaf worden de ondergrondse tanks getoond, zoals deze in het bis bekend zijn. Informa e over de bodemkwaliteit in een straal van 25 meter rond de loca e Idem als informa e over de bodemkwaliteit op de loca e maar dan binnen een straal van 25 meter rond de loca e.

Pagina 4 van 14

-

03-03-2022

Loca e: Ravensteinsedijk te Haren Loca e Adres Loca ecode

AA082830803

Loca enaam

Ravensteinsedijk te Haren

Plaats

Oss

Loca ecode NB082830803 bevoegd gezag WBB

Status Vervolg WBB

voldoende onderzocht

Beoordeling

Status rapporten

Verkennend onderzoek NVN 5740

Beschikking

Status besluiten Is van voor 1987

Onverdacht/Niet verontreinigd

Status asbest Nee

Uitgevoerde onderzoeken Datum

Type

Verkennend 01-06-1993 onderzoek NVN 5740

Naam

Auteur Opdrachtnummer Archief Conclusie overheid Analy sche concl: BG: - OG: - GW: - Vervolg: Geen vervolg Opmerkingen: Projectaanleiding onbekend

Ravensteinsedijk TAUW te Haren

Beschikbare documenten per onderzoek Geen gegevens beschikbaar

Verontreinigende ac viteiten Ac viteit

Start Einde Vervallen

Benoemd

Verontreinigd Spoed

demping (niet gespecificeerd)

1925 9999

Niet van toepassing

Per defini e

Onbekend

Geconstateerde verontreinigingen Geen gegevens beschikbaar

Beschikbare documenten Geen gegevens beschikbaar

Pagina 5 van 14

-

03-03-2022

Voldoende onderzocht Onbekend

Besluiten Geen gegevens beschikbaar

Sanering Geen gegevens beschikbaar

Saneringscontouren Geen gegevens beschikbaar

Zorgmaatregelen Geen gegevens beschikbaar

Pagina 6 van 14

-

03-03-2022

Loca e: Ravensteinsedijk 2a te Megen Loca e Adres

Ravensteinsedijk 2 5368LC Haren

Loca ecode

AA082834013

Loca enaam

Ravensteinsedijk 2a te Megen

Plaats

Oss

Loca ecode NB082834013 bevoegd gezag WBB

Status Vervolg WBB

voldoende onderzocht

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=049c3a2a-9b53-4b77-af2a-37caccab134d