CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6A Regels en toelichting Berghemseweg 7 in Herpen.PDF

Adviescommissie Ruimte 20 januari 2022, gemeente OssBij agendapunt: BI Gebundelde procedure ontwerpbestemmingsplannen Binnenstraat ong. Herpen-2022, Polderstraat 12 Macharen 2022, Wilgenstraat 8 Geffen 2022, Berghemseweg 7 Herpen 202230.976 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Bestemmingsplan Berghemseweg 7 Herpen – 2022, pag. 28 van 63 Ontwerp 27 augustus 2021

5.2

Natuur

5.2.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming.

5.2.2 Groen en natuur/biodiversiteit Natuur- en landschapsvisie 2005 De visie vormt een toetsings- en ontwikkelingskader voor het natuur- en landschapsbeleid in Oss. Zij geeft richting aan ontwikkelingen en nodigt initiatiefnemers uit om een bijdrage te leveren aan projecten. De visie heeft als bouwsteen bijgedragen aan de Structuurvisie Oss 2020. De ambities die in de visie zijn opgenomen zijn: Het realiseren van een tweetal natuur- en landschapsparken, te weten: 'Maashorst-Herperduin' en het Maaspark'. Het realiseren van stevige verbindingen tussen de natuur- en landschapsparken. Behoud en herstel van natuur- en landschapswaarden in het 'Land van Grutto en Pastinaak' en het 'Land van Dassen en Struweel'. Het realiseren van een groenblauw lint door de polder rond de Hertogswetering. Het ontwikkelen van aantrekkelijke groengebieden in en rond Oss en de dorpen, te weten de 'Groenblauwe Slinger door Oss', de 'Groene geledingszone ten zuiden van Oss', de 'Groene dorpen' en de 'Maasband'. Routekaart Groen, Blauw en Natuur In deze nota is aangegeven dat we de natuur en de biodiversiteit willen verbeteren door in te zetten op een gemeentelijk natuurnetwerk, aanvullend op het provinciaal netwerk. Het landschap en de ontstaansgeschiedenis van de gemeente Oss vormen daarbij de basis. Daarbij onderscheiden we de vijf gebieden die ook in de Natuur- en Landschapsvisie worden genoemd.

Natuurinclusief bouwen De gemeente streeft ernaar om bij (ver)bouwen zoveel als mogelijk rekening te houden met de natuur en de biodiversiteit ofwel ‘natuurinclusief’ te bouwen. Aan initiatiefnemers wordt gevraagd om dit ook te doen. Bijzonder waardevolle bomen In 1998 is de beleidsnota “Bijzonder waardevolle bomen” opgesteld, waarin bomen zijn opgenomen die vanwege specifieke waarden bescherming verdienen. De lijst met waardevolle bomen wordt periodiek geactualiseerd. De laatste actualisatie is opgenomen in de nota “Bijzondere bomen in Oss 2018”. In deze nota is vastgelegd dat de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de aangewezen waardevolle

Bestemmingsplan Berghemseweg 7 Herpen – 2022, pag. 29 van 63 Ontwerp 27 augustus 2021

bomen altijd geweigerd moet worden tenzij het kappen van deze bomen vanuit het algemene belang noodzakelijk is. Dit is verder vertaald in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op grond van de APV is voor het kappen van bomen die op de Beschermde bomenlijst staan een vergunning vereist. De vergunning kan op grond van verschillende criteria door het college van burgemeester en wethouders worden geweigerd. Onderhavig plan is niet gelegen in een al dan niet te ontwikkelen natuurnetwerk. In het plangebied is geen sprake van bomen die als waardevol zijn aangemerkt. Privé groen in de vorm van een tuin is onderdeel van het plan. Openbaar groen is geen onderdeel van de inrichting van het plangebied.

5.2.3 Natuurtoets Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Deze bescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden Programma Aanpak Stikstof (PAS) Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in enkele beroepszaken tegen Natura 2000-vergunningen die zijn gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS) 2015-2021 (Kamerstuk 32 670, nr. 146). Het is een stevige uitspraak die per direct forse consequenties heeft voor individuele ondernemers, maar ook voor ambities van gemeenten, provincies en Rijksoverheid op het terrein van onder meer waterveiligheid, infrastructuur, woningbouw en klimaat. De uitspraak komt erop neer dat de PAS ‘gesneuveld’ is als aanpak en systeem voor vergunningverlening van stikstofvergunningen op basis van de Wet natuurbescherming. Hoewel er geen directe relatie lag en ligt tussen een bestemmingsplan en de PAS, is het sneuvelen van de PAS ook voor RO en bestemmingsplannen van belang, met name ook door de aandacht voor stikstof. Tot nu toe werd als ondergrens waaronder je geen Natuurvergunning nodig had (0,05 Mol/ha) ook in de RO vaak gebruikt om aan te tonen dat stikstof geen probleem was voor de voorgenomen planontwikkeling.

Op basis van de nieuwe Stikstofwet, die na het sneuvelen van de PAS van kracht is geworden, geldt deze ondergrens voor de aanlegfase (van een bouwproject o.i.d.) opnieuw. Voor de gebruiksfase niet, daarvoor geldt dat geen sprake mag zijn van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Is wel sprake van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden dan geldt dat alleen voor specifieke projecten onder voorwaarden mogelijkheden aan de orde zijn. Soortenbescherming Voor onderhavige ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd door Nipa Milieutechiek. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 8). De conclusies zijn als volgt: “Op basis van de quickscan die is uitgevoerd ter plaatse van Berghemseweg 7 te Herpen, worden, als gevolg van de geplande ontwikkeling, geen negatieve effecten verwacht op beschermde soorten vanuit de Wet natuurbescherming. Op basis van de quickscan is een aanvullend of nader onderzoek naar de aanwezige flora en fauna, ons inziens, niet noodzakelijk. Voor de geplande activiteiten is geen ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbeheer noodzakelijk en zijn geen compenserende maatregelen nodig.” Gebiedsbescherming Op 3 maart 2021 is door het Rijk de ‘Handreiking Voortoets Stikstof’uitgebracht. Hierin is o.a.

het volgende opgenomen: “Op grond van de AERIUS-resultaten kunnen significant negatieve gevolgen van een plan of project op voorhand uitgesloten worden als het plan of project niet leidt tot een depositietoename op een stikstofgevoelig habitattype of leefgebiedtype waar de KDW (bijna) wordt overschreden. De voortoets bestaat dan enkel uit een beschrijving van de uitgangspunten van de emissieberekening, de AERIUS-resultaten en de conclusie dat significante gevolgen zijn uitgesloten”.

Bestemmingsplan Berghemseweg 7 Herpen – 2022, pag. 30 van 63 Ontwerp 27 augustus 2021

Voor onderhavige ontwikkeling is een voortoets uitgevoerd. De voortoets is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 6) en kent de navolgende conclusie: “Binnen 10 kilometer van het plangebied zijn geen Natura 2000-gebieden gelegen. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied ligt op 14 kilometer: Rijntakken. Uit de berekeningen volgt dat zowel door de aanleg- (sloop en bouw) als de gebruiksfase van het planvoornemen geen sprake is stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De AERIUS-berekeningen hebben aangetoond dat de stikstofdepositie gelijk is aan 0,00 mol N/ha/jaar. Dat betekent dat het project niet leidt tot stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. Op basis van de AERIUS-resultaten hoeft er geen verder onderzoek naar stikstofdepositie ten gevolge van het planvoornemen uitgevoerd te worden en is het niet nodig een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aan te vragen.” Conclusie Natuur vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

Bestemmingsplan Berghemseweg 7 Herpen – 2022, pag. 31 van 63 Ontwerp 27 augustus 2021

5.3 Archeologie en Cultuurhistorie 5.3.1 Bij wetgeving (erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet) De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. De wet is op 1 juli 2016 in werking getreden en vervangt zes wetten en regelingen. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. De Erfgoedwet vervangt de volgende zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed: • • • • • •

Monumentenwet 1988 (deels); Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten; Wet tot behoud van cultuurbezit; Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied; Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 over onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen; Regeling materieel beheer museale voorwerpen.

In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • • •

vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. bescherming van stads- en dorpsgezichten.

Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro. 5.3.2 Archeologiebeleid gemeente Oss Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument

Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv

Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten

35 m2 / 30 cm -Mv

Historische stads-/dorpskern

50 m2 / 30 cm -Mv

Hoge verwachtingswaarde

100 m 2 / 30 cm -Mv

Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein

1000 m2 / 30 cm -Mv

Bestemmingsplan Berghemseweg 7 Herpen – 2022, pag. 32 van 63 Ontwerp 27 augustus 2021

Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde

5 hectare / 30 cm -Mv

Reeds onderzocht

Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek.

Verstoord

Geen onderzoeksplicht

Volgens de archeologische beleidskaart heeft het plangebied een hoge verwachtingswaarde. Vanuit het archeologiebeleid geldt een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm beneden het huidige maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². 5.3.3 Archeologietoets Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is aan het bestemmingsplangebied een hoge verwachtingswaarde toegekend. Concreet betekent dit dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². Het verdient aanbeveling om aan de ‘voorkant’, dat wil zeggen voordat de ruimtelijke onderbouwing of plantoelichting wordt opgesteld, onderzoek te doen. Afhankelijk van de verwachtingswaarde van het gebied waarin de ontwikkeling is voorgenomen, kan dat een bureauonderzoek, een booronderzoek, een proefsleuvenonderzoek of een daadwerkelijk opgravingsonderzoek zijn. In geval van onderzoek vooraf is wellicht, uiteraard afhankelijk van de uitkomst daarvan, geen bescherming nodig door het opnemen van een zogenaamde dubbelbestemming in de planregels. Daarover hieronder meer. Indien vooraf geen onderzoek is gedaan is het in elk geval noodzakelijk dat de archeologische (verwachtings)waarde beschermd wordt door borging in de planregels.

Toetsing van de plannen De archeologische verwachtingswaarde ter plaatse van het initiatief is ‘hoog’. Dit betekent dat alleen zonder archeologisch onderzoek grondwerkzaamheden zijn toegestaan die strekken tot een oppervlakte van 100m2 en dieper dan 0,3m ten opzichte van het maaiveld. Onderdeel van onderhavig initiatief zijn grondwerkzaamheden, waarbij meer dan 100m2 dieper dan 0,3m zal worden geroerd. Dat betekent dat voor het initiatief een archeologisch onderzoek aan de orde is. Door KSP Archeologie is met die reden een verkennend archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 4). De conclusie en het advies is als volgt. “Conclusie Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging binnen een zone met dekzandwelvingen, op grote afstand van een bron van open water is aan het plangebied een lage verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum, een hoge verwachting voor nederzettingsresten en begravingen uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw).

In het merendeel van het plangebied geldt een lage verwachting voor een huisplaats uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot Nieuwe tijd door het ontbreken van bebouwing op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw. In het noordoosten van het plangebied heeft aan het begin van de 19e eeuw en mogelijk daarvoor een huisplaats gestaan. Deze is eind 19e eeuw (bovengronds) gesloopt, toen is in het noordwesten van het plangebied een woning gebouwd. Hier kunnen ondergrondse resten van de huisplaats uit de 19e eeuw en mogelijk daarvoor aanwezig zijn en geldt een hoge verwachting voor een huisplaats uit de Late Middeleeuwen tot Nieuwe tijd.

Bestemmingsplan Berghemseweg 7 Herpen – 2022, pag. 33 van 63 Ontwerp 27 augustus 2021

Op basis van informatie van de eigenaar en een vergelijkbaar lage ligging op het AHN als het ten zuiden van het plangebied gelegen gebied waar een ontgrondingsvergunning voor delfstofwinning is afgegeven kan de bodem in het plangebied diep geroerd zijn. Bij archeologisch booronderzoek in 2004 ter hoogte van de zojuist genoemde zone met delfstofwinning ten zuiden van het plangebied bleek echter de oorspronkelijke bodemopbouw nog deels intact en zijn aanwijzingen gevonden voor een vindplaats uit de Middeleeuwen. Daar zijn aan het maaiveld zijn ook aanwijzingen gevonden voor vindplaatsen vanaf de Romeinse tijd. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat de oorspronkelijke bodemopbouw op de overgang van de bouwvoor naar de natuurlijke ondergrond (het witte dekzand) overal verstoord is. Dit bevestigt de hypothese dat de bodem diep geroerd is door ontgronding. Op het erf zal de bodem verstoord zijn door de inrichting als erf aan het eind van de 19e eeuw.

Op basis hiervan is de lage verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum, de hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) en de lage verwachting voor huisplaatsen uit de periode Late Middeleeuwen tot Nieuwe tijd verlaagd naar een zeer lage archeologische verwachting. De oostelijke helft van het plangebied was in eerste instantie geen onderdeel van het onderzoeksgebied van het booronderzoek, aangezien hier de bestemming en het gebruik niet veranderen. In deze zone is een voormalige huisplaats aanwezig geweest en booronderzoek is zelden geschikt om de aanwezigheid van ondergrondse resten van huisplaatsen uit te sluiten. Gezien de diepe verstoringen in de westelijke helft van het plangebied is toch besloten om ook hier het booronderzoek uit te voeren. Ook hier is de bodem diep omgezet, waardoor de kans dat nog archeologisch relevante resten van de historische huislocatie worden aangetroffen zeer klein is. Tijdens een booronderzoek kan geen archeologische vindplaats worden aangetroffen, ten hoogste archeologische indicatoren die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Een waardestelling conform protocol 4003, VS06 is dan ook niet van toepassing.

Beantwoording van de onderzoeksvragen Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? Binnen het plangebied is sprake van een bouwvoor met daaronder geroerde lagen met kleuren die doen vermoeden dat de bodem geroerd is geweest tot in het witte dekzand. Lokaal is zelfs afgegraven tot aan het grondwater. Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? Op basis van het bureauonderzoek was een lage archeologische verwachting voor het plangebied opgesteld voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum en een hoge verwachting voor nederzettingsresten en begravingen uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) en in het merendeel van het plangebied een lage verwachting voor huisplaatsen vanaf de Late Middeleeuwen tot aan de Nieuwe tijd. Voor het noordoosten van het plangebied was een hoge verwachting opgesteld voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Het booronderzoek heeft uitgewezen dat het bodemprofiel diep is verstoord en dat deze verwachtingen naar een zeer lage verwachting kunnen worden bijgesteld.

In hoeverre wordt het (potentiële) archeologische niveau bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied? Door de diepe verstoringen is de kans dat een vindplaats binnen het plangebied aanwezig is als zeer

Bestemmingsplan Berghemseweg 7 Herpen – 2022, pag. 34 van 63 Ontwerp 27 augustus 2021

klein ingeschat en vormen de voorgenomen graafwerkzaamheden geen bedreiging voor het archeologische bodemarchief. Selectieadvies Op grond van de aangetroffen bodemverstoringen in het plangebied is er een zeer lage verwachting op archeologische resten binnen het plangebied. In toekomstige bestemmingsplannen adviseert KSP Archeologie dat ter hoogte van het plangebied dan geen archeologische dubbelbestemming meer hoeft te worden opgenomen en dat voor de herinrichting van de onderzochte percelen geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is. “ Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. Dit selectieadvies betekent nog niet dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Oss), die vervolgens een selectiebesluit neemt. De gemeente Oss heeft het uitgevoerde onderzoek beoordeeld en op basis van het voorgestelde selectieadvies een besluit genomen. Het selectiebesluit houdt in dat ter plaatse van het onderzochte gebied geen dubbelbestemming in het kader van de bescherming van eventuele archeologische waarden meer hoeft te worden opgenomen. Dit betekent dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. Het selectiebesluit is bijgevoegd bij dit bestemmingsplan (bijlage 5).

Conform het selectiebesluit is in onderhavig bestemmingsplan geen dubbelbestemming in het kader van de bescherming van eventuele archeologische waarden meer opgenomen. Indien – ondanks het uitgevoerde onderzoek en het genomen selectiebesluit - bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de minister gemeld te worden. In de praktijk kan de vinder terecht bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (T 033 – 4217 456 of info@cultureelerfgoed.nl) zodat de vondst geregistreerd wordt in het centraal archeologische informatiesysteem. Daarnaast wordt het advies gegeven om de vondst ook bij de gemeente te melden. Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend.

De gemeente Oss heeft voor onderhavige locatie een selectiebesluit genomen. Het selectiebesluit houdt in dat ter plaatse van het onderzochte gebied geen dubbelbestemming in het kader van de bescherming van eventuele archeologische waarden meer hoeft te worden opgenomen. Dit betekent dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. 5.3.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond

Bestemmingsplan Berghemseweg 7 Herpen – 2022, pag. 35 van 63 Ontwerp 27 augustus 2021

aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening. In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen.

Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen. De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”.

Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2009. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Volgens de provinciale cultuurhistorische waardenkaart ligt onderhavige locatie in de regio Peelrand. Er zijn geen cultuurhistorische vlakken, landschappen of archeologische landschappen van toepassing. De kaartlagen ‘cultuurhistorische vlakken’ en ‘complexen van cultuurhistorisch belang’ zijn ook opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Daaruit blijkt dat op onderhavige locatie geen aanduidingen zijn opgenomen ter behoud, herstel en duurzame ontwikkeling van de aardkundige en cultuurhistorisch waarden en kenmerken. Ter plaatse van onderhavige locatie is geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle en/ of monumentale bebouwing.

Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen. Een en ander voor zo ver het

Bestemmingsplan Berghemseweg 7 Herpen – 2022, pag. 36 van 63 Ontwerp 27 augustus 2021

terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.

Bestemmingsplan Berghemseweg 7 Herpen – 2022, pag. 37 van 63 Ontwerp 27 augustus 2021

5.4

Mobiliteit en parkeren

5.4.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Momenteel is sprake van een woning, in de toekomstige situatie blijft dit hetzelfde. De ontsluiting van de woning verandert ook niet. Dat betekent dat de verkeersaantrekkende werking gelijk blijft (conform CROW 7,8 motorvoertuigen per etmaal) en het wegprofiel (erftoegangsweg type I) en de ontsluiting afdoende is. 5.4.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. In de nota ‘Parkeernormen 2017’ heeft de gemeente Oss voor een woning zoals onderhavige (koop vrijstaand buitengebied) een norm van 2,4 parkeerplaatsen per woning opgenomen. Ter plaatse is op eigen terrein voldoende ruimte voor het parkeren van 3 auto’s aanwezig (minimaal 2,5x5 meter per auto). Voldaan wordt aan het parkeerbeleid van de gemeente Oss.

Bestemmingsplan Berghemseweg 7 Herpen – 2022, pag. 38 van 63 Ontwerp 27 augustus 2021

5.5

Water

5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.

De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.

Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer

Bestemmingsplan Berghemseweg 7 Herpen – 2022, pag. 39 van 63 Ontwerp 27 augustus 2021

-

1. 2. 3. 4. 5.

Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.

Er wordt geen 500 m2 of meer verhard oppervlak gerealiseerd. Dat betekent dat het waterschap in onderhavige situatie ten aanzien van de tijdelijke berging en verwerking van hemelwater geen compensatie-eis stelt. 5.5.2

Watertoets

Op www.dewatertoets.nl is de digitale watertoets ingevuld. Hiervan zijn drie mogelijke uitkomsten/ procedures: • Geen waterbelang: Er is een functiewijziging zonder relevante wateraspecten • Verkorte procedure: U heeft een klein plan met weinig relevante wateraspecten • Normale procedure: U heeft een groot plan met meerdere relevante wateraspecten. Na het invullen van de digitale watertoets werd direct aangegeven dat met het ruimtelijk plan de standaard waterparagraaf verkorte procedure is gemoeid en dat het waterschap in eerste instantie geen op- of aanmerkingen heeft op het plan. Bijgevoegd bij deze toelichting treft u het toetsresultaat en de samenvatting van www.dewatertoets.nl aan (bijlage 1). Conform het gemeentelijke waterbeleid geldt dat in het buitengebied al het hemelwater op eigen terrein moet worden verwerkt, het mag niet (ook niet bij hevige regenval) worden aangeboden bij het openbaar gebied. Op eigen terrein is gezien de oppervlakte van het perceel, de mate van bebouwing en de gemiddeld hoogste grondwaterstand voldoende ruimte aanwezig voor de verwerking van het hemelwater. Afvalwater Aangaande de afvoer van afvalwater verandert de situatie niet. De huidige woning is reeds aangesloten op het gemeentelijk riool, deze zal te zijner tijd worden afgekoppeld als de nieuwe woning wordt aangekoppeld.

Bestemmingsplan Berghemseweg 7 Herpen – 2022, pag. 40 van 63 Ontwerp 27 augustus 2021

5.6

Defensie

Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.

Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.

Bestemmingsplan Berghemseweg 7 Herpen – 2022, pag. 41 van 63 Ontwerp 27 augustus 2021

5.7

Milieuaspecten

In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering - Bodem - Externe veiligheid - Geurhinder: agrarisch - Geur: industrieel - Luchtkwaliteit - Straling - Weg-, spoor-, en industrielawaai - Gezondheid - Spuitzones 5.7.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Op circa 350 meter ten westen van de plek waar de bestaande woning herbouwd wordt is een horecagelegenheid met slijterij gelegen (Berghemseweg 13).

Door het plan komt de woning verder weg van de horecagelegenheid te liggen dan in de huidige situatie het geval is. De afstand van 350 meter is echter afdoende. Op basis van de VNG handreiking Bedrijven en milieuzonering is voor de toegestane horeca activiteiten een maximum afstand van 50 meter opgenomen. Tussen de horecagelegenheid en de nieuwe woning zijn ook andere woningen gelegen. De horecagelegenheid wordt door de ontwikkeling niet in haar bedrijfsvoering belemmerd. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Op 220 meter ten zuiden van het nieuwe bestemmingsvlak is een camping gelegen (Herperduin). De in acht te houden richtafstand tussen kampeerterreinen, vakantiecentra e.d. (met keuken) en gevoelige functies is op basis van de VNG handreiking Bedrijven en milieuzonering maximaal 50 meter. Het bestemmingsvlak komt dichterbij de camping te liggen dan in de huidige situatie het geval is. De in acht te nemen richtafstand van 50 meter wordt gehaald. De camping wordt door de ontwikkeling niet in haar bedrijfsvoering belemmerd. Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Op 74 meter van het nieuwe bestemmingsvlak ligt een agrarisch veehouderij bedrijf (Buunderstraat 3). Het gaat hier om een bedrijf waar meerdere diersoorten worden gehouden. Rundvee, schapen en paarden.

De grootste bijbehorende afstanden op basis van de VNG handreiking Bedrijven en milieuzonering is 100 meter voor geur. Dit aspect komt later in een aparte paragraaf van deze toelichting over geur aan de orde, waar gerefereerd wordt aan het gemeentelijke geurbeleid dat hierin leidend is. Qua afstanden zijn verder de aspecten stof, geluid en gevaar nog aan de orde. Hiervoor geldt een grootste richtafstand van 30 meter. Dit geldt voor stof en geluid. Voor gevaar is 0 meter van toepassing. De in acht te nemen richtafstand van 30 meter wordt gehaald. Verder is aan de orde dat het bestemmingsvlak in de nieuwe situatie dichterbij het agrarische veehouderij bedrijf komt te liggen. Echter, is dit niet belemmerend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf. Namelijk, er zijn reeds dichterbij andere geurgevoelige objecten gelegen die in deze maatgevend zijn. Het agrarische

Bestemmingsplan Berghemseweg 7 Herpen – 2022, pag. 42 van 63 Ontwerp 27 augustus 2021

veehouderij bedrijf wordt door de ontwikkeling niet in haar bedrijfsvoering belemmerd. Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Op 115 meter van het nieuwe bestemmingsvlak ligt een agrarisch veehouderij bedrijf (Buunderstraat 12 en Mergental 10). Het gaat hier om een paardenhouderij. De grootste bijbehorende richtafstand op basis van de VNG handreiking Bedrijven en milieuzonering is 50 meter. De in acht te nemen richtafstand van 50 meter wordt gehaald. Verder is aan de orde dat het bestemmingsvlak in de nieuwe situatie dichterbij het agrarische veehouderij bedrijf komt te liggen. Echter, is dit niet belemmerend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf. Namelijk, er zijn reeds dichterbij andere gevoelige objecten gelegen die in deze maatgevend zijn. Het agrarische veehouderij bedrijf wordt door de ontwikkeling niet in haar bedrijfsvoering belemmerd. Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uiteraard kan ook het initiatief een bron van hinder voor gevoelige nabijgelegen objecten zijn. Het betreft hier een woning: een gevoelige functie. Er is geen sprake van de ontwikkeling van een bron van hinder. Gesteld kan worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het initiatief vormt geen belemmering voor de bedrijfsvoering van nabijgelegen bedrijven.

5.7.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Voor de ontwikkeling is door Van Oort Bodemonderzoek een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 3). De samenvatting en het advies zijn als volgt. “Op de locatie aan de Berghemseweg 7 te Herpen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in verband met een bestemmingswijziging en nieuwbouw van een woning. Kadastraal staat de locatie bekend als; gemeente Ravenstein, sectie G, nummers 998 en 1000. De oppervlakte van de locatie bedraagt circa 1.000 m2. Het doel van het onderzoek is het vastleggen van de kwaliteit van grond en grondwater en te beoordelen of er bezwaren zijn tegen een woonbestemming en het verlenen van een omgevingsvergunning. Bij de uitvoering van het onderzoek is gebruik gemaakt van de NEN 5725 en NEN 5740.

De strategie van het onderzoek is afgestemd op het vooronderzoek (historie). Gebruik is gemaakt van de onderzoeksopzet voor een onverdachte niet lijnvormige locatie (ONV-NL). Het veldwerk is uitgevoerd op basis van de BRL SIKB 2000. De analyses (AS3000) zijn uitgevoerd door Synlab Analytics & Services BV uit Rotterdam. Zintuiglijk zijn tijdens de veldwerkzaamheden in de bodem geen verontreinigingen of andere bijzonderheden waargenomen. Met laboratoriumonderzoek is aangetoond dat de bovengrond licht verontreinigd is met kwik, lood en zink (>Aw). De ondergrond en het grondwater zijn niet verontreinigd (<Aw/<Sw).

Bestemmingsplan Berghemseweg 7 Herpen – 2022, pag. 43 van 63 Ontwerp 27 augustus 2021

Op basis van het totaal aan onderzoeksresultaten behoeft de bodemkwaliteit ons inziens geen belemmering te vormen voor een woonbestemming en nieuwbouw van een woning. Er is geen aanleiding tot een vervolgonderzoek. Geadviseerd wordt de resultaten van het bodemonderzoek voor te leggen aan de gemeente Oss. Als onderzoeksbureau hebben we een adviserende taak. Het bevoegd gezag bepaald of het onderzoek volstaat en/of aanvullend onderzoek noodzakelijk is.” Op grond van de resultaten van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat geen bezwaren bestaan over de bodemkwaliteit voor de beoogde ontwikkeling. Het bevoegd gezag kan instemmen met het uitgevoerde onderzoek. Van vervolgonderzoek is dan ook geen sprake. Bodem vormt geen belemmering voor het wijzigen van de bestemming van ‘Agrarisch met waarden – landschap’ naar ‘Wonen’. 5.7.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes).

Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is.

Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de

Bestemmingsplan Berghemseweg 7 Herpen – 2022, pag. 44 van 63 Ontwerp 27 augustus 2021

Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Het betreft hier een beperkt kwetsbaar object (verspreid liggende woning) gelegen in het invloedsgebied van wegen (A50). Hieronder is een uitsnede opgenomen van de risicokaart behorende bij de gemeentelijke Beleidsvisie Externe veiligheid. Zie de blauwe stip voor de aanduiding van onderhavige locatie.

Onderhavige locatie ligt op meer dan 300 meter vanaf de A50, daarmee is de locatie in zone 4 gelegen. Hiervoor geldt de standaard verantwoordingsplicht. Vanaf 300 meter wordt alleen rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. In dit gebied zijn geen functies uitgesloten, bescherming wordt geboden door ramen en deuren te sluiten. De verantwoording voor een ontwikkeling op deze plek is als volgt. Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat: • vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident, • de aard van het mogelijke incident (blootstelling aan toxisch gas), het groepsrisico niet significant zal toenemen. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is geen item. • Toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico. • De kans op overlijden door een incident met gevaarlijke stoffen is hier bijzonder klein (kleiner dan 1 op 1.000.000). De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden.

Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/ de Veiligheidsregio opgestelde ‘risicoprofiel’.

Bestemmingsplan Berghemseweg 7 Herpen – 2022, pag. 45 van 63 Ontwerp 27 augustus 2021

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwings- en AlarmeringsSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De zone III gebieden in de bebouwde kom vallen geheel binnen het dekkingsgebied van het WAS. Dit geldt ook voor onderhavig plangebied.

5.7.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken; - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss

1,0 Ou

B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij

2,0 Ou

C. Plangebied (bij kern A en B)

3,0 Ou

D. Woonkern met intensieve veehouderij

6,0 Ou

E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal

6,0 Ou

F. Recreatiegebieden

8,0 Ou

Bestemmingsplan Berghemseweg 7 Herpen – 2022, pag. 46 van 63 Ontwerp 27 augustus 2021

G. Extensiveringsgebieden

8,0 Ou

H. Bedrijventerreinen

8,0 Ou

I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk

12,0 Ou

J. Verwevingsgebied

14,0 Ou

K. Landbouwontwikkelingsgebied

14,0 Ou

Toetsing aan beleid Allereerst moet de vraag worden beantwoord of sprake is van nieuwe geurgevoelige objecten en/ of het realiseren van nieuwe bronnen van agrarische geurhinder. In onderhavige situatie gaat het in de zin van de wet om de verplaatsing van een bestaand geurgevoelig object wat gezien wordt als het mogelijk maken van een nieuw geurgevoelig object. In artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij wordt een geurgevoelig object als volgt omschreven: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. In onderhavige situatie is het van belang dat gemotiveerd wordt dat voor het nieuwe geurgevoelige object sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat agrarische bedrijven door de toevoeging van het nieuwe geurgevoelige object niet worden belemmerd in hun uitbreidingsmogelijkheden. Hieronder wordt ingegaan op beide aspecten. Geurnorm en -belastingen De locatie is conform de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 gelegen in gebied G. Extensiveringsgebieden. Hier geldt de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij met geuremissiefactor op een geurgevoelig object van 8,0 Ou. Zie onderstaande afbeelding, waarop de locatie is aangeduid met een pijl.

Hieronder is een uitsnede opgenomen van de meest recente algemene kaart van de ODBN waar de achtergrondbelasting ten gevolge van veehouderijen in de gemeente op inzichtelijk is gemaakt. De locatie is aangeduid met een pijl.

Bestemmingsplan Berghemseweg 7 Herpen – 2022, pag. 47 van 63 Ontwerp 27 augustus 2021

Voor wat betreft de achtergrondbelasting geldt dat de locatie nog net is gelegen in 10-15 Ou/m3 geuremissiecontour van het bedrijf aan de Beemdenweg 2/2A. Dat betekent dat de indicatieve achtergrondbelasting (tevens de voorgrondbelasting gezien geen sprake is van cumulatie) hier hoger is dan 8 Ou. Er wordt niet voldaan aan de norm. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Voor het beoordelen of bij ruimtelijke initiatieven sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heeft de gemeente Oss de beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Oss 2013 vastgesteld. In deze beleidsregel is vastgelegd wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiervan is sprake als de achtergrondbelasting geclassificeerd kan worden als ‘voldoende’ of ‘goed’. Er zijn dan geen belemmeringen om mee te werken aan het ruimtelijke initiatief. In de tabel hieronder (afkomstig uit de beleidsregel) heeft de gemeente vastgelegd wanneer sprake is van een ‘goed’, ‘voldoende’ of ‘onvoldoende’ woon- en leefklimaat.

Bestemmingsplan Berghemseweg 7 Herpen – 2022, pag. 48 van 63 Ontwerp 27 augustus 2021

In onderhavige situatie, gelegen in het buitengebied, moet de achtergrondbelasting minimaal voldoen aan 20 Ou/m3 om als ‘voldoende’ te kunnen worden beoordeeld. De achtergrondnorm van 20 Ou/m3 komt ook overeen met de norm zoals in het provinciale beleid als aanvaardbaar wordt beschouwd. In onderhavige situatie wordt voldaan aan de achtergrondnorm van 20 Ou/m3, gezien de achtergrondbelasting ter plaatse tussen de 10 en 15 Ou/m3 ligt. Sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Belemmering van bedrijven Gezien sprake is van een bestaande situatie die gewijzigd wordt (opschuiven naar rechts) is reeds sprake van een geurgevoelig object waarop een bestaande veehouderij een te hoge belasting veroorzaakt/ waardoor de bestaande veehouderij in zijn uitbreidingsmogelijkheden wordt belemmerd. Door het geurgevoelige object te wijzigen, verder weg van het emissiepunt te verleggen, wordt de situatie voor de veehouderij verbeterd. Daarbij geldt dat de veehouderij ook door andere geurgevoelige objecten reeds wordt belemmerd in zijn uitbreidingsmogelijkheden. Door de ontwikkeling wordt de veehouderij niet meer belemmerd dan in de huidige situatie het geval is. Vaste afstanden Aan de overzijde van de Berghemseweg zijn nog twee bedrijven gelegen waar dieren worden gehouden waarvoor vaste afstanden gelden. Het gaat hier om Buunderstraat 3 en Buunderstraat 12/ Mergental 10.

Voor beide bedrijven geldt ten opzichte van de woning aan Berghemseweg 7 (woning buiten bebouwde kom) een vaste afstand van 25 meter. De afstand tussen het nieuwe bestemmingsvlak ‘Wonen’ en de bouwvlakken aan de Buunderstraat 3 en Buunderstraat 12/ Mergental 10 bedraagt respectievelijk 74 en 115 meter. De vaste in acht te nemen afstand wordt voor beide bedrijven gehaald. Alhoewel het nieuwe bestemmingsvlak dichterbij deze bedrijven komt te liggen is geen sprake van belemmering van de bedrijfsvoering van deze bedrijven. Er is immers dichterbij deze bedrijven al sprake van andere geurgevoelige objecten. Conclusie Het woon- en leefklimaat is aanvaardbaar. Er worden geen bedrijven in hun bedrijfsvoering belemmerd. Geurhinder van veehouderijen vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. 5.7.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid.

Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is.

Bestemmingsplan Berghemseweg 7 Herpen – 2022, pag. 49 van 63 Ontwerp 27 augustus 2021

Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. In de buurt van het plangebied zijn twee bedrijven gelegen: een horecagelegenheid met slijterij op Berghemseweg 13 en een camping (Herperduin). Beide bedrijven zijn beschreven in de paragraaf Bedrijven en milieuzonering van deze toelichting. De maximaal in acht te nemen richtafstanden (waaronder ook geur vanuit de bedrijvigheid valt) zoals zijn opgenomen in de VNG handreiking Bedrijven en milieuzonering worden in geval van beide bedrijven gehaald. Industriële geurhinder is geen beperkende factor voor onderhavig initiatief. 5.7.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen.

Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=7a13ea4c-2d32-4a32-872d-42e297d34232