CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Rapport quickscan Wet natuurbescherming (20608_003) Gewandeweg te Oss_def

Gemeenteraad 23 mei 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Ontwerpverklaring van geen bedenkingen Flexwoningen Gewandeweg11.532 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAPPORTAGE Quickscan Wet natuurbescherming Gewandeweg te Oss

Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Gewandeweg te Oss Opdrachtgever

Rho Adviseurs voor leefruimte Torenallee 20 5617 BC Eindhoven

Rapportnummer

20608.003

Versienummer

D2

Status

Eindrapportage

Datum

21 februari 2023

Opsteller

De heer M.G. van Essen-Kok, BSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole Paraaf

De heer ir. B.H.H. Verdijck

Daarom Econsultancy KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen .................................. 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 5

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ............................................................................ 6 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .............................................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8

6

Vogels ............................................................................................................................................. 9 Vleermuizen ................................................................................................................................. 10 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 12 Reptielen ...................................................................................................................................... 14 Amfibieën ..................................................................................................................................... 15 Vissen ........................................................................................................................................... 16 Ongewervelden ............................................................................................................................ 16 Planten ......................................................................................................................................... 17

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ................................................................................................ 18 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6

7

Zorgplicht ....................................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ...................................................................................................................... 6 Gebiedsbescherming ...................................................................................................................... 7 Houtopstanden .............................................................................................................................. 8

Broedvogels .................................................................................................................................. 18 Vleermuizen ................................................................................................................................. 19 Steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel .................................................................................. 19 Amfibieën ..................................................................................................................................... 20 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................................. 21 Overige soort(groep)en ................................................................................................................ 21

TOETSING AAN GEBIEDSBESCHERMING .................................................................................................. 22 7.1 7.2

Natura 2000 ................................................................................................................................. 22 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................... 23

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................................... 24

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................................................ 25

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst

20608.003

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Rho Adviseurs voor leefruimte opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Gewandeweg te Oss. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen ontwikkeling van de onderzoekslocatie en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000 gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

20608.003 versie D2

1 / 27

2

GEBIEDSBESCHRIJVING

2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie (± 3 ha) ligt aan de Gewandeweg te Oss. In figuur 2.1 is de ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 162.164, Y = 420.535.

Figuur 2.1 Topografische ligging van de onderzoekslocatie (rood omlijnd bij gele pijl).

De onderzoekslocatie betreft een agrarisch perceel volledig bestaande uit grasland. Ten westen bevinden zich soortgelijke agrarische percelen. Langs de noordwestelijke hoek van de onderzoekslocatie bevindt zich een Bwatergang (sloten met een lokale functie voor water aan- en afvoer) en langs de noordoostelijke hoek van de onderzoekslocatie bevindt zich een A-watergang (vaarten en weteringen met een belangrijke functie voor water aan- of afvoer). Tevens is ten oosten achter deze watergang een woonwijk aanwezig. Ten zuidoosten bevindt zich het woonperceel van de Gewandeweg 47 en ten zuiden de Gewandeweg. In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.3 t/m figuur 2.8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

20608.003 versie D2

2 / 27

Figuur 2.2 Luchtfoto onderzoekslocatie (wit omkaderd) en directe omgeving.

Figuur 2.3 Zuiden van de onderzoekslocatie (foto richting westen).

Figuur 2.4 onderzoekslocatie gezien vanaf Gewandeweg richting noorden.

Figuur 2.5 Zuiden van de onderzoekslocatie (foto richting oosten).

Figuur 2.6 Noordwestelijke hoek van de onderzoekslocatie met direct daarnaast de B-watergang.

Figuur 2.7 A-watergang noordelijk van onderzoekslocatie (foto richting oosten).

Figuur 2.8 Oosten van de onderzoekslocatie (foto richting zuiden).

20608.003 versie D2

3 / 27

2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse van de onderzoekslocatie tijdelijke flexwoningen (maximaal voor een periode van 15 jaar) te realiseren om de acute druk op de huidige woningmarkt te verlichten. De flexwoningen zijn bedoeld voor 1- en 2-persoons huishoudens die hier tijdelijk kunnen wonen. Er is op dit moment nog geen voorlopig ontwerp beschikbaar met betrekking tot voorgenoemde voornemens. Rho Adviseurs voor leefruimte wil bij het maken van een dergelijk ontwerp rekening houden met de bevindingen van de onderhavige quickscan, zodat indien mogelijk op voorhand rekening gehouden kan worden met onder de Wet natuurbescherming beschermde plantensoorten, diersoorten, houtopstanden en/of gebieden.

20608.003 versie D2

4 / 27

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 4 januari 2023. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

20608.003 versie D2

5 / 27

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

4.1 Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht.

4.2 Soortenbescherming Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);

20608.003 versie D2

6 / 27

• •

soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

4.3 Gebiedsbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen.

Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:

20608.003 versie D2

7 / 27

• • • • •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

4.4 Houtopstanden De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

20608.003 versie D2

8 / 27

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.

5.1 Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarische buitengebied waar de onderzoekslocatie is gelegen kunnen dit zijn: boomvalk, buizerd, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, sperwer en steenuil. Vanwege de afwezigheid van bebouwing is de aanwezigheid van de huismus op de onderzoekslocatie op voorhand uit te sluiten. Boomvalk, buizerd, havik, sperwer, ransuil en roek Boomvalk, buizerd, havik, sperwer, ransuil en roek zijn allen voor hun nesten afhankelijk van (hoge) boomopstanden. De onderzoekslocatie is door de afwezigheid van bomen ongeschikt als nestlocatie voor de desbetreffende soorten. In de directe omgeving van de onderzoekslocatie staan wel enkele bomen welke in potentie geschikt zijn als nestlocatie. Tijdens het veldbezoek konden deze bomen echter goed onderzocht worden op aanwezigheid van nesten en zijn er geen (grote) nesten aangetroffen. Negatieve effecten ten aanzien van de boomvalk, buizerd, havik, sperwer, ransuil en roek, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen dan ook worden uitgesloten.

Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart broedt en foerageert voornamelijk aan oevers van (snelstromende) beken en rivieren, maar ook wel aan stilstaand water, bij voorkeur omzoomd met loofbomen. De soort broedt in een nis in een muur of onder een brug, bij boomwortels in oevers of in speciale nestkasten. Op de onderzoekslocatie zijn geen elementen aanwezig die geschikt zijn als potentiële nestlocatie voor de grote gele kwikstaart. Dit geldt eveneens voor de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Negatieve effecten ten aanzien van de grote gele kwikstaart, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen worden uitgesloten. Ooievaar Ooievaars bouwen grote nesten in bomen en op daken, kerktorens en speciaal gemaakte platforms op palen. Ze komen voornamelijk voor in open natte gebieden, graslanden en agrarische gebieden. Op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn geen (potentiële) ooievaarsnestlocaties aangetroffen. Negatieve effec-

20608.003 versie D2

9 / 27

ten ten aanzien van de grote gele kwikstaart, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen worden uitgesloten. Kerkuil en steenuil De kerkuil broedt in schuren, kerktorens en veelal in speciale nestkasten. Heel incidenteel kan de kerkuil in boomholtes broeden. De steenuil broedt in natuurlijke holtes van bomen (knotwilgen of hoogstam fruitbomen) of in rustige hoekjes of nissen van gebouwen, in schuren en nestkasten. Op de onderzoekslocatie zijn geen elementen aanwezig die geschikt zijn als nestlocatie voor deze uilen. Echter zijn in de directe omgeving (op het perceel van de Gewandeweg 47) twee schuren aanwezig welke mogelijk geschikt zijn als broedplaats en/of roestplaats voor beide soorten (zie figuur 5.1, 5.2 en 5.3). Verder kan de onderzoekslocatie, indien de steenuil aanwezig is op het naastliggende perceel, potentieel als essentieel foerageergebied dienen voor de steenuil. Negatieve effecten ten aanzien van de kerkuil en steenuil als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen daarom niet op voorhand worden uitgesloten (zie hoofdstuk 6).

Figuur 5.1 Geschikte nestlocaties in schuren voor kerk- en steenuil.

Figuur 5.2 Geschikte nestlocatie voor kerk- en steenuil in westelijke schuur.

Figuur 5.3 Geschikte nestlocatie voor kerk- en steenuil in oostelijke schuur.

Overige broedvogels Door het ontbreken van bebouwing en beplanting is de onderzoekslocatie ongeschikt als nestlocatie voor boom- en gebouwbewonende broedvogels. Wel is het mogelijk dat een grond nestelende broedvogelsoort zoals bijvoorbeeld de veldleeuwerik de onderzoekslocatie kan gebruiken als nestlocatie. De nesten van desbetreffende soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6).

5.2 Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, meervleermuis, franjestaart en baardvleermuis.

20608.003 versie D2

10 / 27

Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd en er zijn geen bomen aanwezig, waardoor uitgesloten kan worden dat er verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Negatieve effecten ten aanzien van verblijfplaatsen van vleermuizen binnen de onderzoekslocatie, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen worden uitgesloten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Daarnaast zijn de aanwezige bomen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, welke kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen eveneens uitgesloten. Negatieve effecten ten aanzien van vleermuizen, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen worden uitgesloten. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen.

Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft weilanden, akkers, tuinen, watergangen en bomenrijen. Negatieve effecten ten aanzien van foerageerhabitat van vleermuizen, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen worden uitgesloten. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Op de onderzoekslocatie zijn dergelijke elementen en daarmee vliegroutes niet aanwezig. Direct naast de onderzoekslocatie zijn dit soort elementen (zie figuur 5.4 t/m 5.7) echter wel aanwezig en kunnen vliegroutes van vleermuizen aanwezig zijn. Tijdens de bouwfase en in de eindsituatie kan sprake zijn van toename van verlichting ten opzichte van de huidige situatie. Verlichting kan voor vleermuizen een barrière vormen en ertoe leiden dat een vliegroute minder of helemaal niet meer gebruikt kan worden. Negatieve effecten ten aanzien van vliegroutes van vleermuizen, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen niet worden uitgesloten zonder het uitvoeren van aanvullend onderzoek en/of het nemen van maatregelen (zie hoofdstuk 6).

20608.003 versie D2

11 / 27

Figuur 5.4 Bomenrij ten zuiden van de onderzoekslocatie.

Figuur 5.5 A-watergang ten noorden van de onderzoekslocatie.

Figuur 5.6 Struiken/bomen ten (zuid)oosten van de onderzoekslocatie.

Figuur 5.7 Potentiële vliegroutes van vleermuizen (gele lijnen) direct naast de onderzoekslocatie (wit omkaderd).

5.3 Overige zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en licht beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, boommarter, bunzing, damhert, das, eekhoorn, hermelijn, steenmarter, wezel en wolf.

20608.003 versie D2

12 / 27

Steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel Steenmarters (in niet stedelijke omgevingen) en kleine marterachtigen maken als rust- of voortplantingsplaats vaak gebruik van stenenstapels, hout- en takkenhopen, ruimtes onder boomwortels en oude holen (van bijvoorbeeld konijnen en muizen). Kleine marterachtigen zijn verder ook sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen en struweel, omdat deze dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van voorgenoemde elementen en schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats voor zowel steenmarters als kleine marterachtigen. Direct naast de onderzoekslocatie zijn dit soort elementen (zie figuur 5.8 t/m 5.11) echter wel aanwezig en kunnen migratieroutes en/of verblijfplaatsen aanwezig zijn. Negatieve effecten ten aanzien van de steenmarter, bunzing, wezel en hermelijn, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen niet worden uitgesloten zonder het uitvoeren van aanvullend onderzoek en/of het nemen van maatregelen (zie hoofdstuk 6).

Figuur 5.8 hol westelijk van de onderzoekslocatie.

Figuur 5.9 Struiken oostelijk van de onderzoekslocatie.

Figuur 5.10 Braamstruweel westelijk van de onderzoekslocatie.

Figuur 5.11 Potentiële migratieroutes en/of verblijfplaatsen van steenmarter en/of kleine marterachtigen (roze lijnen) direct naast de onderzoekslocatie (wit omkaderd).

20608.003 versie D2

13 / 27

Eekhoorn De onderzoekslocatie en directe omgeving vormen geen geschikt habitat voor de eekhoorn vanwege de afwezigheid van voor de eekhoorn geschikte groene verbindingen zoals hoge bomen met dicht bladerdek. Tevens konden de bomen direct naast de onderzoekslocatie door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn kan worden uitgesloten. Negatieve effecten ten aanzien van de eekhoorn, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen worden uitgesloten. Das De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en/of schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Negatieve effecten ten aanzien van de eekhoorn, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen worden uitgesloten. Overige grondgebonden zoogdieren Het voorkomen van (sporen van) overige grondgebonden zoogdieren zoals bever, boommarter, damhert en wolf waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld.

Vanwege het ontbreken van geschikt habitat op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. Negatieve effecten ten aanzien van deze soorten, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen worden uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, haas en algemene muissoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat hazenlegers en muizenholen worden vergraven (zie hoofdstuk 6).

5.4 Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 10 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptielen waargenomen: hazelworm, levendbarende hagedis, muurhagedis en ringslang. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Waarnemingen van de hazelworm, levendbarende hagedis, muurhagedis en ringslang hebben betrekking op de nabijgelegen natuurgebieden ten zuidoosten van Oss. Negatieve effecten ten aanzien van reptielen, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen worden uitgesloten.

20608.003 versie D2

14 / 27

5.5 Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 10 jaar de volgende soorten waargenomen: alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, knoflookpad, poelkikker en rugstreeppad. Streng beschermde soorten Heikikker De heikikker maakt gebruik van ondiepe stilstaande wateren van oeverzones en is op het land te vinden in gebieden met heide, hoogveen, laagveen, halfnatuurlijk grasland, bos en/of struweel. De heikikker is duidelijk een cultuurvliedende soort die nauwelijks wordt aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing (Creemers, R., Van Delft, J. & RAVON, 2009). Op basis van het voorgaande is het uit te sluiten dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van het leefgebied van deze soort. Negatieve effecten ten aanzien van de heikikker, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen worden uitgesloten. Knoflookpad De knoflookpad maakt gebruik van (grote) diepe poelen met veel oever- en watervegetatie en is op het land te vinden in agrarisch gebied, ruderaal terrein (zoals volkstuinen), rivierduintjes en halfnatuurlijke graslanden. De soort wordt ook relatief vaak gemeld op en rond infrastructuur (dijken, wegen en spoorlijnen) en uit de randen van heideterreinen, bos en struweel.

Een absolute voorwaarde voor deze (grotendeels ondergronds levende) soort is de aanwezigheid van open zandplekken omringd door vegetatie. Het zand moet daarbij een zodanige structuur hebben, dat het goed vergraafbaar is. Op basis van het voorgaande is het uit te sluiten dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van het leefgebied van deze soort. Negatieve effecten ten aanzien van de knoflookpad, als gevolg van de voorgenomen plannen, kunnen worden uitgesloten. Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker De alpenwatersalamander en kamsalamander maken gebruik van allerlei typen water, zolang het niet snel stromend, niet rijk aan vis en (in het geval van de kamsalamander) niet sterk beschaduwd is. De poelkikker is een zon- en warmteminnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren met een goed begroeide oever. Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten. De watergang ten noorden en oosten van de onderzoekslocatie is mogelijk geschikt voor desbetreffende soorten, maar deze maakt geen onderdeel uit van de voorgenomen plannen en blijft in de huidige staat behouden.

De alpenwatersalamander en kamsalamander hebben een voorkeur voor beboste gebieden en zijn ook te vinden in kleinschalige landschappen met heggen en struwelen (vaak in de directe omgeving van het voortplantingswater). Poelkikkers hebben een voorkeur voor heide- en hoogveenterreinen en zijn ook te vinden in halfnatuurlijke graslanden, agrarisch gebied en laagveen. Kamsalamanders komen zelden in akkerbouwgebieden voor (Creemers, R., Van Delft, J. & RAVON, 2009) en voor de alpenwatersalamander geldt dat akkers en intensief benut grasland worden gemeden (Creemers, R., Van Delft, J. & RAVON, 2009). Het kan incidenteel voorkomen dat een migrerend individu op de onderzoekslocatie aanwezig is, maar door de afwezigheid van goed vergraafbare grond en van beschutting zoals bosschages, struweel en strooisellagen vormt de onder-

20608.003 versie D2

15 / 27

zoekslocatie geen geschikt landhabitat voor amfibieën waaronder desbetreffende soorten. Als gevolg van de voorgenomen plannen zal geen beschadiging en/of vernietiging van verblijfplaatsen plaatsvinden. Echter dient wel rekening gehouden te worden met incidenteel voorkomende individuen (zie hoofdstuk 6). Rugstreeppad In de huidige situatie is op de onderzoekslocatie geen geschikt habitat aanwezig voor de rugstreeppad. De rugstreeppad is echter een echte pionier die zich snel kan vestigen wanneer ondiepe plassen ontstaan. Geadviseerd wordt om hier tijdens het bouwrijp maken en de bouwfase rekening mee te houden (zie hoofdstuk 6). Licht beschermde soorten Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten. Het kan incidenteel voorkomen dat een migrerend individu op de onderzoekslocatie aanwezig is, maar door de afwezigheid van goed vergraafbare grond en van beschutting zoals bosschages, struweel en strooisellagen vormt de onderzoekslocatie geen geschikt landhabitat voor amfibieën. Als gevolg van de voorgenomen plannen zal geen beschadiging en/of vernietiging van verblijfplaatsen plaatsvinden. Echter dient wel rekening gehouden te worden met incidenteel voorkomende individuen (zie hoofdstuk 6).

5.6 Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.

5.7 Ongewervelden Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte, meer algemene, waardplanten voor beschermde vlindersoorten als bruine eikenpage (zomereik), grote vos (iep, zoete kers, populier en sommige wilgen), iepenpage (iep), veldparelmoervlinder (smalle weegbree) en teunisbloempijlstaart (teunisbloem, wilgenroosje, basterdwederik en kattestaart) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort.

20608.003 versie D2

16 / 27

Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.

5.8 Planten Volgens gegevens van de NDFF zijn in de omgeving van de onderzoekslocatie waarnemingen gedaan van de streng beschermde kartuizer anjer en kluwenklokje. Gezien de onderzoekslocatie geheel bestaat uit intensief beheerd akkerland (voorheen was het in gebruik als maisakker, de afgelopen twee jaar is het in gebruik als grasland), is het voorkomen van de kartuizer anjer en kluwenklokje op deze locatie uitgesloten.

20608.003 versie D2

17 / 27

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen.

6.1 Broedvogels Steenuil en kerkuil (jaarrond beschermde broedvogels) De kerkuil en de steenuil en hun leefgebied zijn beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De soorten staan tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn. De nesten van de kerkuil zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 3 van vogelnesten (zeer honkvaste broeders of afhankelijk van bebouwing (geen kolonie)). De nesten van de steenuil zijn eveneens het hele jaar beschermd, maar vallen onder categorie 1 van vogelnesten (jaarrond gebruikte nesten). Nabij de onderzoekslocatie zijn op het perceel van de Gewandeweg 47 twee schuren aanwezig welke potentieel geschikt zijn als broedplaats en/of roestplaats voor beide soorten. Deze potentiële broedplaats en/of roestplaats ondervinden mogelijk een negatief effect door de voorgenomen plannen. Nader onderzoek dient uitgevoerd te worden in de betreffende voortplantingsperiode van steenuil, zijnde februari tot en met juli en in de voortplantingsperiode van de kerkuil, zijnde februari tot en met augustus. Indien een nestplaats en/of roestplaats van de steenuil aanwezig is, dient tevens bepaald te worden of een leefgebied analyse noodzakelijk is.

Indien verstoringen niet kunnen worden voorkomen door de geplande nieuwbouwwoningen op de onderzoekslocatie dienen maatregelen te worden genomen om negatieve effecten van de geplande nieuwbouwwoningen voor de steenuil en kerkuil geheel of zoveel mogelijk te voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de Provincie NoordBrabant, middels een ontheffingsaanvraag. Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op of direct naast de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien buiten het broedseizoen wordt gestart met de werkzaamheden, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien de voorgenomen werkzaamheden toch binnen het broedseizoen zullen starten, zal het terrein

20608.003 versie D2

18 / 27

actief vanaf het begin van het broedseizoen tot aan de start van de werkzaamheden broedvrij gehouden moeten worden en/of dient er een vogelinspectie uitgevoerd moeten worden.

6.2 Vleermuizen Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Direct naast de onderzoekslocatie zijn elementen (watergang, struiken en bomenrij) aanwezig die potentieel een functie als vliegroute vervullen voor vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, meervleermuis, franjestaart en baardvleermuis). Als gevolg van de voorgenomen plannen treedt, zonder het treffen van maatregelen in de bouwfase en eindsituatie, mogelijk een overtreding op de Wet natuurbescherming op. Het wordt daarom geadviseerd om maatregelen op te nemen in het inrichtings- en beheersplan als onderdeel van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Deze maatregelen kunnen bijvoorbeeld zijn het groen inrichten van de randzones met opgaande struweelhagen en bomenrijen in combinatie met het strategisch plaatsen van toekomstige verlichting. Tevens zijn maatregelen mogelijk in de vorm van amberkleurige verlichting nabij de infrastructuur en woningen zelf.

Het wordt geadviseerd om het inrichtings- en beheersplan te laten beoordelen door de begeleidend ecoloog om te borgen dat de maatregelen afdoende zijn om een overtreding op voorhand te voorkomen. De te nemen maatregelen worden vervolgens door de ecologisch deskundige opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Een andere optie is om aanvullend onderzoek uit te voeren om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt in dat in de periode half april tot en met september twee veldbezoeken uitgevoerd dienen te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. In het geval van een overtreding van de Wet natuurbescherming is een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van de vliegroute(s) behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie NoordBrabant, middels een ontheffingsaanvraag.

6.3 Steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel In de provincie Noord-Brabant zijn de steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel beschermde inheemse diersoorten en tevens opgenomen in onderdeel A, behorende bij artikel 3.10, eerste lid, onderdeel A, van de nationaal beschermde dier- en plantensoorten volgens de Wet natuurbescherming. Direct naast de onderzoekslocatie zijn elementen (struweel, greppels en holen) aanwezig die potentieel een functie als migratieroute(s) en/of verblijfplaats vervullen voor steenmarter en/of kleine marterachtigen. Als

20608.003 versie D2

19 / 27

gevolg van de voorgenomen plannen treedt, zonder het treffen van maatregelen in de bouwfase en eindsituatie, mogelijk een overtreding op de Wet natuurbescherming op. Het wordt daarom geadviseerd om maatregelen op te nemen in het inrichtings- en beheersplan als onderdeel van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Deze maatregelen kunnen bijvoorbeeld zijn het groen inrichten van de randzones met takkenrillen en struweel in combinatie met het aanplanten van hagen en struiken verspreid over de onderzoekslocatie. Het wordt geadviseerd om het inrichtings- en beheersplan te laten beoordelen door de begeleidend ecoloog om te borgen dat de maatregelen afdoende zijn om een overtreding op voorhand te voorkomen. De te nemen maatregelen worden vervolgens door de ecologisch deskundige opgenomen in een ecologisch werkprotocol. De inrichting van de randzones dient afgerond te zijn voordat wordt overgegaan tot de verdere werkzaamheden. Een andere optie is om aanvullend onderzoek uit te voeren om de daadwerkelijke functie van het gebied voor de steenmarter en kleine marterachtigen te kunnen vaststellen. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. In het geval van een overtreding van de Wet natuurbescherming is een ontheffingsaanvraag aan de orde.

Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van de migratieroute(s) en/of verblijfplaats(en) behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie NoordBrabant, middels een ontheffingsaanvraag.

6.4 Amfibieën Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker De alpenwatersalamander is beschermd middels artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. De kamsalamander en poelkikker zijn beschermde inheemse diersoorten als bedoeld in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming op basis van het feit dat de soorten zijn opgenomen in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en zijn benoemd in Bijlage III van de Conventie van Bern. Het kan incidenteel voorkomen dat een migrerend individu van bovengenoemde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig is. In het kader van de zorgplicht en om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen wordt daarom geadviseerd een amfibieënscherm te plaatsen en deze maatregel door de ecologisch deskundige op te laten nemen in een ecologisch werkprotocol. Het scherm dient geplaatst te worden in de periode wanneer de amfibieën zich in het water bevinden (mei-juni). Rugstreeppad In de huidige situatie is geen geschikt habitat aanwezig voor de rugstreeppad op de onderzoekslocatie. De rugstreeppad is echter een echte pionier die zich snel kan vestigen wanneer ondiepe plassen ontstaan. Door werkzaamheden zoals het bouwrijp maken kunnen ondiepe plassen ontstaan waardoor de onderzoekslocatie alsnog geschikt wordt en de rugstreeppad zich hier kan vestigen.

Om overtredingen van de Wet natuurbescherming te voorkomen wordt geadviseerd een amfibieënscherm te plaatsen en deze maatregel door de ecologisch deskundige op te laten nemen in een ecologisch werkprotocol.

20608.003 versie D2

20 / 27

6.5 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en hazenlegers en muizenholen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren die gedurende de werkzaamheden worden aangetroffen dienen de gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen. Dit kan bijvoorbeeld door tijdens het bouwrijp maken van de onderzoekslocatie bouwrijp in één richting te werken. Ook kunnen tijdens de werkzaamheden aangetroffen individuen verplaatst worden door de ecologisch deskundige.

6.6 Overige soort(groep)en Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

20608.003 versie D2

21 / 27

7

TOETSING AAN GEBIEDSBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.

7.1 Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Rijntakken, bevindt zich op circa 8,5 kilometer afstand ten noordwesten van de onderzoekslocatie (zie figuur 7.1).

Figuur 7.1 Ligging onderzoekslocatie (wit omkaderd bij gele pijl) ten opzichte van Natura 2000 (groene en rode vlakken).

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de afstand (± 8,5 km) in combinatie met de schaal van de voorgenomen plannen op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van

20608.003 versie D2

22 / 27

stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator).

7.2 Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. De meest nabijgelegen gebieden bevinden zich circa 125 meter ten noorden van de onderzoekslocatie. In figuur 7.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 7.2 Ligging onderzoekslocatie (wit omkaderd) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (lichtgroene vlakken).

Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Noord-Brabant de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk te onderzoeken. Gezien de afstand van de onderzoekslocatie tot het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk en gezien de aard van de voorgenomen ingreep zullen de wezenlijke waarden en kenmerken ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.

20608.003 versie D2

23 / 27

8

HOUTOPSTANDEN

De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Wegens het ontbreken van bomen op de onderzoekslocatie, kan het onderdeel houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming buiten beschouwing worden gelaten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.

20608.003 versie D2

24 / 27

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Gewandeweg te Oss. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen ontwikkeling van de onderzoekslocatie en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000 gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse van de onderzoekslocatie tijdelijke flexwoningen (maximaal voor een periode van 15 jaar) te realiseren om de acute druk op de huidige woningmarkt te verlichten. De flexwoningen zijn bedoeld voor 1- en 2-persoons huishoudens die hier tijdelijk kunnen wonen. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 9.1. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten.

In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 9.1

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.

soortgroep

geschikt habitat

ingreep verstorend

nader onderzoek

ontheffingsaanvraag

bijzonderheden / opmerkingen

algemeen

ja

nee, mits..

nee

nee

..nestgelegenheden buiten het broedseizoen worden verwijderd én buiten het broedseizoen wordt gestart met de werkzaamheden. OF ..nestgelegenheden buiten het broedseizoen worden verwijderd én het terrein tijdens het broedseizoen tot aan de start van de werkzaamheden actief broedvrij wordt gehouden.

jaarrond beschermd

ja

mogelijk

ja

mogelijk

aanvullend onderzoek noodzakelijk ten aanzien van kerkuil en steenuil op naastgelegen perceel (Gewandeweg 47)

verblijfplaatsen

nee

nee

nee

nee

broedvogels

-

vleermuizen vliegroutes

ja

nee, mits

nee, mits..

nee, mits..

..maatregelen worden opgenomen in het inrichtings- en beheersplan, deze maatregelen worden beoordeeld door de ecologisch deskundige en opgenomen in een ecologisch werkprotocol.

foerageergebied

ja

nee

nee

nee

voldoende alternatief in de omgeving beschikbaar.

20608.003 versie D2

25 / 27

soortgroep

geschikt habitat

ingreep verstorend

nader onderzoek

ontheffingsaanvraag

bijzonderheden / opmerkingen

streng beschermd

ja

nee, mits..

nee, mits..

nee, mits..

..maatregelen worden opgenomen in het inrichtings- en beheersplan, deze maatregelen worden beoordeeld door de ecologisch deskundige en opgenomen in een ecologisch werkprotocol.

licht beschermd

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht t.a.v. konijn, haas en algemene muissoorten.

streng beschermd

nee

nee, mits..

nee

nee, mits..

..het plaatsen van een amfibieënscherm (maatregel) wordt door de ecologisch deskundige opgenomen in een ecologisch werkprotocol.

licht beschermd

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht t.a.v. licht beschermde amfibieën

reptielen

nee

nee

nee

nee

-

vissen

nee

nee

nee

nee

-

libellen en vlinders

nee

nee

nee

nee

-

overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Gebiedsbescherming

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

8,5 km

mogelijk

ja

mogelijk

Natuurnetwerk Nederland

125 m

nee

nee

nee

-

Houtopstanden

nee

n.v.t

n.v.t

n.v.t

-

overige zoogdieren

amfibieën

onderzoek stikstofdepositie uitvoeren

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

20608.003 versie D2

26 / 27

Conclusie Op basis van de onderhavige quickscan Wet natuurbescherming dient voorafgaand aan de werkzaamheden middels aanvullend ecologisch onderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de functie van het direct aangrenzende perceel van de onderzoekslocatie voor de kerkuil en steenuil. Als gevolg van de voorgenomen plannen treedt, zonder het treffen van maatregelen in de bouwfase en eindsituatie, mogelijk een overtreding op de Wet natuurbescherming op ten aanzien van vliegroute(s) van vleermuizen en migratieroute(s) en/of verblijfplaatsen van steenmarter en/of kleine marterachtigen. Het wordt daarom geadviseerd om maatregelen op te nemen in het inrichtings- en beheersplan als onderdeel van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Het wordt geadviseerd om het inrichtings- en beheersplan te laten beoordelen door de begeleidend ecoloog om te borgen dat de maatregelen afdoende zijn om een overtreding op voorhand te voorkomen. De te nemen maatregelen worden vervolgens door de ecologisch deskundige opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Het kan incidenteel voorkomen dat een migrerend individu van de alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker op de onderzoekslocatie aanwezig is. Tevens kunnen door werkzaamheden zoals het bouwrijp maken ondiepe plassen ontstaan waardoor de onderzoekslocatie alsnog geschikt wordt voor de rugstreeppad en deze zich hier kan vestigen.

Om overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soorten te voorkomen wordt geadviseerd een amfibieënscherm te plaatsen en deze maatregel door de ecologisch deskundige op te laten nemen in een ecologisch werkprotocol. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen (lopend globaal van maart tot half augustus) te starten. Indien de voorgenomen werkzaamheden toch binnen het broedseizoen zullen starten, zal het terrein actief vanaf het begin van het broedseizoen tot aan de start van de werkzaamheden broedvrij gehouden moeten worden en/of dient er een vogelinspectie uitgevoerd moeten worden. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden in de omgeving van Oss (Rijntakken) is naar aanleiding van de voorgenomen plannen een onderzoek naar stikstofdepositie (middels een AERIUS-calculatie) noodzakelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=dd925cd6-6564-4df8-8044-841e6d644601