Bijlage 5A Toelichting BP Aalstvoortsestraat 2C Herpen.PDF
Tekst van het document
Aalstvoortsestraat 2c Herpen – 2022, pag. 31 van 76 definitief 7 juli 2022
bouwvlak (beplantingen/bomen) aanwezig kunnen zijn, wordt aanbevolen werkzaamheden als sloop en het verwijderen van beplantingen / het bouwrijp maken uit te voeren buiten het broedseizoen (ná half juli en vóór half maart). Indien een ter zake deskundige heeft vastgesteld, dat geen in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn, is het ook mogelijk binnen deze periode te werken. Het verstoren van broedende vogels, wat leidt tot het definitief verlaten van een nest, is conform de Wet natuurbescherming niet toegestaan.” De gemeente Oss heeft het uitgevoerde onderzoek van Buro Maerlant beoordeeld en heeft geconstateerd dat in de rapportage niet is ingegaan op de aanwezigheid van spouwmuren in het te slopen gebouw. Er is echter door de ecoloog tijdens het veldwerk wel bezien of spouwmuren aanwezig zijn. Dat hierop in de rapportage niet is ingegaan komt doordat er in het te slopen gebouw geen sprake is van spouwmuren. De eventuele aanwezigheid van fauna in spouwmuren is dan ook niet aan de orde. Natuur vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
Aalstvoortsestraat 2c Herpen – 2022, pag. 32 van 76 definitief 7 juli 2022
5.3
Archeologie en Cultuurhistorie
5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.
5.3.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument
Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv
Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten
35 m2 / 30 cm -Mv
Historische stads-/dorpskern
50 m2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde
100 m 2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein
1000 m2 / 30 cm -Mv
Aalstvoortsestraat 2c Herpen – 2022, pag. 33 van 76 definitief 7 juli 2022
Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde
5 hectare / 30 cm -Mv
Reeds onderzocht
Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek.
Verstoord
Geen onderzoeksplicht
Volgens de archeologische beleidskaart heeft het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde. Vanuit het archeologiebeleid geldt een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm beneden het huidige maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². 5.3.3 Archeologietoets Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is aan het plangebied een hoge verwachtingswaarde toegekend. Concreet betekent dit dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². Toetsing van de plannen Het initiatief overschrijdt de vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek. Er zal namelijk meer dan 100 m2 worden geroerd. De verwachting is dat het in totaal om ongeveer 300 m2 nieuwe verharding gaat waarvan 220 m2 nieuwe bebouwing. Archeologisch onderzoek is dus aan de orde. Door KSP Archeologie is een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd. Het rapport van dit onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 6). De conclusie en het advies van dit onderzoek zijn als volgt. “Conclusie Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied.
Het plangebied is gelegen binnen een lagergelegen deel van de dekzandgordel tussen ’s-Hertogenbosch en Herpen. In de directe omgeving is geen bron van open water bekend, geen vondsten uit de steentijd en het potentiële archeologische niveau uit de steentijd (de podzolbodem) is veelal opgenomen in het plaggendek. Om die reden is aan het plangebied een lage verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum en een middelhoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Het plangebied ligt buiten de dorpskern van Herpen. Op basis van het historisch kaartmateriaal uit de 18e tot 21e eeuw ligt het plangebied eind 18e eeuw nabij een molen. In de 19e eeuw is er een (bij)gebouw van een erf aanwezig, die eind 19e eeuw gesloopt wordt. Rond 1930 wordt vervolgens de huidige stal gebouwd. Op basis van die bevinden wordt de kans klein geacht dat er behoudenswaardige archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd in het plangebied aanwezig zijn. De gemeentelijk archeoloog acht een minimaal middelhoge verwachting meer op zijn plaats, aangezien er bebouwing aanwezig is in het begin van de 19e eeuw en de kaart uit 1759 mogelijk niet alle bebouwing laat zien.
In de omgeving zijn diverse percelen vergraven, mogelijk voor delfstofwinning en het plangebied kent enig reliëf als gevolg van herverkavelingswerkzaamheden in het verleden. Ook de sloop en bouwactiviteiten kunnen voor een bodemverstoring gezorgd hebben. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Tijdens het booronderzoek is geen podzolbodem waargenomen onder het humeuze dek. Het niet-geroerde humeuze dek is zo’n 40 cm dik, waardoor ook niet gesproken kan worden over een enkeerdgrond. Het humeuze dek bestaat in boring 2, 4 en 5 uit twee fases, waardoor er sprake lijkt te zijn van beperkte plaggenbemesting. Bij boringen 4 en 5 is sprake van een menglaag van 15 à 20 cm waarin het humeuze dek vermengd is met de natuurlijke ondergrond. De top van de C-horizont is hier
Aalstvoortsestraat 2c Herpen – 2022, pag. 34 van 76 definitief 7 juli 2022
waargenomen rond 60 cm-mv. Bij boringen 2 en 7 is een dikker humeus dek tot 70 à 75 cm-mv aanwezig met baksteenpuin en daaronder een menglaag tot 90 à 100 cm-mv. In de top van deze laag zijn in boring 2 twee fragmenten aardewerk aangetroffen uit de 12e eeuw (Volle Middeleeuwen). De bodem in het plangebied is ondiep tot diep verstoord en de kans is daardoor klein dat er intacte archeologische resten aanwezig zijn. De lage verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit de periode Laat-Paleolithicum tot Neolithicum is bevestigd. De middelhoge verwachting voor nederzettingen uit de periode Neolithicum tot en met Vroege Middeleeuwen kan verlaagd worden naar een lage verwachting. De aangetroffen scherven uit de antropogene laag zijn geproduceerd in Zuid-Limburg in de 12e eeuw (Volle Middeleeuwen). Het is onduidelijk of deze scherven op een huisplaats duiden die mogelijk tot in de 19e eeuw in gebruik is geweest of dat het om aardewerk gaat dat met bemesting op de akkers in de omgeving van Herpen terecht is gekomen. De eerder opgestelde lage archeologische verwachting voor een behoudenswaardige vindplaats uit de periode Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met Nieuwe tijd wordt daarom bijgesteld naar middelhoog tot hoog.
Het is niet uitgesloten dat in de Volle Middeleeuwen (voor 1250 na Chr.) al bewoning in het plangebied heeft plaatsgevonden, waardoor deze aangepaste verwachting ook geldt voor die periode. Tijdens een booronderzoek kan geen archeologische vindplaats worden aangetroffen, ten hoogste archeologische indicatoren die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Een waardestelling conform protocol 4003, VS06 is dan ook niet van toepassing. Beantwoording van de onderzoeksvragen Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? Tijdens het booronderzoek is geen podzolbodem waargenomen onder het humeuze dek. Het niet geroerde humeuze dek is zo’n 40 cm dik, waardoor ook niet gesproken kan worden over een enkeerdgrond. Het humeuze dek bestaat in boring 2, 4 en 5 uit twee fases, waardoor er sprake lijkt te zijn van beperkte plaggenbemesting. Bij boringen 4 en 5 is sprake van een menglaag van 15 à 20 cm waarin het humeuze dek vermengd is met de natuurlijke ondergrond. De top van de C-horizont is hier waargenomen rond 60 cm-mv. Bij boringen 2 en 7 is een dikker humeus dek tot 70 à 75 cm-mv aanwezig met baksteenpuin en daaronder een menglaag tot 90 à 100 cm-mv.
Gezien de dikte van de menglaag in boringen 4 en 5 is er minimaal sprake van een ondiepe bodemverstoring, gezien de diepteligging en dikte van de menglaag in boringen 2 en 7 is er sprake van een diepere bodemverstoring. Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? Op basis van het bureauonderzoek was een lage archeologische verwachting voor het plangebied opgesteld voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum en een middelhoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) en een lage verwachting voor behoudenswaardige resten uit de periode Late Middeleeuwen tot en met Nieuwe tijd. In het plangebied heeft bebouwing gestaan in de 19e eeuw, maar deze lijkt in de 18e eeuw nog niet aanwezig te zijn.3 Het booronderzoek heeft uitgewezen dat het bodemprofiel ondiep tot diep is verstoord en dat de archeologische verwachting veelal naar laag kan worden bijgesteld. Tijdens het onderzoek zijn in de top van het dieper gelegen antropogene pakket aardewerkfragmenten uit de 12e eeuw Middeleeuwen waargenomen.
Het is onduidelijk of deze scherven op een huisplaats duiden die mogelijk tot in de 19e eeuw in gebruik is geweest of dat het om aardewerk gaat dat met bemesting op de akkers in de omgeving van Herpen terecht is gekomen. De eerder opgestelde lage archeologische verwachting voor een behoudenswaardige vindplaats uit de periode Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met Nieuwe tijd wordt daarom bijgesteld naar middelhoog tot hoog. Het is niet uitgesloten dat in de Volle
Aalstvoortsestraat 2c Herpen – 2022, pag. 35 van 76 definitief 7 juli 2022
Middeleeuwen (voor 1250 na Chr.) al bewoning in het plangebied heeft plaatsgevonden, waardoor deze aangepaste verwachting ook geldt voor die periode. In hoeverre wordt het (potentiele) archeologisch niveau bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied? Het potentiële archeologische niveau met (uitbraak)sporen en vondsten ligt direct onder de bouwvoor. Conform het bestemmingsplan bedreigen ingrepen dieper dan 30 cm over een oppervlak meer dan 100 m2 eventuele archeologische resten in dergelijke mate dat een vervolgonderzoek / behoud nodig is. Aangezien er enig reliëf in het terrein aanwezig is en dat reliëf vermoedelijk bestaat uit uitgegraven grond van de greppel wordt voorgesteld om 30 cm -mv te vertalen naar graafwerkzaamheden dieper dan 7,35 m+NAP (30 cm beneden de maaiveldhoogte van 7,65 m+NAP bij boring 2). Selectieadvies Op basis van het onderzoek is in het plangebied mogelijk sprake van resten van een huisplaats uit de 19e eeuw met mogelijk voorgangers uit de Volle tot Late Middeleeuwen. Wanneer de geplande graafwerkzaamheden dieper reiken dan 7,35 m+NAP over een aaneengesloten oppervlak van meer dan 100 m2 kunnen eventueel aanwezig archeologische resten verloren dermate verloren gaan dat nader onderzocht moet worden of behoud noodzakelijk is. Het huidige maaiveld varieert tussen 7,4 en 8,0 m+NAP, waardoor ca.
KSP Archeologie adviseert gezien de omvang van de ingrepen en het plangebied een vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving (behoud ex situ), eventueel variant archeologische begeleiding, om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden. Als met deze opgraving voldoende van de top van de C-horizont wordt waargenomen kan de opgraving van de bouwput tevens dienen als proefsleuvenonderzoek voor het gehele plangebied. De sloop van de huidige bebouwing kan bovengronds plaatsvinden, maar het verwijderen van de funderingen zal plaats moeten vinden onder (dezelfde) archeologische begeleiding. Voor deze opgraving, variant archeologische begeleiding, is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid. In dit PvE wordt de werkwijze en de randvoorwaarden van het gravend onderzoek vastgelegd. Als alternatief op een opgraving zou behoud in situ overwogen kunnen worden door planaanpassing. Het maaiveld rondom de woning ten noorden van het plangebied aan de Aalstvoortsestraat 2B ligt rond 8,1 m+NAP, terwijl bij het geplande bouwblok veelal sprake is van een maaiveldhoogte van 7,5 tot 7,8 m+NAP.
Als er vanuit welstand geen bezwaren zijn om het peil gelijk te trekken aan de nabijgelegen bebouwing (ophoging van 30 tot 60 cm) en het geotechnisch gezien mogelijk is om de nieuwe woning te funderen zonder daarbij dieper te graven dan 7,35 m+NAP over een aangesloten oppervlak van meer dan 100 m2. Eventuele zou een palenfundering ook overwogen kunnen worden, mits 4 m tussenruimte tussen elke rij met palen mogelijk is. Voor kabel en leidingaansluitingen zou deels in de bestaande zone met huisaansluitingen nieuwe kabels en leidingen gelegd kunnen worden. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. KSP Archeologie wijst erop dat dit selectieadvies nog niet betekent dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Oss), die vervolgens een selectiebesluit neemt. De gemeentelijke archeoloog heeft in aanvulling van het advies van KSP Archeologie aangegeven dat de opgraving moet worden uitgevoerd voor de bouw-/aanlegputten, waarbij alle werkzaamheden die dieper gaan dan 7,35 m +NAP onderzocht moeten worden (dus ook eventuele verhardingen, infra e.d.)
Aalstvoortsestraat 2c Herpen – 2022, pag. 36 van 76 definitief 7 juli 2022
Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet met zekerheid gegarandeerd worden. Indien bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de minister gemeld te worden. In de praktijk kan de vinder terecht bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (T 033 – 4217 456 of info@cultureelerfgoed.nl) zodat de vondst geregistreerd wordt in het centraal archeologische informatiesysteem. Daarnaast wordt het advies gegeven om de vondst ook bij de gemeente te melden.” Selectiebesluit Door de gemeente Oss is een selectiebesluit genomen (bijlage 7 bij deze toelichting): “De gemeente Oss neemt het advies van KSP Archeologie over. In het plangebied is archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving (eventueel in de variant van een archeologische begeleiding) noodzakelijk, tenzij behoud in situ middels planaanpassing mogelijk is (zie advies KSP, bijlage 2).
Dit betekent dat alle werkzaamheden die dieper gaan dan 7,35 meter +NAP (bouwputten, eventuele verhardingen, infra, etc) archeologisch worden onderzocht. Indien sprake is van een begeleiding, dienen de archeologen in staat te worden gesteld om archeologische vlakken aan te leggen op het archeologisch relevante niveau. De archeologie is dus bij deze werkzaamheden leidend. Indien een voldoende groot deel van het terrein archeologisch is onderzocht, kan deze opgraving mogelijk gelden als proefsleuf voor het gehele plangebied van 1030 m2.” Vervolgstappen Voor de verdere (plan)procedure betekent dit het volgende: - De opgraving dient te worden uitgevoerd op basis van een Programma van Eisen (PvE) dat dient te zijn goedgekeurd door de gemeentelijk archeoloog (mw. M. Peeters, gemeente Oss). - De aanvang van het archeologisch onderzoek dient twee weken voor de start aan de gemeentelijk archeoloog te worden gemeld per email (m.peeters@oss.nl). - Er geldt ten alle tijden een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische resten. N.B. Zolang het terrein een (te verwachte) archeologische waarde heeft en het terrein is nog niet volledig onderzocht (definitief vrijgegeven), dient deze planologisch beschermd te blijven door middel van een dubbelbestemming ‘Waarde-archeologie verwachtingswaarde hoog’ in het betreffende bestemmingsplan.
Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Uit het uitgevoerde bureau- en booronderzoek en het door de gemeente genomen selectiebesluit blijkt dat het plangebied nog een (te verwachte) archeologische waarde heeft. Dit houdt in dat het plangebied de dubbelbestemming Waarde - Archeologie verwachtingswaarde hoog behoudt. Voor het gebied blijft met die reden gelden dat bij bodemverstoringen groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm beneden huidig maaiveld archeologisch onderzoek nodig is.
Aalstvoortsestraat 2c Herpen – 2022, pag. 37 van 76 definitief 7 juli 2022
5.3.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.
In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.
De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2009. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen.
Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.
Aalstvoortsestraat 2c Herpen – 2022, pag. 38 van 76 definitief 7 juli 2022
In en rondom het plangebied is geen sprake van cultuurhistorische waarden.
Aalstvoortsestraat 2c Herpen – 2022, pag. 39 van 76 definitief 7 juli 2022
5.4
Mobiliteit en parkeren
5.4.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen Het initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen. Conform CROW kan de verkeersaantrekkende werking van het initiatief vastgesteld worden op 7,8 motorvoertuigen per etmaal (vrijstaande woning). Deze toename is op een weg als de Aalstvoortsestraat, een erftoegangsweg type II welke geschikt is voor een intensiteit tot 6000 motorvoertuigen per etmaal verwaarloosbaar. De ontsluiting voldoet aan de normen van het Mobiliteitsplan 2020.
Verkeer: ontsluitingswegen De ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de bestaande in-/ uitritten van het plangebied op de Aalstvoortsestraat. Er hoeft voor de nieuwe woning geen nieuwe in-/ uitrit aangelegd te worden. De ontsluiting voldoet aan de normen van het Mobiliteitsplan 2020.
5.4.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Voldaan dient te worden aan de parkeernormen zoals opgenomen in de nota ‘Parkeernormen 2017’. Voor een woning ‘koop, vrijstaand’ in de kernen van de stad Oss (zoals Herpen) geldt per woning een parkeereis van 2,3 parkeerplaatsen op eigen terrein. Afgerond gaat het om 3 parkeerplaatsen op eigen terrein. Op eigen terrein is voldoende ruimte om 3 auto’s te parkeren. Voor het initiatief wordt voldaan aan de parkeernorm zoals gesteld in de nota ‘Parkeernormen 2017’.
Aalstvoortsestraat 2c Herpen – 2022, pag. 40 van 76 definitief 7 juli 2022
5.5
Water
5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.
De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer
Aalstvoortsestraat 2c Herpen – 2022, pag. 41 van 76 definitief 7 juli 2022
Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. Onderhavige ontwikkeling bestaande uit de realisatie van één nieuwe woning geeft invulling aan het waterbeleid van de gemeente. Het afstromend regenwater wordt niet vermengd met afvalwater. Er wordt afgekoppeld/ hydrologisch neutraal ontwikkeld. Er worden geen uitlogende materialen gebruikt, waardoor het hemelwater voortijdig vervuild kan raken. Het plan verandert de beleving van water niet. Oppervlaktewater is geen onderdeel van het plan.
5.5.2 Watertoets Nieuwe verharding Het initiatief zorgt voor maximaal 300 m2 aan nieuwe verharding. Toetsing aan beleid Waterschap Aa en Maas Op www.dewatertoets.nl is de digitale watertoets ingevuld. Hiervan zijn drie mogelijke uitkomsten/ procedures: - Geen waterbelang: Er is een functiewijziging zonder relevante wateraspecten; - Verkorte procedure: U heeft een klein plan met weinig relevante wateraspecten; - Normale procedure: U heeft een groot plan met meerdere relevante wateraspecten. Na het invullen van de digitale watertoets werd direct aangegeven dat met het ruimtelijk plan de verkorte procedure/ standaardwaterparagraaf van toepassing is. De resultaten van www.dewatertoets.nl zijn bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 2). Gemeentelijk beleid hemelwater Conform het gemeentelijke beleid geldt in onderhavige situatie dat al het regenwater op eigen terrein vewerkt moet worden en niet aan de openbare ruimte mag worden aangeboden. Een overstort creeren op de riolering is eveneens niet toegestaan. De initiatiefnemer leeft dit beleid na. Ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning in verband met de activiteit ‘Bouwen’ zal hij dit (laten) uitwerken. In ieder geval geldt dat op het perceel voldoende ruimte aanwezig is voor een hemelwatervoorziening behorende bij het oppervlak dat in het plangebied wordt verhard.
Daarnaast is ook de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) niet belemmerend voor de voorzieningenkeuze. Hierdoor zijn er diverse mogelijkheden in voorzieningen die hij bij het ontwerp van de woning ter overweging mee kunnen worden genomen, namelijk het aanleggen van een wadi in de voor- en/ of achtertuin, infiltratiekratten of het aanleggen van een infiltratieriool. Een combinatie van deze maatregelen is ook mogelijk. Afvalwater In de Aalstvoortsestraat ligt drukriolering. Het dichtstbijzijnde gemaaltje (242.7) ligt op ongeveer 70 meter van de te realiseren woning. Zie de afbeelding hieronder die dit illustreert.
Aalstvoortsestraat 2c Herpen – 2022, pag. 42 van 76 definitief 7 juli 2022
Mogelijk kan worden aangesloten op de aansluitleiding van Aalstvoortsestraat 2B. Omdat niet bekend is hoe deze woning op de riolering is aangesloten zal nog moeten worden uitgezocht waar deze aansluiting ligt en of het hoogte technisch mogelijk is hierop aan te sluiten. Als dit niet mogelijk blijkt te zijn dan zal hier een nieuw minigemaal geplaatst moeten worden. De kosten voor de aansluiting op de drukriolering zijn voor rekening van de initiatiefnemer. In de tussen de initiatiefnemer en de gemeente zijn hierover afspraken gemaakt. Water vormt geen belemmering voor het initiatief.
5.6
Defensie
Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114
Aalstvoortsestraat 2c Herpen – 2022, pag. 43 van 76 definitief 7 juli 2022
meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen. Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.
Aalstvoortsestraat 2c Herpen – 2022, pag. 44 van 76 definitief 7 juli 2022
5.7
Milieuaspecten
In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering - Bodem - Externe veiligheid - Geurhinder: agrarisch - Geur: industrieel - Luchtkwaliteit - Straling - Weg-, spoor-, en industrielawaai - Gezondheid - Spuitzones 5.7.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Het initiatief bestaat uit de toevoeging van één gevoelig object (woning). Het gebied waarin het plangebied is gelegen kan worden getypeerd als een gemengd gebied.
In het gebied is sprake van diverse naast elkaar bestaande functies. Zoals woningen en bedrijvigheid. Verder is het plangebied gelegen aan een oud bebouwingslint. Dit maakt dat de omgeving van het plangebied qua beleving niet als een rustige woonwijk of rustig buitengebied kan worden getypeerd. In dergelijke gebieden geldt dat de in de VNG-brochure genoemde richtafstanden met één afstandstrap mogen worden verlaagd. Dat betekent dat in geval van een genoemde richtafstand van 50 meter 30 meter mag worden gehanteerd. Voor een richtafstand van 30 meter geldt 10 meter en bij een richtafstand van 10 meter geldt dat geen richtafstand meer in acht hoeft te worden genomen. In de omgeving van het plangebied zijn meerdere bedrijven gelegen. Het gaat om een bedrijfslocatie aan Oude Molenweg 30, aan Berghemseweg 1, 1a en 1b en aan Heiweg 5. Hieronder worden de bedrijven per locatie met behulp van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (sbi-code en richtafstanden voor een gemengd gebied) behandeld. Oude Molenweg 30, gelegen op 60 meter vanaf het bestemmingsvlak bedrijf tot aan de dichtstbij gelegen nieuwe gevel van de te realiseren woning, zie onderstaande afbeelding.
Aalstvoortsestraat 2c Herpen – 2022, pag. 45 van 76 definitief 7 juli 2022
Ter plaatse van Oude Molenweg 30 geldt: -
toegelaten bedrijvigheid conform bestemmingsplan: t/m categorie 2. Voor dergelijke bedrijvigheid geldt een maximale in acht te nemen richtafstand van 10 meter; gevestigde bedrijvigheid: timmerwerkfabriek, sbi-code 162 (categorie 3.2): voor dit bedrijf gelden de navolgende in acht te nemen richtafstanden: geur 0 meter, stof 10 meter, geluid 50 meter, gevaar 0 meter.
Heiweg 5, gelegen op 185 meter vanaf het bestemmingsvlak bedrijf (bedrijfsactiviteiten) tot aan de dichtstbij gelegen nieuwe gevel van de te realiseren woning: -
toegelaten bedrijvigheid conform bestemmingsplan: garagebedrijf; gevestigde bedrijvigheid: garagebedrijf, sbi-code 451, 452, 454: voor dit bedrijf gelden de navolgende in acht te nemen richtafstanden: geur 0 meter, stof 0 meter, geluid 10 meter, gevaar 0 meter.
Berghemseweg 1, 1a en 1b, gelegen op 107 meter vanaf het bestemmingsvlak bedrijf (bedrijfsactiviteiten) tot aan de dichtstbij gelegen nieuwe gevel van de te realiseren woning: -
-
toegelaten bedrijvigheid conform bestemmingsplan: t/m categorie 2 inclusief verkooppunt motorbrandstoffen met LPG en horeca tot en met categorie 4. Voor categorie 2 bedrijvigheid geldt een maximale in acht te nemen richtafstand van 10 meter. Voor LPG stations met meer dan 1000 m3 doorzet per jaar geldt een maximale richtafstand van 100 meter. Voor horeca tot en met categorie 4 geldt een maximale richtafstand van 10 meter. gevestigde bedrijvigheid: o o o
benzinestation met LPG sbi-code 473: voor dit bedrijf gelden de navolgende in acht te nemen richtafstanden: geur 10 meter, stof 0 meter, geluid 10 meter, gevaar 100 meter. autogarage sbi-code 451, 452, 454: voor dit bedrijf gelden de navolgende in acht te nemen richtafstanden: geur 0 meter, stof 0 meter, geluid 10 meter, gevaar 0 meter. café sbi-code 563: voor dit bedrijf gelden de navolgende in acht te nemen richtafstanden: geur 0 meter, stof 0 meter, geluid 0 meter, gevaar 0 meter.
Aalstvoortsestraat 2c Herpen – 2022, pag. 46 van 76 definitief 7 juli 2022
De toegelaten en gevestigde bedrijvigheid ligt in alle gevallen, behalve voor wat betreft Oude Molenweg 30, verder weg dan de in acht te nemen richtafstanden die gelden voor die bedrijvigheid ten opzichte van gevoelige objecten. Voor Oude Molenweg 30 geldt een in acht te nemen richtafstand tussen het bestemmingsvlak van het bedrijf en de dichtstbij gelegen gevel van 50 meter. Deze feitelijke afstand is 40 meter. Gezien de bedrijfsbebouwing van het bedrijf op meer dan 50 meter afstand is gelegen en het gezien de ligging van het bouwvlak planologisch gezien niet mogelijk is de bedrijfsbebouwing dichterbij te situeren is het niet aannemelijk dat het bedrijf in het plangebied zorgt voor een niet aanvaardbaar woonen leefklimaat. Verder geldt dat dat het bedrijf voor de ontwikkeling in het plangebied niet in haar uitbreidingsmogelijkheden wordt beperkt, dichterbij het bedrijf zijn reeds andere gevoelige objecten gelegen die hiervoor maatgevend zijn. Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Omliggende bedrijvigheid wordt door de ontwikkeling niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.
5.7.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Door Van Oort Bodemonderzoek is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 3) en kent de navolgende samenvatting en advies. “Op de locatie aan de Aalstvoortsestraat 2-4 te Herpen is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd in verband met een herbestemming en nieuwbouw van een woning. Kadastraal staat de locatie bekend als gemeente Ravenstein, sectie G, nummer 1166. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 1.000 m2. Het algemeen doel van het onderzoek is het vastleggen van de kwaliteit van grond en grondwater en te beoordelen of er met betrekking tot de bodemkwaliteit bezwaren zijn tegen een woonbestemming en het verlenen van een omgevingsvergunning. Bij de uitvoering van het onderzoek is gebruik gemaakt van de NEN 5740 en NEN 5707.
De onderzoeksstrategie is afgestemd op het vooronderzoek (historie). Het veldwerk is uitgevoerd op basis van de BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018. De grond- en grondwateranalyses zijn uitgevoerd door SGS Environmental Analytics BV (AS3000) en de asbestanalyses door Eurofins Analytico BV. Zintuiglijk zijn tijdens de veldwerkzaamheden in de bodem geen verontreinigingen waargenomen. In de toplaag van de druppelzones van het asbesthoudend dak en beneden een oude grindverharding zijn bijmengingen waargenomen van resten baksteen, beton, glas en plastic. Met laboratoriumonderzoek is aangetoond dat de bovengrond op de locatie licht verontreinigd is met lood (>Aw). De ondergrond en het grondwater zijn niet verontreinigd (<Aw/<Sw).
Aalstvoortsestraat 2c Herpen – 2022, pag. 47 van 76 definitief 7 juli 2022
Ter plaatse van de onbedekte druppelzones van de huidige varkensschuur zijn in de toplaag geen asbestgehaltes aangetoond tot boven de helft van de interventiewaarde. Dit geldt ook voor de onderzochte grind- en puinhoudende erfverharding. De resultaten van het bodem- en asbestonderzoek geven geen aanleiding tot een vervolgonderzoek. Op basis van het totaal aan onderzoeksresultaten behoeft de bodemkwaliteit naar onze mening geen belemmering te vormen voor een woonbestemming en de nieuwbouw van een woning. Geadviseerd wordt de resultaten van het bodemonderzoek voor te leggen aan de gemeente Oss. Als onderzoeksbureau hebben we een adviserende taak. Het bevoegd gezag bepaald of het onderzoek volstaat en/of aanvullend onderzoek noodzakelijk is.” Het bevoegd gezag heeft het onderzoek beoordeeld en akkoord bevonden. Bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.7.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven.
In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1%
Aalstvoortsestraat 2c Herpen – 2022, pag. 48 van 76 definitief 7 juli 2022
letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Op basis van het Bevi (artikel 1) omvat het initiatief één kwetsbaar object (woning). Voor wat betreft het nieuw op te richten kwetsbare object het volgende. Het nieuwe kwetsbare object is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6/jaar). Zie de uitsnede hieronder van de risicokaart.
Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied van twee risicobronnen, in dit geval de Rijksweg A50 en de spoorlijn Oss-Ravenstein. Het plangebied ligt net buiten het invloedsgebied van het LPG-tankstation van Van den Broek Olie aan Berghemseweg 1 in Herpen. Zie de afbeelding hieronder met de blauwe stip voor het plangebied, die is gelegen in de grijze en rode zone en in de cirkel behorende bij het LPG vulpunt van Van den Broek Olie.
Aalstvoortsestraat 2c Herpen – 2022, pag. 49 van 76 definitief 7 juli 2022
Transportassen Spoorlijn Oss - Ravenstein De spoorlijn Oss – Ravenstein ligt op circa 2260 meter van het plangebied. Over deze spoorlijn worden brandbare en toxische gassen als vloeistoffen vervoerd. Zie onderstaande afbeeldingen die dit illustreren.
Aalstvoortsestraat 2c Herpen – 2022, pag. 50 van 76 definitief 7 juli 2022
Gezien de ligging van het plangebied (> 300 meter van het spoor, zone IV) wordt alleen rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. In dit gebied zijn geen functies uitgesloten, bescherming wordt geboden door ‘ramen en deuren te sluiten’. Voor de motivatie van ontwikkelingen in deze zone is door de gemeente Oss een standaard verantwoording geschreven. Die verantwoording geldt voor onderhavige ontwikkeling. De verantwoording luidt als volgt: Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat: • vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; •
de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas); het groepsrisico niet significant zal toenemen.
Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is geen item. • Toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico. • De kans op overlijden door een incident met gevaarlijke stoffen is hier bijzonder klein 2. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/de Veiligheidsregio opgestelde 'risicoprofiel'. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken 2 Hier is de kans op overlijden van een persoon ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen vele
malen kleiner dan één op één miljoen.
Aalstvoortsestraat 2c Herpen – 2022, pag. 51 van 76 definitief 7 juli 2022
afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelinginstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS 3 als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De zone III gebieden in de bebouwde kom van Oss vallen geheel binnen het dekkingsgebied van het WAS. A50 Onderhavige locatie ligt op meer dan 300 meter vanaf de A50 (380 meter), daarmee is de locatie in zone 4 gelegen. Hiervoor geldt de standaard verantwoordingsplicht. Vanaf 300 meter wordt alleen rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. In dit gebied zijn geen functies uitgesloten, bescherming wordt geboden door ramen en deuren te sluiten.
De verantwoording voor een ontwikkeling op deze plek is als volgt. Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat: • vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident, • de aard van het mogelijke incident (blootstelling aan toxisch gas), het groepsrisico niet significant zal toenemen. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is geen item. • Toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico. • De kans op overlijden door een incident met gevaarlijke stoffen is hier bijzonder klein (kleiner dan 1 op 1.000.000). De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/ de Veiligheidsregio opgestelde ‘risicoprofiel’. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken.
De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. 3 Waarschuwings- en AlarmeringsSysteem.
Aalstvoortsestraat 2c Herpen – 2022, pag. 52 van 76 definitief 7 juli 2022
Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwings- en AlarmeringsSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De zone III gebieden in de bebouwde kom vallen geheel binnen het dekkingsgebied van het WAS. Dit geldt ook voor onderhavig plangebied. LPG-tankstations Er zijn binnen de gemeente Oss meerdere LPG-tankstations gelegen. Zo ook in de nabijheid van het plangebied. Het invloedsgebied voor een LPG tankstation is ten tijde van het opstellen van het EV-beleid voor de gemeente Oss, in de Regeling externe veiligheid inrichtingen wettelijk vastgesteld op 150 meter 4. Op 28 juni 2016 is aanvullend hierop de ‘Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiiigheid’ gepubliceerd. Daarin wordt aan gemeenten gevraagd om naast Bevi/ Revi ook effectbenadering toe te passen bij besluiten rondom LPG-tankstations. In samenhang met deze circulaire is de Revi aangepast. De vaste afstanden die grofweg de contour voor het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar weergeven, gemeten vanaf het vulpunt, zijn zodanig aangepast dat voor alle situaties (bestaand en nieuw) de in de onderstaande tabel opgenomen afstanden gelden.
Deze afstanden gelden als grenswaarde ten opzichte van kwetsbare objecten en als richtwaarde ten opzichte van beperkt kwetsbare objecten. Daarnaast blijft de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico onverkort van toepassing binnen het invloedsgebied van 150 meter vanaf het vulpunt van het reservoir. Gezien de afstand tot het plangebied groter dan 150 meter is, is het planologisch kader voor LPGtankstations niet van toepassing. Zie onderstaande afbeelding waarop zichtbaar is dat het kwetsbare object op meer dan 150 meter (circa 179 meter) van het vulpunt van het nabijgelegen LPG-tankstation is gelegen.
4 Zie artikel 6, lid 2 van de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) i.c.m. bijlage 2 van de Revi.
Aalstvoortsestraat 2c Herpen – 2022, pag. 53 van 76 definitief 7 juli 2022
Hier hoeft geen verdere verantwoording voor te worden opgesteld. Buisleidingen Uitgaande van de Beleidsvisie Externe veiligheid gemeente Oss wordt geconstateerd dat: • Nabij bebouwingsconcentraties geen sprake is van relevante plaatsgebonden risicocontouren; • in het buitengebied plaatselijk omvangrijke plaatsgebonden risicocontouren aanwezig zijn; • invloedsgebieden tot circa 600 meter van de transportleidingen gelden. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van 600 meter van een transportleiding. Advies veiligheidsregio In artikel 9 van het Besluit externe veiligheid transportroutes is opgenomen dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 7 het bevoegd gezag het bestuur van de veiligheidsregio in wiens regio het gebied ligt waarop het plan betrekking heeft in de gelegenheid stelt advies uit te brengen over de in artikel 7 en, voor zover van toepassing, artikel 8 genoemde onderwerpen. In het kader van het wettelijk vooroverleg vraagt de gemeente advies aan de veiligheidsregio. Het advies wordt hier verwerkt zodra het is ontvangen. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het realiseren van de ontwikkeling. Het plangebied is niet binnen een 10-6-contour gelegen, enkel binnen het invloedsgebied van het spoor en de A50. Er is verantwoord met een standaard tekst.
En in verband hiermee is het bestemmingsplan via het wettelijk vooroverleg voor advies voorgelegd aan de veiligheidsregio. De Veiligheid heeft als volgt over onderhavig plan geadviseerd: “Omdat de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in het invloedsgebied van de spoorlijn
Aalstvoortsestraat 2c Herpen – 2022, pag. 54 van 76 definitief 7 juli 2022
Nijmegen -'s- Hertogenbosch en de rijksweg A50 dient conform artikel 7 BEVT het groepsrisico te worden beantwoord. In paragraaf 5.7.3. van het plan wordt ingegaan op externe veiligheid. De paragraaf geen geen aanleiding tot het maken van op- of aanmerkingen. Het plan heeft geen negatieve gevolgen i.r.t. de hulpverleningsvraag. Wij zien om bovenstaande redenen geen aanleiding voor het geven van advies.” Het plangebied ligt verder buiten het invloedsgebied van een LPG tankstation (> 150 meter afstand) en buiten het invloedsgebied van buisleidingen, hiervoor is daarom geen aanvullende verantwoording opgesteld. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.7.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken; - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss