Bijlage 6 - Inspectie das en kleine marterachtigen
Tekst van het document
Rho Adviseurs voor leefruimte T.a.v. De heer R. Kerstens Torenallee 20 5617 BC Eindhoven
Boxmeer, 14 februari 2024
Betreft: Project:
Memo aanvullende inspectie das en kleine marterachtigen 20608.008
Inleiding Econsultancy heeft van Rho Adviseurs voor leefruimte opdracht gekregen voor het uitvoeren van een aanvullende inspectie naar das en kleine marterachtigen. Op 29 januari 2024 heeft het veldbezoek met betrekking tot de aanvullende inspectie plaatsgevonden. Bij de aanvullende inspectie zijn drie dassenburchten in de omgeving van de onderzoekslocatie geïnspecteerd op gebruik, sporen en waar mogelijk op functie en op wissels in de omgeving van de burchten (figuur 1). Daarnaast is de functie van de onderzoekslocatie en de directe omgeving beoordeeld op functie voor de das. Op de onderzoekslocatie is daarnaast de meest westelijk gelegen greppel, ter hoogte van de voorgenomen wandelpanden, geïnspecteerd op aanwezigheid van muizenholen of andere elementen die kunnen dienen als verblijfplaats voor kleine marterachtigen (figuur 1 en 2).
Figuur 1. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving met meest westelijk gelegen greppel en locaties dassenburchten.
Figuur 2. Ontwerp toekomstige wandelpad (lichtbruin).
situatie
met
Resultaten aanvullende inspectie das Op de onderzoekslocatie zijn geen geschikte holen van de das aangetroffen, waardoor vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de das op de onderzoekslocatie zijn uitgesloten. De onderzoekslocatie vormt echter wel potentieel geschikt foerageergebied voor de das. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn drie burchten van de das bekend (figuur 3). Deze burchten bevinden zich op circa 200 meter (burchtlocatie 1), 250 meter (burchtlocatie 2) en 460 meter (burchtlocatie 3) afstand van de onderzoekslocatie. Op basis van monitoringsgegevens, bekend bij de gemeente Oss, is gebleken dat burchtlocatie 1 in 2023 actief is bewoond door de das. Tevens blijkt uit deze verspreidingsgegevens dat de burchtlocaties 2 en 3 in 2022 bewoond waren door de das. Deze nieuwe informatie heeft er toe geleid dat er een aanvullende inspectie nodig is, waarbij de drie burchtlocaties zijn bezocht.
Figuur 3. Luchtfoto met onderzoekslocatie en burchtlocaties van de das met aangetroffen wissels en neusputjes.
De dassenburcht bij burchtlocatie 1 bestaat uit twee pijpen en bevindt zich onder de aanwezige voederkuil (figuur 4 en 5). Volgens de agrariër, welke eigenaar is van de grond, is het boerenbedrijf en daarmee ook de voederkuil al meerdere jaren niet meer in gebruik. Naast twee pijpen zijn er meerdere neusputjes in de directe omgeving van de pijpen aangetroffen. Daarnaast zijn op de naastgelegen akker meerdere wissels van de das aangetroffen (figuur 3).
Figuur 4. Pijp oostzijde voerkuil (burchtlocatie 1).
Figuur 5. Pijp dassenburcht noordzijde voerkuil (burchtlocatie 2).
De dassenburcht bij burchtlocatie 2 bevindt zich in een bosschage in een verhoging van het landschap. De dassenburcht bestaat uit minimaal 4 pijpen. Meerdere van deze pijpen vertoonde graafsporen (figuur 6 en 7). Daarnaast zijn in de directe omgeving van de dassenburcht meerdere neusputjes en twee wissels waargenomen (figuur 2 en 8).
Figuur 6. Pijp van burchtlocatie 2 met graafsporen.
Figuur 7. Graafsporen bij pijp van burchtlocatie 2.
Figuur 8. Wissel met prenten van de das.
De dassenburcht bij burchtlocatie 3 bevindt zich in een bosschage. De dassenburcht bestaat uit twee pijpen (figuur 9). Er zijn geen graafsporen bij de pijpen waargenomen. Daarnaast zijn geen neusputjes of mestputjes in de directe omgeving van de burcht vastgesteld. In de directe omgeving van de dassenburcht is wel een wissel waargenomen (figuur 2 en 10).
Figuur 9. Pijp van burchtlocatie 3
Figuur 10. Wissel in de directe omgeving van burchtlocatie 3.
Conclusie das Door de afstand van de onderzoekslocatie tot de burchten (burchtlocatie 1 t/m 3) in de directe omgeving van de onderzoekslocatie, is directe verstoring als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden op voorhand uit te sluiten. Rondom deze burchten zijn veel maispercelen aanwezig, welke maar een deel van het jaar voedsel bieden aan de das. Ten noorden en noordoosten van de burchten zijn meer blijvende graslanden aanwezig, welke jaarrond stapelvoedsel vormen voor de das. Op de onderzoekslocatie zelf is sprake van een wisselend agrarisch gebruik, welke de laatste jaren bestaat uit productiegrasland en daarvoor mais. Gezien het ontbreken van wissels en sporen richting en op de onderzoekslocatie en meer geschikt foerageergebied in de directe omgeving van de burchtlocaties zal door de planvorming geen essentieel deel van het foerageergebied van de das verdwijnen. Immers zal een deel van het plangebied weer een groene bestemming krijgen en geschikt ingericht kunnen worden voor de das als nieuwe verbinding met zijdelingse foerageermogelijkheden richting de agrarische omgeving. De noordelijke en westelijke groenzone binnen de planvorming biedt kansen om ook bij de herinrichting maatregelen te nemen voor de das waardoor ook in de toekomstige situatie een functie voor de das mogelijk wordt gemaakt (figuur 11).
Maatregelen kunnen bestaan uit bijvoorbeeld het aanplanten van een fruitboomgaard en/of bosschages met inheems plantmateriaal met bes en nootdragende beplanting. Het wordt geadviseerd om maatregelen vast te leggen in het inrichtings- en beheersplan. Tevens wordt geadviseerd om de hoeveelheid wandelpaden in deze groenzone zoveel als mogelijk te beperken.
Figuur 11. Schetsontwerp toekomstige situatie met noordelijke en westelijke groenzone (rood kader) (bron: Rho adviseurs, d.d. 3 november 2023).
Resultaten aanvullende inspectie marterachtigen Steenmarter (in niet stedelijke omgeving) en kleine marterachtigen maken als rust- of voortplantingsplaats vaak gebruik van stenenstapels, hout- en takkenhopen, ruimtes onder boomwortels en oude holen (van bijvoorbeeld konijnen en muizen). Kleine marterachtigen zijn verder ook sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen en struweel, omdat deze dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- en voortplantingsplaatsen en foerageergebieden. De greppels aan de randen van de onderzoekslocatie vormen een geschikte migratieroute voor kleine marterachtigen. Bij de voorgenomen werkzaamheden vinden er mogelijk graafwerkzaamheden plaats bij de meest westelijk gelegen greppel. Ter hoogte van de voorziene wandelpanden zijn meerdere holen van onder andere muizen en een groter dier aangetroffen (figuur 12 t/m 16). Uitgaande van de het huidige ontwerp en het daarin voorziene wandelpad (figuur 2 en 11), kan bij graafwerkzaamheden niet uitgesloten worden dat deze holen worden vergraven. Bij de voorgenomen werkzaamheden zijn negatieve effecten ten aanzien van kleine marterachtigen niet op voorhand uit te sluiten.
Figuur 12. Luchtfoto onderzoekslocatie en waargenomen holen.
Figuur 13. Greppel haaks op meest westelijk gelegen greppel met meerdere kleine (muizen)holen.
Figuur 14. Klein (muizen)hol, in greppel haaks op meest westelijk gelegen greppel.
Figuur 15. Meest westelijk gelegen greppel.
Figuur 16. Groter hol in meest westelijk gelegen greppel.
Conclusie kleine marterachtigen Omdat bij de voorgenomen werkzaamheden mogelijk holen en daarmee mogelijke vaste rust- en voortplantingsplaatsen van kleine marterachtigen worden vergraven zijn negatieve effecten niet op voorhand uit te sluiten. Er bestaan twee mogelijke vervolgstappen: 1. Een omgevingsvergunning voor een flora en fauna-activiteit aanvragen en maatregelen treffen zonder aanvullend onderzoek. Het aanvragen van een vergunning voor kleine marterachtigen zonder aanvullend ecologisch onderzoek is sinds kort mogelijk naar aanleiding van het kennisdocument voor kleine marterachtigen dat recent is gepubliceerd (Bij 12, 2024). 2. Het uitvoeren van een aanvullend ecologisch onderzoek naar kleine marterachtigen. Indien hierbij geen marterachtigen worden aangetroffen worden aangetroffen is een omgevingsvergunning voor een flora en fauna-activiteit niet aan de orde. Indien echter wel kleine marterachtigen worden aangetroffen zijn maatregelen en een omgevingsvergunning voor een flora en fauna-activiteit aan de orde.
Met vriendelijke groeten, Econsultancy
Mevrouw R.H.A. Janssen, BSc Projectleider
De heer ir. B.H.H. Verdijck Kwaliteitscontroleur