CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Bijlage bij Toelichting

Gemeenteraad 2 maart 2023, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststellen bestemmingsplan 't Veld Geffen13.445 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hiervoor is aangesloten bij de standaard emissiefactoren per indicator die zijn afgeleid van gegevens uit de Emissieregistratie, die in de Aeriuscalculator voorheen onder de categorie ‘Plan’ werden gebruikt voor de functies wonen, werken en winkels. Specifiek is gebruik gemaakt van de emissiefactor voor vrijstaande woningen (nieuwbouw): een uitstoot NOx van 3,03 kg/j. Ook omdat in het plan maar een deel van de woningen als vrijstaand wordt gerealiseerd en dit het woningtype is met de hoogste emissiefactor, is er sprake van een worst case. Voor 155 woningen is deze uitstoot gemodelleerd, middels een vlakbron over het gehele plangebied met een uitstoothoogte van gemiddeld 8 meter.

3.2.3 Aanlegfase Naast het toekomstig gebruik is ook de stikstofuitstoot tijdens de aanlegfase van het project van belang. Bij de realisatie van de woningen en de openbare ruimte en de sloop van bestaande bebouwing zijn gedurende korte tijd werktuigen en machines van de bouwer in het plangebied aanwezig. Ook de verkeersbewegingen van de werklieden van en naar de bouwplaats geven een korte toename van stikstof emissie. Van een deel van de machines (handgereedschap, snelbouwkranen, liften) wordt ervan uit gegaan dat deze elektrisch zijn en dus geen stikstofuitstoot veroorzaken. Voor de daadwerkelijke aanleg is nog geen bestek gemaakt. Daarom is er op basis van vergelijkbare projecten en ervaringen elders een zo goed mogelijke raming gemaakt van de activiteiten die zorgen voor stikstofuitstoot tijdens de aanlegfase. In deze berekening is ervan uitgegaan dat de aanlegfase van het project maximaal 4 jaar duurt en dat de verdeling van de verkeersbewegingen en inzet van mobiele werktuigen gelijk wordt verdeeld over de jaren. Uitzondering hierop is de sloop van de bestaande bebouwing. Hiervoor is het uitgangspunt dat alle verkeersbewegingen en inzet van mobiele werktuigen in één jaar plaatsvinden. Mobiele werktuigen Er zijn mobiele werktuigen nodig voor het realiseren van de woonwijk.

Voor het invoeren van de mobiele werktuigen is een inschatting gemaakt van de STAGE klassen van de werktuigen, het brandstofverbruik, het aantal uren dat een werktuig stationair draait en de cilinderinhoud, waarmee de uitstoot NOx en NH3 door AERIUS is bepaald. Het brandstofverbruik is bepaald op basis van een inschatting van het totale aantal draaiuren (belast en stationair) van het werktuig. De uitstoot van de mobiele werktuigen wordt in AERIUS als een vlakbron ingetekend, op de locatie van de werkzaamheden. De overige machines zoals vrachtwagens voor de aan- en afvoer van materieel vallen onder de verkeersbewegingen. Onderstaande tabel toont de ingevoerde mobiele werktuigen. In bijlage 1 is toegelicht hoe tot onderstaande uitgangspunten is gekomen.

Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen

11

Type werktuig Bouw woningen Mobiele graafmachine Dumper Mini graver Hijskraan Ruw terrein heftruck Trilplaat/stamper Betonstorter

Aanleg openbare ruimte Laadschop Ruw terrein heftruck Triplaat

Sloop Graafmachine

STAGE klasse

Brandstofverbruik (l/j)

Draaiuren

AdBlue verbruik

Stage IV 2014-2018, 75-560 kw, diesel, SCR: ja Stage IV 2014-2018, 75-560 kw, diesel, SCR: ja Stage IV 2014-2018, 56-75 kw, diesel, SCR: ja Stage IV 2014-2018, 75-560 kw, diesel, SCR: ja Stage V, >= 2019, <= 56 kW, diesel, SRC: nee Stage V, >= 2019, <= 56 kW, diesel, SRC: nee Stage IV 2014-2018, 75-560 kw, diesel, SCR: ja

3977

223

200

3012

223

151

4865

446

244

3937

112

197

1303

134

-

171

90

-

1582

45

80

Stage V, >= 2019, <= 56 kW, diesel, SRC: nee Stage V, >= 2019, <= 56 kW, diesel, SRC: nee Stage V, >= 2019, <= 56 kW, diesel, SRC: nee

149

20

-

486

50

-

149

15

-

Stage IV 2014-2018, 75-560 kw, diesel, SCR: ja

1783

100

90

Verkeersbewegingen Tijdens de aanlegfase zal er sprake zijn van verkeersbewegingen door de werklieden die met de werkzaamheden bezig zijn. Bij de gemaakte inschatting van het aantal verkeersbewegingen van licht verkeer is er rekening mee gehouden dat werklieden met werkbusjes arriveren, waarbij er meerdere werklieden in één werkbus zitten. Daarnaast zorgen de aan- en afvoer van materiaal en de mobiele werktuigen voor verkeersbewegingen door middelzwaar en zwaar vrachtverkeer. De schatting van de verkeersbewegingen in de aanlegfase is weergegeven in onderstaande tabel. Type verkeer Bouw woningen Licht Middelzwaar Zwaar

Gem. aantal per jaar 6683 490 588

Aanleg openbare ruimte Licht Middelzwaar Zwaar

20 5 30

Sloop Licht Middelzwaar Zwaar

40 0 80

Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen

12

Verkeersbewegingen worden in AERIUS als lijnbronnen weergegeven. Deze lijnbronnen worden ingetekend van de locatie van de werkzaamheden tot het punt waar de verkeersbewegingen opgaan in het algemene verkeer. In dit geval gaan de verkeersbewegingen op in het algemene verkeer op de Heesterseweg op het punt waar het verkeer op snelheid is gekomen.

Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen

13

Hoofdstuk 4

Resultaten berekening

4.1 Bestaand gebruik In het model is de bestaande situatie ingevoerd. Op navolgende uitsnede is de bron weergegeven die van invloed is op de stikstofdepositie in het plangebied in de huidige situatie. Bron 1 betreft de stikstofuitstoot vanwege bemesting van agrarische percelen.

Afbeelding ingevoerde bronnen AERIUS bestaand gebruik Bestaande emissie door bemesting van agrarische percelen. Uit de berekening volgt conform paragraaf 3.2.1 dat door bemesting van de agrarische gronden in de bestaande situatie sprake is van een uitstoot 178,69 kg/j aan NH 3.

Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen

14

4.2 Toekomstig gebruik In het model is de beoogde situatie ingevoerd. Op navolgende uitsnede zijn de bronnen weergegeven die van invloed zijn op de stikstofdepositie van het initiatief. Bron 1 t/m 9 betreft de verkeersbewegingen.

Afbeelding ingevoerde bronnen AERIUS toekomstig gebruik Toekomstige emissie door verkeersbewegingen Uit de berekening volgt dat door het toekomstig aantal verkeersbewegingen (conform paragraaf 3.2.2) de uitstoot van NOx 85,3 kg/j bedraagt en de uitstoot van NH3 bedraagt 5,7 kg/j.

Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen

15

Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen

16

Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen

17

Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen

18

Toekomstige emissie door gebruik woningen Uit de berekening volgt dat door het toekomstig gebruik van de woningen (conform paragraaf 3.2.2) de uitstoot van NOx 469,7 kg/j bedraagt.

Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen

19

Stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden De uitstoot van NOx als gevolg van het toekomstig gebruik zorgt ten opzichte van het bestaande gebruik niet voor een bijdrage hoger dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000-gebieden.

4.3 Aanlegfase Op navolgende uitsnede zijn de bronnen weergegeven die van invloed zijn op de stikstofdepositie van het initiatief tijdens de aanlegfase. Bron 1 en 2 en 5 betreft de mobiele werktuigen en bron 3, 4, 6 en 7 betreft de verkeersbewegingen.

Afbeelding ingevoerde bronnen AERIUS aanlegfase Toename emissies door mobiele werktuigen Uit navolgende tabellen volgt dat door de mobiele werktuigen in de aanlegfase (conform paragraaf 3.2.3) de uitstoot van NOx 242 kg/j bedraagt en de uitstoot van NH3 4,6 kg/j.

Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen

20

Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen

21

Toename emissies door verkeersbewegingen Uit navolgende tabellen volgt dat door de verkeersbewegingen in de aanlegfase (conform paragraaf 3.2.3) de uitstoot van NOx 1,8 kg/j bedraagt en de uitstoot van NH3 0 kg/j.

Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen

22

Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen

23

Stikstofdepositie de Natura 2000-gebieden De uitstoot van NOx en NH3 als gevolg van de mobiele werktuigen en de verkeersbewegingen in de aanlegfase zorgt ten opzichte van het bestaande gebruik niet voor een bijdrage hoger dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000gebieden.

Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen

24

Hoofdstuk 5

Conclusies

De berekening ten behoeve van de Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een aanpassing van de bestemming. Het plan voorziet in het realiseren van een nieuwe woonwijk met circa 310 woningen ten zuidoosten van Geffen. Eindconclusie Als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied waarvoor de berekeningen zijn uitgevoerd neemt de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden zowel in de gebruiksfase als in de aanlegfase niet toe ten opzichte van de stikstofdepositie in de bestaande situatie. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden. Het aanvragen van een Wnb-vergunning is daarom niet nodig voor dit project.

Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen

25

Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen

26

Bijlagen

Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen

27

Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen

28

Bijlage 1: Toelichting uitgangspunten aanlegfase Onderstaand is toegelicht hoe is gekomen tot de uitgangspunten voor het modelleren van de aanlegfase. STAGE klasse De stageklassen betreffen emissienormen voor mobiele werktuigen en zijn afhankelijk van het bouwjaar en het vermogen van het mobiele werktuig. Bij de emissieberekening op basis van brandstofverbruik per stageklasse, rekent AERIUS met categorieën stageklassen en emissiefactoren die betrekking hebben op dieselmotoren en zijn overgenomen uit het Emissiemodel Mobiele Machines (TNO-rapport 2009). Voor elk werk wordt door een bouwer normaal gesproken een machine ingezet met het laagste vermogen dat werkbaar is voor de uitvoering. Dit omdat machines met een hoger vermogen meer brandstofverbruik hebben. Bij de selectie van het vermogen is dan ook gekozen voor een gemiddeld vermogen passend bij het werk. Voor wat betreft het bouwjaar is gekeken naar de gemiddelde levensduur van de gebruikte werktuigen. Hierbij is aangesloten bij de mediane levensduur (TNO-rapport 2009) van de betreffende werktuigen, afgerond op hele jaren. Het jaar van uitvoering minus de levensduur geeft een goede raming van het gemiddelde bouwjaar van de gebruikte machines. Als de initiatiefnemer heeft aangegeven oudere of nieuwere mobiele werktuigen te gebruiken, is van de door de initiatiefnemer opgegeven bouwjaren uitgegaan.

Brandstofverbruik Om het brandstofgebruik (Diesel) per jaar te schatten is aangesloten bij de formule die is opgenomen in het TNO rapport 2020 R11528. De formule is als volgt: Brandstofverbruik [liters] = 0,245 * arbeid [kWh] + (0,52 + 0,0034 * maximaal vermogen [kW]) * draaiuren [h] AdBlue verbruik Het AdBlue verbruik in liters varieert van 4% tot 6% van het dieselgebruik. In deze berekening is rekening gehouden met een gemiddeld AdBlue verbruik van 5% van het dieselgebruik.

Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen

29

Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen

30

Bijlage 2: AERIUSberekening

Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen

31

Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.

Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:

www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers

Projectberekening

Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie

Activiteit

Omschrijving Toelichting

Berekening

Buro SRO Oost Heesterseweg, 5386 KT Geffen 't Veld, Geffen 't Veld, Geffen

AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie

Rz6HsbcyZ6tn 23 augustus 2022, 15:08 Wnb-rekengrid

Totale emissie

Rekenjaar 2023 2023

Emissie NH₃ 178,7 kg/j 5,7 kg/j

Emissie NOₓ 554,9 kg/j

Resultaten

Hoogste depositie 2.216,35 mol/ha/j 0,00 ha 1,85 ha 0,00 mol/ha/j 0,01 mol/ha/j

Hexagon 3861668

Gebied Rijntakken

Referentiesituatie - Referentie Toekomstige situatie - Beoogd Referentiesituatie - Referentie Toekomstige situatie - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename van depositie Grootste afname van depositie

Rz6HsbcyZ6tn (23 augustus 2022)

2/8

Projectberekening

Referentiesituatie (Referentie), rekenjaar 2023 Emissiebronnen 1 Landbouw | Landbouwgrond | Bron 1: Bemesting

Rz6HsbcyZ6tn (23 augustus 2022)

Emissie NH₃

Emissie NOₓ

178,7 kg/j

-

3/8

Projectberekening

Toekomstige situatie (Beoogd), rekenjaar 2023 Emissiebronnen 10 Anders... | Anders... | Stikstofuitstoot woningen  Verkeersnetwerk

Rz6HsbcyZ6tn (23 augustus 2022)

Emissie NH₃

Emissie NOₓ

5,7 kg/j

469,7 kg/j 85,2 kg/j

4/8

Projectberekening

Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.

5 km Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald

Grootste afname van depositie Grootste toename van depositie Hoogste totale depositie

De bronnen op de kaart horen bij de Beoogde situatie. Rz6HsbcyZ6tn (23 augustus 2022)

5/8

Projectberekening

Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Toekomstige situatie" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Totaal Per gebied

Berekend (ha Hoogste totale Met toename Grootste Met afname (ha Grootste gekarteerd) depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol gekarteerd) afname (mol N/ha/jr) N/ha/jr) N/ha/jr)

1,85

0,00

0,00

1,85

0,01

Berekend (ha Hoogste totale Met toename Grootste Met afname (ha Grootste gekarteerd) depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol gekarteerd) afname (mol N/ha/jr) N/ha/jr) N/ha/jr)

Rijntakken 1,85 (38)

Rz6HsbcyZ6tn (23 augustus 2022)

2.152,85

2.152,85

0,00

0,00

1,85

0,01

6/8

Projectberekening

Referentiesituatie, Rekenjaar 2023

1 Landbouw | Landbouwgrond Naam Bron 1: Bemesting Uittreedhoogte Wijze van ventilatie Niet geforceerd Warmteinhoud Temporele variatie Meststoffen

Type

Rz6HsbcyZ6tn (23 augustus 2022)

Mestaanwending: dierlijke mest

0,5 m 0,000 MW

NH₃

178,7 kg/j

Stof

NOₓ NH₃

Emissie

0,0 kg/j 178,7 kg/j

7/8

Projectberekening

Toekomstige situatie, Rekenjaar 2023

10 Anders... | Anders... Naam Stikstofuitstoot Uittreedhoogte woningen Warmteinhoud Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele variatie Continue Emissie

8,0 m 0,000 MW

NOₓ

469,7 kg/j

Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2021.1.1_20220705_74979f573b Database versie 2021.1.1_74979f573b Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/

Rz6HsbcyZ6tn (23 augustus 2022)

8/8

Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen

32

Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen

33

Voortoets stikstofdepositie ’t Veld, Geffen

34

Bestemmingsplan ’t Veld Geffen – 2022

Bijlage 4:

Archeologisch onderzoek

Transect-rapport 3443 Geffen, Zuidoost Gemeente Oss (NB) Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

Colofon Titel

Rapportnummer

Geffen, Zuidoost. Gemeente Oss (NB). Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Transect-rapport 3443

Auteur

A.T.L.E. van Bussel, C. Brühl en T. Nales

Versie

Definitieve versie

Datum

29-09-2021

Projectnummer

21030092

Onderzoeksmelding

5080185100

Opdrachtgever

Buro SRO Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG Arnhem

Uitvoerder

Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

Bevoegde overheid

Gemeente Oss

Beheer en plaats documentatie Toetsing rapport bevoegde overheid

Transect b.v., Nieuwegein Mevr. M. Peeters (gemeente Oss)

Status beoordeling

Beoordeeld en goedgekeurd

Omslagafbeelding

Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (2206-2021).

Autorisatie Naam Drs. T. Nales Senior KNA Prospector

Datum 29-09-2021

Paraaf

ISSN: 2211-7067 © Transect b.v., Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

Samenvatting In opdracht van Buro SRO heeft Transect b.v. in juni 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd voor het gebied ‘Geffen Zuidoost’ in Geffen (gemeente Oss). Het plangebied heeft een omvang van circa 8,7 ha. De aanleiding van het onderzoek is een bestemmingplanwijziging die bouwwerkzaamheden mogelijk moet maken. Het onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek (BO) en een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-O) door middel van boringen. Het doel van dit onderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting van het plangebied en het toetsen van deze verwachting door middel van waarnemingen in het veld. Aan de hand van onderzoek wordt geprobeerd een antwoord te geven op de volgende onderzoeksvragen: • • • •

Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?

Op grond van het bureauonderzoek ligt het plangebied in een gebied met dekzandwelvingen. Direct ten noorden ervan ligt de Veldsche Waterloop. Tot aan ongeveer de Late-Bronstijd had het plangebied vermoedelijk een goede waterhuishouding. Daarna heeft zich in de omgeving van Geffen vermoedelijk in de lage delen van het landschap veen gevormd. Of het hele landschap daarbij bedekt is geraakt met veen, is onbekend. Veen is in de omgeving van het plangebied tijdens archeologische onderzoeken niet (meer) aangetroffen. Dit kan erop duiden dat nooit veenvorming heeft plaatsgevonden, dan wel dat het veen is afgegraven. Mogelijk waren delen van het landschap met veen begroeid en bevonden zich te midden van het veen droge ‘eilandjes’. Vanwege de onbekendheid met de aan- of afwezigheid van veen in het plangebied geldt voor de periode van veenbedekking (de IJzertijd tot en met de Vroege-Middeleeuwen) in het plangebied een middelhoge archeologische verwachting. Het dekzand is in de omgeving van het plangebied afgedekt met een oud-bouwlanddek of een esdek in de Nieuwe tijd. Hierin komen onder meer pijpenkopjes voor. Het esdek heeft een gemiddelde dikte tussen 50 en 100 cm. Aan de hand van zowel oerbanken en gley-verschijnselen en verspoelde resten is in de omgeving sprake van een afwisselend dekzandlandschap.

Dit afwisselende landschap zal, in vergelijking tot hoger gelegen dekzandruggen in de omgeving niet het meest aantrekkelijke gebied zijn geweest voor bewoning. Bewoning is echter in elk geval in de periode Laat-Paleolithicum tot aan de Bronstijd vermoedelijk wel mogelijk geweest. Dit geldt tevens voor de Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd. Op basis hiervan geldt een middelhoge archeologische verwachting op resten uit deze perioden. Uit de Nieuwe tijd worden met name resten van landgebruik verwacht. Op historische kaarten staat immers geen bebouwing uit deze periode in het plangebied weergegeven. Voor wat betreft de overige perioden kan zowel sprake zijn van bebouwingsresten, als nederzettingsresten of resten van kampementen, sporen van landgebruik, grafvelden en vondstconcentraties. In hoeverre archeologische resten aanwezig kunnen zijn, is verder afhankelijk van de intactheid van de bodem. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied in een zwak glooiend dekzandgebied gelegen heeft, waarbinnen welvingen en lagere delen zich hebben afgewisseld. Ook blijkt uit de boringen een wisselende mate van intactheid van de ondergrond: zowel in de hogere als in de lagere delen zijn gebieden met inspoelingshorizonten aanwezig, die wijzen op een relatief hoge mate van intactheid van de top van het dekzand.

De horizonten, ook al liggen ze verspreid, geven aan dat ondanks de verploeging er niet zodanig diep geploegd is dat de gehele archeologisch relevante top van het

dekzand verdwenen hoeft te zijn. Ook blijkt uit het onderzoek dat in ieder geval in de lagere delen van het terrein relatief nat zijn geweest. De aanwijzing hiervoor wordt gevormd door de aanwezigheid van een dunne veenlaag, die zich waarschijnlijk vanaf de IJzertijd heeft gevormd. Archeologisch gezien is daarom een onderscheid gemaakt tussen de gereconstrueerde koppen in het terrein en de laagtes binnen het gebied. Aan de hoger gelegen terreindelen wordt voor de periode Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen een middelhoge archeologische verwachting vastgesteld, dit in navolging van het bureauonderzoek. De hoge ligging van deze koppen, de vondst van een scherf en de intactheid van de top van het dekzand maken dat in deze gebiedsdelen archeologische resten uit de genoemde periode, die zich doorgaans kenmerken door grondsporen, aanwezig kunnen zijn. De ligging van deze koppen/hoge archeologische verwachtingsgebieden zijn weergegeven in bijlage 11. In de lagere gebieden tussen deze koppen is een lage archeologische verwachting toegekend. De kans dat hier resten uit de bovengenoemde periode voorkomen, is minder waarschijnlijk (doch niet volledig uitgesloten, zoals bijvoorbeeld sporen van landgebruik). Voor wat betreft resten uit de periode Paleolithicum-Bronstijd is de verwachting voor wat betreft vindplaatsen met vondstconcentraties naar laag bij te stellen.

Resten uit deze periode kenmerken zich doorgaans door een vondstconcentratie van bewerkt vuursteen, verbrand bot, houtskool en verkoolde nootresten en minder door grondsporen. Deze resten bevinden zich op een intacte, onverploegde top van het dekzand. Dit is in het plangebied amper het geval: lokaal is nog sprake van een intacte top (op de plek van de verteerde veenlagen), maar over het algemeen is de kans dat een vindplaats uit die tijd verploegd is geraakt, groot. Advies Er geldt op basis van onderhavig vooronderzoek in het plangebied een archeologische verwachting op resten uit de periode van het Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen. Deze verwachting is in een hoge en een lage verwachting onder te verdelen. Het verdient zodoende de aanbeveling in het nieuwe bestemmingplan een waarde archeologie voor het plangebied uit te werken. De zones met de verschillende verwachtingen zijn weergegeven in bijlage 11. Voor de daadwerkelijke ontwikkeling van het plangebied verdient het de aanbeveling om in de zone van de hoge verwachting een inventariserend veldonderzoek, karterende/waarderende fase uit te voeren (in de vorm van een proefsleuvenonderzoek). Dit onderzoek richt zich daarmee op de dekzandwelvingen/koppen in het gebied en de daaraan grenzende flanken om zodoende de archeologische waarde van deze gebieden te bepalen.

De resultaten van dit onderzoek moeten ook indicatief zijn voor de waarde van de rest van het terrein. Het doel van dit onderzoek is om uiteindelijk tot een waardering te komen. Voor een proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk waarin de opzet en wijze van onderzoek is vastgesteld. Dit document moet op voorhand van de uitvoering van het onderzoek door de gemeente als bevoegd gezag zijn goedgekeurd. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Oss) een selectiebesluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.

Inhoud 1.

Aanleiding.............................................................................................................................. 5

2.

Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek ............................................................. 6

3.

Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied ................................................................... 7

4.

Planvorming en consequenties toekomstig gebruik ............................................................. 9

5.

Beleidskader ........................................................................................................................ 10

6.

Landschap, geomorfologie en bodem ................................................................................. 11

7.

Archeologische waarden en onderzoeken .......................................................................... 14

8.

Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen ............................................... 18

9.

Gespecificeerde archeologische verwachting ..................................................................... 27

10.

Resultaten veldonderzoek ................................................................................................... 29

11.

Beantwoording onderzoeksvragen ..................................................................................... 33

12.

Conclusies en advies............................................................................................................ 34

13.

Geraadpleegde bronnen ..................................................................................................... 36

Archeologische periode-indeling voor Nederland .............................................................. 38 Luchtfoto ............................................................................................................................. 39 Waarde- en verwachtingskaart Maasdonk (2010) .............................................................. 40 Geomorfologische kaart ...................................................................................................... 42 Ontgrondingenkaart Provincie Noord-Brabant (2005)........................................................ 43 Maaiveldhoogte (AHN) ........................................................................................................ 44 Bodemkaart ......................................................................................................................... 45 Archeologische waarden en onderzoeken .......................................................................... 46 Boorpuntenkaart ................................................................................................................. 47 Resultatenkaart ................................................................................................................... 48 Verwachtingskaart ..............................................................................................................

49 Foto’s van de boringen ........................................................................................................ 50 Boorbeschrijvingen.............................................................................................................. 51

1. Aanleiding In opdracht van Buro SRO heeft Transect b.v.1 in juni 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd voor het gebied ‘Geffen Zuidoost’ in Geffen (gemeente Oss). Het plangebied heeft een omvang van circa 8,7 ha. De aanleiding van het onderzoek is een bestemmingplanwijziging die bouwwerkzaamheden mogelijk moet maken. Het onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek (BO) en een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-O) door middel van boringen. Het doel van dit onderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting van het plangebied en het toetsen van deze verwachting door middel van waarnemingen in het veld. Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1) en het voor het onderzoek opgestelde Plan van Aanpak (Nales, 2021).

1

Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.

5

2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting. Aan de hand van beschikbare informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik binnen en rondom het plangebied, wordt de kans bepaald dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) en de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) zijn opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit divers voorhanden historisch kaartmateriaal. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geologisch-geomorfologisch kaartmateriaal geraadpleegd. Deze gegevens zijn aangevuld met relevante informatie uit achtergrondliteratuur. Het bouwarchief is niet geraadpleegd. Verder is contact opgenomen met de Heemkundewerkgroep ‘Vladerack’ per e-mail op 08-06-2021 (zie www.heemkundegeffen.nl).

Vanuit deze bron is ten tijde van het conceptrapport geen reactie gekomen. Eventuele aanvullende gegevens vanuit deze bron worden in de definitieve rapportversie verwerkt in hoofdstukken 7 en 8. Een volledige lijst met geraadpleegde bronnen is opgenomen in bijlage 13. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). De werkwijze is nader toegelicht in hoofdstuk 10.

Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: • Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? • Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? • In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? • Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt het bevoegd gezag een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocollen 4002 (bureauonderzoek) en 4003 (inventariserend veldonderzoek) van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1).

6

3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Plaats

Geffen

Toponiem

Geffen Zuidoost

Gemeente

Oss

Provincie

Noord-Brabant

Kaartblad

45E

Perceelnummer(s)

GFN00-B-1277 en GFN00-D nummers 315-316, 336-338, 340-341 en 788-789

Centrumcoördinaat

160.978 / 416.685

Oppervlakte

Circa 8,7 ha

Huidig gebruik

Bebouwd erf met tuin en oprit, Brempad, paardenwei, weilanden, akkers, sloten

Binnen het archeologisch onderzoek is onderscheid gemaakt tussen het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen de bodemingrepen worden uitgevoerd. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied, in een straal van circa 500 m, dat bij het onderzoek wordt betrokken om tot een beter inzicht te komen in de landschappelijke, archeologische en (cultuur)historische situatie in het plangebied. Het plangebied staat ook wel bekend als ‘Geffen Zuidoost’. Het ligt namelijk aan de zuidoostkant van Geffen (gemeente Oss). Het plangebied grenst direct aan de huidige bebouwde kom. De ligging van het plangebied is te zien in figuur 1 en bijlage 2. Het plangebied heeft een omvang van circa 8,7 ha. Het plangebied omvat een gebied dat al eerder middels een archeologisch bureauonderzoek is onderzocht in 2020 (in hetzelfde onderzoekkader; Hagens en Van der Feest, 2020 / Aeresprojectnummer AM195622). Dit gebied heeft een omvang van circa 5,6 ha en is in figuur 1 en bijlage 2 blauw omkaderd. Aanvullend omvat het plangebied circa 3,1 ha aan de zuidkant van dit gebied. Kadastraal gezien staat het plangebied bekend als perceel GFN00 sectie B nummer 1277 en percelen GFN00 sectie D nummers 31-316, 336-338, 340-341 en 788-789. Aan de west- en zuidkant wordt het plangebied begrensd door de Veldstraat.

Aan de zuidoostkant ligt de Meesterseweg. De noordelijke begrenzing wordt gevormd door een sloot en de kadastrale grens in het verlengde ervan, langs het Brempad. De oostgrens van het plangebied wordt gevormd door de grenzen van de kadastrale percelen. Ten tijde van het archeologische onderzoek is het plangebied grotendeels in gebruik als weilanden. Deze weilanden worden doorkruist door verschillende sloten. Het zuidwestelijke weiland is in gebruik als een paardenwei. De twee meest zuidoostelijk gelegen percelen behelzen verder akkers. Verder ligt aan de westkant van het plangebied de Brempad, die ook een deel van het plangebied doorkruist. Aan de Veldstraat 30, in het westen, bevindt zich verder een woonerf (circa 1600 m2). Dit erf is deels verhard middels klinkerverharding, tegels en grind. Delen van het erf bestaan verder uit tuinen. Op het erf staan een woning en bijgebouwen. De gebouwen hebben binnen het plangebied een omvang van circa 390 m2.

2

Het onderzoek van Aeres is nooit aan de gemeente ter toetsing voorgelegd en hierover is dus ook nooit een besluit genomen (pers. comm. M. Peeters, gemeente Oss, 03-08-2021).

7

Figuur 1. De ligging van het plangebied op een topografische kaart. Onderhavig plangebied omvat zowel het rood omkaderde gebied als het eerder door Aeres onderzochte gebied (bron kaart: www.opentopo.nl).

8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=282ffea6-c8a5-4820-b493-f24630481d6f