CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 6 bij toelichting - ruimtelijke onderbouwing Heikampstraat 15 in Oss.PDF

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststellen bestemmingsplan "Ontwikkelingen 2 Buitengebied Oss - 2021"26.929 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, september 2016.

Naast deze aangewezen documenten hebben we tevens gebruik gemaakt van de volgende documenten: 

Circulaire energie in de milieuvergunning;

Circulaire geluidshinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer;

Handreiking industrielawaai en vergunningverlening;

Circulaire Industrielawaai;

Rapport Stallucht en Planten;

Handreiking fijn stof en veehouderijen;

Besluit niet in betekende mate bijdragen;

Regeling niet in betekende mate bijdragen;

Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007;

Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007.

Pagina

Ons kenmerk

6

VTH/W 34960

Hier is voor gekozen omdat voor de betreffende onderwerpen geen geschiktere documenten zijn opgenomen in de bijlage Nederlandse informatiedocumenten over BBT van de Regeling omgevingsrecht. Wij achten het niet noodzakelijk andere documenten voor de betreffende onderwerpen te raadplegen. Een verdere beschouwing van de beste beschikbare technieken is terug te vinden bij de afzonderlijke toetsing van de relevante milieucomponenten. In dit hoofdstuk is specifiek ingegaan op de BBT-conclusies.

2

VERGUNDE EN AANGEVRAAGDE DIEREN

2.1

Diertabel

In de bijlage Diertabel is een overzicht gegeven van het aantal vergunde en aangevraagde dieren. Dit zijn de uitgangsgegevens voor het beoordelen van de aanvraag omgevingsvergunning.

3

IPPC-INSTALLATIE

3.1

Algemeen

De RIE geeft milieueisen voor de installaties die genoemd staan in de bij de richtlijn horende bijlage I. Wanneer een installatie daar genoemd is, spreken we van een IPPC-installatie. Voor veehouderijen vallen onder andere de volgende installaties onder de werking van de RIE: 

meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee,

meer dan 2.000 plaatsen voor vleesvarkens (van meer dan 30 kg) of

meer dan 750 plaatsen voor zeugen.

De activiteit waarvoor vergunning wordt aangevraagd, heeft betrekking op de realisatie van een bedrijf met 1.112 dierplaatsen voor zeugen. Hiermee wordt de ondergrenswaarde van 750 plaatsen voor zeugen overschreden waardoor de installatie moet worden aangemerkt als een IPPC-installatie. Het toetsingskader wordt gevormd door de betreffende artikelen van de Wabo waarin de RIE is geïmplementeerd. Dit toetsingskader houdt in dat alle dierenverblijven moeten voldoen aan de eis van het toepassen van de BBT. Rekening houdend met de technische kenmerken en de geografische ligging van de inrichting en de plaatselijke milieuomstandigheden kan het nodig zijn om voorschriften te stellen die niet met toepassing van de BBT kunnen worden gerealiseerd. Als dit het geval is moeten emissiereducerende technieken worden toegepast die verder gaan dan de BBT.

Pagina

Ons kenmerk

7

VTH/W 34960

3.2

BBT

De BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij bevatten de volgende aspecten. Milieubeheerssystemen Een milieubeheerssysteem heeft tot doel om de algehele milieuprestaties van de veehouderij te verbeteren. Het gaat dan onder meer om het opstellen van een milieubeleid, de planning, vaststelling en uitvoering van procedures en het controleren van de prestaties en het nemen van corrigerende maatregelen. Dit aspect vertaalt zich in de zin van een verplichte boekhouding, waarin onder meer water- en energieverbruik, hoeveelheid veevoer en de hoeveelheid afval en meststoffen worden bijgehouden. Hiervoor gelden de registratieverplichtingen voor veevoer en mest op grond van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, de onderhoudsvoorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit (huisvestingssystemen en luchtwassystemen)) en de registratievoorschriften (dieraantallen, energie, water en afval) in de vigerende vergunningen. Goede bedrijfspraktijken Dit aspect vertaalt zich in de ligging van de installatie, noodplannen, voorlichting en opleiding van personeel en het onderhouden van installaties. Hiervoor gelden de voorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit (voor zover dit van toepassing is) en deze vergunning. Daarnaast zijn hiervoor regels opgenomen in de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet).

Dit geldt voor de voorlichting en opleiding van personeel en het onderhoud van gereedschap, machines en installaties (arbeidsmiddelen). Om veilig en gezond te kunnen werken dienen arbeidsmiddelen in goede staat te verkeren en op de juiste wijze te worden gebruikt. Opleiding en voorlichting van personeel is standaard bedrijfspraktijk. Voor specifieke installaties zijn controlevoorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit (voor zover dit van toepassing is) en deze vergunning. Een ander onderdeel van een goede bedrijfspraktijk is het zodanig situeren van activiteiten om overlast naar de omgeving te beperken. Dit vindt zijn uitwerking in de verschillende toetsingskaders die in deze beoordeling zijn behandeld. Verder gaat het om het zodanig opslaan van dode dieren dat emissies worden voorkomen of verminderd. De regels voor het opslaan van dode dieren (kadavers) staan in de Regeling dierlijke producten. In de omgevingsvergunning is geen verdere toets nodig. Voedingsbeheer (stikstof- en fosforuitscheiding met bijbehorende monitoring) De uitstoot van mineralen uit mest, waar dit aspect betrekking op heeft, is geïmplementeerd in de Meststoffenwet en behoeft in de omgevingsvergunning geen verdere toets. Met een

Pagina

Ons kenmerk

8

VTH/W 34960

normale landbouwpraktijk wordt voldaan aan deze BBT. Monitoring vindt op landelijk niveau plaats. Water (efficiënt gebruik van water / productie afvalwater / emissies via afvalwater) In de BBT-conclusies worden een aantal waterbesparende maatregelen en afvalwater beperkende technieken beschreven. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het gebruik van hogedrukreinigers welke zuiniger zijn bij het schoonspuiten van stallen, het ijken, controleren en onderhouden van de drinkwaterinstallatie, het bijhouden van het waterverbruik en de vervuilde zones van het erf zo klein mogelijk te houden. Hiervoor gelden de voorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit (zorgplicht). Een aantal technieken zijn onderdeel van een normale landbouwpraktijk. Het waterverbruik dient in het logboek geregistreerd te worden. Voor het uitrijden van afvalwater gelden eveneens de voorschriften uit het Activiteitenbesluit en voor het lozen van afvalwater met meststoffen geldt het Besluit gebruik meststoffen. Efficiënt gebruik van energie (energiebesparing) In de BBT-conclusies worden enkele aspecten als isolatiewaarden in stallen, ventilatiewijzen en verlichting beschreven. Voor het energieverbruik en de besparende maatregelen wordt verder verwezen naar de toetsing zoals elders in de beoordeling van de aanvraag is opgenomen.

Met het voldoen aan de energiebesparingsverplichting uit het Activiteitenbesluit, die in de vigerende vergunningen is opgenomen als voorschrift, wordt aan BBT voldaan. Geluid (geluidsbeheerplan en geluidemissies) Het is BBT om een geluidsbeheerplan op te zetten en na te leven en om één of een combinatie van de technieken te gebruiken om geluidsemissies te voorkomen of te beperken. Een geluidsbeheersplan is alleen van toepassing wanneer geluidshinder wordt verwacht of is aangetoond. Dit is geïmplementeerd in de vergunningverlening door de toetsing aan de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (handreiking). Op basis van deze toetsing wordt geluidshinder voorkomen. Wanneer niet aan de vergunningvoorschriften wordt voldaan, die volgen uit de toetsing aan de handreiking, wordt daarop gehandhaafd. Het maken van een geluidsbeheerplan is daarom niet nodig. Huisvesting (stofemissies (grof en fijn stof) voorkomen / geurbeheersplan inclusief bijbehorende monitoring / geuremissies voorkomen / ammoniakemissie) In de BBT-conclusies zijn, voor wat betreft de diercategorieën waarvoor voldoende bewezen technieken zijn ontwikkeld, huisvestingssystemen beschreven welke voldoen aan het criterium BBT. De passende maatregelen tegen verontreiniging zijn voor de vergunninghouder hierbij niet alleen op het gebruik van de stallen van toepassing, maar ook op de kosten, bouwwijze,

Pagina

Ons kenmerk

9

VTH/W 34960

ontwerp, onderhoud en ontmanteling ervan. Hierbij spelen de emissies van ammoniak, geur, stof en geluid een rol, maar ook het energieverbruik en het afvalwater zijn afwegingscriteria. In onderhavige situatie worden bij de varkens emissiearme stalsystemen toegepast. Uit de beoordeling hierna onder het kopje ‘Beste Beschikbare Technieken dierenverblijven’ in het hoofdstuk Ammoniak blijkt dat de toegepaste emissiearme stalsystemen voldoen aan het criterium dat het toepassen van de BBT vereist (toetsing op basis van het Besluit emissiearme huisvesting landbouwhuisdieren). Hieronder zijn de verschillende onderdelen uitgewerkt: 

stofemissies (grof en fijn stof) voorkomen

Met betrekking tot de stofemissie moet in elke stal één of een combinatie van technieken worden gebruikt. Het gaat hier om technieken om het ontstaan van stof te voorkomen, de concentratie van stof in de stal te verminderen en de uitstoot van stof te verminderen (verlagen stofconcentratie in de lucht uit de stal) Niet alle beschikbare fijn stof technieken zijn in de BBT-conclusie genoemd, zoals een nageschakelde droogtunnel of warmtewisselaars. Deze technieken zijn echter gelijkwaardig of beter dan andere in de BBT-conclusie genoemde technieken en kunnen daarom ook worden toegepast. Door elke stal aan te sluiten op een luchtwassysteem is aan deze BBT voldaan. 

geurbeheersplan inclusief bijbehorende monitoring

Met betrekking tot geur is het BBT om bij een overbelaste situatie of bij een historie van klachten op geurgevoelige objecten een geurbeheersplan te maken, uit te voeren en te evalueren. Aan de bijbehorende monitoring wordt voldaan door het toepassen van een geurberekening met V-stacks vergunning met gebruikmaking van de emissiefactoren van de Rgv. De beoordeling van de geurbelasting is hierna uitgewerkt in het hoofdstuk Geur. De geurbelasting op geurgevoelige objecten is hoger dan de norm voor geurbelasting. Het opstellen van een geurbeheersplan is nodig om aan deze BBT te voldoen. Een geurbeheersplan dient zowel bij bestaande als nieuwe situaties te worden opgesteld. Dit plan bestaat uit een protocol (of checklist) waarin duidelijk wordt gemaakt hoe wordt omgegaan met geurklachten. Dit protocol bevat acties waarmee de veehouder adequaat kan reageren op geconstateerde geurhinder. Het gaat dan om een uitwerking op de ten minste de volgende onderdelen: 

de manier van registreren;

Pagina

Ons kenmerk

10

VTH/W 34960

het controleren van de werking van aangebrachte geurreducerende maatregelen en indien nodig actie nemen;

het contact opnemen met de omgeving;

het tijdelijk staken van bepaalde activiteiten bij warm en windstil weer;

het evalueren van recente veranderingen in het management, zoals voer en reiniging en indien nodig aanpassen;

het nemen van geurreducerende maatregelen.

In het document ‘Geurbeheersplan’ ingediend op 25 oktober 2018 is dit protocol beschreven. 

geuremissies voorkomen

Voor het voldoen aan BBT voor het voorkomen van geuremissie moet een combinatie van de technieken worden toegepast. Door het toepassen van luchtwassers in alle stallen is aan deze BBT voldaan. 

ammoniakemissie

Voor ammoniak wordt voldaan aan BBT wanneer wordt voldaan aan het Besluit emissiearme huisvesting. Voor wat betreft de emissies van ammoniak, geur en zwevende deeltjes (fijn stof) wordt hier verder volstaan met een verwijzing naar de betreffende hoofdstukken waarin dit is beschouwd. Opslag van vaste mest en drijfmest (emissies naar de lucht / emissies naar water en bodem) Voor de opslag van mest wordt onderscheid gemaakt in vaste en vloeibare mest (drijfmest). Voor de vloeibare mest geldt dat deze in een afgedekte opslag moet worden bewaard (bijv. mestbassin of mestkelder). Voor de vaste mestopslagen geldt dat deze op een dichte vloer moet worden opgeslagen met afdekking dan wel percolaatopvang. Waar van toepassing gelden de voorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. Verwerking van mest op de boerderij (toepassen van mestverwerkingstechnieken) Het mestbe-/verwerken is geen verplichting vanuit de BBT-conclusies, maar wanneer deze op bedrijfsniveau worden toegepast kunnen hieraan eisen worden gesteld. Mest be-/verwerking vindt niet plaats op de bedrijfslocatie. Afhankelijk van de lokale omstandigheden en regelgeving kan mestvergisting of scheiding al dan niet in combinatie met nitrificatie en denitrificatie van drijfmest als BBT worden beschouwd bij varkens.

Pagina

Ons kenmerk

11

VTH/W 34960

Het uitrijden van mest (voorkomen stikstof en fosforemissie / ammoniakemissie / onderwerken mest) De regels voor het uitrijden van mest zijn opgenomen in het Besluit gebruik meststoffen. Dit behoeft in de omgevingsvergunning geen verdere toetsing. Gehele productieproces (berekenen ammoniakemissie) Met de verplichte registratie op grond van de meststoffenwet (aan- en afvoer mineralen) en de gegevens uit de (aanvraag) omgevingsvergunning wordt invulling gegeven aan deze BBTconclusie. Monitoring (monitoring ammoniak / stof monitoren / monitoren ammoniak en fijn stof emissies bij stallen met luchtzuiveringsinstallaties) / monitoren overige parameters) De BBT is om ammoniakemissies in de lucht te monitoren. Met het systeem van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) wordt aan deze BBT-conclusie voldaan. De BBT is om (fijn) stofemissies in de lucht te monitoren. Met het systeem van de fijn stof lijst wordt aan deze BBT-conclusie voldaan. Het is BBT om een luchtzuiveringsinstallatie te bemeten volgens een protocol en daarnaast de werking van het systeem te monitoren. Met het systeem van de Rav, de fijn stof lijst, de monitoringseisen in het Activiteitenbesluit voor luchtwassers en de monitoringseisen in stalbeschrijvingen wordt aan deze eis voldaan. Het is BBT om diverse parameters te registreren. Dit kan ook als onderdeel van het milieubeheerssysteem (zie hiervoor).

BREF op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB) De BREF ESB is van toepassing op de opslag, het transport en de verlading van vloeistoffen, vloeibare gassen en vaste stoffen bij IPPC-installaties onafhankelijk van de sector of industrie. Deze horizontale BREF gaat in op de emissies naar de lucht, bodem, water, waarbij de meeste aandacht uitgaat naar de emissies naar de lucht. De informatie met betrekking tot emissies van de opslag, handling en transport van vaste stoffen is gericht op stof. In de categorie specifieke BBT-conclusies zijn ook technieken opgenomen voor op- en overslag. Die technieken zijn dan specifiek voor die branche. De specifieke maatregelen verdienen de voorkeur boven de generieke maatregelen uit de horizontale BREFs. Zo zijn in de BBT-conclusies voor de intensieve pluimvee- of varkenshouderij specifieke maatregelen opgenomen voor de opslag van dierlijke mest. Voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en de opslag van vloeistoffen en gassen in opslagtanks zijn voorwaarden gesteld in de PGS-richtlijnen. Deze zijn van toepassing op basis van de algemeen werkende regels in het Activiteitenbesluit of op basis van de voorschriften

Pagina

Ons kenmerk

12

VTH/W 34960

die in deze vergunning zijn gesteld. De technische en organisatorische maatregelen uit de BREF ESB zijn verwerkt in deze Nederlandse BBT-documenten. De eisen aan emissies naar de lucht uit deze BREF zijn opgenomen in afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit. Deze regels hebben een rechtstreekse werking. Voor de aangevraagde activiteiten en daarbij behorende voorzieningen zijn, rekening houden met de in dit besluit opgenomen voorschriften, in overeenstemming met de in de BREF ESB genoemde best beschikbare technieken. De maatregelen staan in een redelijke verhouding tot de schaal van de installatie. BREF Energie-efficiëntie De BREF Energie-efficiency is van toepassing is op alle RIE-inrichtingen, behalve degenen die vallen onder het systeem van Emissiehandel. Deze BREF bevat derhalve richtsnoeren en conclusies inzake technieken voor energie-efficiëntie die voor alle onder de RIE vallende installaties in het algemeen als BAT-compatibel worden beschouwd. Deze BREF: 

bevat geen specifieke informatie over processen en activiteiten in sectoren die onder andere BREF-documenten vallen;

stelt geen sectorspecifieke BBT vast.

Proces specifieke BAT voor energie-efficiëntie en daarmee samenhangende energieverbruiksniveaus worden in de desbetreffende verticale sectorspecifieke BREFdocumenten gegeven. Voor het energieverbruik en de besparende maatregelen wordt verder verwezen naar de toetsing zoals elders in de beoordeling van de aanvraag is opgenomen. Hieruit volgt dat de aangevraagde en vergunde activiteiten met de in dit besluit opgenomen voorschriften in overeenstemming zijn met de BREF Energie-efficiëntie.

3.3

Plaatselijke milieuomstandigheden

Bij het bepalen van de plaatselijke milieuomstandigheden in relatie tot de ammoniak-, geur-, stof- en geluidemissie dient bekeken te worden of als gevolg van de oprichting, uitbreiden of wijzigen van de installatie er sprake is van een ‘belangrijke verontreiniging’ die negatieve en/of significante gevolgen voor de omgeving kan hebben. Ammoniakemissie en -depositie Voor wat betreft de ammoniakemissie is op 25 juni 2007 een Beleidslijn IPPC-omgevingstoets ammoniak en veehouderij vastgesteld door het Ministerie van I & M. Deze beleidslijn geldt als een handreiking voor het uitvoeren van de omgevingstoets die op grond van de RIE dient te worden uitgevoerd. Voornoemde uitgangspunten zijn als volgt in de Beleidslijn uitgewerkt.

Pagina

Ons kenmerk

13

VTH/W 34960

De aangevraagde situatie heeft een ammoniakemissie van 2.194,9 kg. De ammoniakemissie, en daarmee de depositie, neemt hierdoor af ten opzichte van de huidige vergunning. Het dichtstbijzijnde zeer kwetsbare gebied (Noord-Brabant, nummer 629) ligt op circa 615 meter van de inrichting. De achtergronddepositie op het zeer kwetsbare gebied bedraagt circa 2.351 mol N-totaal per hectare per jaar (RIVM 2017). De dierenverblijven liggen niet in een zeer kwetsbaar gebied, zoals bedoeld in de Wav, dan wel in een zone van 250 meter daaromheen. De aanvraag moet worden geweigerd als niet kan worden voldaan aan voorschriften die vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de inrichting en de plaatselijke milieuomstandigheden moeten worden gesteld, maar die niet met toepassing van de BBT kunnen worden gerealiseerd. Door toepassing van de aangevraagde stalsystemen worden vergaande reductie van de ammoniakdepositie- en emissie bereikt ten opzichte van traditionele huisvestingssystemen. De aanvraag voldoet aan de IPPC-beleidslijn (zie verderop in de beoordeling). Gezien de ligging van de inrichting ten opzichte van zeer kwetsbare gebieden volgens de Wav en de toe te passen emissiearme stalsystemen, waarmee aan de strengste eis van de IPPCbeleidslijn wordt voldaan, vinden wij dat de aanvrager zich voldoende heeft ingespannen om de ammoniakemissie zo laag mogelijk te laten zijn.

Als gevolg van het toepassen van emissiereducerende technieken bij de varkensstallen die verder gaan dan de eis van minimaal het toepassen van de Beste Beschikbare Technieken (BBT), zie ook de behandeling van BBT in de hoofdstuk Ammoniak, neemt de ammoniakemissie uit de dierenverblijven af. De technische kenmerken en de geografische ligging van de inrichting of de plaatselijke milieuomstandigheden vormen geen reden om de vergunning niet te verlenen conform de aangevraagde situatie voor deze IPPC-installatie. Voor de verdere toets of aan de Beleidslijn wordt voldaan, wordt verwezen naar de overwegingen met betrekking tot ammoniak verderop in dit document onder het hoofdstuk Ammoniak. Geur Uit de omgevingsvergunningaanvraag blijkt dat de aanvraag zich richt op een inrichting waarbij de varkens op emissiearme stalsystemen worden gehuisvest. Uit onafhankelijk onderzoek is aan de hand van metingen en berekeningen bepaald dat voor deze emissiearme

Pagina

Ons kenmerk

14

VTH/W 34960

stalsystemen een lagere geurbelasting geldt dan voor een traditioneel huisvestingssysteem. Door het huisvesten van de varkens op emissiearme emissiearm stalsystemen is de geurhinder lager dan bij een vergelijkbare inrichting, waarbij alle dieren op een traditionele wijze worden gehuisvest. Het aangevraagde aantal dieren in combinatie met de aangevraagde emissiearme stalsystemen is om te rekenen naar odour units. De grootte van het bedrijf kan worden berekend met standaard omrekeningsfactoren en is daardoor weinig complex. Aan de hand van het aantal odour units kan met behulp van V-Stacks vergunning de geurbelasting op geurgevoelige objecten worden bepaald. Conform artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kunnen gemeenten bij gemeentelijke verordening afwijken van de wettelijke normen. Gezien de achtergrondemissie in het gebied waar de inrichting is gelegen in onze gemeente zijn de geurnormen 3, 8, 10 en 12 ouE/m3 van toepassing. Voor een verdere beoordeling van de directe geurhinder wordt verwezen naar het hoofdstuk Geur. Fijn stof De omgevingsvergunningaanvraag betreft een uitbreiding van het aantal dieren. Dit kan gevolgen hebben voor emissie van fijn stof. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) vormt het toetsingskader voor de emissie van fijn stof vanuit dierenverblijven.

Uit een berekening met betrekking tot de fijn stofemissie blijkt dat deze met 52.018 gram per jaar afneemt ten opzichte van de vergunde situatie. Uit de beoordeling (zie hoofdstuk Lucht) blijkt dat aan Titel 5.2 Wm wordt voldaan. Tevens blijkt uit de GCN-kaarten ‘Fijn stof, PM10’ en ‘Fijn stof, PM2,5’ (RIVM) dat op de locatie waar de inrichting zich heeft gevestigd, de achtergrondconcentratie respectievelijk 19,51 µg/m3 en 12,01 µg/m3 bedroeg in 2017 exclusief zoutcorrectie. De omgevingsconcentratie fijn stof is niet dusdanig hoog dat dit een reden vormt om voor deze activiteit een MER te verlangen. Geluid Voor wat betreft het aspect geluid kan weliswaar sprake zijn van enige toename, omdat er meer dieren binnen de bestaande inrichting worden gehouden. Gezien de afstanden tot de woningen in de omgeving van de inrichting en het feit dat met deze aanvraag er geen

Pagina

Ons kenmerk

15

VTH/W 34960

uitbreiding plaats vindt in gebouwen is niet te verwachten dat geluid een probleem vormt voor de inrichting. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar het hoofdstuk Geluid. Risico’s van ongevallen De aard van de activiteiten van een varkenshouderij zijn niet van dien aard dat zij, bij een normale bedrijfsvoering, extra risico op ongevallen herbergen. De voorschriften die aan een omgevingsvergunning voor dit bedrijf worden verbonden zijn voldoende om de kans op calamiteiten te beperken. Calamiteiten met betrekking tot de opslag van de mest worden beperkt door voorschriften die worden opgenomen in de omgevingsvergunning ten aanzien van de vloeren en de opslag. Volksgezondheid Indien door het in werking zijn van een inrichting risico’s voor de volksgezondheid kunnen ontstaan, moeten deze risico’s gelet op artikel 1.1, lid 2 aanhef en onder a, van de Wm als gevolg voor het milieu bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken. Alle varkens worden binnen de inrichting inpandig gehouden. Binnen de inrichting gelden hygiënemaatregelen deze worden door de initiatiefnemer opgevolgd en dienen door bezoekers te worden nageleefd. Er zijn wetenschappelijke inzichten die een handvat bieden bij het beoordelen van de risico’s voor de volksgezondheid. Wij achten de hygiënemaatregelen die nu worden toegepast voldoende om de risico’s voor de volksgezondheid beperkt te houden.

Wij kunnen ons dan in redelijkheid op het standpunt stellen dat de risico’s voor de volksgezondheid geen aanleiding geven om een MER te verlangen voor de voorgenomen activiteit.

3.4

Conclusie

Uit toetsing van de aanvraag blijkt dat het voorgestelde voldoet aan de eisen uit de RIE die zijn geïmplementeerd in de Wabo. Met de verstrekte gegevens en de beoogde passende maatregelen die de inrichtinghouder voorstelt tegen de verontreiniging kan worden overwogen dat de negatieve effecten op mens en milieu niet als significant zijn aan te merken.

4

GEUR

4.1

Algemeen

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het toetsingskader voor de omgevingsvergunning als het gaat om geurhinder vanuit dierenverblijven van veehouderijen.

Pagina

Ons kenmerk

16

VTH/W 34960

Binnen de inrichting worden dieren van diercategorieën gehouden waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld. Ook worden dieren van diercategorieën gehouden waarvoor geen geuremissiefactoren gelden. Voor deze twee delen van de inrichting wordt, voor elk deel afzonderlijk, een beoordeling van de geurhinder opgesteld. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen de ligging van geurgevoelige objecten binnen of buiten de bebouwde kom en binnen of buiten concentratiegebieden. De geurbelasting van een inrichting is onder andere afhankelijk van het aantal en soort dieren dat binnen de inrichting aanwezig is. In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is per diercategorie een geuremissiefactor vastgesteld. De geurbelasting dient te worden berekend met het hiervoor ontworpen programma V-Stacks vergunning. De geurgevoelige objecten liggen binnen een concentratiegebied en binnen en buiten de bebouwde kom van Oss. In de Wgv is bepaald dat de geurbelasting in een concentratiegebied binnen en buiten de bebouwde kom maximaal respectievelijk 3,0 ouE/m3 en 14,0 ouE /m3 mag bedragen. In artikel 3, lid 2 van de Wgv is aangegeven dat woningen bij een veehouderij of bij woningen die op 19 maart 2000 onderdeel uitmaakten van een veehouderij, geen geurbelasting hoeft te worden bepaald.

Voor deze woningen geldt een wettelijke vaste afstand van 100 meter binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom. In de Wgv is tevens bepaald dat voor een dierenverblijf, waarin dieren worden gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, een vaste afstand tot een geurgevoelig object minimaal 100 meter binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom moeten bedragen. In artikel 5 van de Wgv is aangegeven dat naast de toegestane geurbelasting en/of minimaal gewenste afstand tot een emissiepunt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom 50 meter en buiten de bebouwde kom 25 meter moeten bedragen.

4.2

Geurverordening

Bij gemeentelijke verordening kunnen gemeenten afwijken van de wettelijke normen (artikel 6 Wgv). Door onze gemeente is op 13 april 2017 een gemeentelijke verordening vastgesteld. In de gemeentelijke geurverordening is aan de hand van een gebiedsvisie bepaald wat de

Pagina

Ons kenmerk

17

VTH/W 34960

maximale geurbelasting op geurgevoelige objecten in bepaalde gebieden mag bedragen. In het gebied rondom de inrichting is een maximale geurnorm vastgesteld. De maximale geurbelasting op gevoelige objecten mag 3, 8, 10 en 12 ouE/m3 bedragen. In de gemeentelijke verordening is eveneens bepaald dat voor een dierenverblijf, waarin dieren worden gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, een vaste afstand van minimaal 50 meter geldt tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom en minimaal 25 meter buiten de bebouwde kom.

4.3

Beoordeling diercategorieën met geuremissiefactor

In onderstaande tabel is de berekende geurbelasting op enkele gevoelige objecten in de omgeving van de inrichting aangegeven. Voor de volledige (invoer)gegevens wordt verwezen naar de, aan de vergunningaanvraag toegevoegde, V-Stacks vergunning berekening.

Geurgevoelig object

Geurbelasting (ouE/m3)

Voldoet

Norm

Aanvraag

ja/nee

Heikampstraat 8

8,0

13,4

nee

Heikampstraat 6

8,0

15,0

nee

Heikampstraat 4

8,0

9,1

nee

Doorneindstraat 14

8,0

5,1

ja

Ijzerweg 51

12,0

10,4

ja

Graafsebaan 30

3,0

1,1

ja

Graafsebaan 38

3,0

1,2

ja

Tabel 1 De geurbelasting is op de geurgevoelig object aan Heikampstraat 4, 6 en 8, hoger dan de maximaal toegestane norm. Daarnaast neemt het aantal dieren in één of meer diercategorieën toe. Door toepassing van een geurreducerende maatregelen neemt de geurbelasting af in de aangevraagde situatie ten opzichte van de geldende situatie. Deze reductie van de geurbelasting mag, volgens artikel 3, lid 4 van de Wgv, voor maximaal 50% weer worden opgevuld door een toename van het aantal dieren. Dit wordt ook wel de ‘50%-regeling’ genoemd. De geurreducerende maatregelen die toegepast worden in de aangevraagde situatie bestaan uit:

Pagina

Ons kenmerk

18

VTH/W 34960

Vervallen van vleesvarkens;

Aansluiten van de stallen op een luchtwasser;

Wijziging van de dierbezetting in bestaande stallen.

Het uitvoeren van de 50%-regeling leidt voor de inrichting tot de volgende resultaten: Geurgevoelig Object

Geurbelasting (ouE/m3) Norm

Geldend

Voldoet

Geldend

Gemiddel

Aanvraa

+

de van

g

reductie

kolom

ja/nee

maatreg 3 en 4 el kolom 1

kolom 2

kolom 3

kolom 4

kolom 5

kolom 6

kolom 7

Heikampstraat 8

8,0

17,1

12,4

14,8

13,4

ja

Heikampstraat 6

8,0

18,3

13,7

16,0

15,0

ja

Heikampstraat 4

8,0

10,0

8,3

9,2

9,1

ja

Doorneindstraat 14

8,0

5,7

4,7

-

5,1

ja

Ijzerweg 51

12,0

11,1

9,7

-

10,4

ja

Graafsebaan 30

3,0

1,3

1,0

-

1,1

ja

Graafsebaan 38

3,0

1,4

1,1

-

1,2

ja

Tabel 2 Geconcludeerd kan worden dat de geurbelasting in de aangevraagde situatie onder de maximaal toegestane geurbelasting blijft bij toepassing van artikel 3, lid 4 van de Wgv. Hiermee wordt voldaan aan de Wgv.

4.4

Afstand woningen behorende bij (voormalige) veehouderij

In de omgeving van de inrichting liggen woningen behorende bij een (voormalige) veehouderij. De woning aan Heikampstraat 13 moet worden aangemerkt als een woning bij een veehouderij en is gelegen op een afstand van circa 83 meter vanaf het emissiepunt van stal 2 gemeten. Aan de vereiste afstanden wordt voldaan.

4.5

Beoordeling geurhinder van diercategorieën zonder een geuremissiefactor

De woning aan Heikampstraat 13 is het dichtstbijzijnde geurgevoelig object. Deze woning ligt op een afstand van circa 12,5 meter vanaf het dichtsbijzijnde emissiepunt van stal 3 gemeten. Er wordt niet voldaan aan de gewenste afstand. Gezien de afstand niet wordt verkleind en het aantal paarden niet toeneemt ten opzichte van de geldende vergunning wordt voldaan aan artikel 4, lid 3 van de Wgv.

Pagina

Ons kenmerk

19

VTH/W 34960

4.6

Beoordeling vaste afstand tot gevel voor dieren

De dichtstbijzijnde woning aan Heikampstraat 13 is gelegen op circa 8 meter afstand van de buitenzijde van het dichtstbijzijnde dierenverblijf voor paarden (stal 3). Aan de vereiste afstand wordt niet voldaan. Omdat het aantal paarden niet wijzigt en de stal niet wijzigt wordt voldaan aan artikel 5 lid 2 van de Wgv. De dichtstbijzijnde woning aan Heikampstraat 13 is gelegen op circa 36 meter afstand van de buitenzijde van het dichtstbijzijnde varkensstal (stal 2) dierenverblijf van de inrichting. Aan de vereiste afstand wordt voldaan.

4.7

Conclusie

De aanvraag voldoet aan de eisen zoals gesteld in de Wgv. Nu aan de Wgv wordt voldaan wordt dit als BBT beschouwd.

4.8

Geurhinder opslag en verwerking bijproducten

In onderhavig inrichting worden silo’s met natte bijproducten aangevraagd. Geuremissie van een brijvoerinstallatie is afkomstig van het vullen van en de opslag van bijproducten in de opslagsilo’s. Daarnaast treedt nog geuremissie op bij het mengen van bijproducten in de brijvoerkeuken. De geuremissie van deze brijvoerinstallatie is, gelet op de jurisprudentie omtrent dit punt, niet verdisconteerd in de geuremissie uit de dierenverblijven. De wijziging is, mede gelet op de afstand tot de omliggende woningen, van een zodanige omvang dat niet onderzocht hoeft te worden of er, door de aangevraagde verandering van het aantal te houden dieren, sprake is van een uitbreiding van de geuremissie als gevolg van het gebruik van de brijvoerinstallatie. Binnen de inrichting worden alleen gangbare bijproducten, opgeslagen die weinig tot geen geurhinder geven. Daarnaast is sprake van de opslag in gesloten silo’s en bunkers die binnen worden geplaatst. Verder is de voerkeuken binnen gesitueerd.

5

AMMONIAK

5.1

Algemeen

Voor de beoordeling van de gevolgen die de inrichting op het milieu veroorzaakt door de emissie van ammoniak, moet worden getoetst aan de Wet ammoniak en veehouderij (Wav).

Pagina

Ons kenmerk

20

VTH/W 34960

Ingevolge artikel 2 van de Wav wijzen Provinciale Staten de gebieden aan die als zeer kwetsbaar gebied worden aangemerkt. Alleen voor verzuring gevoelige gebieden die liggen binnen de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) kunnen als zeer kwetsbaar worden aangewezen. Daarnaast zijn Provinciale Staten verplicht alle voor verzuring gevoelige, binnen de EHS gelegen, gebieden bij beschermde Natuurmonumenten en Vogel- en Habitatrichtlijngebieden als zeer kwetsbaar gebied aan te wijzen. Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 3 oktober 2008 deze zeer kwetsbare gebieden aangewezen. Onderhavige inrichting is niet gelegen in of in een zone van 250 meter om een gebied als hiervoor bedoeld en derhalve kan in de zin van artikel 4 of artikel 6 van de Wav geen grond gevonden worden de vergunning voor de aanvraag te weigeren. Hierbij is uitgegaan van het dichtstbijzijnde zeer kwetsbare gebied (Noord-Brabant, nummer 629) op circa 580 meter. Artikel 3 van de Wav geeft aan dat het bevoegd gezag bij het oprichten of veranderen van een veehouderij de gevolgen van de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierverblijven uitsluitend betrekt op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7 van deze wet.

5.2

Beste Beschikbare Technieken (BBT)

Getoetst is aan de eis om de voor de inrichting in aanmerking komende Beste Beschikbare Technieken (BBT) toe te passen. Voor diercategorieën waarvoor het redelijk is om emissieeisen te stellen zijn maximale emissiewaarden opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting. Het besluit geeft een goed beeld van de ‘stand der techniek’. De eisen in het Besluit emissiearme huisvesting zijn tot stand gekomen door rekening te houden met gegevens die het bevoegd gezag op grond van artikel 5.4 van het Besluit omgevingsrecht ook bij het vaststellen van BBT moet betrekken. De maximale emissiewaarden zijn opgenomen in bijlage 1 bij het Besluit emissiearme huisvesting. Hierbij bepaalt de oprichtingsdatum van een dierenverblijf welke maximale emissiewaarde van toepassing is. Er gelden een aantal bijzondere bepalingen voor dierenverblijven die zijn opgericht op uiterlijk 30 juni 2015. Hierna wordt beoordeeld of de aangevraagde huisvestingssystemen of stalsystemen BBT zijn. Tevens is aangegeven voor welke stallen dit geldt.

Pagina

Ons kenmerk

21

VTH/W 34960

Dierenverblijven die zijn opgericht op uiterlijk 30 juni 2015, zijn BBT indien de emissiewaarde van het huisvestingssysteem kleiner dan of gelijk is aan de maximale emissiewaarde uit kolom A van bijlage 1 bij het Besluit emissiearme huisvesting. 

In stal 1 en stal 2 worden guste/dragende zeugen gehuisvest op het emissiearme stalsysteem chemisch luchtwassysteem 70% emissiereductie (BWL 2010.25.v3). Dit stalsysteem heeft een emissiefactor van 1,3 kg NH3 per dierplaats per jaar;

In stal 1 worden guste/dragende zeugen gehuisvest op het emissiearme stalsysteem chemisch luchtwassysteem 95% emissiereductie (BWL 2010.26.v3). Dit stalsysteem heeft een emissiefactor van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar;

In stal 2 worden kraamzeugen (incl. biggen tot spenen) gehuisvest op het emissiearme stalsysteem, chemisch luchtwassysteem 95% emissiereductie (BWL 2010.26.v3). Dit stalsysteem heeft een emissiefactor van 0,42 kg NH3 per dierplaats per jaar;

In stal 2 worden kraamzeugen (incl. biggen tot spenen) gehuisvest op het emissiearme stalsysteem, chemisch luchtwassysteem 70% emissiereductie (BWL 2010.25.v3). Dit stalsysteem heeft een emissiefactor van 2,5 kg NH3 per dierplaats per jaar;

In stal 1 worden dekberen gehuisvest op het emissiearme stalsysteem chemisch luchtwassysteem 95% emissiereductie (BWL 2010.26.v3). Dit stalsysteem heeft een emissiefactor van 0,28 kg NH3 per dierplaats per jaar;

In stal 2 worden gespeende biggen gehuisvest op het emissiearme stalsysteem, chemisch luchtwassysteem 70% emissiereductie (BWL 2010.25.v3). Dit stalsysteem heeft een emissiefactor van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar;

In stal 2 worden gespeende biggen gehuisvest op het emissiearme stalsysteem, chemisch luchtwassysteem 95% emissiereductie (BWL 2010.26.v3). Dit stalsysteem heeft een emissiefactor van 0,03 kg NH3 per dierplaats per jaar.

Deze stalsystemen voldoen op grond van bovenstaande aan BBT. Huisvestingssystemen voor diercategorieën waarvoor in bijlage 1 bij het Besluit emissiearme huisvesting geen maximale emissiewaarde is vastgesteld, zijn BBT. 

In stal 3 worden paarden gehuisvest op een overig huisvestingssysteem met een emissiefactor van 5,0 kg NH3 per dierplaats per jaar.

Dit huisvestingssysteem voldoet op grond van bovenstaande aan BBT.

5.3

Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij

Op 25 juni 2007 is de ‘beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij’ vastgesteld. Deze beleidslijn kan als handleiding dienen voor het uitvoeren van de omgevingstoetsing die op grond van de RIE ten aanzien van ammoniakemissie vanuit

Pagina

Ons kenmerk

22

VTH/W 34960

veehouderijen dient te worden uitgevoerd. Ook is deze verplichting in de Wav opgenomen (artikel 3, lid 3). Met behulp van de beleidslijn kan beslist worden of en in welke mate vanwege de lokale milieuomstandigheden strengere emissie-eisen opgenomen kunnen worden dan de eisen die volgen uit de toepassing van BBT. De beleidslijn is opgenomen in de Regeling aanwijzing BBT-documenten en vormt hiermee een wettelijk toetsingskader. De beleidslijn is alleen van toepassing indien het aantal dieren toeneemt, zoals in deze aanvraag vergunning het geval is. De volgende uitgangspunten zijn opgenomen in de beleidslijn: 

bij uitbreiding kan worden volstaan met toepassing van BBT zolang de emissie niet meer bedraagt dan 5.000 kg NH3 per jaar;

bedraagt de ammoniakemissie na uitbreiding bij toepassing van BBT meer dan 5.000 kg, dan dient boven het meerdere een extra reductie ten opzichte van BBT te worden gerealiseerd (BBT+). De hoogte daarvan hangt af van de uitgangssituatie en de beschikbaarheid van verdergaande technieken in de betreffende diercategorie;

bedraagt de jaarlijkse ammoniakemissie na uitbreiding met toepassing van BBT (tot 5.000 kg) en verdergaande technieken dan BBT (vanaf 5.000 kg) daarna nog meer dan 10.000 kg, dan dient boven het meerdere een reductie van circa 85% te worden gerealiseerd (BBT++).

Indien in de vergunde situatie de ammoniakemissiebij toepassing van BBT al meer dan 5.000 kg per jaar bedraagt, dan gelden de strengere emissie-eisen pas vanaf die hogere emissie. Onderstaande tabel geeft weer de ammoniakemissie in de beoogde situatie, indien alle beoogde huisvestingssystemen precies voldoen aan de maximale emissiewaarde (op basis van bijlage 1 bij het Besluit emissiearme huisvesting).

Stal

Diercategorie

Aantal

NH3-factor

dieren

Totaal kg NH3

1 en 2

Guste/dragende zeugen

832

2,6

2.163,2

2

Kraamzeugen

280

2,9

812,0

1

Dekberen*

2

0,28

0,6

2

Gespeende biggen

3728

0,21

782,9

3

Paarden*

42

5

210,0

Totaal

3.968,7

Tabel 3 *) Niet vastgesteld, daarom is gerekend met de emissiefactor van het beoogde stalsysteem.

Pagina

Ons kenmerk

23

VTH/W 34960

Zoals blijkt uit bovenstaande tabel bedraagt de totale ammoniakemissie vanuit de inrichting op basis van het niveau van de maximale emissiewaarde uit bijlage 1 van het Besluit emissiearme huisvesting niet meer dan 5.000 kg. Derhalve kan worden volstaan met de toepassing van BBT.

5.4

Directe schade door uitstoot van ammoniak

Bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor de activiteit inrichting kan mogelijke directe schade aan bossen en andere vegetaties door de uitstoot van ammoniak van belang zijn. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt het rapport Stallucht en Planten uit juli 1981 (rapport), van het Instituut Plantenziektenkundig Onderzoek (IPO) hiervoor gehanteerd. Blijkens dit rapport is onderzoek gedaan naar de mogelijke schade op planten en bomen als gevolg van de uitstoot van ammoniak uit stallen waarin dieren worden gehouden. Schade door de uitstoot van ammoniak kan zich in de praktijk voordoen bij intensieve kippen- en varkenshouderijen. Ter voorkoming van dergelijke schade blijkt dat een afstand van minimaal 50 meter tussen stallen en meer gevoelige planten en bomen, zoals coniferen, en een afstand van minimaal 25 meter tot minder gevoelige planten en bomen kan worden aangehouden. Toetsing aan dit rapport is, blijkens de uitspraak in de casus E03.98.0118, nog steeds conform de meest recente, algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten. Binnen 50 meter van de inrichting liggen geen percelen waar gevoelige gewassen, zoals vermeld in het rapport, worden geteeld. Tevens worden er binnen 25 meter van de inrichting geen minder gevoelige planten en bomen geteeld. De inrichting voldoet aan de eisen die volgen uit het rapport.

5.5

Conclusie

De geplande stalsystemen voldoen aan de eisen voor maximale emissie zoals deze zijn vermeld in bijlage 1 bij het Besluit emissiearme huisvesting. De inrichting voldoet na de geplande uitbreiding en wijzigingen aan het criterium van de Wav, de BBT voor de emissie van ammoniak, de IPPC-beleidslijn en het rapport Stallucht en Planten.

6

LUCHT

6.1

Luchtkwaliteit

Het wettelijke kader voor de luchtkwaliteit is gegeven in de volgende documenten: 

Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wm;

Besluit niet in betekenende mate bijdragen luchtkwaliteitseisen;

Pagina

Ons kenmerk

24

VTH/W 34960

Regeling niet in betekenende mate bijdragen luchtkwaliteitseisen;

Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007;

Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007;

Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteitseisen;

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen zijn grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. Uit de aanvraag en de bijlage Diertabel blijkt dat geen toename van emissies van de in bijlage 2 van de Wm genoemde stoffen te verwachten is. Hoewel daarnaar geen expliciet onderzoek is verricht, is voldoende aannemelijk dat de luchtkwaliteit in de nabije omgeving van de inrichting door de aangevraagde activiteiten niet verslechtert, omdat er een afname is in de emissie van fijn stof.

6.2

Beste beschikbare technieken

Om een hoog niveau van bescherming van het milieu mogelijk te maken, dient de inrichting de meest doeltreffende technieken toe te passen om de emissies naar de lucht en andere nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken. Voor diercategorieën waarvoor het redelijk is om emissie-eisen te stellen zijn maximale emissiewaarden opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting. Het Besluit emissiearme huisvesting geeft een goed beeld van de ‘stand der techniek’. Bij het vaststellen van dit besluit is uitgegaan van de nieuwste en de beschikbare technieken. De maximale emissiewaarden zijn opgenomen in bijlage 2 bij het Besluit emissiearme huisvesting. Indien door verlening van de vergunning niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende BBT worden toegepast, moeten wij de vergunning weigeren. Binnen de inrichting worden geen dieren gehouden waarvoor in bijlage 2 bij het Besluit emissiearme huisvesting maximale emissiewaarden zijn vastgesteld. Er worden de volgende technieken toegepast om de fijn stof emissie te beperken of te reduceren: 

het toepassen van een luchtwasser.

Pagina

Ons kenmerk

25

VTH/W 34960

De hierboven besproken maatregelen die in de inrichting zullen worden genomen om de emissie van stoffen in de lucht te voorkomen dan wel te beperken, kunnen worden aangemerkt als BBT.

6.3

Conclusie

De immissie van fijn stof (PM10 en PM2,5) na de uitbreiding van de inrichting valt binnen de normen voor luchtkwaliteit uit de Wm. Hiermee wordt voldaan aan de BBT. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de verlening van de vergunning.

7

VOLKSGEZONDHEID

7.1

Algemeen

Volksgezondheid is een wezenlijk onderdeel van het begrip milieu. Dit betekent dat, indien door het in werking zijn van een inrichting risico’s voor de volksgezondheid kunnen ontstaan, deze risico’s gelet op artikel 1.1, lid 2, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 1.1, lid 2, en artikel 2.14, lid 1 onder a2, van de Wabo als gevolg voor het milieu bij de beoordeling van de aanvraag moeten worden betrokken.

7.2

Toetsingskaders

Op 7 juli 2016 zijn de onderzoeksrapporten ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO)’ en ‘Emissies van endotoxinen uit de Veehouderij’ gepubliceerd, waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s kunnen lopen door de blootstelling aan emissies uit deze veehouderijen. Met name endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De rapporten betreffen de nieuwste wetenschappelijke inzichten en worden daarom bij de afweging voor gezondheid betrokken. Op 16 juni 2017 is een aanvullend VGO-rapport gepubliceerd. In het aanvullend VGOonderzoek (VGO-2) zijn de onderzoeksgegevens statistisch uitvoeriger geanalyseerd. De aanvullende statistische analyses voor de pluimveehouderij bevestigen de eerdere conclusies uit het VGO-1 rapport dat mensen rond pluimveehouderijen een grotere kans hebben op longontsteking. Verder volgt uit het onderzoek dat het risico op longontsteking rond een geitenhouderij verhoogd is. De oorzaak van deze verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers (nog) niet worden aangegeven. Op dit moment zijn er voor de beoordeling van de risico’s voor de volkgezondheid veroorzaakt door emissies vanuit veehouderijen, twee, in Noord-Brabant ontwikkelde toetsingskaders beschikbaar.

Dit zijn de ‘Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid’ (Handreiking) en de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader

Pagina

Ons kenmerk

26

VTH/W 34960

1.0’ (Notitie). De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de beoordeling uitvoert, dan wel dat een GGD-advies noodzakelijk wordt geacht. De Notitie bevat een specifiek toetsingskader voor endotoxine.

7.3

Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid

In de Handreiking zijn acht stappen opgenomen op grond waarvan eventueel advisering vanuit de GGD noodzakelijk wordt geacht. De ontwikkeling is hieraan getoetst. Op grond van toetsing aan de Handreiking is geen sprake van een verhoogd risico voor de volksgezondheid. Er is daarom geen reden om de GGD om advies te vragen.

7.4

Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0

Op 25 november 2016 is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de Notitie uitgebracht. Deze Notitie beschrijft een aanpak voor het beoordelen van het risico op verspreiding van endotoxinen van (uitbreidende) veehouderijen. Het doel van de Notitie is dat, in de periode totdat er een landelijk toetsingskader voor endotoxine beschikbaar komt, voor omwonenden geen nieuw of grotere knelpunten op het gebied van volksgezondheid ontstaan. De Notitie biedt de mogelijkheid om bij de vergunningverlening aan veehouderijen uit voorzorg bescherming te bieden aan omwonenden. De Notitie richt zich op pluimvee- en varkensbedrijven omdat hier de emissie van fijn stof en grovere stofdeeltjes het hoogste is. Aangezien endotoxine zich hecht aan deze stofdeeltjes, verspreidt endotoxine zich met de stofdeeltjes naar de omgeving. Pluimveebedrijven kunnen individueel een risico vormen, varkensbedrijven met name cumulatief. Voor andere veehouderijsectoren wordt ervan uitgegaan dat de emissie van fijn stof en daarmee ook endotoxine verhoudingsgewijs laag is en deze daarom geen verhoogd risico veroorzaken. Het in de Notitie gepresenteerde toetsingskader haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten.

Op basis van de verkregen kennis en wetenschappelijke inzichten is met de Notitie per locatie - en voor iedere individuele pluimvee- of varkenshouderij in Nederland, te bepalen of de endotoxineblootstelling naar de omgeving te hoog zal zijn of niet. Te hoog betekent in deze dat de blootstelling hoger is dan de advieswaarde van 30 EU/m3 van de Gezondheidsraad.

7.5

Beoordeling en conclusie

Pagina

Ons kenmerk

27

VTH/W 34960

Op grond van de toetsing aan de Handreiking wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling geen verhoogde risico’s oplevert voor de volksgezondheid dat de vergunning om die reden moet worden geweigerd. Een beoordeling op grond van de Notitie is in deze situatie niet noodzakelijk. Het doel van de Notitie is immers dat in de periode totdat er een landelijk toetsingskader endotoxine beschikbaar komt, voor omwonenden geen nieuwe of grotere knelpunten op het gebied van volksgezondheid ontstaan. Omdat in dit geval geen sprake is van een toename van de fijn stofemissie of beperking van de afstand, wordt ervan uitgegaan dat de ontwikkeling geen verhoogd risico oplevert.

8

GELUID

8.1

Algemeen

De uitgangssituatie zijn de geldende geluidsvoorschriften in de geldende vergunning, omdat het hier een veranderingsvergunning betreft.

8.2

Beschrijving van de activiteiten

De bedrijfsactiviteiten van de inrichting hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt vooral bepaald door: 

verladen van vee;

leegzuigen van mestkelders;

verwijderen van vaste mest;

vullen van voedersilo’s;

vullen van de sleufsilo’s;

gebruik van machines en installaties;

gebruik van ventilatoren;

ophalen van kadavers.

Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie. Dit is de toestand waarbij de inrichting volledig gebruik maakt van de volledige capaciteit in de betreffende beoordelingsperiode. Beoordeeld worden de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, de maximale geluidsniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.

8.3

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau

In de huidige vergunning zijn de volgende geluidsnorm voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau opgenomen:

Pagina

Ons kenmerk

28

VTH/W 34960

50 dB(A) in de dagperiode (tussen 07.00 uur en 19.00 uur).

45 dB(A) in de avondperiode (tussen 19.00 uur en 23.00 uur).

40 dB(A) in de nachtperiode (tussen 23.00 uur en 07.00 uur).

Gezien de afstand tot de omliggende woningen en de activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd, is het aannemelijk dat aan de voornoemde geluidsnorm kan worden voldaan.

8.4

Maximaal geluidsniveau

In de huidige vergunning zijn de volgende geluidsnorm voor het maximaal geluidsniveau opgenomen: 

70 dB(A) in de dagperiode (tussen 07.00 uur en 19.00 uur).

65 dB(A) in de avondperiode (tussen 19.00 en 23.00 uur).

60 dB(A) in de nachtperiode (tussen 23.00 en 07.00 uur).

Gezien de afstand tot de omliggende woningen en de activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd, is het aannemelijk dat aan voornoemde geluidsnorm kan worden voldaan.

8.5

Indirecte hinder

Onder indirecte hinder wordt verstaan hinder die niet rechtstreeks voortvloeit uit de activiteiten van de inrichting maar wel kan worden toegeschreven aan de aanwezigheid van de inrichting. Als gevolg van transportbewegingen van en naar de inrichting kunnen omwonenden geluidsoverlast ondervinden. Het geluid van het verkeer van en naar de inrichting over de openbare weg is beoordeeld volgens de circulaire ‘Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting. beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer’ d.d. 29 februari 1996. Indirecte hinder is aan de orde. Het (vracht)verkeer van de inrichting is voor woningen in de omgeving herkenbaar als afkomstig van de inrichting, maar voldoet op basis van de beperkte aantallen en/of de afstand ten opzichte van de woningen aan de gestelde geluidsnorm.

8.6

Beste Beschikbare Technieken

In de in bijlage 1 bij de Regeling omgevingsrecht opgenomen lijst met aangewezen BBTdocumenten zijn geen documenten met betrekking tot de milieu-essentie geluid aangewezen. Om een hoog niveau van bescherming van het milieu mogelijk te maken, dient de inrichting de meest doeltreffende technieken toe te passen om de emissie van geluid en andere nadelige

Pagina

Ons kenmerk

29

VTH/W 34960

gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken. Indien door verlening van de vergunning niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast, moeten wij de vergunning weigeren.

8.7

Conclusie

Ten aanzien van de langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, maximale geluidsniveaus en indirecte hinder is de situatie milieuhygiënisch aanvaardbaar en passen binnen de geldende geluidsvoorschriften.

9

BODEM

9.1

Algemeen

Binnen de inrichting zijn de volgende bodembedreigende activiteiten reeds vergund of gemeld: 

opslag van olieproducten;

opslag van zwavelzuur;

opslag van spuiwater;

opslag van ontsmettings-, reinigings- en diergeneesmiddelen;

opslag van voerproducten;

opslag van drijfmest;

opslag van vaste mest;

opslag van drijfmest in een mestbassin;

gebruiken van een spoelplaats;

gebruiken van een werkplaats;

gebruiken van een chemische luchtwasser.

Met de onderliggende aanvraag veranderen bovenstaande bodembedreigende activiteiten niet. Het betreft hier het veranderen van een inrichting. Met betrekking tot de bodembedreigende activiteiten is hier artikel 2.11, lid 2 van het Activiteitenbesluit van toepassing. Dit artikel geeft aan dat bij een verandering van de inrichting maatwerkvoorschriften opgesteld kunnen worden, indien het gelet op de aard of de mate waarin de inrichting verandert nodig is de bodemkwaliteit vast te leggen.

Pagina

Ons kenmerk

30

VTH/W 34960

Beoordeeld wordt of een mogelijke aantasting of verontreiniging van de bodem kan ontstaan door een bodembedreigende activiteit. Uitgangspunt hiervoor is de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). De activiteiten die nu plaats gaan vinden binnen de inrichting zijn reeds voor het grootste gedeelte vergund en van die omvang dat wij afzien van het verlangen van een tussentijds bodemonderzoek. Wel willen wij u er op attenderen dat als de activiteiten binnen de inrichting beëindigd worden er een eindsituatie onderzoek naar de bodem dient plaats te vinden op alle plaatsen waar bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden (artikel 2.11, lid 3 van het Activiteitenbesluit).

9.2

Conclusie

Uit de beoordeling van de aanvraag blijkt dat er ten aanzien van de bescherming van de bodem door het bedrijf voldoende maatregelen en voorzieningen zijn getroffen.

10

AFVALPREVENTIE

10.1 Afvalpreventie Het afvalstoffenbeleid is neergelegd in het Landelijk afvalbeheerplan 2017-2029 (LAP). De hoofdlijnen van het beleid zijn vastgelegd in het beleidskader van het LAP. De doelstellingen van het LAP geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen en als volgt is samen te vatten: a. preventie; b. voorbereiding voor hergebruik; c. recycling; d. andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning; e. veilige verwijdering. Bij de vaststelling van het LAP is ook rekening gehouden met de in artikel 10.5 van de Wm vermelde aspecten van doelmatig afvalbeheer. Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het LAP is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. Zowel het LAP als de genoemde programma’s bevatten geen kwantitatieve doelstellingen voor afvalpreventie bij bedrijven. Om invulling te geven aan dit aspect is de handreiking ‘Wegen naar preventie bij bedrijven’ (Infomil 2005) als toetsingskader gebruikt. Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval zoveel mogelijk moet worden voorkomen of beperkt.

Pagina

Ons kenmerk

31

VTH/W 34960

Bij de beoordeling van de aanvraag en bij de op te leggen voorschriften zijn de Handreiking en het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029(LAP) betrokken. Daarmee wordt de BBT toegepast.

10.2 Afvalscheiding In deel B3 van het LAP is het beleid uitgewerkt voor afvalscheiding, waarbij paragraaf B 3.5 specifiek ingaat op afvalscheiding door bedrijven. Daarbij is aangegeven dat het voor bedrijfsafval niet goed mogelijk is een limitatieve opsomming te maken van afvalstoffen die door alle bedrijven gescheiden moet worden gehouden. Bedrijven verschillen van aard en omvang veel van elkaar en er bestaat een groot aantal bedrijfsspecifieke afvalstoffen. Uitgangspunt is dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd.

10.3 Conclusie Bij de beoordeling van de aanvraag is het LAP en de Handreiking ‘Wegen naar preventie bij bedrijven’ betrokken. Daarmee wordt de BBT toegepast.

11

VEILIGHEID

11.1 Veiligheid met betrekking tot de opslag van zwavelzuur Zwavelzuur voor gebruik in luchtwassers heeft een sterk geconcentreerde oplossing (96% in water). Het is een sterk zuur, dat heftig reageert met basen en is corrosief. In de inrichting wordt gebruik gemaakt van IBC’s met een inhoud van 900 liter voor zowel de opslag als de aftap van het zwavelzuur. Een IBC met zwavelzuur wordt geplaatst in een ruimte waarvan de wanden, vloer en afdekking vervaardigd zijn van niet brandgevaarlijk materiaal. De ruimte wordt continu op de buitenlucht geventileerd. De toegangsdeur is bij afwezigheid van deskundig personeel ter plaatse van de opslagvoorziening afgesloten. Twee IBC’s worden in de buitenlucht geplaatst. De afstand van de IBC’s met zwavelzuur tot de inrichtinggrens of andere brandbare objecten bedraagt tenminste 10 meter en binnen deze 10 meter vindt geen opslag van brandgevaarlijke stoffen of goederen plaats en geen brandgevaarlijke activiteiten. De opslagen/of aftapvoorziening is niet ongecontroleerd toegankelijk voor onbevoegden. Nabij de opslag- en/of aftapvoorziening worden waarschuwingsborden met het pictogram ‘BIJTENDE STOFFEN’ en verbodsborden met ‘VUUR, OPEN VLAM EN ROKEN VERBODEN’

Pagina

Ons kenmerk

32

VTH/W 34960

aangebracht. Daarnaast zijn nabij de opslag- en/of aftapvoorziening een slanghaspel en een oogspoelvoorziening, die zijn aangesloten op het waterleidingnet, aanwezig. In de vergunning (4 september 2007) zijn voorschriften opgenomen ter bescherming van het milieu en voorschriften ten behoeve van veiligheid.

11.2 Veiligheid met betrekking tot de opslag van spuiwater van een chemische luchtwassysteem De uit de stallen afkomstige ammoniak wordt in een luchtwasser met zwavelzuur omgezet in ammoniumsulfaat, waarna de gereinigde ventilatielucht het luchtwassysteem verlaat en ammoniumsulfaathoudend spuiwater overblijft, dat ook een restant zwavelzuur bevat. Normaliter blijft in spuiwater de concentratie van zwavelzuur beneden de 1%. Echter, vanwege de lage pH (ongeveer 4) en de samenstelling die bijtend en corrosief van aard is, dienen bij handelingen ermee en de opslag ervan ook veiligheids- en voorzorgmaatregelen te worden getroffen. De spuiwateropslag is niet ongecontroleerd toegankelijk voor onbevoegden en er worden waarschuwingsborden voor bijtende stoffen bij aangebracht. Tevens is in het aanwezige bedrijfsnoodplan ondermeer een instructie over de te nemen maatregelen in het geval van incidenten met spuiwater opgenomen. Ten aanzien van de constructie van de spuiwateropslag en bijbehorende leidingen zijn voorschriften in het Activiteitenbesluit opgenomen om het uitstromen van vloeistof te voorkomen. Voorschriften over de aard van de opslag zijn normaliter opgenomen in hoofdstuk 4 van het Activiteitenbesluit. Dat hoofdstuk is op deze inrichting niet van toepassing. De voorschriften van de vergunning van 4 september 2007 zijn van toepassing.

Er wordt, voor zover mogelijk, aansluiting gezocht bij voorschriften voor vergelijkbare installaties uit het Activiteitenbesluit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=17d51ebd-e2a5-4e63-984e-3ad3855b2991