bijlage 6 bij toelichting - ruimtelijke onderbouwing Heikampstraat 15 in Oss.PDF
Tekst van het document
BESTEMMINGPSLAN Ontwikkelingen 2 Buitengebied Oss - 2021 Bijlage 6 bij toelichting Heikampstraat 15, Oss
Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |
Ruimtelijke onderbouwing
Heikampstraat 15 Oss
Ruimtelijke onderbouwing
Datum: Status: Initiatiefnemer: Opgesteld door:
2021-03-04, aangepast 2021-07-12 Vastgesteld Van Duijnhoven-Peters v.o.f. Heikampstraat 15 5342 ND Oss E. van den Berselaar
1
Inhoudsopgave Inhoudsopgave ..................................................................................................................... 2 1 Inleiding ............................................................................................................................ 3 1.1 Huidig en gewenste situatie ................................................................................................ 4 1.2 Ruimtelijke en functionele structuur..................................................................................... 5 2 Planologisch kader ............................................................................................................ 6 2.1 Rijksbeleid......................................................................................................................... 6 2.2 Provinciaal beleid ............................................................................................................... 6 2.2.1 Structuurvisie.............................................................................................................. 6 2.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant ..................................................................................... 8 2.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ...............................................................
8 2.3 Gemeentelijk beleid.......................................................................................................... 14 2.3.1 Structuurvisie............................................................................................................ 14 2.3.2 Bestemmingsplan ...................................................................................................... 15 3 Ruimtelijke aspecten ...................................................................................................... 17 3.1 Stedenbouw en landschap ................................................................................................ 17 3.2 Verkeer en infrastructuur .................................................................................................. 17 3.3 Cultuurhistorie en archeologie ........................................................................................... 17 3.4 Externe veiligheid ............................................................................................................ 18 4 Milieuaspecten ................................................................................................................. 24 4.1 Geluid .............................................................................................................................
24 4.2 Fijnstof ........................................................................................................................... 24 4.3 Geur ............................................................................................................................... 27 4.4 Water ............................................................................................................................. 27 4.5 Natuur ............................................................................................................................ 31 4.6 Bodem ............................................................................................................................ 34 4.7 Bedrijven en milieuzonering .............................................................................................. 36 4.8 Gezondheid ..................................................................................................................... 37 4.9 Overige aspecten ............................................................................................................. 38 5 Uitvoerbaarheid ............................................................................................................... 40 5.1 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................
40 6 Conclusie ......................................................................................................................... 41 Bijlagen............................................................................................................................... 42
2
1 Inleiding Initiatiefnemer exploiteert aan de Heikampstraat 15 te Oss een varkenshouderij. Initiatiefnemer is reeds gestart met nevenactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu is verleend. Echter zijn de nevenactiviteiten niet rechtstreeks toegestaan binnen het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Oss 2020 en van te grote omvang om middels de binnenplanse afwijking voor nevenactiviteiten te legaliseren. Legalisering dient daarom buitenplans te worden geregeld. De nevenactiviteiten bestaan uit een pensionstalling voor 42 paarden met binnenrijbak en een conferentiezaal met een oppervlakte van circa 329 m2. De conferentiezaal wordt gebruikt ten behoeve van vergaderingen en bijeenkomsten en is gerealiseerd in een aparte ruimte binnen het huidige varkensbedrijf. Ter ondersteuning van deze activiteiten is sprake van zogenoemde ‘droge horeca’. Het betreft expliciet geen feesten. Ook het draaien van luide muziek, dj’s en/of optredens is geen sprake. In de conferentiezaal zullen maximaal 50 personen worden ontvangen. Dit wordt vastgelegd in de regels bij het bestemmingsplan. De binnenrijbak is gerealiseerd in de bestaande paardenstal. De pensionstalling betreft een agrarisch verwant bedrijf.
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing betreft de planologische verantwoording voor onderhavig initiatief en maakt als bijlage onderdeel uit van het veegplan waarin de ontwikkeling wordt meegenomen.
Ligging
De locatie is gelegen buiten de bebouwde kom in de gemeente Oss vlakbij de kern Heesch. De afstand tussen het bedrijf en de kern van Heesch bedraagt 250 meter. De rijksweg A59 ligt tussen de kern en de locatie Heikampstraat 15.
3
Afbeelding 1: Ligging ten opzichte van de nabijgelegen kern, bron: Bing maps
Afbeelding 2: Bovenaanzicht bedrijf, bron: ruimtelijkeplannen.nl
1.1 Huidig en gewenste situatie
De gewenste situatie is reeds gerealiseerd. De conferentiezaal is gerealiseerd boven de varkensstal en de binnenrijbak en pensionstalling zijn gerealiseerd in de bestaande paardenstallen. De activiteiten
4
zijn op onderstaande plattegrond aangegeven. Voor de beoogde situatie is op 25 februari 2019 reeds een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu verleend met vvgb.
Afbeelding 3: Beoogde situatie
1.2 Ruimtelijke en functionele structuur De locatie is gelegen in het buitengebied van Oss tussen de A59 en het bedrijventerrein Vorstengrafdonk. De locatie aan de Heikampstraat 15 wordt aan twee zijden begrenst door landbouwgrond welke tot het bedrijf behoort. Aan de westzijde grenst de locatie aan een veehouderij/paardenhouderij. De zuidzijde van het bedrijf grenst aan de Heikampstraat. De Heikampstraat wordt voornamelijk gebruikt door bestemmingsverkeer. In de directe omgeving zijn diverse typen bedrijven te vinden, daarnaast zijn burgerwoningen en de rijksweg gelegen in de nabije omgeving.
5
2 Planologisch kader De ruimtelijke ontwikkeling is alleen mogelijk als deze past binnen het gestelde beleid door de diverse overheden. Hieronder wordt de ontwikkeling getoetst aan het beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente.
2.1 Rijksbeleid In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. De SVIR is vastgesteld en inwerking getreden op 13 maart 2012. Het Rijk stelt heldere ambities voor Nederland in 2040. Het doel van deze structuurvisie is een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland creëren. Het Rijk richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Provincies en gemeenten hebben in het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden gekregen. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland; Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Het Rijk benoemt daarnaast 13 nationale belangen. hiervoor is het Rijk verantwoordelijk. In het MIRT wordt de samenhang van deze rijksbelangen met decentrale belangen en regionale opgaven besproken.
De nationale belangen uit de SVIR worden op basis van de Wet ruimtelijke ordening juridisch geborgd middels twee besluiten. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Een gedeelte van de bepalingen in het Barro worden in de regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) uitgewerkt. Onderhavig initiatief is kleinschalig van aard en heeft geen betrekking op de nationale projecten zoals genoemd in het Barro. Verdere toetsing aan dit beleid is dan ook niet noodzakelijk. Aspecten waaronder milieu, waterhuishouding en overige zaken welke van belang zijn en geborgd zijn middels het Bro zullen in deze toelichting worden getoetst.
2.2 Provinciaal beleid Het planologische beleid van de provincie is verwoord in de structuurvisie Omgevingsvisie NoordBrabant en juridisch geborgd middels de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
2.2.1 Structuurvisie Op 1 oktober 2010 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 vastgesteld. Provinciale Staten hebben op 7 februari 2014 de partiële herziening 2014 van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 vastgesteld. Deze partiële herziening is in werking getreden op 19 maart 2014.
6
De provincie geeft in de structuurvisie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. De structuurvisie is opgebouwd uit twee delen (A en B) en een uitwerking. Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. Deze belangen en keuzes zijn gebaseerd op trends en ontwikkelingen. Ook beschrijft de provincie vanuit welke filosofie ze haar doelen wil bereiken. In deel B beschrijft de provincie vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. De locatie aan de Heikampstraat 15 te Oss is gelegen in ‘Gemengd landelijk gebied’ en ‘Zoekgebied verstedelijking’. De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied.
De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies. In aanvulling daarop wil de provincie optimale ontwikkelingsmogelijkheden bieden voor het verbeteren van de agrarische productiestructuur. De landbouw levert met de verduurzaming van de productie en het steeds verder sluiten van kringlopen een goede kwaliteit van water, bodem, lucht en natuur en een (vernieuwd) robuust landschap. De maat en schaal van de omgeving en de draagkracht van het gebied inclusief aspecten van volksgezondheid, zijn sturend voor de groei van agrarische activiteiten.
Zoekgebied verstedelijking
Zolang binnen deze gebieden nog geen verstedelijking heeft plaatsgevonden, is daar feitelijk het perspectief van gemengd landelijk gebied aanwezig. Binnen de zoekgebieden verstedelijking geldt het beleid zoals opgenomen voor gemengd landelijk gebied. Extra aandacht wordt gevraagd voor (het beperken van) de ontwikkelingsmogelijkheden van functies die een toekomstige stedelijke ontwikkeling kunnen bemoeilijken. Onderhavige ontwikkeling betreft het planologisch mogelijk maken van nevenactiviteiten in de vorm van pensionstalling en een conferentiezaal en past daarmee binnen een gemengde plattelandseconomie. Daarnaast is de locatie gelegen in ‘zoekgebied verstedelijking’. De nevenactiviteiten zijn van oorsprong geen activiteiten die plaatsvinden in het buitengebied. Echter beschouwt de provincie het gehele landelijke gebied als gebied met gemengde functies. In onderhavige situatie blijft het agrarisch bedrijf de hoofdtak en betreft de conferentiezaal als stedelijke functie een neventak.
7
Afbeelding 4: Uitsnede kaart bij structuurvisie
2.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant De provincie wil alvast gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Daarom is in december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. Deze Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.
2.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. Daarna heeft reeds een wijziging plaatsgevonden. In 2021 treedt de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet ook de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening. Dit zijn de: Provinciale milieuverordening Verordening natuurbescherming Verordening ontgrondingen Verordening ruimte Verordening water Verordening wegen Onderhavige locatie is gelegen in ‘gemengd landelijk gebied’ en heeft de aanduiding ‘verstedelijking afweegbaar’. Zie hieronder de uitsnede van de kaart behorende tot de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
8
9
Afbeelding 5: Uitsneden kaart behorende tot de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Hieronder wordt getoetst aan de van toepassing zijnde regels.
Paragraaf 3.1.2 basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1 Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Lid 2 Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: 1. zorgvuldig ruimtegebruik; 2. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; 3. meerwaardecreatie. Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: 1. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; 2. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); 3. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.
Lid 2 Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel. Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering Lid 1 De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd.
10
Lid 2 De lagenbenadering omvat de effecten op: 1. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; 2. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. 3. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Lid 3 Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Artikel 3.8 meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: 1. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; 2. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie.
Artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: 1. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of 2. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: 1. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; 2. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; 3. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; 4. het wegnemen van verharding; 5. het slopen van bebouwing; 6. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; 7. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.
Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken.
11
De ligging van de veehouderij in de zuidelijke geledingszone biedt ruimte voor nevenactiviteiten. De activiteiten vinden plaats in de bestaande bebouwing. De conferentiezaal wordt is in de bestaande ruimte boven de stal gerealiseerd. Het paardenpension en de rijbak zijn in de bestaande stallen gerealiseerd. De ruimte welke gebruikt wordt als rijbak is tevens aanwezig als quarantaine stal. Het medegebruik als rijbak is derhalve een vorm van zuinig ruimtegebruik. De locatie van het pension biedt mogelijkheden om uit te rijden en sluit aan bij het recreatief gebruik van de zuidelijke geledingszone. De Interim omgevingsverordening stelt regels aangaande de kwaliteitsverbetering van het landschap. Hierin is bepaald dat een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving. Hierbij bevat de toelichting een verantwoording dat de verbetering binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijke beleid past en de wijze waarop deze verbetering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd.
Gemeente Oss heeft samen met gemeente Uden, Bernheze, Schijndel, Mill en Sint-Hubert in overleg met de provincie het afsprakenkader kwaliteitsverbetering vastgesteld waarin onderscheid wordt gemaakt tussen categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen, rekening houdend met de impact op de omgeving. Afhankelijk van de impact wordt in het LIR bepaald hoe invulling wordt gegeven aan het vereiste van kwaliteitsverbetering van het landschap. Categorie 1: Categorie 2: Categorie 3:
Voor ontwikkelingen die geen of een verwaarloosbare impact hebben ten opzichte van het huidige gebruik geldt geen landschappelijke tegenprestatie. Voor ontwikkelingen die een beperkte impact hebben ten opzichte van het huidige gebruik op de omgeving is een landschappelijke inpassing vereist. Voor ontwikkelingen met een aanzienlijke impact ten opzichte van het huidige gebruik is een landschappelijke investering vereist. Het gaat hier om minimaal 20% van de meerwaarde van de gronden (en niet de gebouwen).
Onderhavige ontwikkeling valt in categorie 2. Als extra kwaliteitsverbetering heeft de gemeente nieuwe beplanting voorgesteld. Dit is uitgewerkt in het bijgevoegde landschappelijk inpassingsplan.
Artikel 3.73 vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied Lid 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking.
12
De nevenactiviteiten dragen bij aan de gemengde plattelandseconomie en de recreatiemogelijkheden in de omgeving. De activiteiten vinden plaats in bestaande bebouwing. De effecten op de omgeving worden uitgebreid getoetst in deze onderbouwing. Van overtollige bebouwing is geen sprake. Het betreffen nevenactiviteiten dus het perceel wordt niet gesplitst. De vestiging heeft geen betrekking op een kantoor, lawaaisport of mestbewerking.
Lid 2. Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. Het bestemmingsplan zal bepalen dat alleen binnenopslag en stalling is toegestaan. In de regels zal worden opgenomen welke activiteiten zijn toegestaan en de oppervlakte zal worden vastgelegd. Uitbreiding binnen het bestemmingsplan is niet mogelijk.
Lid 3. Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. De nevenactiviteiten zijn kleinschalig en worden binnen het bestemmingsplan beperkt tot een maximaal toegestane oppervlakte. De activiteiten zijn ondergeschikt aan de hoofdactiviteit.
Artikel 3.51 afwijkende regels beperkingen veehouderij Lid 1. In afwijking van artikel 3.49 Veehouderij in Landelijk gebied, eerste lid aanhef, en artikel 3.50 Aanvullende regels nieuw dierenverblijf, eerste lid onder a, geldt binnen Beperkingen veehouderij dat: a. uitbreiding van, vestiging van en omschakeling naar een veehouderij zijn uitgesloten; b. een toename van de bestaande oppervlakte van gebouwen, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning, is uitgesloten; c. een toename van de bestaande oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is uitgesloten. Lid 2. Als bestaande oppervlakte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de oppervlakte die: a. op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering waren; of b. gebouwd mogen worden krachtens een vóór 21 september 2013 verleende omgevingsvergunning. Lid 3. Het eerste lid is niet van toepassing als er sprake is van een grondgebonden veehouderij die voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in de Nadere regels Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij. De oppervlakte neemt niet toe. Voldaan wordt aan de regels.
13
Artikel 3.52 aanvullende regels stalderen Lid 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Stalderingsgebied regelt dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren binnen een bouwperceel alleen is toegestaan als bij de aanvraag voor de bouw van een dierenverblijf voor hokdieren of bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw naar een dierenverblijf voor hokdieren, bewijs is overlegd dat: a. binnen het Stalderingsgebied dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd; b. de te saneren oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren bedraagt: 1. ingeval van sloop, tenminste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen; 2. ingeval van herbestemming, ten minste 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen; c. voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een provinciale saneringsregeling. Lid 2.
Voor de toepassing van dit artikel geldt als bestaande oppervlakte dierenverblijf het gebouw, inclusief inpandige voorzieningen, dat gebruikt mag worden voor het houden van hokdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer. Lid 3. Het te saneren dierenverblijf bedoeld in het eerste lid onder a. voldoet aan de volgende voorwaarden: a. het betreft een feitelijk aanwezig, legaal opgericht dierenverblijf; b. het dierenverblijf is voorafgaand aan 17 maart 2017 drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig gebruikt voor het houden van hokdieren. Lid 4. In afwijking van het derde lid, onder b, geldt voor veehouderijen die gebruik maken van artikel 2.68 Uitzonderingsregeling stoppende veehouderij dat alleen de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren dat nodig is om het aantal dieren te huisvesten overeenkomstig de gedane mededeling, meetelt als inbreng voor een te saneren dierenverblijf. Lid 5. Het bewijs dat aan de voorwaarden van het eerste lid is voldaan, wordt uitgegeven door of namens gedeputeerde staten. Het betreft geen toename van oppervlakte. Voldaan wordt aan de regels.
Aan de van toepassing zijnde regels is getoetst. Het initiatief voldoet aan de voorwaarden. Provinciaal ruimtelijk beleid vormt derhalve geen belemmering voor aanpassing van het bestemmingsplan.
2.3 Gemeentelijk beleid
2.3.1 Structuurvisie De Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015 is op 1 april 2016 vastgesteld door de gemeenteraad. Het hoofddoel van deze structuurvisie is het bieden van een integrale visie op het buitengebied van de gemeente Oss. De locatie heeft de aanduiding ‘versterken zandrug’. De dekzandrug is een hoger gelegen zandgebied met een besloten tot halfopen karakter. Van oorsprong zijn deze gebieden bedekt met bos. Door de bevolkingsgroei en ontwikkeling van de landbouw zijn in plaats van bos heidegebieden ontstaan. Het versterken van dit gebied gebeurt voor het accentueren van de hoge ligging van de dekzandrug met beplanting. Het kampenlandschap wordt waar mogelijk met kleine bosjes verdicht, terwijl in de beslotenheid van de bossen open plekken worden gecreëerd.
14
Het natuurlijke karakter van de dekzandrug kan verder ontwikkeld worden, zowel kwantitatief als kwalitatief. Ten zuiden van Herpen, Oss en Geffen heeft de dekzandrug een meer gemengd karakter. De toeristisch-recreatieve waarde van het gebied is groot, maar kan verder versterkt en verbeterd worden. Ontwikkelingen moeten daar duidelijk bijdragen aan de landschappelijke kwaliteit van de dekzandrug. Het perspectief van de veehouderij is in dit gebied beperkt. In de structuurvisie zijn ook functionele uitgangspunten opgenomen. Dee worden beschreven vanuit hoofdfuncties, landbouw, natuur en water, toerisme en recreatie, wonen, niet-agrarische bedrijvigheid.
Horeca in het buitengebied
Het landelijk gebied is in principe horecaluw. De nadruk ligt in het landelijk gebied op landbouw. Het buitengebied heeft ook een toeristisch-recreatieve functie. Binnen het landelijk gebied is er een verschil tussen gebieden met hoofdzakelijk een agrarische functie en gebieden waar meer de nadruk ligt op (routegebonden) recreatie en toerisme. Horeca vormt een belangrijk onderdeel van de toeristisch-recreatieve sector. In sommige gevallen kan horeca zelfs een belangrijke trekker zijn voor een gebied. In agrarisch gebied is onder voorwaarden horeca van ondersteunende aard toelaatbaar. Dit betekent dat horeca alleen ondersteunend aan een agrarische of recreatieve hoofdbestemming mag zijn. Dit is toelaatbaar als dit passend is in wet- en regelgeving. De horeca mag hierbij niet de hoofdfunctie overheersen. Het exploiteren van de conferentiezaal is een horeca-activiteit die naast het agrarisch bedrijf aanwezig is. Het overheerst de hoofdfunctie derhalve niet, het betreft een nevenactiviteit. Zoals hierboven genoemd kan een dergelijke nevenactiviteit worden toegelaten. Het verbindt de kern met het buitengebied. De pensionstalling is een activiteit die verwant is aan de agrarische functie en heeft binding met het buitengebied. Deze tak betreft ook een nevenactiviteit. Onderhavige ontwikkeling past binnen de beschreven mogelijkheden van de structuurvisie.
De locatie is gelegen in een gebied met verschillende activiteiten, niet enkel agrarisch.
Afbeelding 6: Uitsnede ruimtelijke en functionele visiekaart
2.3.2 Bestemmingsplan Het bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020 is op 16 april 2020 vastgesteld. De locatie heeft in dit bestemmingsplan de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden-Landschap’ met een bouwvlak en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’. De gewenste nevenactiviteiten passen niet binnen de afwijkings- of wijzigingsmogelijkheden van het bestemmingsplan. Partiële herziening van het bestemmingsplan is daarom vereist om de nevenactiviteiten te legaliseren.
15
Afbeelding 7: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Buitengebied Oss - 2020
16
3 Ruimtelijke aspecten De ruimtelijke aspecten stedenbouw en landschap, cultuurhistorie, archeologie en externe veiligheid komen in dit hoofdstuk aan bod. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het beleid omtrent deze aspecten.
3.1 Stedenbouw en landschap De locatie is gelegen op een dekzandrug en is een hoger gelegen zandgebied. De dekzandrug is een hoger gelegen zandgebied met een besloten tot halfopen karakter. Van oorsprong zijn deze gebieden bedekt met bos. Door de bevolkingsgroei en ontwikkeling van de landbouw zijn in plaats van bos heidegebieden ontstaan. De bosgebieden werden op sommige plekken omgevormd tot kleinschalig landbouwgebied. De rest werd ingeplant met naaldbomen voor de mijnbouw. De dekzandrug is onder te verdelen in een gebied dat voor een groot deel bosbouwkundig in gebruik is (het stuifduinen- en boscomplex) en een deel dat agrarisch in gebruik is genomen (de kamp- en heideontginningen). Op de dekzandrug infiltreert het water. Op plaatsen met een ondoorlatende laag (bijvoorbeeld leem) in de ondergrond zijn vennen ontstaan, zoals het Groot Ganzenven en de Rijsvennen. De locatie aan de Heikampstraat 15 wordt aan twee zijden begrenst door landbouwgrond welke tot het bedrijf behoort. Aan de westzijde grenst de locatie aan een veehouderij/paardenhouderij. De zuidzijde van het bedrijf grenst aan de Heikampstraat. De Heikampstraat wordt voornamelijk gebruikt door bestemmingsverkeer. De locatie is gelegen tussen de A59 en het bedrijventerrein. In de directe omgeving zijn diverse typen bedrijven te vinden, daarnaast zijn burgerwoningen en de rijksweg gelegen in de nabije omgeving.
3.2 Verkeer en infrastructuur De verkeersbewegingen zijn met de nevenactiviteiten licht toegenomen. Het betreft voornamelijk personenauto’s en personenauto’s met paardentrailers. De omliggende wegen zijn geschikt voor landbouwvoertuigen en vrachtverkeer en behoeven dan ook geen aanpassingen. De capaciteit van de omliggende infrastructuur is voldoende gebleken en behoeft geen aanpassingen. De conferentiezaal heeft een oppervlakte van circa 329 m2. Volgens de gemeentelijke parkeernormen betekent dit 8,5 x 3,3 = 28 parkeerplaatsen. Voor de pensionstalling geldt 42 paarden x 0,4 parkeerplaats per box = 17 parkeerplaatsen. De parkeervraag van de pensionstalling en de conferentiezaal vindt waarschijnlijk niet tegelijkertijd plaats. Het is dan ook realistisch om uit te gaan van 28 extra parkeerplaatsen vanwege de nevenactiviteiten. Bij de woning zijn 3 privé parkeerplaatsen aanwezig en bij het kantoor 2 ten behoeve van het agrarisch bedrijf. In de bijlage zijn situatietekeningen op schaal opgenomen met de parkeerplaatsen.
3.3 Cultuurhistorie en archeologie Het ‘verdrag van Malta’, Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed, is in 1998 bekrachtigd in Nederland. Dit verdrag krijgt binnen Nederland vorm middels de Wet op de archeologische monumentenzorg. De Nota Belvedère geeft aan dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden met eventuele cultuurhistorie ter plaatse. De nota en het verdrag leiden ertoe dat de provincie in haar beleid het cultuurhistorisch en archeologisch erfgoed moet beschermen. Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening en de Wet op de archeologische monumentenzorg ligt de verantwoordelijkheid voor de bescherming en het behoud van cultuurhistorische en archeologische waarden voornamelijk bij gemeenten. Zij zorgen ervoor dat het beleid op de juiste wijze wordt uitgevoerd.
17
Cultuurhistorie
Om cultuurhistorisch erfgoed te kunnen beschermen en behouden heeft de Provincie Noord-Brabant de Cultuurhistorische Waardenkaart opgesteld. Deze kaart bevat informatie over archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en met beschermde stads- en dorpsgezichten. De cultuurhistorische waarden worden tevens benoemd in het provinciaal beleid, de Structuurvisie ruimtelijke ordening en de Interim omgevingsverordening. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie. Hierop is te zien dat de locatie aan de Heikampstraat 15 niet gelegen is in een cultuurhistorisch waardevol gebied. Uit het bestemmingsplan volgen geen belemmeringen ten aanzien van cultuurhistorie.
Afbeelding 8: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Brabant
Archeologie
Bovenstaande waardenkaart geeft naast de cultuurhistorische waarden ook de archeologische verwachtingswaarde aan. Onderhavige locatie is op basis van dit provinciaal beleid niet gelegen in een gebied met archeologische verwachtingswaarde. De gemeenteraad van Oss heeft op 14 oktober 2010 het Archeologiebeleid gemeente Oss 2010 vastgesteld. Deze is verwerkt in het bestemmingsplan. Binnen het vigerende bestemmingsplan heeft de locatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog’. Bij werkzaamheden in de grond met een oppervlakte van 100 m² of meer en dieper dan 0,3 m is een archeologisch onderzoek vereist. De nevenactiviteiten worden in de bestaande bebouwing gerealiseerd. Werkzaamheden in de grond zijn derhalve niet noodzakelijk.
3.4 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en
18
waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid-buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico:
Plaatsgebonden risico (PR)
Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
Groepsrisico (GR)
Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Verantwoordingsplicht groepsrisico
Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag(veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer:
1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10%en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 100%letaliteitgrens bevinden.
Weg, spoorweg of binnenwater (Bevt)
Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt
19
binnenwater (Bevt) genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer:
1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden.
Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Oss beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid. Een belangrijke reden voor de gemeente Oss om een integrale visie op externe veiligheid te formuleren is de door landelijke wetgeving opgelegde plicht tot het expliciet verantwoorden van veranderingen in de voor inwoners aanwezige risico’s. Hierin is de ambitie verwoord dat de gemeente Oss naast het voldoen aan de normen voor het plaatsgebonden risico met behulp van de beleidsvisie invulling wil geven aan het groepsrisicobeleid. Bij ruimtelijke besluiten binnen het invloedsgebied van een risicobron dient invulling te worden gegeven aan de verantwoordingsplicht. In de beleidsvisie zijn planologische kaders gegeven, waarmee de scheiding tussen risicobronnen en risico-ontvangers en de voorwaarden waaronder deze wel kunnen worden gemengd worden uitgewerkt.
Het betreft planologische kaders voor: Spoor- en rijkswegen LPG-tankstations Overige Bevi-bedrijven In deze beleidsvisie is gekozen om de planologische kaders af te stemmen op de kans dat een groep mensen in een gebied betrokken wordt bij een incident met gevaarlijke stoffen. Hoe groter de kans, des te nadrukkelijker ruimtelijke keuzes gemaakt en verantwoord moeten worden. De kaders zijn gericht op nieuwe planologische situaties. Steeds zal de locatiespecifieke afweging bepalend zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Barra, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz. Inventarisatie risicobronnen
Rijksweg A59
Plangebied ligt op circa 240 meter van A59 (knooppunt Hintham – knooppunt Paalgraven). Over deze weg worden verschillende gevaarlijke stoffen vervoerd, waaronder GF3, LT1, LT2 en GF2. Met een afstand van circa 240 meter ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van al deze gevaarlijke stoffen. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de A59 af ligt, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording voor de scenario’s toxische wolk en BLEVE. Hierbij dient in te worden gegaan op de bestrijdbaarheid en de zelfredzaamheid van de personen in het plangebied o.b.v. artikel 7 Besluit externe veiligheid transport.
20
Knooppunt Paalgraven
Het plangebied ligt op circa 1,65 km van de A50 (knooppunt paalgraven-afrit 14 zeeland af). Over de weg worden verschillende gevaarlijke stoffen vervoerd, waaronder GT4 wat een invloedsgebied heeft van 4 km. Het plangebied ligt dus met een afstand van 1,67 km in het invloedsgebied van deze gevaarlijke stof. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de A50 af ligt, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording voor het scenario toxische wolk. Hierbij dient in te worden gegaan op de bestrijdbaarheid en de zelfredzaamheid van de personen in het plangebied o.b.v. artikel 7 Besluit externe veiligheid transport.
Buizen
Het plangebied ligt op circa 440 meter afstand van 2 buizen (A643 en A527). De A643 heeft een uitwendige diameter van 48 inch en is 8.000 kPa. De buis heeft een 100% letaliteitsgrens van 220 meter en een 1% letaliteitsgrens van 580 meter. Het plangebied ligt op een afstand van 440 meter en daarmee ligt het binnen de 1% letaliteitsgrens van buis A643. Buis A527 heeft een uitwendige diameter van 48 inch en is 6.620 kPa. De buis heeft een 100% letaliteitsgrens van 210 meter en een 1% letaliteitsgrens van 540 meter. Het plangebied ligt op een afstand van 440 meter en daarmee ligt het ook binnen de 1% letaliteitsgrens van buis A527. Omdat het plangebied buiten de 100% letaliteitgrens ligt van beide buisleidingen kan worden volstaan met een beperkte groepsverantwoording voor het scenario fakkelbrand. In deze verantwoording moet worden ingegaan op de te verwachten dichtheid van personen, bestrijdbaarheid, zelfredzaamheid en het groepsrisico per kilometer buisleiding op het tijdstip waarop het besluit wordt vastgesteld en de bijdrage aan de hoogte van het groepsrisico van de in dat besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, vergeleken met de oriëntatiewaarde o.b.v. artikel 12 Besluit externe veiligheid buisleidingen.
Het groepsrisico moet berekend worden omdat het plangebied een conferentiezaal heeft, wat volgens het Bevi (artikel 1 lid g) een beperkt kwetsbaar object is, binnen de 1% letaliteitsgrens. Op basis van de berekening kan worden bepaald of het groepsrisico lager is dan 10% van de oriëntatiewaarde of dat de toename van het groepsrisico ten gevolge van het besluit minder is dan 10% van de oriëntatiewaarde op basis van Handboek buisleidingen en bestemmingsplannen, p.25-26. Scenario's De relevante Scenario’s in relatie tot het plangebied zijn: een fakkelbrand; een toxische wolk en een BLEVE
Fakkelbrand
Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Hierdoor kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving ontstaan. De kans op een fakkelbrand is als gevolg van veiligheidsmaatregelen rondom werkzaakheden in de directe omgeving van deze leidingen erg klein. Als gevolg van een fakkelbrand binnen 540 resp. 580 meter van de planlocatie zullen de gebouwen ontbranden. Als gevolg van de hoge hittestraling zullen de aanwezige personen met letaal en ernstig letsel geconfronteerd worden. Indien men in de schaduw van objecten kan vluchten neemt het risico op ernstig letsel af.
Toxische wolk
Een toxische wolk wordt veroorzaakt door een incident door een mechanische impact op de tank. Hierdoor ontstaat een gat in de tank waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreid. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Doordat de afstand tussen de planlocatie en de A59 beperkt is wordt men in het plangebied vrij snel met gevaarlijke concentraties geconfronteerd. De concentraties binnen zijn indien een gebouw goed geïsoleerd is vele malen lager en bieden bescherming.
BLEVE
BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de LPG-tank doet oplopen. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tankwand. Het gas komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. De effecten van een BLEVE zijn warmtestraling, overdruk en scherfwerking. Als
21
gevolg van de hoge hittestraling zullen de aanwezige personen met letaal en ernstig letsel geconfronteerd worden. Beoordeling en verantwoording
Fakkelbrand
In het kader van het vaststellen bestemmingsplan "bedrijventerrein Vorstengrafdonk 2013" zijn groepsrisicoberekeningen uitgevoerd. De ontwikkeling leidt tot een zeer beperkte toename van de personendichtheid binnen het invloedsgebied van de buisleidingen en zal in een nieuwe berekening niet tot een zichtbare verandering van het berekende groepsrisico leiden. Een nieuwe berekening hoeft daarom niet te worden gemaakt, maar wel moet gemotiveerd worden waarom het groepsrisico door het plan niet zichtbaar zal toenemen, zo luidt het advies van de Veiligheidsregio. Het groepsrisico neemt niet zichtbaar toe doordat het om een beperkt aantal personen gaat, maximaal 50, gezien de bedrijvigheid en activiteiten in de omgeving zal dit een klein aandeel zijn in het geheel. Zelfredzaamheid: Gezien de aard en de activiteiten van de bestemming mag aangenomen worden dat de mate van zelfredzaamheid van de personen van het plangebied goed is. Een fakkelbrand zal snel waargenomen worden. Voor een fakkelbrand geldt vluchten als beste handelingsperspectief. Via de Heikampstraat en Brierstraat of via het achterliggende terrein kan afstand van de fakkelbrand worden genomen.
Toxische wolk
De mogelijkheden tot zelfredzaamheid: Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid: De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: - Goed te alarmeren is; - Goed te schuilen is; - Goed te ontvluchten is. Alarmering: In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren.
In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden: Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden: Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af.
22
Conclusie: Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is geen reden voor nader advies. De veiligheidsregio ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen.
BLEVE
Zelfredzaamheid: Gezien de aard en de activiteiten van de bestemming mag aangenomen worden dat de mate van zelfredzaamheid van de personen van het plangebied goed is. Een ongeval op de A59 zal snel waargenomen worden. Voor een BLEVE geldt vluchten als beste handelingsperspectief. Via de Heikampstraat en Brierstraat of via het achterliggende terrein kan afstand van de A59 worden genomen. Bestrijdbaarheid: Geen opties Advies veiligheidsraad De veiligheidsregio adviseert om de volgende maatregelen te nemen om de zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen. Er is sprake van twee verschillende handelingsperspectieven, vluchten versus binnen blijven. Het is van belang om de aanwezige personen te wijzen op de verschillende handelingsperspectieven Hier heeft de eigenaar een belangrijke rol. Adviseer de eigenaar de scenario's en het handlingsperspectief op te nemen in het bedrijfsnoodplan zodat zowel hij, als zijn gasten kunnen weten hoe te handelen bij een dreiging.
23
4 Milieuaspecten In dit hoofdstuk wordt de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling getoetst aan de verschillende bepalingen omtrent geluid, fijnstof, geur, water, natuur en bodem. De effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op het milieu wordt hiermee in beeld gebracht.
4.1 Geluid Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de Wet geluidhinder in acht te worden genomen. De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. De Wet geluidhinder richt zich vooral op de ruimtelijke inpassing van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) in relatie met belangrijke geluidsbronnen zoals (spoorweg)verkeer en gezoneerde industrieterreinen. Met de invoering van geluidproductieplafonds voor hoofd(spoor)wegen op 1 juli 2012 (opgenomen in de Wet milieubeheer) geldt de Wet geluidhinder niet meer voor de aanleg/wijziging van hoofd(spoor)wegen, maar nog wel voor de bouw van gevoelige bestemmingen langs deze wegen. Ook in situaties dat de Wet geluidhinder niet van toepassing is, zal in het kader van een goede ruimtelijke ordening een akoestische beoordeling moeten plaatsvinden. Voor geluid in de ruimtelijke ordening voor zover niet geregeld in de Wet geluidhinder vindt toetsing plaats in het kader van de Wet ruimtelijke ordening en/of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De Wet ruimtelijke ordening bepaalt in artikel 3.1 dat bestemmingen worden gelegd en regels worden gesteld in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’.
Als hulpmiddel hierbij kan gebruik gemaakt worden van bijvoorbeeld de ‘Brochure Bedrijven en Milieuzonering’ (VNG), geluidbeleid en toetsingskaders op basis van de Wet milieubeheer. In het kader van de verleende omgevingsvergunning voor de activiteit milieu d.d. 25 februari 2019 is getoetst aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving in het kader van geluid. De geluidsemissie op onderhavig bedrijf wordt vooral bepaald door het laden en lossen van dieren, het lossen van voer en overige producten zoals diesel, het ophalen van melk, het werken met tractoren en machines binnen de inrichting, het inkuilen en uithalen van voerders uit sleufsilo’s, het voeren van de dieren en het ophalen van drijfmest in de dagperiode. Onder indirecte hinder wordt verstaan hinder die niet rechtstreeks voortvloeit uit de activiteiten van de inrichting maar wel kan worden toegeschreven aan de aanwezigheid van de inrichting. Als gevolg van verkeersbewegingen van en naar de inrichting kunnen omwonenden geluidsoverlast ondervinden. De verkeersbewegingen voor de nevenactiviteiten zijn reeds meegenomen in de beoordeling van de vergunning aanvraag en akkoord bevonden. De verkeersbewegingen met betrekking tot de nevenactiviteiten zijn personenwagens welke gezien aantal, frequentie, zwaarte en afstand niet tot nauwelijks zullen bijdragen aan geluidsoverlast.
Zeker in verhouding met het vracht- en landbouwverkeer ten behoeve van het agrarisch bedrijf is de geluidsemissie ten gevolge van de nevenactiviteiten minimaal.
4.2 Fijnstof In het kader van onderhavige ruimtelijke ontwikkeling is het noodzakelijk aan te tonen dat de ontwikkeling niet tot een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. De ontwikkeling vormt geen probleem ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit indien er geen sprake is van een overschrijding van de gestelde normen of de ontwikkeling per saldo niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit danwel het project ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
24
Het wettelijke kader voor de luchtkwaliteit is gegeven in de volgende documenten: Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wm; Besluit niet in betekenende mate bijdragen luchtkwaliteitseisen; Pagina Ons kenmerk 23 VTH/W 34960 Regeling niet in betekenende mate bijdragen luchtkwaliteitseisen; Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007; Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007; Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteitseisen; Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In het kader van het verlenen van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu d.d. 25 februari 2019 is de luchtkwaliteit in de beoogde situatie getoetst aan deze documenten. Het besluit is toegevoegd als bijlage. De fijnstofemissie in de vergunde situatie bedroeg 354,3 kg per jaar. In de aangevraagde situatie daalt deze tot 302,2 kg per jaar. In het besluit is het volgende opgenomen: ‘Uit de aanvraag en de bijlage Diertabel blijkt dat geen toename van emissies van de in bijlage 2 van de Wm genoemde stoffen te verwachten is.
Hoewel daarnaar geen expliciet onderzoek is verricht, is voldoende aannemelijk dat de luchtkwaliteit in de nabije omgeving van de inrichting door de aangevraagde activiteiten niet verslechtert, omdat er een afname is in de emissie van fijn stof.’ In het kader van de Wet milieubeheer zijn het Besluit en de Regeling “Niet In Betekenende Mate bijdrage” (NIBM) op 15 november 2007 in werking getreden. Een plan is NIBM, als aannemelijk is dat het plan een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. Ten opzichte van de huidige situatie neemt het aantal verkeersbewegingen in de beoogde situatie toe. Hieronder is een weergave van de NIBM rekentool weergegeven. Voor de beoogde situatie wordt uitgegaan van 74 extra verkeersbewegingen per dag ten behoeve van de nevenactiviteiten. Hiervan betreffen 6 verkeersbewegingen vrachtverkeer. Uit de NIBM-tool blijkt dat de bijdrage van het verkeer NIBM is.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2020
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer
8,0%
NO2 in μg/m3
0,10
PM10 in μg/m3
0,02
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
74
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Achtergrondconcentratie
Op de afbeeldingen hieronder is de achtergrondconcentratie van fijnstof, 18,98 μg/m³, zeer fijnstof, 11,45 μg/m³, en stikstofdioxide, 20,15 μg/m³, te zien. De waarden voldoen aan de grenswaarden, 40 μg/m³ voor NO2 en PM10 en 20 μg/m³ voor PM2,5. Voor het aspect luchtkwaliteit kan dan ook
25
geconcludeerd worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse. De bedrijven in de omgeving hebben nog voldoende uitbreidingsmogelijkheden wat luchtkwaliteit betreft.
Afbeelding 9: Achtergrondconcentratie stikstofdioxide gegevens 2020 bron: RIVM
Afbeelding 10: Achtergrondconcentratie PM10 gegevens 2020, bron: RIVM
26
Afbeelding 11: Achtergrondconcentratie PM2,5 gegevens 2020, bron: RIVM
4.3 Geur Onderhavig bedrijf betreft een vergunningsplichtig bedrijf en derhalve dient voor wat betreft geur getoetst te worden aan de Wet geurhinder en veehouderij. In het kader van de vergunningaanvraag, verleend d.d. 25 februari 2019, heeft deze toetsing plaatsgevonden en wordt voldaan aan de gestelde normen in de Wet geurhinder en veehouderij.
Omgekeerde werking
De ontwikkelingen vallen niet onder geurgevoelige objecten, het betreft kortdurend verblijf. Tenslotte behoren ze tot een veehouderij. Verder onderzoek naar de geurbelasting van omliggende veehouderijen op deze locatie zijn derhalve niet noodzakelijk.