CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5A Toelichting Stationsstraat 5 Berghem

Adviescommissie Ruimte 29 september 2022, gemeente OssBij agendapunt: A Gebundelde procedure 7 ontwerpbestemmingsplannen23.799 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 24 van 60 9 juni 2022

Maar niet alle activiteiten kunnen rechtstreeks in een woning worden uitgevoerd. Soms is een toetsing vooraf nodig. Als dit positief is, wordt toestemming verleend in de vorm van een ‘omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken’. Bij deze afweging spelen publieksaantrekkende werking en milieu- en verkeersaspecten altijd een rol. Voorbeelden van activiteiten waarbij een toetsing vooraf nodig is zijn: een groter oppervlak dan het toegestane 35 m2, andere activiteiten dan die in de lijst zijn opgenomen of groepsmatige activiteiten. In het nieuwe beleid worden de mogelijkheden voor dit afwijkend gebruik beschreven. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik moet de aanvrager een concrete aanvraag om toestemming bij de gemeente indienen.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 25 van 60 9 juni 2022

Hoofstuk 5.

Omgevingsaspecten

5.1 Landschap 5.1.1 Nota Landschapsbeleid Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: Uiterwaarden Oeverwal Komgebied Dekzandrand Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst.

Het gebied waarin het plangebied is gelegen wordt aangeduid als ‘dekzandrand’. De dekzandrand is een overgangszone van het lagergelegen kleigebied naar de hoger gelegen dekzandrug. De dekzandgebieden zijn van oudsher de meest geschikte bewoningsplaatsen. Er zijn daarom ook veel archeologische waardevolle nederzettingsresten gevonden (en nog te verwachten), evenals oude verkavelingspatronen, (hout)walstructuren en oude boerderijen, met name in de noordelijke rand van de stad Oss. In en rond de kernen en buurtschappen bevinden zich oude ontginningen en ontginningspatronen. Op grotere afstand van deze kernen en buurtschappen zijn later ontstane nieuwere, grootschaliger ontginningen te vinden. De dekzandranden kenmerken zich van oorsprong door een kleinschalige opbouw, met een halfopen tot besloten karakter en met nabij de kernen een onregelmatig verkavelingspatroon. Het contrast tussen de historisch gegroeide patronen van de oude verbindingswegen en rafelige dorpsranden en de rationele lineaire elementen van de grootschalige ontginningen geven dit gebied een eigen ruimtelijke karakteristiek. De gebieden op de dekzandrand kunnen een transformatie aan, verandering van het landschap is hier mogelijk. Op de dekzandrand kan een afwisselend en groen beeld worden gerealiseerd. Zo kan het kleinschalige en halfopen (tot besloten) karakter weer worden teruggebracht.

Het terugbrengen van de kleinschaligheid kan plaatsvinden door de aanplant van opgaand groen.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 26 van 60 9 juni 2022

Aan de Stationsstraat 5 in Berghem staat een cultuurhistorisch waardevol pand. Het pand betreft een voormalig bedrijfspand dat momenteel leeg staat. Initiatiefnemer is dan ook voornemens om verdere leegstand en verloedering te voorkomen door een andere functie voor het pand te zoeken. Het ombouwen van (voormalige) bedrijfspanden kan een oplossing bieden voor enerzijds de leegstand en anderzijds het woningtekort. Het voornemen bestaat dan ook om het bedrijfspand inpandig te verbouwen tot twee woningen. Het renoveren c.q. verbouwen van het bedrijfspand tot woningen draagt bij aan het behoud van dit cultuurhistorisch waardevol gebouw waarmee sprake is van een kwaliteitsverbetering. 5.1.2 Kwaliteitsverbetering van het landschap Regeling ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant eist, bij een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in het landelijk gebied, een fysieke kwaliteitsverbetering van de landschappelijke kwaliteit. Dit staat in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening. In januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. Dit regionale afsprakenkader is oorspronkelijk bedoeld als uitwerking van regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte. Het afsprakenkader geldt nog steeds.

Toepassingsbereik De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die de gemeente Oss regionaal heeft afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader. Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling ruimtelijk gewenst is. Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen. Afspraken toepassingsbereik 1. De notitie Toepassingsbereik en met name de verdeling van ruimtelijke ontwikkelingen over de verschillende categorieën is de basis voor het afsprakenkader over toepassingsbereik. 2. Bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen is kwaliteitsverbetering altijd van toepassing; 3. Bij niet-planmatige ontwikkelingen: tegenprestatie gerelateerd aan impact: Cat. 1 geen impact: geen tegenprestatie Cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing Cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap Afspraken kwaliteitsverbetering 1.

Bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen: storting in een landschapsfonds of bijdrage in natura in landschapsversterkend project. 2. Bij niet-planmatige ontwikkelingen zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de toepassing: in natura (op of nabij de projectlocatie), financiële bijdrage in landschapsfonds of een combinatie van beide. 3. Bij kwaliteitsverbetering in natura (op of nabij de projectlocatie) bevat het ruimtelijk plan de verantwoording van de kwaliteitsverbetering. 4. De regio kiest niet voor een (sub)regionaal landschapsfonds. Indien gemeenten een grensoverschrijdend landschapsproject willen realiseren, weten zij elkaar te vinden.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 27 van 60 9 juni 2022

Doorwerking plangebied Onderhavig initiatief voorziet in verbouwen van een bedrijfspand tot twee woningen. In categorie 1 is opgenomen: “vestiging van of de splitsing in meerdere wooneenheden in monumentale/ karakteristieke/cultuurhistorisch waardevolle bebouwing”. Het pand betreft een pand van cultuurhistorische waarde zoals blijkt uit bijlage 1 behorende bij dit bestemmingsplan. Met het initiatief is al in bepaalde mate sprake van een kwaliteitsverbetering doordat de bedrijvigheid op deze locatie wordt beëindigd en een cultuurhistorisch pand wordt gerenoveerd en behouden blijft. Daarnaast wordt voor beide woningen een fysieke tegenprestatie geleverd die qua omvang gelijk is aan een halve ruimte-voor-ruimtekavel. De hoogte van deze tegenprestatie is vastgelegd in een LIR berekening. De LIR berekend is bijgevoegd als separate bijlage bij dit bestemmingsplan Voor het initiatief is een verdere inpassing of tegenprestatie niet benodigd.

5.2 Natuur 5.2.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. 5.2.2 Natuurtoets Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Deze bescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt.

De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden Programma Aanpak Stikstof (PAS) Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in enkele beroepszaken tegen Natura 2000-vergunningen die zijn gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS) 2015-2021 (Kamerstuk 32 670, nr. 146). Het is een stevige uitspraak die per direct forse consequenties heeft voor individuele ondernemers, maar ook voor ambities van gemeenten, provincies en Rijksoverheid op het terrein van onder meer waterveiligheid, infrastructuur, woningbouw en klimaat. De uitspraak komt er op neer dat de PAS ‘gesneuveld’ is als aanpak en systeem voor vergunningverlening van stikstofvergunningen op basis van de Wet natuurbescherming. Hoewel er geen directe relatie lag en ligt tussen een bestemmingsplan en de PAS, is het sneuvelen van de PAS ook voor RO en bestemmingsplannen van belang, met name ook door de aandacht voor stikstof. Tot nu toe werd als ondergrens waaronder je geen Natuurvergunning nodig had (0,05 Mol/ha) ook in de RO vaak gebruikt om aan te tonen dat stikstof geen probleem was voor de voorgenomen planontwikkeling. Flora en fauna In de Wet natuurbescherming zijn dier- en plantsoorten beschermd tegen nadelige effecten van menselijk handelen.

Indien de gesteldheid van beschermde dieren of planten wordt aangetast dienen er mogelijk maatregelen te worden genomen.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 28 van 60 9 juni 2022

Om het voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen is een flora- en faunainspectie2 uitgevoerd. In het plangebied komen mogelijk zoogdieren voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Noord-Brabant een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud (Provinciale staten van Noord-Brabant, 2016). Voor alle zoogdieren de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Natura2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Rijntakken, ligt op 14 kilometer afstand van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 14 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting.

Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Met onderhavig initiatief wordt een voormalig pakhuis dat de laatste jaren is gebruikt als werkplaats gerenoveerd en inpandig verbouwd tot twee woningen. Van zowel de huidige als nieuwe situatie is de uitstoot van NOx bepaald. Uitstoot van NOx vindt plaats door enerzijds de verwarming van de werkplaats en het verkeer van en naar de locatie en anderzijds door de verwarming van de woningen en het verkeer van en naar de woningen. Huidige situatie Voor het bepalen van het aardgasverbruik van de bedrijvigheid is gebruik gemaakt van standaarden, zoals onderzocht in het rapport ‘Nieuwe benchmark energieverbruik utiliteitsgebouwen en industriële sectoren’ van ECN (januari 2016). Hierin staat opgenomen dat een werkplaats gemiddeld 15 m 3 per m2 gas verbruikt.

De werkplaats heeft een bedrijfsvloeroppervlak (BVO) van circa 300 m2. Hiervan uitgaande kan er op de locatie per jaar circa 4.500 m3 gas verbruikt worden. De calorische onderwaarde van aardgas in Nederland bedraagt 31.650 kJ/m³, waardoor bij verbranding voor de verwarming van het plangebied in de huidige situatie circa 142 GJ aan warmte wordt afgeleverd. Een Hr-ketel emitteert 18 g NOx per GJ3 , wat overeenkomt met 2,6 kg NOx per jaar. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Er is uitgegaan van de functie ‘Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)’ en het gebiedstype buitengebied in matig stedelijk gebied. Op basis van de kencijfers genereert een arbeids- en bezoekersextensief bedrijf per etmaal minimaal 3,9 en maximaal 5,7 verkeersbewegingen per 100 m2 BVO. Uitgaande van een worst-case benadering genereert het bedrijf 2

Faunaconsult, Flora- en faunainspectie Stationsstraat 5 Berghem, 25 oktober 2021

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 29 van 60 9 juni 2022

dagelijks 17,1 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 8,6 voertuigen. Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat de emissie NO x van het verkeer 0,8 kg/jaar bedraagt. Nieuwe situatie Volgens AERIUS Calculator leidt de realisatie van twee halfvrijstaande woningen tot een emissie NOx van 4,3 kg/jaar. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van de woningen is eveneens gebruik gemaakt van deze publicatie. Er is uitgegaan van de functie ‘koop, huis, twee-onder-een-kap’ en het gebiedstype buitengebied in matig stedelijk gebied. Op basis van de kencijfers genereert één halfvrijstaande woning per etmaal minimaal 7,4 en maximaal 8,2 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereren de twee woningen dagelijks samen 16,4 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 8,2 voertuigen. Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door de toename van het verkeer de emissie NOx 0,8 kg/jaar bedraagt. Conclusie Met de ingevoerde gegevens geeft AERIUS Calculator aan dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura2000 gebieden (zie bijlage 1). Er is derhalve geen merkbaar c.q.

negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het initiatief. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter)nationaal belang. Het doel van het NNN-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt op basis van het Rijksbeleid (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Het Natuurnetwerk Nederland is veelal weer opgedeeld in provinciale natuurgebieden, zo ook Natuurnetwerk Brabant.

Afbeelding 11. Uitsnede kaart Natuurbeheerplan met daarop weergegeven het NNB

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 30 van 60 9 juni 2022

In de omgeving van het plangebied zijn diverse onderdelen van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) gelegen. Het meest dichtbij gelegen onderdeel bevindt zich op circa 515 meter ten noordoosten van het plangebied. Het plangebied maakt zelf geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Brabant, dus ook niet van het Natuurnetwerk Nederland. Daar de nieuwe woningen in een bestaand pand worden opgericht welke niet in of nabij het NNN is gelegen, vormt het initiatief derhalve geen belemmering voor de aanleg of instandhouding van het NNN. 5.3 Archeologie en Cultuurhistorie 5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet.

Het gaat om: Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro. 5.3.2

Archeologiebeleid

Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 31 van 60 9 juni 2022

Tabel 2. Archeologische verwachtingswaarde en de vrijstellingsgrenzen

Verwachting/waarde

Vrijstellingsgrenzen

Archeologisch beschermd rijksmonument Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten Historische stads-/dorpskern Hoge verwachtingswaarde Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde Reeds onderzocht

0 m2 / 30 cm -Mv

Verstoord

35 m2 / 30 cm -Mv 50 m2 / 30 cm -Mv 100 m 2 / 30 cm -Mv 1000 m2 / 30 cm -Mv 5 hectare / 30 cm -Mv Afhankelijk van de resultaten uitgevoerde onderzoek. Geen onderzoeksplicht

van

het

reeds

Volgens de archeologische beleidskaart heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting. Vanuit het archeologiebeleid geldt een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm beneden het huidige maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². 5.3.3

Archeologietoets

Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is aan het bestemmingsplangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde toegekend. Concreet betekent dit dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². Toetsing van de plannen Met onderhavig initiatief worden twee woningen inpandig gerealiseerd. Doordat de verbouwing inpandig plaats vindt zijn waarschijnlijk geen bodemingrepen voorzien. Een archeologisch onderzoek lijkt dan ook niet nodig te zijn. Dit zal moeten blijken uit de (funderings)tekeningen die bij de vergunningsaanvraag worden ingediend. Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend.

Om het archeologisch traject te borgen blijft in dit deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog’ van kracht. Voor het gebied geldt dat bij bodemverstoringen groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm beneden huidig maaiveld archeologisch onderzoek nodig is.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 32 van 60 9 juni 2022

5.3.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.

In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.

De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2009. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen.

Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 33 van 60 9 juni 2022

De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. Op basis van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart is onderhavige locatie gelegen in de regio Maaskant. Deze regio maakt onderdeel uit van het jonge rivierkleilandschap van de Maas met zandige oeverwallen en donken en lager gelegen open komgronden. Een gedeelte van regio Maaskant is onderdeel van het cultuurhistorisch landschap Beerse en Baardwijkse Overlaat. Zo ook onderhavig plangebied. De ontwikkelingsstrategie voor dit gebied is: Behoud open landschap; Behoud en beleefbaar maken van eendenkooien, dijken, waterlopen, wielen, en terpen; Natuurontwikkeling, waterberging en stedelijke uitbreiding afstemmen op de cultuurhistorische identiteit van de Beerse Overlaat; Vergroten cultuurhistorische waardering door vergroting van beleving. Onderhavige ontwikkeling tast deze specifieke cultuurhistorische waarden in en rondom het plangebied niet aan. De huidige bebouwing aan de Stationsstraat 5 in Berghem betreft een cultuurhistorisch waardevol pand (zie bijlage 1). Het voornemen bestaat om dit pand te behouden en in ere te herstellen (zie paragraaf 3.1). Het cultuurhistorisch waardevolle pand wordt namelijk inpandig verbouwd tot twee woningen.

Hiermee wordt leegstand van het pand voorkomen doordat tijdig een nieuwe invulling is gevonden. Cultuurhistorie vormt daardoor geen belemmering.

5.4 Mobiliteit en parkeren 5.4.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen Het oprichten van de woningen in het cultuurhistorisch waardevolle pand heeft een effect op het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie. In de huidige situatie is sprake van een werkplaats met magazijn. In de beoogde situatie is het pand in gebruik als twee woningen, hierdoor verandert het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie. Huidige situatie Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Er is uitgegaan van de functie ‘Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)’ en het gebiedstype buitengebied in matig stedelijk gebied. Op basis van de kencijfers genereert een arbeids- en bezoekersextensief bedrijf per etmaal minimaal 3,9 en maximaal 5,7 verkeersbewegingen per 100 m2 BVO.

Het bedrijfspand heeft een BVO van 300 m2. Uitgaande van een worst-case benadering genereert het bedrijf dagelijks 17,1 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 8,6 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Beoogde situatie Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van de woningen is eveneens gebruik gemaakt van deze publicatie. Er is uitgegaan van de functie ‘koop, huis, twee-onder-een-kap’ en het gebiedstype buitengebied is matig stedelijk gebied. Op basis van de kencijfers genereert één halfvrijstaande woning per etmaal minimaal 7,4 en maximaal 8,2 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereren de twee woningen dagelijks samen 16,4 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 8,2 voertuigen.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 34 van 60 9 juni 2022

Er is in de nieuwe situatie sprake van een licht afname van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied. Het plangebied is ontsloten aan de Stationsstraat. De Stationsstraat betreft een zijweg van de Burgemeester van Erpstraat. De Burgemeester van Erpstraat vormt samen met de Berghemseweg de verbindingsweg tussen de kernen Berghem en Herpen. Het plangebied is daarmee goed ontsloten. Verkeer: ontsluitingswegen Het plangebied is in de huidige situatie ontsloten middels een oprit aan de westzijde van het bedrijfsgebouw. Deze oprit blijft behouden voor de ontsluiting van de nieuwe woningen. Het aantal verkeersbewegingen neemt lichtelijk af. Aangezien er sprake is van een lichtelijke afname van het aantal verkeersbewegingen kan gesteld worden dat de verkeersontwikkeling niet in het geding komt. Het aspect verkeer is geen beperkende factor voor de ontwikkeling. 5.4.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Met het initiatief wordt voormalig pakhuis, thans in gebruik als werkplaats met magazijn verbouwd tot twee woningen. Voor halfvrijstaande woningen (koop, twee-onder-een-kap) geldt een parkeereis van 2,2 parkeerplaatsen per woning. In totaal dienen 5 parkeerplaatsen te worden opgericht.

Op eigen terrein is voldoende ruimte om aan deze parkeereis te voldoen. Op eigen terrein worden dan ook 5 parkeerplaatsen gerealiseerd.

5.5 Water 5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.

De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 35 van 60 9 juni 2022

Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.

In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: ▪ schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; ▪ de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; ▪ de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; ▪ de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. ‘ Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.

Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m 2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 36 van 60 9 juni 2022

De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. De digitale watertoets is ingevuld op www.dewatertoets.nl (zie bijlage 2). Het waterschap bekijkt aan de hand van de aangeleverde gegevens of in het plan voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse van het plangebied.

De watertoets doorloopt de waterhuishoudkundige doelstellingen en levert mogelijk aandachtspunten en knelpunten op. Het waterschap heeft in de watertoets het volgende aangegeven: Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat het planvoornemen een functiewijziging betreft, de verhardingstoename en/of -afkoppeling maximaal 500 m2 is en het plangebied buiten de ruimtelijk begrensde waterbelangen valt. Het waterschap verwacht daarom geen of weinig inhoudelijke opmerkingen te zullen hebben. Hemelwater Voldaan moet worden aan het uitgangspunt van hydrologisch neutraal bouwen. Dit betekent dat er door het plan niet meer water mag worden afgevoerd vanuit het plangebied dan in de bestaande situatie. Vaak neemt het verhard oppervlak toe bij de realisatie van een nieuwbouwplan. In dit geval wordt een bedrijfsgebouw gerenoveerd en inpandig verbouwd tot twee woningen. Er is geen sprake van het verhardingstoename. Het hemelwater wordt geloosd op het maaiveld in een bak met grind. Deze manier van het hemelwater afkoppelen blijft in stand. Afvalwater Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden. Voor de woningen worden (indien benodigd) nieuwe aansluitingen op de riolering van de Stationsstraat aangelegd. Het rioleringsstelsel is voldoende van omvang om van slechts twee woningen en de daarmee gepaard gaande geringe toename aan afvalwater te kunnen verwerken.

5.6 Defensie Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 37 van 60 9 juni 2022

Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit wijzigingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen. Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.

5.7 Milieuaspecten In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: Bedrijven en milieuzonering Bodem Externe veiligheid Geurhinder: agrarisch Geur: industrieel Luchtkwaliteit Straling Weg-, spoor-, en industrielawaai Gezondheid Spuitzones 5.7.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. De richtafstandenlijst; 2.

Twee omgevingstypen; 3. Een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 38 van 60 9 juni 2022

De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren als het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Wonen betreffen een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. De nieuwe woningen die ontstaan met onderhavig initiatief kunnen wel milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving.

Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van bestaande milieubelastende functies. De milieuruimte van de milieubelastende functies in de omgeving (300 meter) is geïnventariseerd aan de hand van de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar. Tabel 3.Milieubelastende bedrijven in de omgeving

Bedrijf

Adres

Glastuinbouwbedrijf

Deursenseweg 5

Hydrotherapie voor honden Nutsvoorziening (32 BVO)

Stationsstraat 9

Vleesveehouderij

Halve Morgensstraat 15

Glastuinbouwbedrijf

Bieskamp 4

Melkveehouderij

Waterstraat 2

Bieskamp 2

Aan te houden afstanden ▪ ▪ ▪ ▪

Geur Stof Geluid Gevaar

10 meter 10 meter 30 meter 10 meter

Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar

37 meter

58 meter

30 meter ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Afstand tot plangebied

0 meter 0 meter 30 meter 10 meter 100 meter 30 meter 30 meter 0 meter 10 meter 10 meter 30 meter 10 meter 100 meter 30 meter 30 meter 0 meter

135 meter

210 meter

195 meter

270 meter

Onderzocht is of de hindercontouren het plangebied overlappen. Er zijn geen hindercontour die het plangebied overlappen. In de woningen kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd en andere functies worden niet belemmerd in de bedrijfsvoering. Milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het initiatief.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 39 van 60 9 juni 2022

5.7.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Vanwege de bestemmingswijziging is een verkennend bodemonderzoek 3 uitgevoerd. Zintuiglijk zijn tijdens de veldwerkzaamheden in de bodem geen verontreinigingen, bijmengingen of andere bijzonderheden waargenomen. Met laboratoriumonderzoek is aangetoond dat de boven- en ondergrond niet verontreinigd zijn (<Aw). Het grondwater is eveneens niet verontreinigd (<Sw). De resultaten van het onderzoek geven geen aanleiding tot een vervolgonderzoek. Op basis van het totaal aan onderzoeksgegevens behoeft de bodemkwaliteit geen belemmering te vormen voor een woonbestemming. 5.7.3

Externe veiligheid

Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan.

Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. 3

Van Oort Bodemonderzoek BV Heesch, verkennend bodemonderzoek, Stationsstraat 5 Berghem, 9 november 2021, projectnummer: SST.323921

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 40 van 60 9 juni 2022

Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Met onderhavig initiatief wordt een cultuurhistorisch pand verbouwd tot twee woningen. Hiermee is als het ware sprake van een nieuw kwetsbaar object (namelijk de woningen). Dit betekent dat er zeer zorgvuldig gekeken moet worden naar de realisatie van de woning in de buurt van externe veiligheidsbronnen. Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Noord-Brabant is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van deze risicokaart bevinden zich in de wijdere omgeving van het plangebied enkele ondergrondse buisleidingen waar gevaarlijke stoffen door worden vervoerd en er is een spoorweg gelegen.

Spoorweg

Buisleidingen (5)

Afbeelding 12. Uitsnede risicokaart Noord-Brabant met plangebied rood omcirkeld

Vervoer per buisleiding Ten zuidoosten van het plangebied zijn vijf buisleidingen gelegen. De buisleidingen zijn in beheer van Gasunie Transport Services en betreffen allen aardgasleidingen. Tabel 4.Leidingen omgeving plangebied

Id. Diameter Druk 1%100%Leiding (inch) (bar) letaliteitsgrens* letaliteitsgrens** A-525 35,98 66,2 430 180 A-527 48,03 66,2 540 210 A-643 47,99 79,90 580 220 Z-516-11 6,61 40,0 70 50 A-526 42,01 66,2 490 190 * Op basis van tabel 5.1 van het handboek buisleidingen in bestemmingsplannen ** Op basis van tabel 5.2 van het handboek buisleidingen in bestemmingsplannen.

Afstand tot plangebied 655 meter 663 meter 730 meter 742 meter 747 meter

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 41 van 60 9 juni 2022

In paragraaf 4.1.3 van de beleidsvisie externe veiligheid Oss wordt ingegaan op vervoer per buisleiding. In deze paragraaf is opgenomen dat: ▪ Nabij bebouwingsconcentraties geen sprake is van relevante plaatsgebonden risicocontouren; ▪ In het buitengebied plaatselijk omvangrijke plaatsgebonden risicocontouren aanwezig zijn; ▪ Invloedsgebieden tot circa 600 meter van de transportleidingen gelden. Het plangebied ligt in een bebouwingsconcentratie waarmee dan ook geen sprake is van relevante plaatsgebonden risicocontouren. In de beleidsvisie is opgenomen dat het invloedsgebied reikt tot circa 600 meter vanaf de transportleidingen. Als een (beperkt) kwetsbaar object wordt opgericht binnen het invloedsgebied dient een verantwoording van het groepsrisico te worden opgenomen. De dichtstbijzijnde buisleiding is gelegen op 655 meter afstand, derhalve is geen verantwoordingsplicht van het groepsrisico van toepassing. De woningen liggen buiten de 1%-letaliteitsgrens en buiten de 100%-letaliteitsgrens van de buisleidingen. Het plangebied is gelegen op meer dan 600 meter van de buisleidingen af en daarmee gelegen buiten het invloedsgebied van de buisleidingen. Gesteld kan worden dat het plangebied buiten het plaatsgebonden risicogebied en het invloedsgebied van de buisleidingen ligt. De buisleidingen vormen daarmee geen belemmering voor het initiatief.

Spoorwegtraject Het plangebied ligt op een afstand van meer dan 105 meter van de spoorweg Nijmegen – ‘s-Hertogenbosch en ligt daarmee volgens de Beleidsvisie Externe Veiligheid Oss in zone II. In zone II geldt een zwaarte 2 verantwoording. De gemeente Oss heeft criteria opgesteld waar een verantwoording van zwaarte 2 aan moet voldoen. Hieronder wordt gemotiveerd waarom het verbouwen van het cultuurhistorische pand tot twee woningen mogelijk is. Noodzaak initiatief Voor kwetsbare objecten binnen de 100%-letaliteitsgrens hoeft geen noodzaak te worden aangetoond. Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid ▪ Er is een goede verkeerskundige ontsluiting voor hulpdiensten; ▪ Er wordt voldaan aan de Handleiding bluswatervoorziening of een gelijkwaardig voorstel van de brandweer; • er is voldoende opvang, afvoersloten; ▪ Er zijn minimaal twee vluchtroutes van de bron af; ▪ Kwetsbare objecten moeten aan risicoluwe zijde worden gerealiseerd. Het relevante scenario i.r.t het plangebied is een BLEVE. Een BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de ketel doet oplopen of door een grote mechanische impact op de tankwand. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de ketel. Brandbaar gas komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. De effecten van een BLEVE zijn warmtestraling, overdruk en scherfwerking.

Door de beperkte afstand tot het spoor zal een incident snel opgemerkt worden en hierop geanticipeerd worden. Voor het scenario BLEVE is vluchten het beste handelingsperspectief. Het plangebied is ontsloten aan de Stationsstraat. Vanuit de Stationsstraat kan ik noordelijke en westelijke richting worden gevlucht. Het plangebied is verkeerskundig dan ook goed ontsloten voor hulpdiensten en zijn er twee vluchtroutes aanwezig. Via de Deursenseweg kan afstand van de spoorlijn worden genomen.. Daarnaast zijn er voldoende bluswatervoorzieningen in de omgeving. Ook zijn er voldoende mogelijkheden voor opvang en afvoer. Er is sprake van een goede bestrijdbaarheid.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 42 van 60 9 juni 2022

Gezien de aard en ligging van de ontwikkeling mag aangenomen worden dat de mate van zelfredzaamheid van de personen van het plangebied voldoende is. Eventuele maatregelen ▪ Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. ▪ Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. De nieuwe woningen zijn dan ook goed geïsoleerd. ▪ Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door mobiele alarmering via NLAlert of via het WAS (Waarschuwings- en AlarmeringsSysteem) als onderdeel van de algemene rampenbestrijding. Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor het initiatief. 5.7.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour.

De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - De burger beschermen tegen geurhinder; - De veehouderijen niet onnodig beperken; - Ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Met onderhavig initiatief worden twee nieuwe woningen opgericht in een bestaand bedrijfspand. In de woningen dient te worden aangetoond dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Een woning betreft namelijk een geurgevoelig object. Voorgrondbelasting De gemeente verdeelt het grondgebied van de gemeente in gebieden en hanteert per soort gebied een eigen geurnorm. Met het geurbeleid wil de gemeente zowel de bescherming van de agrarische ondernemers borgen als de doorgang van gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Op basis van de normenkaart ligt de locatie in een extensiveringsgebied.

Hier geldt een geurnorm van 8 OU/m 3.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 43 van 60 9 juni 2022

Afbeelding 13.Uitsnede Geurnormenkaart gemeente Oss

De nieuwe woningen zouden geurhinder kunnen ondervinden van omliggende veehouderijen. In de directe omgeving (1 kilometer van het plangebied) is sprake van de volgende locaties waar een vergunning verleend is voor het houden van dieren: Tabel 5.Veehouderijen omgeving van het plangebied

Type veehouderij

Locatie

Vleesvee

Halve Morgensstraat 15

Melkrundvee Paarden Melkrundvee

Waterstraat 2 Hoefstraat 6 Waterstraat 8

Melkrundvee Paarden Melkrundvee Schapen Melrundvee Vleeskuikens Melkrundvee Vleesvee Melkrundvee Melkrundvee Melkrundvee Paarden Zeugen

Burgemeester van Erpstraat 86 Waatselaarstraat 3 Waterstraat 7 Bredestraat 29 Bieskamp 1 Hoefstraat 7 Burgemeester van Erpstraat 80 Waterstraat 9 Runselstraat 5 Burgemeester van Erpstraat 72 Burgemeester van Erpstraat 70 Burgemeester van Erpstraat 77 Berghemseweg 21

Vergunde geuremissie

Afstand tot plangebied

6977,60 Ou

210 meter

117 Ou 0 Ou 0 Ou

270 meter 300 meter 370 meter

0 Ou 0 Ou 25238 Ou 4667,20 0 Ou 42454,50 Ou 405,60 Ou 269,40 Ou 0 Ou 0 Ou 2136 Ou 351 Ou 38934,50 Ou

380 meter 390 meter 470 meter 470 meter 620 meter 630 meter 640 meter 650 meter 740 meter 750 meter 850 meter 860 meter 910 meter

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 44 van 60 9 juni 2022

Voor een aantal diersoorten zijn in de Wet geurhinder en veehouderij geen emissiefactoren opgenomen, maar gelden vaste afstanden. Dit geldt onder andere voor een melkrundveehouderij en paardenhouderij. De afstand tussen deze veehouderijen en een voor geurhinder gevoelig object moet minstens 100 meter bedragen voor objecten binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom. Aan deze afstandsnormen wordt voor alle paardenhouderijen en melkveehouderijen ruimschoots voldaan. Voor de vleesveehouderijen aan de Halve Morgensstraat 15 en Waterstraat 9, de schapenhouderij aan de Bredestraat 29, de vleeskuikenhouderij aan de Hoefstraat 7 en de zeugenhouderij aan de Berghemseweg 21 dient de daadwerkelijke geurbelasting op het plangebied berekend te worden. Het effect van de vergunde geuremissie van deze veehouderijen op het plangebied is door middel van het programma Vstacks Vergunning berekend (worst-case benadering waarbij de vergunde geuremissie op de meest nabij het plangebied gelegen hoek van het bouwvlak wordt geëmitteerd) (bijlage 3). In navolgende tabel is de voorgrondbelasting, afkomstig van deze bedrijven, op de hoekpunten van de het plangebied weergegeven. Tabel 6. Voorgrondbelasting van intensieve veehouderijen op het plangebied

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=05822bce-885f-4dbf-908e-a059b6f4ca32