Bijlage 6 bij toelichting rob Heikampstraat 15 Oss.PDF
Tekst van het document
27
Beleid Rijk
Op 14 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan 201620121 vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015. Het gewijzigde beleid met betrekking tot waterveiligheid en zoetwater is in dit nieuwe Nationaal Waterplan verankerd. Daarnaast heeft het kabinet de afgelopen jaren over verschillende beleidsterreinen afspraken gemaakt die raakvlakken hebben met water, zoals afspraken over energie (Energieakkoord), natuur (Natuurvisie), internationale inzet en vernieuwde bestuurlijke verhoudingen (onder meer Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, Bestuursakkoord Water en Deltaprogramma). Deze afspraken zijn verwerkt in dit Nationaal Waterplan. Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet stimuleren dat Nederlanders waterbewust leven.
Provincie
Op 18 december 2015 hebben Provinciale Staten het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 (PMWP) vastgesteld. Met het PMWP draagt de provincie bij aan een Brabant waar mens, plant en dier gezond en prettig kunnen leven, met ruimte voor een elkaar versterkende economische, maatschappelijk en ecologische ontwikkeling. Met andere woorden: voldoende water voor mens, plant en dier; schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. De provincie wil deze doelen realiseren in samenwerking met haar partners op basis van gezamenlijke verantwoordelijkheid. De zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving staat centraal in dit Provinciaal Milieu- en Waterplan. De Agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het Provinciaal Milieuplan 2012-2015 en het Provinciaal Waterplan 2010-2015 gaven hieraan de afgelopen jaren invulling. Het Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP) 2016-2021 integreert de milieu- en de wateropgave. Het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten.
De locatie is gelegen binnen een gebied met de functie ‘Water voor het gemengd landelijk gebied’. Binnen deze functie vallen aanduidingen ‘gemengd landelijk gebied’ en ‘accentgebied agrarische ontwikkelingen’ uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening. Het waterbeheer richt zich op een goede waterhuishouding voor een duurzame en concurrerende landbouw. Randvoorwaarden zijn de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn water en afstemming met de maatregelen voor de Natura 2000gebieden en de Natte natuurparels. De ontwikkelingen passen binnen dit beleid. Voor het overige geldt geen specifiek beschermingsbeleid.
28
Afbeelding 12: Uitsnede kaart ‘Gezondheid 1’ bij provinciaal milieu- en waterplan
Het waterkwaliteitsbeheer en het waterkwantiteitsbeheer is in Oss in handen van het Waterschap Aa en Maas en de gemeente Oss.
Waterbeheerplan 2016-2021
In het Waterbeheerplan (WBP) beschrijft het waterschap Aa en Maas haar doelstellingen voor de periode 2016 – 2021 en de wijze waarop deze doelstellingen bereikt moeten worden. Hiermee geeft het waterschap invulling aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening water NoordBrabant om een waterbeheerplan op te stellen. In het waterbeheerplan wordt een indeling gemaakt in de volgende programma’s: • Veilig en bewoonbaar; • Voldoende water en robuust watersysteem; • Schoon water; • Gezond en natuurlijk water; • Het leveren van maatschappelijke meerwaarde Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
Keur
De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels.
Legger
De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
Watertoets waterschap Aa en Maas
Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer hier invulling aan te geven:
29
1. Wateroverlastvrij bestemmen Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de norm uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). In eerste instantie zal bij de locatiekeuze van een ontwikkeling gezocht moeten worden naar een plek „die hoog en droog genoeg‟ is. Mocht dit echter niet mogelijk of wenselijk zijn, dan zal in de compenserende of mitigerende sfeer gezocht moeten worden naar maatregelen die het gewenste beschermingsniveau tegen wateroverlast helpen realiseren. Liever nog dan mitigeren of compenseren, wordt bij voorkeur gebouwd op locaties die als gevolg van hun ligging nú al voldoen aan de NBW-norm voor de toekomstige functie. 2. Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater Het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het binnen het plangebied verwerken van het schone hemelwater. Afhankelijk van de omstandigheden ter plaatse kan een compromis gesloten worden, waarbij de minimale inzet (in bestaand bebouwd gebied) is om het vuile en het schone water gescheiden aan te bieden op het (reeds aanwezige) gemengde rioolstelsel. Het waterschap zal echter niet akkoord gaan met de aanleg van nieuwe gemengde rioolstelsels. 3.
Doorlopen van de afwegingsstappen: “hergebruik - infiltratie - buffering -afvoer” In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen “hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer” (afgeleid van de trits “vasthouden - bergen - afvoeren”) doorlopen. Hergebruik van hemelwater wordt voornamelijk overwogen bij grootschalige voorzieningen als scholen, kantoorgebouwen ed. Voor particuliere woningen wordt dit, ook gezien de landelijke ervaringen met grijswatersystemen, niet gestimuleerd. Binnen grondwaterbeschermingsgebieden kunnen door de grondwaterbeheerder (provincie) aanvullende kwalitatieve eisen gesteld worden in de Provinciale Milieu Verordening. Ook kan een vergunning nodig zijn van de grondwaterbeheerder. 4. Hydrologisch neutraal ontwikkelen Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. Hierbij mag de natuurlijke GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) niet verlaagd worden en mag bijvoorbeeld bij transformatie van landelijk naar bebouwd gebied de oorspronkelijke landelijke afvoer in de normale situatie niet overschreden worden.
Het waterpeil sluit aan bij optimale grondwaterstanden en in poldergebieden worden seizoensfluctuaties toegestaan. 5. Water als kans ”Water” wordt door stedenbouwkundigen bij inrichtingsvraagstukken vaak benaderd als een probleem (“er moet ook ruimte voor water gecreëerd worden, en m2 zijn duur”). Dat is erg jammer, want “water” kan ook een meerwaarde geven aan het plan, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de belevingswaarde van water. Zo is „wonen aan het water‟ erg gewild, een mooie waterpartij met bijbehorend groen wordt door vele inwoners gewaardeerd etc.
6. Meervoudig ruimtegebruik
“Er moet ruimte voor water gecreëerd worden, en m2 zijn duur”. Maar door bij de inrichting van een plangebied ruimte voor twee of meer doeleinden te gebruiken, is het “verlies” van m2 als gevolg van de toegenomen ruimtevraag vanuit water te beperken. Zo is het in bepaalde gevallen mogelijk om het flauwe talud ook te gebruiken als onderhoudsstrook. Flauwe taluds geven veel ruimte voor buffering van water, maar zijn ook te gebruiken voor recreatieve doeleinden (een fietspad dat af en toe niet te gebruiken is). 7. Voorkomen van vervuiling Bij de inrichting, het bouwen en het beheer van gebieden wordt het milieu belast. Vanuit zijn wettelijke taak ten aanzien van het waterkwaliteitsbeheer streeft het waterschap ernaar om nieuwe bronnen van verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. Deze bronaanpak is ook verwoord in het Emissiebeheersplan. Het waterschap besteedt hier reeds aandacht aan in de fase van de watertoets, zodat dit aspect als randvoorwaarde kan worden meegenomen in het verdere ontwerpproces.
30
8. Waterschapsbelangen
Er zijn „waterschapsbelangen‟ met een ruimtelijke component. Dit betreft het volgende: a. ruimteclaims voor waterberging; b. ruimteclaims voor de aanleg van natte EVZ‟s en beekherstel; c. aanwezigheid en ligging watersysteem; d. aanwezigheid en ligging waterkeringen; e. aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims ten behoeve van de afvalwaterketen in beheer van het waterschap. In de beoogde situatie is geen sprake van toename of wijziging van verharding. Daarmee zijn een aantal van bovengenoemde uitgangspunten niet van toepassing. Hieronder wordt beschreven hoe in de bestaande situatie en de beoogde situatie met hemel- en afvalwater omgegaan wordt. In de beoogde situatie is enkel een wijziging in het bedrijfsafvalwater afkomstig van de nevenactiviteiten. Dit is zeer beperkt en wordt afgevoerd naar de eigen mestkelders.
Bestaande situatie waterhuishouding
In de bestaande situatie wordt het huishoudelijk afvalwater van zowel de voormalige woning als de nieuwe woning geloosd op het gemeentelijk riool, zie afbeelding hieronder. Het hemelwater afkomstig van de bebouwing en verharding wordt geheel naar de eigen sloot aan de oostzijde geleid alwaar het infiltreert. Er is geen sprake van een overloop. Bij extreem weer infiltreert het op eigen land. Het afvalwater afkomstig van het bedrijf wordt naar de mestkelders geleid. De goten, het dak en de verharding worden zorgvuldig schoongehouden zodat het enkel niet- verontreinigd hemelwater betreft.
Afbeelding 13: Aansluiting oude en nieuwe woning op riool
Toekomstige situatie waterhuishouding
De bestaande waterhuishouding blijft gehandhaafd. In de beoogde situatie is geen sprake van een toename van verhard oppervlak. De conferentiezaal beschikt over een toilet en een eenvoudig keukenblok. Evenals de rest van het bedrijfsafvalwater afkomstig van de stallen wordt dit naar de mestkelder geleid. De activiteiten vinden plaats in bestaande bebouwing.
4.5 Natuur Onderstaand worden diverse aspecten met betrekking tot natuur- en groene wetgeving getoetst. De effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op natuuraspecten worden hiermee in kaart gebracht.
31
Natura 2000-gebieden
De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden betreffen Rijntakken op een afstand van ongeveer 16 km en Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek op een afstand van 18 kilometer. Gezien de activiteit zijn effecten als verdroging en vernatting uitgesloten. Verstoring door geluid, licht, trilling en optische verstoring zijn gezien de grote afstand en de tussenliggende landschappelijke elementen uit te sluiten. Deze aspecten en de depositie op de betreffende gebieden is getoetst in het kader van de afgegeven vvgb. Echter is deze verleend onder het PAS. Derhalve is gekozen om in de regels bij dit plan te borgen dat onderhavige ontwikkeling niet kan leiden tot mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden. In het nieuwe bestemmingsplan ‘Ontwikkelingen 2 Buitengebied Oss – 2021’ wordt hierbij gebruik gemaakt van de regels en verbeelding uit het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’. In het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ is een stikstofregeling opgenomen met als doel te voorkomen dat dat plan kan leiden tot mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden.
De regeling bestaat uit een detaillering van het doel 'uitoefening van het agrarisch bedrijf' binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’, waarmee getracht is ontwikkelruimte te bieden aan afzonderlijke agrarische bedrijven zonder dat er sprake is van een toename van de natuur vergunde stikstofdepositie. Onderhavige locatie Heikampstraat 15 Oss is opgenomen in de tabel (9) behorende bij de stikstofregeling waarmee de (oude) natuurvergunning van het bedrijf is vastgelegd. Hiermee is beoogd te borgen dat eventuele toekomstige wijzigingen in het project passen binnen het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’. Hoewel voor de gewenste activiteiten een vvgb is verleend op 15 februari 2019, na de vergunning (van 19 mei 2015) zoals opgenomen in tabel 9 bij het plan ‘Buitengebied Oss – 2020’, leidt dit niet tot problemen binnen de stikstofregelgeving voor de gewenste activiteiten.
Natuur Netwerk Nederland
Natuur Netwerk Nederland is een samenhangend geheel van natuurgebieden van (inter)nationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat de natuurgebieden hun waarde verliezen. Het bedrijf is niet gelegen in een gebied met de aanduiding “Natuur Netwerk Nederland”. Er ontstaan dan ook geen negatieve effecten. Hiernaast wordt het bedrijf landschappelijk ingepast, wat een positief effect heeft op eventueel voorkomende soorten door het creëren van nieuwe rust en verblijfplaatsen.
32
Afbeelding 14: Uitsnede kaart Natuurnetwerk Brabant
Soortenbescherming
In zijn algemeenheid is bij ruimtelijke ingrepen sprake van directe, indirecte, tijdelijke en permanente effecten. Onder directe effecten worden effecten verstaan waarmee planten en dieren rechtstreeks te maken krijgen als gevolg van de ontwikkeling. Verlies van habitat en kwaliteit zijn directe effecten en bovendien permanent. Indirecte effecten betreffen onder andere verstoring, waarbij de aanwezigheid van mensen, licht en geluid een rol speelt. Verstoringen tijdens bouwwerkzaamheden zijn tijdelijk, maar verstoringen kunnen ook een permanent karakter hebben. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven:
Vogels Dit betreffen alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb) en de onder de voormalige Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd. Voor een aantal vogelsoorten geld dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken.
Internationaal beschermde soorten
Dit betreffen alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb);
Overige beschermde soorten
Dit betreffen soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraad 3.3. van de Wnb). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de voormalige Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wnb niet meer is beschermd). Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden.
33
Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Gezien voor de beoogde activiteiten de omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu is afgegeven en deze reeds zijn uitgevoerd is het onderdeel soortenbescherming getoetst ten behoeve van de Wabo-procedure. Dit onderdeel vormt dan ook geen belemmering voor een goede ruimtelijke ordening. Te allen tijde is sprake van een zorgplicht. Deze is opgenomen in artikel 1.11 Wnb en voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Het betreft niet alleen dieren en planten van soorten waarvoor de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn specifieke beschermingsmaatregelen eisen, maar alle in het wild levende dieren en planten.
De zorgplicht houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. In het kader van de vereiste kwaliteitsverbetering wordt extra beplanting gerealiseerd. Dit biedt extra mogelijkheden als leef- en vestigingsplaatsen voor beschermde diersoorten. Nader onderzoek is derhalve niet vereist.
4.6 Bodem Bodembescherming
Bodembeschermende regels voor inrichtingen worden op grond van hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer gesteld. Bij bedrijfsmatige activiteiten, waarbij het risico bestaat dat deze stoffen in de bodem terechtkomen, moet een bedrijf zijn bodem beschermen tegen die stoffen. Binnen de inrichting vinden activiteiten plaats en worden stoffen opgeslagen welke mogelijk de bodem kunnen verontreinigen indien niet de juiste maatregelen worden getroffen. Hiertoe zullen op het bedrijf voorzieningen worden getroffen. Voor wat betreft de nevenactiviteiten betreft het de vaste mestopslag en de mest in de paardenstallen. Deze zijn voorzien van vloeistofkerende en mestdichte vloeren. Op deze manier wordt het risico op bodemverontreiniging vrijwel nihil.
Bodemkwaliteit
Bij de wijziging van het bestemmingsplan dient te worden nagegaan of de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de gerealiseerde nevenactiviteiten. Door de realisatie van een binnenrijbak en pensionstalling in bestaande paardenstallen is de gevoeligheid van het bodemgebruik niet wezenlijk gewijzigd. Omdat de conferentiezaal boven een bestaande varkensstal is gerealiseerd, en dus de bodem niet raakt, speelt de bodemkwaliteit geen directe rol in het gevoeligere gebruik door de conferentiezaal. Doordat de bodemkwaliteit voor de gerealiseerde wijzigingen geen dan wel een beperkte invloed heeft, kan er voor de bodemkwaliteit worden volstaan met een verwijzing naar de ontgravingskaarten van de geactualiseerde Bodemkwaliteitskaart gemeente Oss. Hieronder zijn de uitsneden weer gegeven. Hieruit blijkt dat het plangebied voor wat betreft de vaste bodem in de bodemkwaliteitszone landbouw/natuur ligt. Tevens ligt het plangebied binnen zone A waarin aanvullende eisen gelden voor organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) zoals vastgelegd in gebiedsspecifiek beleid voor de omgang
34
met DDT/DDD/DDE verontreinigde grond. Een bodemkwaliteit landbouw/natuur vormt geen belemmeringen voor de gerealiseerde nevenactiviteiten.
Afbeelding 15: Uitsnede ontgravingskaart bovengrond, 7-11-2019
Afbeelding 16: Uitsnede ontgravingskaart ondergrond, 7-11-2019
Voor de locatie is een omgevingsrapportage opgesteld. Dit betreft een rapportage van de milieuhygiënische bodemkwaliteit van het perceel. De rapportage is gemaakt met behulp van het bodeminformatiesysteem (bis) van de gezamenlijke omgevingsdiensten in Noord–Brabant. Hieruit blijkt dat binnen het plangebied in 1996 en 2005 een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van aanvragen om een bouwvergunning. Uit het onderzoek in 1996 blijkt dat geen vervolgonderzoek nodig is en de grond functioneel is voor de nieuwbouw. Uit het onderzoek in 2005 blijkt tevens dat geen vervolgonderzoek nodig is en dat zowel de grond als het grondwater niet verontreinigd is.
35
4.7 Bedrijven en milieuzonering Het ruimtelijk ordeningsbeleid regelt de situering van milieubelastende en milieugevoelige functies. Het doel is de kwaliteit van de leefomgeving te beschermen. Goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). De VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" is hierbij een belangrijk hulpmiddel. In deze brochure is onderscheid gemaakt in verschillende bedrijfsactiviteiten en gebieden. In de brochure is een lijst opgenomen die snel inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf ingedeeld zou kunnen worden. Per bedrijf is in beeld gebracht welke richtafstand aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype ‘rustige woonwijk’. In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een ‘rustige woonwijk’, maar een ‘gemengd gebied’ waarbij een vermindering met 1 afstandsstap kan worden gehanteerd. In de nabije omgeving van Heikampstraat 15 zijn een aantal woningen en agrarische bedrijven gelegen. Op zeer korte afstand, circa 78 meter, is het bedrijventerrein Vorstengrafdonk gelegen. De bebouwde kom van Heesch is gelegen op 250 meter afstand van het bedrijf.
Hiermee is sprake van een gemengd gebied. In wetgeving zijn eisen gesteld voor de pensionstalling als het gaat over geur en stof. Hieraan wordt voldaan. Voor geluid en gevaar wordt een richtafstand gesteld van respectievelijk 30 en 0 meter voor een ‘rustige woonwijk’. Omdat hier sprake is van een gemengd gebied is de meest bepalende afstand 10 meter. De meest nabijgelegen gevoelige objecten zijn gelegen op 10 meter afstand. Zie de afbeelding hieronder. Voldaan wordt derhalve aan de richtafstand. Voor de conferentiezaal geldt voor geur, geluid en gevaar een richtafstand van 10 meter in een ‘rustige woonwijk’ en 0 meter voor stof. Dit wordt 0 meter in verband met ligging in een gemengd gebied. Ook aan deze richtafstanden wordt derhalve voldaan. Voor de bedrijven op het nabijgelegen bedrijventerrein is een geluidszone gesteld en moet voldaan worden aan andere wetgeving op milieugebied. Omdat de bedrijfswoning en de burgerwoning aan de overzijde van de weg op kleinere afstand zijn gelegen dan de conferentiezaal kan ervan worden uitgegaan dat wordt voldaan en de nieuwe functie geen beperkingen oplevert voor de bedrijven op het bedrijventerrein. Ditzelfde geldt voor de veehouderij aan de Vorstengraflaan 1b. Daarnaast is van belang dat in de conferentiezaal alleen dagverblijf betreft en het verblijf relatief kort van aard is.
36
Afbeelding 17: Afstand tussen de diverse functies en de grens van het bouwblok Heikampstraat 15
4.8 Gezondheid Volgens de Gezondheidsraad is endotoxine een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden van veehouderijen aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Daarom is in de notitie ‘Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ de blootstelling aan endotoxine en de advieswaarde van de Gezondheidsraad als insteek gekozen. Het endotoxine toetsingskader 1.0 biedt de mogelijkheid om bij de vergunningverlening aan veehouderijen uit voorzorg bescherming te bieden aan omwonenden. Recentelijk zijn de resultaten van het gezondheids- (VGO) en het endotoxineonderzoek gepubliceerd. Uit het VGO onderzoek is onder andere gebleken dat er een afname is van de longfunctie bij iedereen die woont in een gebied met meer dan 15 veehouderijen binnen een straal van 1000 meter. Het is volgens de onderzoekers het meest waarschijnlijk dat deze effecten veroorzaakt worden door de blootstelling aan stoffen afkomstig van veehouderijen. Uit VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Met het VGO-3 onderzoek is dit bevestigd. Uit VGO-3 onderzoek blijkt verder dat er geen relatie is tussen de aanwezigheid van pluimveehouderijen en het voor komen van longontsteking.
De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 bevat een praktisch stappenplan en richtafstanden om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Dit stappenplan is opgesteld voor om ontwikkelingen bij veehouderijen te beoordelen. Daarnaast kan het eventueel gebruikt worden bij de afweging om nieuwe gevoelige objecten toe te staan.
37
Het stappenplan is in de bijlage volledig weergegeven. Stap 1 Endotoxine Stap 2 Emissies Stap 3a Geur, wettelijk kader Stap 3b Geur, gezondheid advies Stap 4a Meerdere diersoorten Stap 4b Afstand Stap 5a Geitenhouderij Stap 5b Pluimveebedrijf Stap 5c Overig Stap 6 Mest be- of verwerking Stap 7 Ongerustheid omgeving
Voldoet aan richtafstanden Geen toename Geen nieuwe geurgevoelige objecten Geen nieuwe geurgevoelige objecten Eigen bedrijf varkens en paarden, is geen vee Voldoet Niet gelegen binnen 2 km Binnen 1 km Vorstengraflaan 1B, zie toelichting hieronder Niet gelegen binnen 250 m Niet van toepassing Niet bekend
Stap 5b voldoet als enige niet, hiertoe kan het volgende opgemerkt worden. ‘’Uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) bleek dat in de jaren 2009-2013 er sprake was van een verhoogd voorkomen van longontstekingen onder omwonenden die binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij woonden. In de jaren daaropvolgend (2014-2016) werd dat verband niet meer gevonden. Ook in het aanvullende, recente onderzoek in de regio Utrecht/Gelderland/Overijssel werd een dergelijk verband niet meer gevonden. Dit in tegenstelling tot het verband tussen het verhoogd voorkomen van longontsteking bij omwonenden nabij een geitenhouderij (2km). In de Handreiking veehouderij en volksgezondheid, opgesteld door het Ondersteuningsteam, wordt aangegeven dat het wonen nabij een pluimveehouderij (binnen een straal van 1km) leidt tot het advies om een advies bij de GGD op te vragen. In het ondersteuningsteam zijn de laatste onderzoeksresultaten recent besproken en is besloten dat er geen advies meer wordt gegeven om een GGD advies op te vragen op grond van het criterium “wonen binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij”. Gezien bovenstaande hoeft geen advies opgevraagd te worden bij de GGD voor onderhavige ontwikkeling.
4.9 Overige aspecten Straling/hoogspanningslijnen
Op een afstand van ongeveer 1 kilometer ligt een hoogspanningslijn. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.
Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen
Hoewel in geen enkele wettelijke regeling in acht te nemen afstanden zijn opgenomen voor spuitzones tussen gevoelige bestemmingen enerzijds en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt anderzijds, dient op basis van het criterium goede ruimtelijke onderbouwing wel te worden beoordeeld of het gebruik van die middelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een afstand van 50 meter tussen het perceel waarop teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies kan worden gehanteerd. Rondom de inrichting zijn enkel graslanden gelegen. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen hierop is zeer laag, dit is niet te vergelijken met bijvoorbeeld fruitteelt of akkerbouwgewassen. De conferentiezaal is gelegen op meer dan 50 meter van de graslanden en behoort daarnaast tot het eigen bedrijf. De pensionstalling bevindt zich wel binnen 50 meter van de graslanden. Maar zoals benoemd wordt op grasland nagenoeg geen gewasbeschermingsmiddel gebruikt. Daarnaast zijn de pensionklanten slechts voor korte tijd aanwezig. Gesteld kan worden dat het woon- en leefklimaat op dit aspect voldoet.
38
Milieueffectrapportage
In het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) zijn categorieën opgenomen waarvoor het opstellen van een milieueffectrapport of een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Ten behoeve van de verleende omgevingsvergunning onderdeel milieu, waarin de gewenste en reeds gerealiseerde nevenactiviteiten meegenomen zijn is een vormvrije m.e.r. opgesteld naar aanleiding van de dieraantallen. Bij besluit van 13 april 2018 is besloten dat het niet noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen. De nevenactiviteiten zijn in het besluit niet opgenomen als m.e.r.(beoordelings)plichtig.
39
5 Uitvoerbaarheid Uit voorgaande toetsing is gebleken dat de gewenste ontwikkeling past binnen het beleid en de wettelijke kaders. Hierna wordt de economische uitvoerbaarheid toegelicht.
5.1 Economische uitvoerbaarheid Initiatiefnemer betreft een particuliere partij. Deze particuliere partij draagt zorg voor de kosten welke gepaard gaan met de voorgenomen ontwikkeling. De financiële uitvoering van de ontwikkeling is daarmee geborgd. De Wet ruimtelijke ordening geeft gemeenten meer regie en sturing op de ruimtelijke ontwikkelingen op lokaal niveau. De nieuwe wetgeving maakt het mogelijk voor gemeenten om de kosten met betrekking tot het plan te verhalen op diegene die de ontwikkeling initieert. Gezien voorgaande zijn risico’s aangaande dit aspect voor de gemeente dan ook uit te sluiten.
40
6 Conclusie Uit voorgaande toetsing blijkt dat de gewenste ontwikkeling past binnen het rijksbeleid en beleid van de provincie Noord-Brabant en de gemeente Oss. Het plan voldoet tevens aan de gestelde eisen op het gebeid van milieu en levert geen beperkingen op ten aanzien van ruimtelijke aspecten. Daarnaast is tevens de uitvoerbaarheid voldoende gegarandeerd.
41
Bijlagen Landschappelijk inpassingsplan Stappenplan uit Handreiking veehouderij en volksgezondheid Situering parkeerplaatsen Besluit WABO
42
Landschappelijk inpassingsplan
43
Bestaande solitaire bomen
Heikampstraat 15, Oss
Landschappelijke inpassing
Meidoornhaag
Bestaande haag
Dichte houtwal van minimaal 6 meter breed bestaande uit bomen struiken(streekeigen soorten)
Stappenplan uit Handreiking veehouderij en volksgezondheid
44
11
Stappenplan 2.0 : Beoordeling of advisering vanuit de GGD door het OT geadviseerd wordt 1. Endotoxine (varkens-/pluimveehouderijen): Omgevingsdienst beoordeelt aan de hand van het endotoxine toetsingskader 1.0 dat de ontwikkeling NIET voldoet aan de endotoxine ‘richt-afstand’ tussen een
Ja
12
veehouderij en gevoelige bestemming. Het bevoegd gezag en ondernemer komen in een dialoog niet tot een goede oplossing om een beperking van de berekende endotoxine-afstand te realiseren. Overige bedrijven: ga verder naar stap 2. Nee 2. Emissies; de ontwikkeling leidt tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Een toename van geur, fijnstof en/of ammoniak (via vorming van secundair fijnstof) kan mogelijk leiden tot een negatief effect op de volksgezondheid.
Ja
Nee 3a. Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader I.
OPVRAGEN ADVIES GGD
de ontwikkeling valt onder de Wgv en Verordening ruimte
In de beoogde situatie wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan, maar blijft er sprake van
Ja
een overbelaste situatie voor geur (voorgrond en/of achtergrond)
% geur-gehinderden 12% (woonkern) 20% (buitengebied) II.
Geurbelasting in concentratiegebied Voorgrond Achtergrond 3 5 OU/m 10 OU/m3 10 OU/m3 20 OU/m3
voor dieren zonder emissiefactor:
In de beoogde situatie wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan, maar de afstand vanaf
Ja
de rand van een bedrijf tot de gevel van de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming is kleiner dan 100 meter (in een kern), 50 meter (in het buitengebied) of de in het gemeentelijk beleid genoemde afstand. Nee 3b. Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. gezondheidskundige advieswaarde I.
voor dieren met emissiefactor:
OPVRAGEN ADVIES GGD
de voor- en/of achtergrondgeurbelasting is hoger dan de odour-unit waarden uit het onderzoek van Geelen et al. (2015) (zie tabel op de volgende pagina).
Ja
11
Voor toelichting bij de verschillende stappen in dit stappenplan zie het hoofdstuk ‘Afwegingsaspecten’; vanaf pagina 15. Indien niet voldaan wordt aan het endotoxine-toetsingskader kan de gemeente een gesprek met de ondernemer aangaan, waarbij de GGD aanwezig kan zijn om nadere toelichting over gezondheid te geven 12
13
% geurgehinderden
Geurbelasting Voorgrond* 2 OU/m3 5 OU/m3
12% (woonkern) 20% (buitengebied) II.
Achtergrond 5 OU/m3 10 OU/m3
voor dieren zonder emissiefactor:
de afstand vanaf de rand van een bedrijf tot de gevel van de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming
Ja
is kleiner dan 100 meter. Nee 4a. Binnen één veehouderij (1 adres of 1 ondernemer) worden bedrijfsmatig meerdere diersoorten
Ja
gehouden, namelijk: a) varkens en pluimvee; of b) rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten); of c) kleine herkauwers onderling.
Ja
4b. De afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt in de nieuwe situatie minder dan 100 meter. Nee 5a. Geitenhouderij: binnen een afstand van 2 kilometer liggen woon- en verblijfsruimten van derden. 5b. Pluimveebedrijven: binnen een afstand van 1 kilometer liggen woon- en verblijfsruimten van derden.
Ja
5c. Overige veehouderijen: binnen een afstand van 250 meter ligt een bebouwde kom. OPVRAGEN ADVIES GGD
Nee 6. Er is sprake van mestbe- of ververwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit.
Ja
Nee 7. Bij omwonenden is sprake van ongerustheid over de volksgezondheid;
Ja
Dit blijkt uit de gevoerde dialoog en/of de klachtenregistratie van de omgevingsdienst/gemeente. Nee Advisering door GGD wordt niet geadviseerd Bevoegd gezag vraagt GGD advies aan. Hierbij wordt het door of namens de inrichtinghouder ingevulde 'Ontvankelijkheid voor gezondheidstoets' (bijlage 1) meegeleverd. Het bevoegd gezag neemt het advies van de GGD mee in haar overwegingen of medewerking kan worden verleend aan een ontwikkeling en of zo nodig extra voorschriften moeten worden opgenomen.
14
Situering parkeerplaatsen
45
Besluit WABO
46
Project: nr. W 34960 Olo nr: 3628597
OMGEVINGSVERGUNNING (UITGEBREID)
BESLUIT Burgemeester en wethouders van de gemeente Oss hebben op 29 mei 2018 van Van Duijnhoven-Peters, Heikampstraat 15 5342 ND Oss een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen zoals bedoeld in Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor het uitbreiden van de varkenshouderij met in totaal 120 zeugenplaatsen. Alle stallen worden voorzien van een chemisch luchtwassysteem met 70 of 95 % ammoniakemissiereductie. De aanvraag gaat over Heikampstraat 15 in Oss, op de percelen met de gemeentelijke kadastrale aanduidingen Oss, sectie M, nummers 572 en 620. Burgemeester en wethouders besluiten de gevraagde vergunning te verlenen voor de volgende activiteit:
Milieurelevante verandering van een inrichting
Handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden
Dit onder de bepaling dat de gewaarmerkte vergunningaanvraag en bijlagen deel uitmaken van de vergunning. Aan de vergunning verbinden wij de bijgevoegde voorschriften. Voor zover de aan de vergunning verbonden delen van de vergunningaanvraag niet in overeenstemming zijn met de gestelde voorschriften, zijn de voorschriften bepalend.
Pagina
Ons kenmerk
2
VTH/W 34960
PROCEDURE De voorbereiding van de beschikking op de aanvraag heeft plaatsgevonden overeenkomstig het bepaalde in §3.3 van de Wabo (de uitgebreide voorbereidingsprocedure). De aanvraag is beoordeeld voor de omgevingsvergunning (uitgebreid) aan de daarbij behorende artikelen van de Wabo. Tevens is de aanvraag getoetst aan het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de Regeling omgevingsrecht.
OVERWEGINGEN Gelet op artikel 2.1, 2.2 en §2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de overwegingen in de bijlage "overwegingen en toetsingen" kan worden geconcludeerd dat de gevraagde vergunning onder voorschriften kan worden verleend.
ONDERTEKENING Oss, 25 februari 2019 Burgemeester en wethouders van de gemeente Oss. Namens dezen,
Ing. J.L.A.M. Jacobs. Procesmanager van de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving.
Pagina
Ons kenmerk
3
VTH/W 34960
RECHTSMIDDELEN Beroepsclausule Het besluit treedt in werking nadat de termijn voor het indienen van een beroepschrift ongebruikt is verstreken. Dit besluit is nog niet onherroepelijk. Hiertegen kan ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht beroep worden ingesteld bij de Rechtbank Oost-Brabant. Het indienen van een beroep komt toe aan belanghebbenden, die eerder zienswijzen tegen het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht of aan belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen zienswijzen naar voren hebben gebracht. Dit beroep kan worden ingesteld binnen zes weken na de dag na de terinzagelegging van het besluit. Het beroepschrift dient gemotiveerd te zijn en te worden gericht aan de Rechtbank Oost-Brabant, Postbus 90125, 2500 MA 's-Hertogenbosch. Als u een beroepschrift indient bij de rechtbank, hoeft u alleen dit besluit als bijlage bij uw beroepschrift mee te zenden. De rechtbank vraagt vervolgens alle relevante stukken bij ons College op. Het indienen van een beroepschrift heeft geen schorsende werking. Hiertoe kan men, als er tevens een beroepschrift is ingediend, de voorzieningenrechter verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter kan een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op uw belangen dat vereist.
Dit verzoek moet worden ingediend bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank Oost-Brabant, Postbus 90125, 5200 MA 'sHertogenbosch. Voor het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening zijn griffierechten verschuldigd. Wanneer een voorlopige voorziening wordt aangevraagd treedt het besluit pas in werking nadat hierover een beslissing is genomen. verzoek
Pagina
Ons kenmerk
4
VTH/W 34960
INHOUDSOPGAVE
INHOUDSOPGAVE ........................................................................................................4 BIJLAGE I PROCEDURELE ASPECTEN...............................................................................5 BIJLAGE II VOORSCHRIFTEN .........................................................................................1 1. 1.1
Milieurelevante verandering van een inrichting .......................................................1 Eerdere vergunningen......................................................................................1
2.1
HET HOUDEN VAN DIEREN ..................................................................................1 Algemeen.......................................................................................................1
2.
BIJLAGE III OVERWEGINGEN EN TOETSINGEN .................................................................3 1. 1.1
Milieurelevante verandering van een inrichting .......................................................3 Inleiding ........................................................................................................3
1.2
Toetsing.........................................................................................................3
1.3
Conclusie .......................................................................................................3
BIJLAGE IV TOETSINGSDOCUMENTEN ............................................................................4 BIJLAGE V DIERTABEL ................................................................................................34 BIJLAGE VI BEGRIPPEN ...............................................................................................37
Pagina
Ons kenmerk
5
VTH/W 34960
BIJLAGE I PROCEDURELE ASPECTEN
Gegevens aanvrager en projectbeschrijving Burgemeester en wethouders van de gemeente Oss hebben op 29 mei 2018 een aanvraag om een omgevingsvergunning ontvangen zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van Van Duijnhoven-Peters, Heikampstraat 15 5342 ND Oss voor het uitbreiden van de varkenshouderij met in totaal 120 zeugenplaatsen. Alle stallen worden voorzien van een chemisch luchtwassysteem met 70 of 95 % ammoniakemissiereductie. De aanvraag gaat over Heikampstraat 15 in Oss, op de percelen met de gemeentelijke kadastrale aanduidingen Oss, sectie M, nummers 572 en 620. Activiteiten aanvraag De aanvraag bestaat uit de volgende activiteit:
Milieurelevante verandering van een inrichting
Handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden
IPPC-installatie De vergunningaanvraag betreft het veranderen van een bestaande IPPC-installatie binnen de inrichting. Onder een IPPC-installatie wordt een installatie verstaan als bedoeld in bijlage 1 van de EG-richtlijn geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (Europese richtlijn industriële emissies: IPPC-installaties). Beschrijving inrichting De activiteiten van de inrichting bestaan uit:
Het bezigen van elektromotoren;
Het opslaan van dieselolie;
Het houden van dieren;
Het bewaren van mest;
Het opslaan van diervoeders;
Het opslaan van zuren;
Daarmee valt de inrichting onder categorieën 1, 4, 5, 7, 8 en 9 van onderdeel C, bijlage 1 van het Besluit omgevingsrecht. Op grond daarvan zijn wij het bevoegde bestuursorgaan voor het beslissen op de vergunningaanvraag.
Pagina
Ons kenmerk
6
VTH/W 34960
Vigerende vergunningen Op 4 september 2007 hebben wij voor de inrichting een revisievergunning verleend in het kader van de Wet milieubeheer (Wm). Voor de bouwplichtige activiteiten zijn de bouwvergunningen verleend. De vergunning is onherroepelijk en in werking getreden. Dit betekent dat de inrichting nu over een omgevingsvergunning beschikt, conform artikel 1.2, lid 1 van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Op 22 december 2011 en 18 maart 2014 hebben wij voor de inrichting een omgevingsvergunning (milieu neutraal veranderen) verleend. De vergunningen zijn onherroepelijk en in werking getreden. Veranderingen van de inrichting De aanvraag heeft betrekking op de volgende veranderingen van de inrichting:
Stal 1: een deel van stal 1 is voorzien van het huisvestingssysteem BB 95.02.027.V2. Dit stalgedeelte wordt aangesloten op een luchtwasser (BWL 2010.26.V2). De ruimte voor 4 dekberen is niet gerealiseerd. Voor de stal zijn 2 dekberenhokken aanwezig;
Stal 2: in deze stal wijzigt de dierbezetting. Het stalgedeelte dat voorzien is van spoelgoten (BB 94-06-021.V3 en BB 93-11-012.V2) wordt aangesloten op een luchtwasser (BWL 2010.26.V2). In het stalgedeelte voor de huisvesting van 88 vleesvarkens worden 90 guste/dragende zeugen gehuisvest en wordt aangesloten op een luchtwasser (BWL 2010.25.V2).
In de inrichting mogen ten hoogste de volgende aantallen dieren aanwezig zijn: Stal-
Soort dieren en
Aantal
nummer soort huisvestingssysteem
dieren
1
Guste en dragende zeugen, chemisch luchtwassysteem 70%
654
emissiereductie, BWL 2010.25.v3 (D 1.3.7) 1
Guste en dragende zeugen, chemisch luchtwassysteem 95%
88
emissiereductie, BWL 2010.26.v3(D 1.3.11) 1
Dekberen, 7 maanden en ouder, chemisch luchtwassysteem 95%
2
emissiereductie, BWL 2010.26.v3 (D 2.3) 2
Gespeende biggen, chemisch luchtwassysteem 95%, BWL 2010.26.v3
1 188
(D 1.1.14) 2
Kraamzeugen (incl. biggen tot spenen), chemisch luchtwassysteem
130
95% emissiereductie, BWL 2010.26.v3 (D 1.2.15) 2
Gespeende biggen, chemisch luchtwassysteem 70% emissiereductie, BWL 2010.25.v3 (D 1.1.10)
2 540
Pagina
Ons kenmerk
7
VTH/W 34960
2
Kraamzeugen (incl. biggen tot spenen), chemisch luchtwassysteem
150
70% emissiereductie, BWL 2010.25.v3 (D 1.2.11) 2
Guste en dragende zeugen, chemisch luchtwassysteem 70%
90
emissiereductie, BWL 2010.25.v3 (D 1.3.7) 3
Paarden (3 jaar en ouder), volwassen, overige huisvestingssystemen
42
(K 1.100) Tabel 1 Bevoegd gezag Gelet op bovenstaande projectbeschrijving, alsmede op het bepaalde in hoofdstuk 3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de daarbij horende bijlage zijn wij het bevoegd gezag om de integrale omgevingsvergunning te verlenen of (gedeeltelijk) te weigeren. Daarbij zijn wij er procedureel en inhoudelijk voor verantwoordelijk dat in ons besluit alle aspecten aan de orde komen met betrekking tot de fysieke leefomgeving, zoals ruimte, milieu, natuur en aspecten met betrekking tot bouwen, monumenten en brandveiligheid. Verder dienen wij ervoor zorg te dragen dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften op elkaar zijn afgestemd. Voorbereiding De besluitvormingsprocedure is uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De aanvraag is beoordeeld voor milieurelevante verandering van een inrichting aan artikel 2.1 lid 1e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Voorts is de aanvraag getoetst aan het Besluit omgevingsrecht en de Regeling omgevingsrecht. Aanvullende gegevens Omdat de aanvraag naar onze mening niet volledig was, hebben wij bij brief van 26 september 2018 om aanvullende gegevens verzocht. Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen op 25 oktober 2018. Hierdoor is de wettelijke procedure verlengd met 29 dagen.
Deze aanvullende gegevens maken deel uit van de vergunningaanvraag. Verzoek verklaring van geen bedenkingen(vvgb) De aanvraag heeft tevens betrekking op het onderdeel gebiedsbescherming. Op grond van de Nbw (oud) haakt deze aan wanneer sprake is van een vergunningplicht op basis van deze wet. De omgevingsvergunning mag niet verleend worden tenzij een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. In dit kader hebben wij de aanvraag op 1 juni 2018 doorgezonden aan de provincie Noord-Brabant met het verzoek om een verklaring van geen bedenkingen af te geven.
Pagina
Ons kenmerk
8
VTH/W 34960
Wij hebben van de Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant een advies ontvangen dat er geen belemmeringen zijn voor het verlenen van de omgevingsvergunning. de vvgb is afgegeven op 3 september 2018 en staat geregistreerd onder nummer Z/074111-113649. De vvgb maakt onderdeel uit van dit besluit. Milieueffectrapport In het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is in onderdeel C van de bijlage onder categorie 14 opgenomen wanneer voor de activiteit het fokken, mesten of houden van dieren een plicht tot het opstellen van een milieueffectrapport geldt. Dit is het geval bij het oprichten en/of uitbreiden en/of wijzigen van een installatie met meer dan 900 dierplaatsen voor zeugen. Verder is in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. onder categorie 14 opgenomen dat, in de aangegeven situaties, een milieueffectrapport moet worden opgesteld wanneer de voorgenomen activiteit leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit geldt voor het oprichten en/of uitbreiden en/of wijzigen van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren met meer dan:
750 dierplaatsen voor zeugen;
3.750 dierplaatsen voor gespeende biggen;
Daarnaast is in het Besluit m.e.r. bepaald dat, wanneer de oprichting en/of uitbreiding en/of wijziging van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren niet leidt tot een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., ook moet worden vastgesteld of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met de in bijlage III bij de EEGrichtlijn milieu-effectbeoordeling aangegeven omstandigheden. Indien uit deze afweging volgt dat er geen sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu dan moet het niet nodig zijn van een mer-beoordeling worden gemotiveerd in het moederbesluit (het besluit op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit inrichting). Wanneer er wel sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu moet toch een milieueffectrapport worden opgesteld wanneer de voorgenomen activiteit daadwerkelijk leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Binnen de inrichting worden zeugen aangevraagd. De drempelwaarde van 900 zeugen(plaatsen) wordt overschreden. Echter hierbij dient te worden opgemerkt dat in gedeelten van de bestaande stallen 1 en 2 een ander emissiearme stalsysteem wordt aangebracht. Dit is een dusdanige beperkte wijziging van deze installatie dat dit niet hoeft te
Pagina
Ons kenmerk
9
VTH/W 34960
worden beschouwd als een wijziging in het kader van het Besluit m.e.r. De drempelwaarde van onderdeel C wordt hiermee niet overschreden. Binnen de inrichting worden zeugen en gespeende biggen aangevraagd. De drempelwaarde van 750 zeugen(plaatsen) wordt overschreden. Echter hierbij dient te worden opgemerkt dat in gedeelten van de bestaande stallen 1 en 2 een ander emissiearme stalsysteem wordt aangebracht. Dit is een dusdanige beperkte wijziging van deze installatie dat dit niet hoeft te worden beschouwd als een wijziging in het kader van het Besluit m.e.r. De drempelwaarde van onderdeel D wordt hiermee niet overschreden. In de huidige aanvraag is sprake van het uitbreiden/wijzigen van een installatie, zoals bedoeld in het Besluit m.e.r., voor het huisvesten van zeugen met 120 dierplaatsen. In de aangevraagde situatie worden de, in onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., genoemde dieraantallen niet overschreden. Bij besluit van 21 april 2017 tot wijziging van het Besluit milieueffectrapportage, is de aangevraagde activiteit als m.e.r.-beoordelingsplichtig aangewezen en moet een milieueffect rapport worden opgesteld wanneer sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Bij besluit van 13 april 2018 hebben wij besloten dat het niet noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen.
Activiteitenbesluit In het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) zijn voor bepaalde activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, algemene regels opgenomen. Deze regels zijn direct werkend en mogen niet in de omgevingsvergunning worden opgenomen. In artikel 2.1, lid 2 van het Bor wordt aangegeven of voor een inrichting een vergunningplicht geldt. Binnen de inrichting bevindt zich een IPPC-installatie waardoor sprake is van een vergunningplichtige inrichting. Op 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit gewijzigd en kan sindsdien ook op inrichtingen met een IPPC-installatie en type C-inrichtingen van toepassing zijn. Dit betekent dat bepaalde voorschriften uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling een rechtstreekse werking hebben en niet in de vergunning mogen worden opgenomen.
Pagina
Ons kenmerk
10
VTH/W 34960
Binnen de inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit:
Afdeling
Artikel
Omschrijving
2.1
2.1
Zorgplicht
2.2
2.2 en 2.3
Lozingen
3.1 §
3.3
Het lozen van hemelwater
3.46 t/m 3.49
Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen
3.51 en 3.52
Opslaan van drijfmest en digestaat
3.54
Opslaan van vloeibare bijvoedermiddelen
3.5 §
3.122 t/m
Houden van landbouwhuisdieren in
3.5.8
3.127
dierenverblijven
3.5 §
3.129b
Bereiden van brijvoer voor eigen
3.1.3 3.4 § 3.4.5 3.4 § 3.4.6 3.4 § 3.4.7
3.5.9
landbouwhuisdieren
Tabel 2 Ingevolge artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit dient voor deze activiteiten een melding ingediend te worden. De informatie uit de aanvraag (en de eventueel later ingediende aanvullende gegevens) hebben wij aangemerkt als de melding. Daarnaast gelden de bepalingen en voorschriften uit hoofdstuk 1 van het Activiteitenbesluit voor zover deze betrekking hebben op de bovengenoemde activiteiten. Ter inzage legging Tussen 10 januari 2018 en 20 februari 2018 heeft een ontwerp van deze beschikking ter inzage gelegen en zijn belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
BIJLAGE II VOORSCHRIFTEN
1.
MILIEURELEVANTE VERANDERING VAN EEN INRICHTING
1.1
Eerdere vergunningen
1.1.1 Voorschrift 6.1 behorende bij de revisievergunning van 4 september 2007 is niet meer van toepassing op de inrichting en wordt vervangen door voorschrift 2.1.1 opgenomen in deze vergunning.
2.
HET HOUDEN VAN DIEREN
2.1
Algemeen
2.1.1 In de inrichting mogen ten hoogste de volgende aantallen dieren op het aangegeven huisvestingssysteem/stalsysteem aanwezig zijn: Stal-
Soort dieren en
Aantal
nummer soort huisvestingssysteem
dieren
1
654
Guste en dragende zeugen, chemisch luchtwassysteem 70% emissiereductie, BWL 2010.25.v3 (D 1.3.7)
1
Guste en dragende zeugen, chemisch luchtwassysteem 95%
88
emissiereductie, BWL 2010.26.v3(D 1.3.11) 1
Dekberen, 7 maanden en ouder, chemisch luchtwassysteem 95%
2
emissiereductie, BWL 2010.26.v3 (D 2.3) 2
Gespeende biggen, chemisch luchtwassysteem 95%, BWL 2010.26.v3
1 188
(D 1.1.14) 2
Kraamzeugen (incl. biggen tot spenen), chemisch luchtwassysteem
130
95% emissiereductie, BWL 2010.26.v3 (D 1.2.15) 2
Gespeende biggen, chemisch luchtwassysteem 70% emissiereductie,
2 540
BWL 2010.25.v3 (D 1.1.10) 2
Kraamzeugen (incl. biggen tot spenen), chemisch luchtwassysteem 70% emissiereductie, BWL 2010.25.v3 (D 1.2.11)
150
Pagina
Ons kenmerk
2
VTH/W 34960
2
Guste en dragende zeugen, chemisch luchtwassysteem 70%
90
emissiereductie, BWL 2010.25.v3 (D 1.3.7) 3
Paarden (3 jaar en ouder), volwassen, overige huisvestingssystemen
42
(K 1.100)
2.1.2 Het aantal aanwezige dieren per diersoort wordt ten minste één keer per maand geregistreerd, waarbij de perioden tussen de registraties van een vergelijkbare tijdsduur zijn. De registraties zijn binnen de inrichting aanwezig en worden gedurende tien jaar bewaard.
Pagina
Ons kenmerk
3
VTH/W 34960
BIJLAGE III OVERWEGINGEN EN TOETSINGEN 1.
Milieurelevante verandering van een inrichting
1.1
Inleiding
De aanvraag heeft betrekking op het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 onder e, sub 2 en 3 van de Wabo. De Wabo omschrijft in artikel 2.14 het milieuhygiënische toetsingskader van de aanvraag. Een toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden.
1.2
Toetsing
Gelet op artikel 2.14 van de Wabo hebben wij bij de beslissing op de aanvraag:
de aspecten genoemd in artikel 2.14, lid 1 onder a en d betrokken;
met de aspecten genoemd in artikel 2.14, lid 1 onder b rekening gehouden;
de aspecten genoemd in artikel 2.14, lid 1 onder c in acht genomen.
In de bijlage Toetsingsdocumenten lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.
1.3
Conclusie
Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op de activiteit inrichting zijn er geen redenen om de omgevingsvergunning te weigeren. In deze beschikking zijn voorschriften opgenomen.
Pagina
Ons kenmerk
4
VTH/W 34960
BIJLAGE IV TOETSINGSDOCUMENTEN 1
BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
1.1
Algemeen
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Vanaf januari 2013 moet bij het bepalen van BBT rekening worden gehouden met BBTconclusies en bij ministeriele regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT. BBT-conclusies is een document met de conclusies over BBT, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid van de Richtlijn industriële emissies (RIE). Het vijfde lid verwijst naar BBT-conclusies vastgesteld na 6 januari 2011 onder het regime van de RIE. Het zevende lid verwijst naar de BBT-referentiedocumenten (BREFs: Best available techniques Reference documents). Het hoofdstuk uit deze BREF’s waarin de BBT-maatregelen staan (hoofdstuk Best available techniques (BAT)), geldt als BBT-conclusies, totdat nieuwe BBTconclusies zijn vastgesteld.
BBT-conclusies worden door de Europese commissie vastgesteld en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (een uitvoeringsbesluit van de Europese commissie dat gericht is tot de lidstaten). Zij worden daarom niet meer apart aangewezen in de Mor. De BBT-conclusies voor de intensieve veehouderij zijn op 21 februari 2017 gepubliceerd.
1.2
BBT-documenten
Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies. Op grond van bijlage 1 van de Mor moet voor het bepalen van BBT voor de installaties en processen binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT. Uit jurisprudentie met betrekking tot het bepalen van BBT bij het toetsen aan BBT-conclusies bij vergunningverlening is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsen aan BBT-conclusies de actualiteit hiervan moet nagaan ten aanzien van de ontwikkelingen van BBT die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies
Pagina
Ons kenmerk
5
VTH/W 34960
hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen ten aanzien van BBT zijn onder andere de concepten van de herziene BREFs. Wij hebben rekening gehouden met de volgende BBT-conclusies: Categorie in bijlage 1 RIE
Belangrijkste BBT-conclusies
Ook van belang zijnde BBTconclusies / BREF’s
6.6 Intensieve pluimvee- of
BBT conclusies voor
BREF op- en overslag
varkenshouderij:
intensieve pluimvee- of
bulkgoederen (BREF ESB)
a. met meer dan 40 000
varkenshouderij
BREF Energie-efficiëntie
plaatsen voor pluimvee b. met meer dan 2 000 plaatsen voor mestvarkens (van meer dan 30 kg), of c. met meer dan 750 plaatsen voor zeugen.
Naast de BBT-conclusies hebben wij rekening gehouden met de volgende in de bijlage bij de Mor aangewezen informatiedocumenten over beste beschikbare technieken:
Nederlandse richtlijn bodembescherming (NRB), maart 2012;
Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij, juni 2007;
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, september 2016.
Naast deze aangewezen documenten hebben we tevens gebruik gemaakt van de volgende documenten:
Circulaire energie in de milieuvergunning;
Circulaire geluidshinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer;
Handreiking industrielawaai en vergunningverlening;
Circulaire Industrielawaai;
Rapport Stallucht en Planten;
Handreiking fijn stof en veehouderijen;
Besluit niet in betekende mate bijdragen;
Regeling niet in betekende mate bijdragen;
Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007;
Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007.
Pagina
Ons kenmerk
6
VTH/W 34960
Hier is voor gekozen omdat voor de betreffende onderwerpen geen geschiktere documenten zijn opgenomen in de bijlage Nederlandse informatiedocumenten over BBT van de Regeling omgevingsrecht. Wij achten het niet noodzakelijk andere documenten voor de betreffende onderwerpen te raadplegen. Een verdere beschouwing van de beste beschikbare technieken is terug te vinden bij de afzonderlijke toetsing van de relevante milieucomponenten. In dit hoofdstuk is specifiek ingegaan op de BBT-conclusies.