CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4A Regels en toelichting Polderstraat 12 in Macharen.PDF

Adviescommissie Ruimte 20 januari 2022, gemeente OssBij agendapunt: BI Gebundelde procedure ontwerpbestemmingsplannen Binnenstraat ong. Herpen-2022, Polderstraat 12 Macharen 2022, Wilgenstraat 8 Geffen 2022, Berghemseweg 7 Herpen 202226.381 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Meldingsplicht Er geldt ten alle tijden een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische resten: 1. De start van de werkzaamheden dient minimaal twee weken voor aanvang aan de gemeentelijk archeoloog te worden gemeld per email (m.peeters@oss.nl) 2. De mogelijkheid dat er in het plangebied archeologische vondsten worden gedaan, wordt niet uitgesloten. Wij wijzen u nadrukkelijk op uw wettelijke verplichting (Erfgoedwet) om archeologische vondsten te melden. Bij het doen van vondsten waarvan u vermoedt dat het om archeologische vondsten of sporen gaat ben u verplicht deze onmiddellijk te melden bij de bevoegde instantie, in dit geval de gemeente. U kunt uw vondsten melden bij de gemeentelijk archeoloog M. Peeters en aan de gemeentelijk projectleider of de gemeentelijk contactpersoon van uw project (beiden bereikbaar via het tel.nr. 14 0412). Archeologie vormt geen belemmering voor de bestemmingswijziging, omdat de dubbelbestemming die ook in het vigerende bestemmingsplan al aan de orde is behouden blijft. In het vervolgtraject is gravend onderzoek noodzakelijk. Hiervoor is een door de gemeente goedgekeurd PvE nodig.

Het aanvullend onderzoek dient in ieder geval te worden uitgevoerd in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ of in het kader van de voorwaarden die hierover in de vergunning worden gesteld alvorens mag worden gestart met de graafwerkzaamheden voor het bouwen. Bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Het gehele plangebied houdt de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie historische kern’. Voor het plangebied geldt dat bij bodemverstoringen groter dan 50 m² en dieper dan 30 cm beneden huidig maaiveld archeologisch onderzoek nodig is.

Polderstraat 12 Macharen – 2022, pag. 28 van 58 ontwerp 27 augustus 2021

4.2.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening.

In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd. Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen.

De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2009. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen.

Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim

Polderstraat 12 Macharen – 2022, pag. 29 van 58 ontwerp 27 augustus 2021

omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. In en rondom het plangebied is geen sprake van cultuurhistorische waarden.

Polderstraat 12 Macharen – 2022, pag. 30 van 58 ontwerp 27 augustus 2021

4.3

Mobiliteit en parkeren

4.3.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verkeer: extra verkeersbewegingen Het initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen. Conform CROW kan de verkeersaantrekkende werking van het initiatief vastgesteld worden op 7,8 motorvoertuigen per etmaal (vrijstaande woning). Deze toename is op een weg als de Polderstraat, een erftoegangsweg type II welke geschikt is voor een intensiteit tot 6000 motorvoertuigen per etmaal verwaarloosbaar. De ontsluiting voldoet aan de normen van het Mobiliteitsplan 2020. Verkeer: ontsluitingswegen Voor de ontsluiting van het plangebied is een nieuwe inrit benodigd (maximaal 3,5 meter breed). De huidige inrit is namelijk bedoeld voor de ontsluiting van de woning die reeds op het perceel aanwezig is. Over de aanleg van de nieuwe inrit zijn in de anterieure overeenkomst die tussen de gemeente en de initiatiefnemer is gesloten afspraken gemaakt.

De kosten voor de aanleg van de nieuwe inrit zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Parkeren Voldaan dient te worden aan de parkeernormen zoals opgenomen in de nota ‘Parkeernormen 2017’. Voor een woning ‘koop, vrijstaand’ in de kernen van de stad Oss (zoals Macharen) geldt per woning een parkeereis van 2,3 parkeerplaatsen op eigen terrein. Afgerond gaat het om 3 parkeerplaatsen op eigen terrein. Op eigen terrein is voldoende ruimte om 3 auto’s te parkeren. Voor het initiatief wordt voldaan aan de parkeernorm zoals gesteld in de nota ‘Parkeernormen 2017’. Het initiatief voldoet aan het gemeentelijke verkeers- en parkeerbeleid.

Polderstraat 12 Macharen – 2022, pag. 31 van 58 ontwerp 27 augustus 2021

4.4

Water

4.4.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.

De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.

Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer

Polderstraat 12 Macharen – 2022, pag. 32 van 58 ontwerp 27 augustus 2021

Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. Onderhavige ontwikkeling bestaande uit de realisatie van één nieuwe woning geeft invulling aan het waterbeleid van de gemeente. Het afstromend regenwater wordt niet vermengd met afvalwater. Er wordt afgekoppeld/ hydrologisch neutraal ontwikkeld. Er worden geen uitlogende materialen gebruikt, waardoor het hemelwater voortijdig vervuild kan raken. Het plan verandert de beleving van water niet. Oppervlaktewater is geen onderdeel van het plan. 4.4.2

Watertoets

Nieuwe verharding Het initiatief zorgt voor maximaal 300 m2 aan nieuwe verharding. Toetsing aan beleid Waterschap Aa en Maas Op www.dewatertoets.nl is de digitale watertoets ingevuld. Hiervan zijn drie mogelijke uitkomsten/ procedures: Geen waterbelang: Er is een functiewijziging zonder relevante wateraspecten; Verkorte procedure: U heeft een klein plan met weinig relevante wateraspecten; Normale procedure: U heeft een groot plan met meerdere relevante wateraspecten. Na het invullen van de digitale watertoets werd direct aangegeven dat met het ruimtelijk plan de verkorte procedure/ standaardwaterparagraaf van toepassing is. De resultaten van www.dewatertoets.nl zijn bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 3). Per 1 april 2021 is de herziening van de Keur inwerkinggetreden. Hierin is een nieuwe grenswaarde (500 m2) van verharding opgenomen, waarbij de compensatie-eis geldt. Deze nieuwe grenswaarde heeft geen invloed op onderhavig plan, omdat niet meer dan 500 m2 aan nieuwe verharding aan de orde is. Ook in de nieuwe situatie blijft de toename van verharding onder de grenswaarde.

Gemeentelijk beleid Conform het gemeentelijke beleid geldt ten aanzien van de verwerking van hemelwater dat van het verhard oppervlak de eerste 20 millimeter geïnfiltreerd moet worden op eigen terrein, van de woningen moet de eerste 10 millimeter geïnfiltreerd worden, daarna mag het aan de openbare ruimte aangeboden worden. De rekensom om het te bergen en infiltreren m3’s hemelwater te berekenen is dan als volgt: compensatie-eis verhard oppervlak (20 mm) x verhard oppervlak (180 m2) + compensatie-eis woningen (10 mm) x oppervlakte woningen (120 m2). In onderhavige situatie betekent dat, dat 4,8 m3 water op eigen terrein tijdelijk moet worden geborgen en vervolgens geïnfiltreerd.

Polderstraat 12 Macharen – 2022, pag. 33 van 58 ontwerp 27 augustus 2021

Op het perceel is voldoende ruimte aanwezig voor een hemelwatervoorziening van minimaal 4,8 m3, daarnaast is ook de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) niet belemmerend voor de voorzieningenkeuze. De initiatiefnemer heeft zijn voorzieningenkeuze nog niet concreet uitgewerkt. Er zijn diverse mogelijkheden die hij bij het ontwerp van de woning ter overweging mee kan nemen, namelijk het aanleggen van een wadi in de voor- en/ of achtertuin, infiltratiekratten of het aanleggen van een infiltratieriool. Een combinatie van deze maatregelen is ook mogelijk. In de voorziening moet in ieder geval tijdelijk minimaal 4,8 m3 aan hemelwater kunnen worden geborgen dat vervolgens langzaam in de grond kan worden geïnfiltreerd. Voor hevige regenval kan een overstort op de watergang aan de voorzijde van het plangebied gerealiseerd worden die ervoor zorgt dat wanneer er meer hemelwater valt dan er op eigen terrein verwerkt kan worden het extra water bij de openbare ruimte wordt aangeboden. Hiervoor geldt dat de overloop naar het openbaar gebied oppervlakkig en gecontroleerd uitgevoerd moet worden. De exacte uitgewerkte voorziening wordt in het bouw- en woonrijpproces voorafgaand aan de vergunningverlening voor de activiteit bouwen door de initiatiefnemer aan de gemeente ter goedkeuring voorgelegd. Water vormt geen belemmering voor het initiatief.

Polderstraat 12 Macharen – 2022, pag. 34 van 58 ontwerp 27 augustus 2021

4.5

Defensie

Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.

Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.

Polderstraat 12 Macharen – 2022, pag. 35 van 58 ontwerp 27 augustus 2021

4.6

Milieuaspecten

In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering - Bodem - Externe veiligheid - Geurhinder: agrarisch - Geur: industrieel - Luchtkwaliteit - Straling - Weg-, spoor-, en industrielawaai - Gezondheid - Spuitzones 4.6.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Het initiatief bestaat uit de toevoeging van één gevoelig object (woning). In de omgeving van het initiatief zijn een viertal veehouderijen gelegen.

Het gaat om drie veehouderijen aan de Hoogoordstraat, twee veehouderijen aan de Ossestraat en één veehouderij aan de Sluisweg. Aan Polderstraat 8 zijn bedrijven in categorie 1 en 2 en detailhandel toegestaan. Aan Hoogstraat 1 is een maatschappelijke functie gelegen (diverse functies zijnde maximaal categorie 2 o.b.v. de VNG-brochure bedrijven en milieuzonering). Hieronder wordt meer specifiek op de bedrijvigheid en de in acht te nemen richtafstanden ervan (bestemmingsvlak) ten opzichte van de het bouwvlak voor de nieuwe woning ingegaan. • Hoogoordstraat 8 (melk- en kalfkoeien, vrouwelijk jongvee, fokstieren en overig rundvee), SBI-code 0141, 0142 fokken en houden van rundvee: 100m geur, 30m stof, 30m geluid, 0m gevaar. • Hoogoordstraat 10 (vleeskalveren en paarden), SBI-code 0141, 0142 fokken en houden van rundvee: geuremissiefactor voor geur (zie verderop in deze toelichting), 30m stof, 30m geluid, 0m gevaar. SBIcode 0143 paardenfokkerijen: 50m geur, 30m stof, 30m geluid, 0m gevaar. • Hoogoordstraat 3 (melk- en kalfkoeien, vrouwelijk jongvee), SBI-code 0141, 0142 fokken en houden van rundvee: 100m geur, 30m stof, 30m geluid, 0m gevaar. • Ossestraat 3 (zoogkoeien, vrouwelijk jongvee, vleesvarkens, paarden), SBI-code 0141, 0142 fokken en houden van rundvee: 100m geur, 30m stof, 30m geluid, 0m gevaar. SBI-code 0143 paardenfokkerijen: 50m geur, 30m stof, 30m geluid, 0m gevaar.

SBI-code 0146 varkenshouderij: geuremissiefactor voor geur (zie verderop in deze toelichting), 30m stof, 50m geluid, 0m gevaar. • Ossestraat 5 (biggenopfok en vleesvarkens), SBI-code 0146 varkenshouderij: geuremissiefactor voor geur (zie verderop in deze toelichting), 30m stof, 50m geluid, 0m gevaar.

Polderstraat 12 Macharen – 2022, pag. 36 van 58 ontwerp 27 augustus 2021

•

• •

Sluisweg 2 (melk- en kalfkoeien, vrouwelijk jongvee, vleesstieren en overig vleesvee, paarden), SBIcode 0141, 0142 fokken en houden van rundvee: geuremissiefactor voor geur (zie verderop in deze toelichting) 30m stof, 30m geluid, 0m gevaar. SBI-code 0143 paardenfokkerijen: 50m geur, 30m stof, 30m geluid, 0m gevaar. Polderstraat 8: bedrijven tot en met categorie 2 (incl. detailhandel) kennen een grootste richtafstand van 30 meter. Hoogstraat 1: voor de toegelaten maatschappelijke functie geldt maximaal categorie 2, deze categorie kent een grootste richtafstand van 30 meter.

Hieronder wordt ingegaan op de feitelijke afstanden tussen de bestemmingsvlakken van de bedrijvigheid en het bouwvlak van de nieuwe woning en wordt geconstateerd of aan de richtafstanden wordt voldaan. • Hoogoordstraat 8: circa 250 meter • Hoogoordstraat 10: circa 330 meter • Hoogoordstraat 3: circa 240 meter • Ossestraat 3: circa 490 meter • Ossestraat 5: circa 610 meter • Sluisweg 2: circa 520 meter • Polderstraat 8: circa 60 meter • Hoogstraat 1: circa 105 meter Aan alle richtafstanden wordt voldaan. Dit betekent dat ten gevolge van het aspect bedrijven en milieuzonering sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat bedrijven door het initiatief niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. Voor het aspect geur waarvoor een geuremissiefactor geldt wordt verwezen naar verderop in deze toelichting, waar een paragraaf is opgenomen over geurhinder afkomstig van veehouderijen. De conclusie hiervan is dat voor het initiatief geen sprake is van belemmeringen ten aanzien daarvan. De agrarische bedrijven worden door het initiatief ook niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het initiatief. 4.6.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies.

In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Door Van Oort Bodemonderzoek is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 1) en kent de navolgende samenvatting en advies. “Op de locatie aan de Polderstraat 12 te Macharen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in verband met een bestemmingswijziging en nieuwbouw van een woonhuis. Kadastraal staat de locatie bekend als gemeente Megen, sectie H, nummer 937. De oppervlakte van de locatie bedraagt circa 830 m2. Het doel van het onderzoek is het vastleggen van de kwaliteit van grond en grondwater en te beoordelen of er bezwaren zijn tegen een woonbestemming en het verlenen van een omgevingsvergunning.

Polderstraat 12 Macharen – 2022, pag. 37 van 58 ontwerp 27 augustus 2021

Bij de uitvoering van het onderzoek is gebruik gemaakt van de NEN 5725 en NEN 5740. De strategie van het onderzoek is afgestemd op het vooronderzoek (historie). Gebruik is gemaakt van de onderzoeksopzet voor een onverdachte niet lijnvormige locatie (ONV-NL). Het veldwerk is uitgevoerd op basis van de BRL SIKB 2000. De analyses (AS3000) zijn uitgevoerd door Synlab Analytics & Services BV uit Rotterdam. Zintuiglijk zijn tijdens de veldwerkzaamheden in de bodem geen verontreinigingen waargenomen. Met laboratoriumonderzoek is aangetoond dat de bovengrond licht verontreinigd is met cadmium en zink (>Aw) en de ondergrond licht verontreinigd met nikkel en zink (>Aw). Het grondwater is licht verontreinigd met barium en tetrachlooretheen (>Sw). Op basis van het totaal aan onderzoeksresultaten behoeft de bodemkwaliteit naar onze mening geen belemmering te vormen voor een woonbestemming en nieuwbouw. Er is geen aanleiding tot een vervolgonderzoek. Geadviseerd wordt de resultaten van het bodemonderzoek voor te leggen aan de gemeente Oss. Als onderzoeksbureau hebben we een adviserende taak. Het bevoegd gezag bepaald of het onderzoek volstaat en/of aanvullend onderzoek noodzakelijk is.” Het bevoegd gezag heeft het onderzoek beoordeeld en akkoord bevonden. Bodem vormt geen belemmering voor het initiatief.

4.6.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven.

In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR

Polderstraat 12 Macharen – 2022, pag. 38 van 58 ontwerp 27 augustus 2021

10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Op basis van het Bevi (artikel 1) omvat het initiatief één kwetsbaar object. Voor wat betreft het toe te laten kwetsbare object het volgende. Het nieuwe kwetsbare object is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour (PR10-6/jaar).

Het nieuwe object is wel gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, in dit geval een transportroute (Dorpenweg).

Invloedsgebied Dorpenweg Over deze weg vindt in beperkte mate vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Dit betekent dat in relatie tot het wegvervoer conform artikel 7 van het Bevt voor dit plan het groepsrisico moet worden verantwoord. In de beleidsvisie externe veiligheid Oss is hiervoor een verantwoordingskader opgesteld (zwaarte 2). De verantwoording van het groepsrisico conform het verantwoordingskader (zwaarte 2) volgt hieronder. 1. er hoeft geen noodzaak te worden aangetoond om de voorziening op deze plek te realiseren; 2. de zelfredzaamheid is goed

Polderstraat 12 Macharen – 2022, pag. 39 van 58 ontwerp 27 augustus 2021

De mate van zelfredzaamheid is redelijk. De ontwikkeling voorziet in het oprichten van één grondgebonden woning en richt zich niet specifiek op mensen die niet of verminderd zelfredzaam zijn. Aangenomen mag worden dat deze mensen in staat zijn om op een dreiging te reageren. Het plangebied is formeel alleen toegankelijk via de Polderstraat/ Dorpenweg. Dit betekent echter niet dat bij een incident alleen in de richting van het incident gevlucht kan worden. Te voet is het fysiek ook mogelijk om richting de Dorpstraat te vluchten. Door de beperkte afstand tussen de woningen en de weg zal een incident snel waargenomen worden, waardoor tijdig gevlucht kan worden. 3. bestrijdbaarheid: In het algemeen geldt op onderhavige locatie dat externe veiligheidsincidenten per definitie moeilijk bestrijdbaar zijn, aanvullend daarop geldt per bestrijdbaarheidsonderwerp het volgende. a. er is een goede verkeerskundige ontsluiting voor hulpdiensten; Hiervan is beperkt sprake. De ontsluiting van het plangebied betreft de weg waarover de gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Als op die weg een incident voorvalt, kunnen de hulpdiensten het plangebied niet gemakkelijk bereiken. In dat geval zal het plangebied via de Dorpstraat te voet benaderd moeten worden. b.

er wordt voldaan aan de Handleiding bluswatervoorziening of een gelijkwaardig voorstel van de brandweer; De capaciteit van de ter plaatse aanwezige brandkraan is voldoende om een incident met gevaarlijke stoffen effectief te kunnen bestrijden. c. er is voldoende opvang, afvoersloten; Aan de voorzijde van het plangebied ligt een sloot en openbaar groen. Er is ook veel privaatgroen aanwezig. Water afkomstig van een eventueel noodzakelijke vuurbestrijding zal de bodem instromen en, afhankelijk van de hoeveelheid, zijn weg vinden richting de sloot (overstort). De berging van calamiteitenwater is derhalve geen probleem. d. er zijn minimaal twee vluchtroutes van de bron af; Dit is afhankelijk van de locatie waar het incident plaatsvindt. Recht voor de inrit, dan wordt het vluchten per vervoermiddel lastig. Ten oosten of westen van het plangebied op de dorpenweg dan is vluchten per vervoermiddel geen probleem. Er kan altijd te voet gevlucht worden via de achtertuinen richting de Dorpstraat. Al deze vluchtroutes leiden van de bron weg. e. kwetsbare objecten moeten aan risicoluwe zijde worden gerealiseerd. Geen van de objecten die gerealiseerd worden zijn kwetsbaarder dan andere. 4. maatregelen: a. maatregelen moeten in beschouwing worden genomen; Maatregelen zijn niet aan de orde. b. Privaatrechtelijk afdwingen is niet nodig. c.

Aandacht voor organisatorische en communicatiemaatregelen. Advies Veiligheidsregio Op 3 juni 2021 heeft de Veiligheidsregio advies uitgebracht (bijlage 8 bij deze toelichting) over het externe veiligheidsaspect van onderhavige ontwikkeling. De veiligheidsregio heeft een eerdere versie van dit bestemmingsplan beoordeeld. De beoordeling is als volgt. “U hebt de Veiligheidsregio Brabant Noord in de gelegenheid gesteld om te reageren op de ruimtelijke onderbouwing 'Polderstraat 12, Macharen'. Omdat de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in het invloedsgebied van de lokale transportroute 'Dorpenweg' voor gevaarlijke stoffen dient conform art 7 BEVT het groepsrisico te worden verantwoord. In paragraaf 4.6.3 wordt ingegaan op het aspect externe veiligheid. De beoordeling van de bestrijdbaarheid wordt door de veiligheidsregio onderschreven met de aanvulling dat externe veiligheidsincidenten per definitie moeilijk bestrijdbaar zijn. Daarnaast wordt ingegaan op de zelfredzaamheid van personen. Ook deze beoordeling wordt door de veiligheidsregio onderschreven.

Polderstraat 12 Macharen – 2022, pag. 40 van 58 ontwerp 27 augustus 2021

Aanvullend op de externe veiligheidsparagraaf adviseert de veiligheidsregio het volgende: informeer de initiatiefnemers c.q. de toekomstige bewoner actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van- en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid.” In paragraaf 4.6.3 is toegevoegd dat externe veiligheidsincidenten moeilijk bestrijdbaar zijn. Verder is de initiatiefnemer op de hoogte van het veiligheidsrisico ter plaatse en informeert hij de toekomstig bewoner hierover conform het advies van de Veiligheidsregio actief. Externe veiligheid vormt – met inachtneming van het advies van de Veiligheidsregio - geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.6.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour.

De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken; - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oss 2017 wordt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object binnen de gemeente Oss vastgelegd. Conform Artikel 3 Waarden voor de geurbelasting van de verordening zijn de volgende waarden vastgelegd: Lid 1. Op grond van artikel 6, lid 1 van de wet en in afwijking van artikel 3, lid 1 van de wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2, lid 1 van deze verordening: A. Stad Oss

1,0 Ou

B. Woonkern met geen/enige intensieve veehouderij

2,0 Ou

C. Plangebied (bij kern A en B)

3,0 Ou

D. Woonkern met intensieve veehouderij

6,0 Ou

E. Zoekgebied + plangebied Maren-Kessel West en Liesdaal

6,0 Ou

F. Recreatiegebieden

8,0 Ou

G. Extensiveringsgebieden

8,0 Ou

H. Bedrijventerreinen

8,0 Ou

Polderstraat 12 Macharen – 2022, pag. 41 van 58 ontwerp 27 augustus 2021

I. Bedrijventerrein Vorstengrafdonk

12,0 Ou

J. Verwevingsgebied

14,0 Ou

K. Landbouwontwikkelingsgebied

14,0 Ou

Het initiatief omvat één nieuw geurgevoelig object in de zin van de wet. Rondom het initiatief zijn meerdere veehouderijen gelegen. Met die reden moet in verband met het aspect geurhinder afkomstig van veehouderijen aangetoond worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (vooren achtergrondbelasting) en dat de agrarische bedrijven in de omgeving van het initiatief niet door het nieuwe geurgevoelige object in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. Door De Roever Omgevingsadvies is in verband met het initiatief een onderzoek uitgevoerd naar het aspect geurhinder afkomstig van veehouderijen. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 2). Hieronder is de conclusie van het onderzoek opgenomen. “In dit onderzoek is de geur van veehouderijen ten aanzien van het plan aan Polderstraat 12 in Macharen onderzocht. In deze conclusie wordt antwoord gegeven op de navolgende onderzoeksvragen. Is ter plaatse van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd? Worden omliggende bedrijven (onevenredig) in hun belangen geschaad? Het onderzoek heeft zich beperkt tot geur afkomstig van veehouderijbedrijven. Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Hierbij is rekening gehouden met de afstandseisen, de voorgrondbelasting en de achtergrondbelasting.

Bestaande woningen zijn maatgevend voor de mogelijkheden van de betrokken veehouderijen. Bestaande woningen (in dezelfde windrichting) liggen op kortere afstand van de veehouderij dan de te realiseren woningen. De belangen van de veehouderijen worden door deze ontwikkeling niet geschaad.” Geurhinder: agrarisch vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. 4.6.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid.

Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing.

Polderstraat 12 Macharen – 2022, pag. 42 van 58 ontwerp 27 augustus 2021

Het initiatief (één nieuwe woning ten westen van Polderstraat 12) is gelegen in de buurt van acht bedrijven. Zes hiervan zijn veehouderijen. De geurhinder afkomstig van deze bedrijven is reeds beschouwd in voorgaande paragraaf 4.2.4 Geurhinder: agrarisch. Daarop wordt hier niet meer ingegaan. Aan Polderstraat 8 is verder nog een bedrijf toegelaten in maximaal milieucategorie 2 incl. detailhandel en aan Hoogstraat 1 is nog een maatschappelijke functie toegelaten. Ook hier gaat het om bedrijvigheid van maximaal milieucategorie 2. Het bestemmingsvlak van het bedrijf aan Polderstraat 12 is gelegen op 60 meter van het bouwvlak dat voor de nieuwe woning in het plangebied wordt opgenomen. Voor een categorie 2 bedrijf geldt een maximale richtafstand voor geurhinder van 30 meter. Deze afstand wordt behaald. Hoogstraat 1 is gelegen op 105 meter. Hiervoor geldt i.v.m. geurhinder dezelfde maximale richtafstand (30m). Deze afstand wordt behaald. Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en nabijgelegen bedrijven worden door het initiatief in hun bedrijfsvoering niet belemmerd. Industriële geurhinder vormt geen belemmering voor het initiatief. 4.6.7 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen.

Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.

Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten.

Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit.

Polderstraat 12 Macharen – 2022, pag. 43 van 58 ontwerp 27 augustus 2021

Grenswaarden luchtkwaliteit Voor de meest voorkomende stoffen zijn de luchtkwaliteitsnormen als volgt.

Plan Met dit plan wordt één nieuwe woning toegevoegd. Bijdrage plan aan luchtkwaliteit Om te berekenen of een plan effect heeft op de luchtkwaliteit is er een rekentool ontwikkeld die via www.infomil.nl beschikbaar is en gebruikt kan worden. Voor onderhavig plan is het relevant om te weten of de extra verkeersbewegingen die het met zich meebrengt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Het initiatief genereert 8 verkeerbewegingen per dag. Dit aantal is ingevoerd in de hiervoor genoemde rekentool. De conclusie die volgt uit de rekentool is dat het effect van deze extra verkeersbewegingen niet in betekenende mate is (NIBM). Zie de uitsnede van de ingevulde tool hieronder waaruit dit blijkt.

Polderstraat 12 Macharen – 2022, pag. 44 van 58 ontwerp 27 augustus 2021

Toetsing in verband met aanvaardbaar woon- en leefklimaat Naast het effect van het initiatief op de luchtkwaliteit is het ook van belang dat de toestand van de luchtkwaliteit in de bestaande (verspelde) situatie geschikt is voor de nieuwe functie. Er moet een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kunnen worden gegarandeerd. Gekeken naar de voorspellingen voor PM10 met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) blijkt dat (ruim) voldaan wordt aan de gestelde grenswaarde. Een uitsnede van de kaart ter hoogte van het plangebied is hieronder opgenomen.

Polderstraat 12 Macharen – 2022, pag. 45 van 58 ontwerp 27 augustus 2021

Volgens deze kaart is de achtergrondconcentratie fijnstof gelegen onder de 20 µg/m3. Dit is ver onder de wettelijke norm van 40,0 µg/m3. Ook de norm van 31,2 µg/m3, zoals vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant wordt niet overschreden in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is dan ook sprake van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het initiatief. 4.6.8 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla.

Het plangebied is niet gelegen nabij een hoogspanningslijn, wat betekent dat ter hoogte van het plangebied geen sprake is van een magnetische veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla ten gevolge van hoogspanningslijnen.

Polderstraat 12 Macharen – 2022, pag. 46 van 58 ontwerp 27 augustus 2021

Straling vormt geen belemmering voor het initiatief. 4.6.9 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan.

De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone.

Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Het initiatief bevat op basis van de Wet geluidhinder één nieuw geluidgevoelig object. Wegverkeerslawaai Het geluidgevoelige object is gelegen in de wettelijke geluidzone (akoestisch aandachtsgebied) van de Dorpenweg en ondervindt mogelijk ook een relevante geluidbelasting van de Polderstraat en de Dorpstraat. Dit zijn 30 km/uur wegen zonder zone waarvan, indien relevant de geluidbelasting in het kader van de boordeling van het woon- en leefklimaat wordt betrokken. Door Nipa Milieutechniek is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting afkomstig van het wegverkeer op het nieuwe geluidsgevoelige object. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 4). De conclusie van het onderzoek is hieronder weergegeven. “De locatie ligt in de wettelijke geluidzone (akoestisch aandachtsgebied) van de Dorpenweg. De geluidbelasting ter plaatse van de maatgevende gevels van de nieuwe woonbestemming vanwege het verkeer op de Dorpenweg inclusief de correctie ex art. 110g van de Wet geluidhinder, bedraagt ten hoogste 49 dB. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. Een aanvraag om een ‘hogere

Polderstraat 12 Macharen – 2022, pag. 47 van 58 ontwerp 27 augustus 2021

waarde’ is noodzakelijk. De motivatie voor het verzoek om een hogere waarde is beschreven in hoofdstuk 4.6 van het onderzoek. De geluidbelasting (exclusief correctie ex. art. 110g) is ten hoogste 54 dB. Bij nieuwe woonfuncties is het aannemelijk dat, vanwege de eisen voor energieprestatie, de geluidwering van gevels zonder verdere akoestische voorzieningen voldoet aan tenminste de benodigde (5433=) 21 dB. Het woon- en leefklimaat is in de geluidgevoelige ruimten van de nieuwe woning daarom zonder nader onderzoek gewaarborgd. De achtergevel van de woningen zijn met een geluidbelasting van minder dan 50 dB(A) geluidluw.” Wegverkeerslawaai vormt met de verlening van een hogere grenswaarde geen belemmering voor het initiatief. Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Industrielawaai In paragraaf 4.2.1 Bedrijven en milieuzonering is geluid afkomstig van bedrijvigheid rondom het plangebied beschouwd. Hieruit blijkt dat de richtafstanden die voor dit aspect zijn benoemd in de VNGbrochure bedrijven en milieuzonering ruimschoots worden behaald. Dit betekent dat wat dit onderdeel betreft sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en bedrijvigheid door het initiatief niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. Industrielawaai vormt geen belemmering voor het initiatief. Railverkeerslawaai Nabij de ontwikkeling is geen sprake van lawaai ten gevolge van railverkeer.

De ontwikkeling is niet gelegen in de geluidszone van een spoorweg. Dit aspect kan hier buiten beschouwing blijven. Geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. 4.6.10 Gezondheid Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden. Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen.

Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert. In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het

Polderstraat 12 Macharen – 2022, pag. 48 van 58 ontwerp 27 augustus 2021

moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen). Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij. Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het infomeren van de aanvragers over het risico b. terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen c. na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan.

‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Veehouderijen Geitenhouderijen Het plangebied is niet gelegen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij. Op de afbeelding hieronder is dit zichtbaar.

Polderstraat 12 Macharen – 2022, pag. 49 van 58 ontwerp 27 augustus 2021

Pluimvee- en varkenshouderijen Binnen 1 kilometer van het plangebied zijn geen pluimveehouderijen gelegen. Binnen 250 meter van het plangebied zijn geen varkenshouderijen gelegen. Advisering GGD De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Door alle zeven stappen te doorlopen en beantwoorden kan worden nagegaan of er knelpunten aan de orde zijn en het zinvol is de GGD om advies te vragen. Hieronder is aan het stappenplan getoetst. Stap 1 De ontwikkeling voldoet aan de endotoxine ‘richtafstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming. GGD-advies kan zinvol zijn, ga verder naar stap 2. Stap 2 De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/ of fijnstof en/ of ammoniak. GGDadvies is niet aan de orde, ga verder naar stap 3a. Stap 3a Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. het wettelijk kader voor geur. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 3b. Stap 3b Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. de gezondheidskundige advieswaarde. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 4. Stap 4a+b Er zijn geen veehouderijen in de buurt waar meer dan één diersoort wordt gehouden.

Er zijn geen varkens- en/ of pluimveebedrijven in de buurt waarvan de afstand tussen de inrichtingsgrenzen minder dan 100 meter bedraagt. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 5.

Polderstraat 12 Macharen – 2022, pag. 50 van 58 ontwerp 27 augustus 2021

Stap 5a Binnen een afstand van 2 km van nieuwe woon- en verblijfsruimten is geen geitenhouderij gelegen. Binnen een afstand van 1 km van nieuwe woon- en verblijfsruimten is geen pluimveebedrijf gelegen. Dit leidt niet tot GGD-advies. Binnen een afstand van 250m van nieuwe woon- en verblijfsruimten zijn geen varkenshouderijen gelegen. Dit leidt niet tot GGD-advies. Check of stap 6 nog tot een GGD-advies leidt. Stap 6 Er is geen sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. Dit leidt niet tot GGD-advies. Check of stap 7 nog tot een GGD-advies leidt. Stap 7 Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Dit leidt niet tot GGD-advies. Op basis van het stappenplan is er voor het initiatief geen aanleiding voor het opvragen van een GGDadvies. Gezondheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. 4.6.11 Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden beoordeeld of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een richtafstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies zoals woningen kan worden gehanteerd.

Kleinere afstanden zijn mogelijk mits er een locatie specifiek onderzoek wordt uitgevoerd. Op de gronden rondom het plangebied is geen sprake van (vollegronds)teelt. Spuitzones zijn daarmee niet aan de orde. Geen sprake is van de belemmering hierdoor van een goed woon- en leefklimaat in het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=06e4713a-5d22-45a2-8a5f-42c64b7c9640