Bijlage 5A Regels en toelichting Wilgenstraat 8 in Geffen.PDF
Tekst van het document
Door de lage maximum snelheid en het minimale verkeer dat over deze straat komt is de kans op ongelukken en verkeersslachtoffers klein. - Leefbaarheid De nieuwe woning draagt niet bij aan de aantasting van de luchtkwaliteit en overlast ten gevolge van geluidhinder. Doordat op het perceel twee parkeerplaatsen gerealiseerd worden, wordt parkeren op straat zoveel mogelijk voorkomen en blijft ruimte voor het bewegend verkeer aanwezig en blijft de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd.
5.3.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. In onderhavige situatie wordt een vrijstaande woning mogelijk gemaakt. Hiervoor geldt een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per woning (kernen). Hiervan zijn 2 parkeerplaatsen voor bewoners en 0,3 voor bezoekers. In het plangebied worden op eigen terrein 2 parkeerplaatsen gerealiseerd. Bezoekers kunnen in de openbare ruimte rondom het plangebied parkeren.
5.4
Water
5.4.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren,
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 27 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied.
Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm.
De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied;
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 28 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. Onderhavige ontwikkeling bestaande uit de realisatie van één nieuwe woning geeft invulling aan het waterbeleid van de gemeente. Het afstromend regenwater wordt niet vermengd met afvalwater. Er wordt afgekoppeld/ hydrologisch neutraal ontwikkeld. Er worden geen uitlogende materialen gebruikt, waardoor het hemelwater voortijdig vervuild kan raken. Het plan verandert de beleving van water niet. Oppervlaktewater is geen onderdeel van het plan. Voor het lozen van afvalwater wordt het plangebied aangesloten op de riolering in de Wilgenstraat. De aansluiting hiervan komt aan bod bij de aanvraag omgevingsvergunning.
5.4.2
Watertoets
Nieuwe verharding Het initiatief zorgt voor maximaal 300 m2 aan nieuwe verharding. Toetsing aan beleid Waterschap Aa en Maas Op www.dewatertoets.nl is de digitale watertoets ingevuld. Hiervan zijn drie mogelijke uitkomsten/ procedures: Geen waterbelang: Er is een functiewijziging zonder relevante wateraspecten; Verkorte procedure: U heeft een klein plan met weinig relevante wateraspecten; Normale procedure: U heeft een groot plan met meerdere relevante wateraspecten. Na het invullen van de digitale watertoets werd direct aangegeven dat met het ruimtelijk plan de verkorte procedure/ standaardwaterparagraaf van toepassing is. De resultaten van www.dewatertoets.nl zijn bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 3). Per 1 april 2021 is de herziening van de Keur in werking getreden. Hierin is een nieuwe grenswaarde (500 m2) van verharding opgenomen, waarbij de compensatie-eis geldt. Deze nieuwe grenswaarde heeft geen invloed op onderhavig plan, omdat niet meer dan 500 m2 aan nieuwe verharding aan de orde is. Ook in de nieuwe situatie blijft de toename van verharding onder de grenswaarde.
Gemeentelijk beleid Conform het gemeentelijke beleid geldt ten aanzien van de verwerking van hemelwater dat van het verhard oppervlak de eerste 20 millimeter geïnfiltreerd moet worden op eigen terrein, van de woningen moet de eerste 10 millimeter geïnfiltreerd worden, daarna mag het aan de openbare ruimte aangeboden worden. De rekensom om het te bergen en infiltreren m3’s hemelwater te berekenen is dan als volgt: compensatie-eis verhard oppervlak (20 mm) x verhard oppervlak (180 m2) + compensatie-eis woningen (10 mm) x oppervlakte woningen (120 m2). In onderhavige situatie betekent dat, dat 4,8 m3 water op eigen terrein tijdelijk moet worden geborgen en vervolgens geïnfiltreerd. Op het perceel is voldoende ruimte aanwezig voor een hemelwatervoorziening van minimaal 4,8 m3, daarnaast is ook de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) niet belemmerend voor de voorzieningenkeuze. De initiatiefnemer heeft zijn voorzieningenkeuze nog niet concreet uitgewerkt. Er zijn diverse mogelijkheden die hij bij het ontwerp van de woning ter overweging mee kan nemen, namelijk het aanleggen van een wadi in de voor- en/ of achtertuin, infiltratiekratten of het aanleggen van een infiltratieriool. Een combinatie van deze maatregelen is ook mogelijk. In de voorziening moet in ieder
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 29 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
geval tijdelijk minimaal 4,8 m3 aan hemelwater kunnen worden geborgen dat vervolgens langzaam in de grond kan worden geïnfiltreerd. Voor hevige regenval kan een overstort op de watergang aan de voorzijde van het plangebied gerealiseerd worden die ervoor zorgt dat wanneer er meer hemelwater valt dan er op eigen terrein verwerkt kan worden het extra water bij de openbare ruimte wordt aangeboden. Hiervoor geldt dat de overloop naar het openbaar gebied oppervlakkig en gecontroleerd uitgevoerd moet worden. De exacte uitgewerkte voorziening wordt in het bouw- en woonrijpproces voorafgaand aan de vergunningverlening voor de activiteit bouwen door de initiatiefnemer aan de gemeente ter goedkeuring voorgelegd. Water vormt geen belemmering voor het initiatief. 5.5
Defensie
Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.
Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 30 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
5.6
Milieuaspecten
In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering - Bodem - Externe veiligheid - Geurhinder: agrarisch - Geur: industrieel - Luchtkwaliteit - Straling - Weg-, spoor-, en industrielawaai - Gezondheid - Spuitzones 5.6.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Tegenover het plangebied is een detailhandelsvoorziening gelegen. Hier is uitsluitend grootschalige detailhandel toegestaan.
Het gaat om detailhandel in meubels, keukens en sanitair, witgoed en tuininrichting. De sbi-code behorende bij een dergelijk bedrijf is volgens de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering 47. De bijbehorende richtafstanden zijn 0 meter voor geur, 0 meter voor stof, 10 meter voor geluid en 0 meter voor gevaar. Het bestemmingsvlak van het bedrijf ligt op ongeveer 17 meter van het plangebied. De richtafstanden worden gehaald. Ten westen van het plangebied is een maatschappelijke bestemming gelegen. Hier is het gemeenschapshuis van Geffen gevestigd. Voor dergelijke functies geldt de sbi-code 94991. De bijbehorende richtafstanden zijn 0 meter voor geur, 0 meter voor stof, 30 meter voor geluid en 0 meter voor gevaar. Het bestemmingsvlak van de maatschappelijke functie ligt op ongeveer 60 meter van het plangebied. De richtafstanden worden gehaald. Ten zuiden van het plangebied is een sportfunctie gelegen. Hier is sporthal De Geer gevestigd. Voor dergelijke functies geldt de sbi-code 931. De bijbehorende richtafstanden zijn 0 meter voor geur, 0 meter voor stof, 50 meter voor geluid en 0 meter voor gevaar. Het bestemmingsvlak van de sportfunctie ligt op ongeveer 40 meter van het plangebied. De richtafstand voor geluid wordt niet gehaald.
In onderhavige situatie is afwijken van de richtafstand niet belemmerend om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te kunnen garanderen, ook wordt de sporthal niet in haar ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd. De motivatie hiervoor is als volgt: de ontwikkeling (nieuwe woning) is gelegen binnen een woonkern (tussen de sporthal en de ontwikkeling staan reeds woningen); het gaat hier om een 30-km uur zone, waardoor geen geluidsproblematiek door de verkeersaantrekkende werking van de sporthal aan de orde zal zijn; de ontsluiting van de sporthal en de parkeerruimte voor de sporthal is gelegen aan de Elzendreef, op circa 100 meter van het plangebied;
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 31 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
-
de woningen die tussen de sporthal en het plangebied zijn gelegen hebben een geluidsafschermend effect.
Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 5.6.2 Bodem Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Door Nipa Milieutechniek is voor het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 4). De conclusies en aanbevelingen van het onderzoek zijn als volgt.
“Op basis van deze resultaten kan de hypothese, onverdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging, in principe worden aanvaard. De uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek is, ons inziens, niet zinvol. Tegen de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie zijn, ons inziens, geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aan te voeren. Eventueel vrijkomende grond mag op de locatie worden hergebruikt. Indien grond van de locatie afgevoerd dient te worden, is de Regeling bodemkwaliteit van toepassing: • • •
Op basis van dit rapport is de grond binnen het gebied van dezelfde bodemkwaliteitskaart herbruikbaar; Vrijkomende grond die elders wordt hergebruikt, dient voorafgaand aan de toepassing als een partij gekeurd te worden conform het BRL SIKB 1000 VKB protocol 1001; Afvoer van de vrijkomende grond naar een erkende grondbank of verwerker is op basis van dit rapport eveneens mogelijk.
Voor de afvoer van de grond naar elders zal een aanvullend onderzoek naar het voorkomen van PFAS noodzakelijk kunnen zijn. Opgemerkt wordt dat wij slechts een adviserende taak hebben en dat het bevoegd gezag de noodzaak tot de uitvoering van nader of aanvullend onderzoek vaststelt. Alhoewel het onderzoek met de grootst mogelijke nauwkeurigheid en conform de daarvoor opge- stelde normen en richtlijnen is uitgevoerd dient opgemerkt te worden dat een bodemonderzoek slechts bestaat uit een steekproef waarbij een relatief gering aantal boringen en analyses wordt uitge- voerd. Niet geheel uitgesloten kan worden dat op de locatie een verontreiniging aanwezig is die bij dit onderzoek niet is aangetroffen.” Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Niet gesprongen explosieven Op basis van het WSCS-OCE bijlage 3 is het plangebied verdacht op Ontplofbare oorlogsresten 2e Wereld Oorlog. Hieronder is een uitsnede van de kaart opgenomen waarop dit zichtbaar is.
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 32 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
Het plangebied wordt momenteel onderzocht op niet gesprongen explosieven. Pas voordat het plangebied is vrijgegeven is het mogelijk grondwerkzaamheden uit te voeren. Het proces-verbaal dat dit aantoont wordt door de initiatiefnemer overlegd aan de gemeente alvorens grondwerkzaamheden worden uitgevoerd.
5.6.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven.
In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 33 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Op basis van het Bevi (artikel 1) betreft de ontwikkeling 1 kwetsbaar object. Het nieuwe object is niet gelegen binnen een plaatsgevonden risicocontour (PR10-6/jaar), maar wel binnen het invloedsgebied van een risicobron: spoorlijn ‘s-Hertogenbosch–Oss. Deze spoorlijn ligt op circa 220 meter van het plangebied. Zie de uitsnede van de risicokaart en de uitsnede van de signaleringskaart hieronder.
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 34 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
Spoorlijn ’s-Hertogenbosch-Oss Gezien de ligging van het plangebied (tussen 200 en 300 meter van het spoor) geldt conform de beleidsvisie externe veiligheid 2011 van de gemeente Oss dat de locatie is gelegen in Zone III BLEVE aandachtsgebied. Hiervoor geldt dat het groepsrisico moet conform zwaarte 2 moet worden verantwoord. De uitsnede uit het beleid die dit aangeeft is hieronder opgenomen.
De verantwoording is hieronder opgenomen. VERANTWOORDING ZWAARTE 2 1) Er hoeft geen noodzaak te worden aangetoond om voorziening op deze plek te realiseren. Geen nadere toelichting nodig. 2) De zelfredzaamheid is goed Er worden geen verminderd zelfredzame personen gehuisvest. 3) Bestrijdbaarheid o er is een goede verkeerskundige ontsluiting voor hulpdiensten; hieraan wordt voldaan.
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 35 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
o
er wordt voldaan aan de Handleiding bluswatervoorziening of een gelijkwaardig voorstel van de brandweer; hieraan wordt voldaan, er is in de omgeving van het plangebied een brandkraan aanwezig waarop kan worden aangesloten.
o
er is voldoende opvang, afvoersloten; er zijn geen sloten aanwezig, er is wel voldoende onverharde ruimte aanwezig in het plangebied en in de omgeving om het bluswater te laten afstromen ten einde in de bodem te laten infiltreren.
o
er zijn minimaal twee vluchtroutes van de bron af; te voet kan er via meerdere routes van de bron af worden gevlucht.
o
kwetsbare objecten moeten aan risicoluwe zijde worden gerealiseerd; er is slechts sprake van de realisatie van één kwetsbaar object. Tussen dit object en de bron zijn meerdere andere objecten gelegen.
4) Maatregelen: •
maatregelen moeten in beschouwing worden genomen; Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelinginstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen.
•
privaatrechtelijk afdwingen is niet nodig Geen nadere toelichting nodig.
•
aandacht voor organisatorische en communicatiemaatregelen Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS 1 als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De zone III gebieden in de bebouwde kom van Oss vallen geheel binnen het dekkingsgebied van het WAS.
Advies veiligheidsregio In artikel 9 van het Besluit externe veiligheid transportroutes is opgenomen dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 7 het bevoegd gezag het bestuur van de veiligheidsregio in wiens regio het gebied ligt waarop het plan betrekking heeft in de gelegenheid stelt advies uit te brengen over de in artikel 7 en, voor zover van toepassing, artikel 8 genoemde onderwerpen. De gemeente heeft de Veiligheidsregio gevraagd te adviseren over onderhavige ontwikkeling. De Veiligheidsregio heeft advies uitgebracht. Het advies is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 5). Het advies van de Veiligheidsregio is als volgt: “De ontwikkeling leidt tot de toename van 1 woning binnen het invloedsgebied. De bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid worden niet negatief beïnvloed. Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is sprake van twee handelingsperspectieven. De zelfredzaamheid kan positief beïnvloed worden door de initiatiefnemer hier actief op te wijzen. Dit kan bijv. via de website www.ophetjuistespoor.nl.” De initiatiefnemer is gewezen op de wijzen waarop de zelfredzaamheid positief kan worden beïnvloed. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het realiseren van de ontwikkeling.
Het plangebied is niet binnen een 10-6-contour gelegen, wel binnen het invloedsgebied van het spoor. Er is verantwoord 1 Waarschuwings- en AlarmeringsSysteem.
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 36 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
conform de beleidsvisie externe veiligheid 2011 van de gemeente Oss. Verder heeft de Veiligheidsregio over de ontwikkeling geadviseerd. Het advies van de Veiligheidsregio is in deze paragraaf verwerkt en is v.w.b. de positieve beïnvloeding van de zelfredzaamheid in acht genomen.
5.6.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken; - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss
1,0 Ou
B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij
2,0 Ou
C. Plangebied (bij kern A en B)
3,0 Ou
D. Woonkern met intensieve veehouderij
6,0 Ou
E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal
6,0 Ou
F. Recreatiegebieden
8,0 Ou
G. Extensiveringsgebieden
8,0 Ou
H. Bedrijventerreinen
8,0 Ou
I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk
12,0 Ou
J. Verwevingsgebied
14,0 Ou
K. Landbouwontwikkelingsgebied
14,0 Ou
Allereerst moet de vraag worden beantwoord of sprake is van het realiseren van nieuwe geurgevoelige objecten en/ of het realiseren van nieuwe bronnen van agrarische geurhinder. In onderhavige situatie gaat het in de zin van de wet om het mogelijk maken van één nieuw geurgevoelig object. Er wordt geen nieuwe bron van agrarische geurhinder mogelijk gemaakt. In onderhavige situatie is het van belang dat gemotiveerd wordt dat voor het nieuwe geurgevoelige object sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat agrarische bedrijven door de toevoeging
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 37 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
van nieuwe geurgevoelige objecten niet worden belemmerd in hun uitbreidingsmogelijkheden. Hieronder wordt ingegaan op beide aspecten. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Voor het beoordelen of bij ruimtelijke initiatieven sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heeft de gemeente Oss de beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Oss 2013 vastgesteld. In deze beleidsregel is vastgelegd wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiervan is sprake als de achtergrondbelasting geclassificeerd kan worden als ‘voldoende’ of ‘goed’. Er zijn dan geen belemmeringen om mee te werken aan het ruimtelijke initiatief. In de tabel hieronder (afkomstig uit de beleidsregel) heeft de gemeente vastgelegd wanneer sprake is van een ‘goed’, ‘voldoende’ of ‘onvoldoende’ woon- en leefklimaat.
In onderhavige situatie, gelegen in de bebouwde kom met geurnorm 2, moet de achtergrondbelasting minimaal voldoen aan 9 Ou/m3 om als ‘voldoende’ te kunnen worden beoordeeld. Op de geurgebiedsvisiekaart van 2015 kan worden afgelezen dat de nieuwe geurgevoelige objecten zijn gelegen in een gebied met een achtergrondwaarde tussen de 3,1 en 7,4 Oue/m3. Zie de uitsnede hieronder.
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 38 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
Op de actualisatie van deze kaart (juli 2020), welke hieronder is weergegeven is zichtbaar dat het plangebied is gelegen in een gebied waar de achtergrond belasting lager is dan 5 Oue/M3.
Op basis van voorgaande is de conclusie voor wat betreft het woon- en leefklimaat dat voldaan wordt aan de minimale norm van 9 Ou/m3. Het woon- en leefklimaat wordt op basis daarvan beoordeeld als ‘voldoende’ en is daarmee aanvaardbaar. Er zijn op grond van het woon- en leefklimaat geen belemmeringen om mee te werken aan het ruimtelijke initiatief.
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 39 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
Initiatief in relatie tot de uitbreidingsmogelijkheden omliggende agrarische bedrijven Tussen het initiatief en de meest nabij gelegen agrarische bedrijven zijn diverse andere woningen/ geurgevoelige objecten gelegen. Dit betekent dat de nieuwe woning in het plangebied geen maatgevende woning is voor de agrarische bedrijven. Daarmee is de ontwikkeling niet belemmerend voor de eventuele uitbreidingswensen van nabij gelegen agrarische bedrijven. Agrarische geurhinder vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.6.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Het initiatief (één nieuwe woning aan Wilgenstraat 8) is gelegen in de buurt van meerdere bedrijfsmatige activiteiten.
Het gaat om een sporthal, gemeenschapshuis en een detailhandelsvoorziening. Voor alle drie de functies geldt op basis van de VNG-brochure bedrijven en milieuzonering geen richtafstand voor geur. Dit is meer gedetailleerd omschreven in paragraaf 5.6.1 Bedrijven en milieuzonering. Omdat geen sprake is van een richtafstand hoeft hiermee in het kader van onderhavige ontwikkeling – de realisatie van een nieuwe woning – geen rekening te worden gehouden. Voor het aspect industriele geurhinder is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en nabijgelegen bedrijven worden niet in hun bedrijfvoering belemmerd. Industriële geurhinder vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.6.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 40 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Grenswaarden luchtkwaliteit Voor de meest voorkomende stoffen zijn de luchtkwaliteitsnormen als volgt:
Gekeken naar de voorspellingen voor deze stoffen met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) 2 blijkt dat voldaan wordt aan deze grenswaarden. Uitsneden van de kaarten ter hoogte van het plangebied zijn hieronder opgenomen. 2 Bron: http://geodata.rivm.nl/gcn/
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 41 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 42 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Aangezien het hier een ruimtelijke ontwikkeling betreft die genoemd staat in de Regeling NIBM, een woningbouwlocatie met minder dan 1.500 woningen, kan geconcludeerd worden dat de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project NIBM is. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen.
Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Woningen, kantoren en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 43 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
In het plangebied worden geen ‘gevoelige bestemmingen’ mogelijk gemaakt. Bedrijven Binnen de directe nabijheid van de locatie liggen geen veehouderijen. Conclusie Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Onderhavige ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.6.7 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Het plangebied is niet gelegen nabij een hoogspanningslijn, wat betekent dat ter hoogte van het plangebied geen sprake is van een magnetische veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla ten gevolge van hoogspanningslijnen. Straling vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.6.8 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen.
De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 44 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Het plangebied is gelegen in een 30km/ uur zone en hoeft niet beoordeeld te worden in het kader van Wet geluidhinder. De Wilgenstraat is een ontsluitingsweg uitsluitend voor de percelen gelegen aan de Wilgenstraat. Het aantal motorvoertuigen per etmaal is beperkt. Ook vanuit een goede ruimtelijke ordening is er geen aanleiding om akoestisch onderzoek uit te voeren. Verder is het plangebied gelegen op circa 220 meter van het spoor waardoor een onderzoek naar railverkeerslawaai niet nodig is. In de paragraaf die over bedrijven en milieuzonering gaat is de bedrijvigheid in de nabijheid van het plangebied besproken. Hieruit blijkt dat industrielawaai geen belemmering vormt voor de ontwikkeling of andersom: de ontwikkeling vormt geen belemmering voor nabijgelegen bedrijvigheid. Luchtverkeerslawaai is in onderhavige situatie niet aan de orde. Geluid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.6.9
Gezondheid
Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert.
In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen.
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 45 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen). Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij. Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het infomeren van de aanvragers over het risico b. terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen c. na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan. ‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden.
Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Er ligt slechts één geitenhouderij binnen twee kilometer vanaf het plangebied. Het betreft hier echter een bedrijf met minder dan 50 geiten. De VGO (volksgezondheidonderzoeken) hanteren ondergrens van 50 geiten. Bij 50 of minder geiten worden deze bedrijven niet meegenomen v.w.b. het aspect gezondheid. Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.6.10 Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden beoordeeld of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een richtafstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies zoals woningen kan worden gehanteerd. Kleinere afstanden zijn mogelijk mits er een locatie specifiek onderzoek wordt uitgevoerd. In de nabijheid van het plangebied (50 meter) is geen sprake van teelt.
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 46 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
5.7
Milieueffectrapportage (M.e.r.)
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over wordt genomen. In een milieueffectrapport worden de gevolgen voor het milieu beschreven. Zo kan de overheid die het besluit neemt de milieugevolgen bij haar afwegingen betrekken. Het doel van m.e.r. is om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over plannen en projecten. In een m.e.r.-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Wanneer speelt een m.e.r.-beoordeling? In het Besluit m.e.r. staat wanneer m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de C- en D-lijst in de Bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven. Boven de C-drempel geldt een m.e.r.-plicht, tussen de C- en D-drempel geldt een plan-m.e.r.-plicht en onder de D-drempel geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient onderbouwd te worden of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft.
Sinds de implementatie van de gewijzigde M.e.r.-richtlijn op 16 mei 2017 is de procedure voor de vormvrije en de formele m.e.r.-beoordeling bijna gelijk. Het enige verschil is dat van het besluit bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling geen kennisgeving wordt gedaan. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op, waarover het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet nemen. Het bevoegd gezag motiveert het besluit door in te gaan op de selectiecriteria van Bijlage III van de M.e.r.-richtlijn. Het gaat daarbij om de hoofdcategorieën: 1. kenmerken van het project 2. plaats van het project 3. kenmerken van het potentiële effect. Is het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer, dan is het bevoegd gezag, anders dan een derde, niet verplicht een aanmeldnotitie op te stellen. Verantwoording De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject is een activiteit als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). De realisatie van één woning is een stedelijke ontwikkeling, maar niet in de zin van het Besluit m.e.r. Uit jurisprudentie blijkt namelijk dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r.
afhangt van de concrete omstandigheden van het geval (ABRvS 11 maart 2020, uitspraak 201901464/1/R1). Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol. Uit eerdere jurisprudentie (ABRvS 27 mei 2015, uitspraak 201404713/1/R3) blijkt dat voor nieuwvestiging van 95 woningen geen m.e.r.-beoordeling nodig is. De ontwikkeling van één woning zorgt dan wel voor een wijziging van de gebruiksmogelijkheden, maar dit betekent nog niet dat dit moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie gaat het slechts om één woning, aanzienlijk minder dan de in jurisprudentie genoemde 95 woningen. Het ruimteslag van de nieuwe bebouwing is beperkt en passend in de bebouwde omgeving.
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 47 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
Omdat de ontwikkeling van één woning geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, hoeft er geen vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Overigens kan op basis van de beschikbare onderzoeken naar de ruimtelijke gevolgen van het plan, en die zijn opgenomen in dit hoofdstuk en de bijlagen, worden geconcludeerd dat de ontwikkeling niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 48 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
Hoofdstuk 6
6.1
Toelichting op de regels
Algemeen
Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. In het bestemmingsplan Wilgenstraat 8 Geffen – 2022 is gekozen voor een gedetailleerde regeling. Voor de opzet van de regels is aangesloten bij de “Standaardregels bestemmingsplannen Oss”. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels (artikelen 1 en 2), de bestemmingsregels (artikelen 3 en 4) de algemene regels (artikelen 5 tot en met 11) en de overgangs- en slotregels (de artikelen 12 en 13). Bij de regels hoort een bijlage, te weten een lijst van rechtstreeks toelaatbare aan huis gebonden activiteiten. In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels en de bijlage toegelicht.
6.2
Regels
Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen. Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel geeft aan op welke manier het meten van in de regels genoemde begrippen moet plaatsvinden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels De in dit hoofdstuk geregelde bestemmingen zijn achtereenvolgens: Artikel 3: Tuin Deze bestemming is in samenhang met de woonbestemming opgenomen. Op gronden met deze bestemming mogen in beginsel geen gebouwen worden gebouwd. Artikel 4: Wonen - Vrijstaand Binnen deze bestemming zijn vrijstaande woningen toegestaan. Aan huis gebonden activiteiten zijn direct toegestaan. Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk geeft een aantal gebruikelijke algemene regels. Het betreft achtereenvolgens: Artikel 5: Anti-dubbeltelregel
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 49 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
Dit artikel regelt dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. Artikel 6: Algemene bouwregels Dit artikel geeft een aantal bouwregels die algemene werking hebben, en dus niet in één of meerdere specifieke bestemmingen gegeven worden. Artikel 7: Algemene gebruiksregels Dit artikel geeft aan wat in ieder geval onder strijdig gebruik wordt verstaan. Artikel 8: Algemene aanduidingsregels Binnen dit artikel zijn de regels behorende bij de vrijwaringszone van de molenbiotoop waarin het plangebied deels gelegen is opgenomen. Artikel 9: Afwijken van de bouwregels algemeen Dit artikel geeft een algemene regeling voor afwijking van de bouwregels Artikel 10 Algemene wijzigingsregels Dit artikel regelt een algemene regeling waarmee burgemeester en wethouders binnen aangegeven grenzen het plan kunnen wijzigen. Artikel 11 Overige regels Dit artikel regelt de verwijzing naar andere wettelijke regelingen en de toepasselijkheid van de gemeentelijke bouwverordening. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 12 Overgangsrecht Dit artikel regelt het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 13 Slotregel Dit artikel regelt de formele titel waaronder het bestemmingsplan kan worden aangehaald.
Bijlage 1: Lijst van rechtstreeks toelaatbare aan huis gebonden activiteiten In deze bijlage zijn de bedrijfsactiviteiten genoemd die volgens de regels toelaatbaar zijn. De lijst is opgesteld vanuit de typering van het plangebied als een rustige woonwijk.
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 50 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
Hoofdstuk 7
7.1
Handhaving
Beleidskader
Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctie- en gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria: - het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels; - het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken; - zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavingsinstrumenten.
Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien: - het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes; - nakoming van afspraken en naleving van regels. In het Handhavingsprogramma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden. De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de regels en desnoods bestuursrechtelijke handhaving. Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven.
7.2
Professionele handhaving en handhavingsprogramma
De gemeente Oss voldoet aan de wettelijke kwaliteitscriteria voor een professionele handhavingsorganisatie. Elke vier jaar wordt er een Handhavingsprogramma opgesteld waarin de prioriteiten voor de uitvoering worden vastgelegd. Dit gebeurt na de aantreding van een nieuwe gemeenteraad en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders. Elk jaar wordt aan de hand van een probleem- of omgevingsanalyse een voortschrijdend programma gemaakt, waarin rekening wordt gehouden met gewijzigde wetgeving en de op dat moment concrete problematiek. Handhaving van bestemmingsplannen is een vaste prioriteit in het programma.
Wilgenstraat 8 Geffen – 2022, pag. 51 van 54 ontwerp 26 augustus 2021
7.3
Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht
De regels van dit bestemmingsplan zijn getoetst op handhaafbaarheid. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorziet in een verbod op het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit. In beginsel worden bouwwerken die in overeenstemming zijn met het vorige bestemmingsplan positief bestemd. Hetzelfde geldt voor gebruik in overeenstemming met het vorige bestemmingsplan. Met andere woorden: bestaande rechten worden gerespecteerd. Zij zijn in beginsel alleen onder het algemene overgangsrecht gebracht als te voorzien is dat zij binnen de planperiode van tien jaar zullen verdwijnen. Als sprake is van een naar huidige beleidsinzichten onwenselijke situatie die in het vorige bestemmingsplan al onder het overgangsrecht valt, is bezien of deze onder het persoonsgebonden overgangsrecht kan worden gebracht. Dat wil zeggen dat het overgangsrecht voor de betreffende percelen is beperkt tot degenen die die percelen gebruiken op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Voortgezet gebruik door anderen wordt niet als bestaand gebruik aangemerkt. Wij geven hieraan de voorkeur boven een uitsterfconstructie. Een uitsterfconstructie houdt in feite een positieve bestemming in, die afloopt na beëindiging van het betreffende gebruik. Dit maakt opvolging in de tijd door meerdere gebruikers mogelijk.