CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3A Toelichting Stationsstraat 5 Berghem

Gemeenteraad 15 december 2022, gemeente OssBij agendapunt: B Vaststelling 7 bestemmingsplannen gebundelde procedure24.357 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Hier geldt een geurnorm van 8 OU/m 3.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 44 van 62 vastgesteld

Afbeelding 14. Uitsnede Geurnormenkaart gemeente Oss

De nieuwe woningen zouden geurhinder kunnen ondervinden van omliggende veehouderijen. In de directe omgeving (1 kilometer van het plangebied) is sprake van de volgende locaties waar een vergunning verleend is voor het houden van dieren: Tabel 6.Veehouderijen omgeving van het plangebied

Type veehouderij

Locatie

Vleesvee

Halve Morgensstraat 15

Melkrundvee Paarden Melkrundvee

Waterstraat 2 Hoefstraat 6 Waterstraat 8

Melkrundvee Paarden Melkrundvee Schapen Melrundvee Vleeskuikens Melkrundvee Vleesvee Melkrundvee Melkrundvee Melkrundvee Paarden Zeugen

Burgemeester van Erpstraat 86 Waatselaarstraat 3 Waterstraat 7 Bredestraat 29 Bieskamp 1 Hoefstraat 7 Burgemeester van Erpstraat 80 Waterstraat 9 Runselstraat 5 Burgemeester van Erpstraat 72 Burgemeester van Erpstraat 70 Burgemeester van Erpstraat 77 Berghemseweg 21

Vergunde geuremissie

Afstand tot plangebied

6977,60 Ou

210 meter

117 Ou 0 Ou 0 Ou

270 meter 300 meter 370 meter

0 Ou 0 Ou 25238 Ou 4667,20 0 Ou 42454,50 Ou 405,60 Ou 269,40 Ou 0 Ou 0 Ou 2136 Ou 351 Ou 38934,50 Ou

380 meter 390 meter 470 meter 470 meter 620 meter 630 meter 640 meter 650 meter 740 meter 750 meter 850 meter 860 meter 910 meter

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 45 van 62 vastgesteld

Voor een aantal diersoorten zijn in de Wet geurhinder en veehouderij geen emissiefactoren opgenomen, maar gelden vaste afstanden. Dit geldt onder andere voor een melkrundveehouderij en paardenhouderij. De afstand tussen deze veehouderijen en een voor geurhinder gevoelig object moet minstens 100 meter bedragen voor objecten binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom. Aan deze afstandsnormen wordt voor alle paardenhouderijen en melkveehouderijen ruimschoots voldaan. Voor de vleesveehouderijen aan de Halve Morgensstraat 15 en Waterstraat 9, de schapenhouderij aan de Bredestraat 29, de vleeskuikenhouderij aan de Hoefstraat 7 en de zeugenhouderij aan de Berghemseweg 21 dient de daadwerkelijke geurbelasting op het plangebied berekend te worden. Het effect van de vergunde geuremissie van deze veehouderijen op het plangebied is door middel van het programma Vstacks Vergunning berekend (worst-case benadering waarbij de vergunde geuremissie op de meest nabij het plangebied gelegen hoek van het bouwvlak wordt geëmitteerd) (bijlage 4). In navolgende tabel is de voorgrondbelasting, afkomstig van deze bedrijven, op de hoekpunten van de het plangebied weergegeven. Tabel 7. Voorgrondbelasting van intensieve veehouderijen op het plangebied

Hoek

Xcoördinaat

Ycoördinaat

Bredestraat 29 0,2

Hoefstraat 7

Waterstraat 9

Berghemseweg 21

420 826

Halve Morgensstraat 15 0,8

1

169 304

1,1

0,0

0,4

2

169 298

420 804

0,8

0,2

1,1

0,0

0,4

3

169 322

420 799

0,7

0,2

1,2

0,0

0,4

4

169 326

420 803

0,7

0,2

1,2

0,0

0,4

5

169 330

420 819

0,7

0,2

1,2

0,0

0,4

6

169 315

420 812

0,7

0,2

1,1

0,0

0,4

De hoogste voorgrondbelasting van omliggende veehouderij bedraagt 1,2 OU/m3. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 8,0 OU/m 3. Dit betekent dat binnen het plangebied ruimschoots wordt voldaan aan de geurnorm. Gesteld kan worden dat de omliggende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat van het plangebied wat betreft voorgrondbelasting. Achtergrondbelasting Op de kaart vergunde geurbelasting 2015 behorende bij de gemeentelijke geurverordening Oss 2017 wordt de indicatieve achtergrondbelasting in de Duurendseind beoordeeld als ‘zeer goed’. Voor de achtergrondbelasting gelden geen vastgestelde wettelijke normen. Uit de gemeentelijke geurverordening blijkt echter dat bij de beoordeling ‘zeer goed’ sprake is van een goed woon- en leefklimaat zonder dat er overlast is van geurhinder van veehouderijen.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 46 van 62 vastgesteld

Afbeelding 15. Uitsnede kaart cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting) van de gemeente Oss

5.7.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - Als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - Als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - De gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. Doorwerking plangebied In de nabijheid van het plangebied is geen industrieterrein gelegen.

Het plangebied is wel gelegen in de nabijheid van enkele bedrijven. Deze bedrijven zijn beschreven in paragraaf 5.7.1 Bedrijven en milieuzonering. Aan alle richtafstanden worden voldaan. Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot het aspect industriële geur. 5.7.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 47 van 62 vastgesteld

De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg.

Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Heersende luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer).

Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt in het plangebied de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 9,1 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 16,5 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 12,2 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende waardoor binnen het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 48 van 62 vastgesteld

(IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd (oftewel meer dan 1,20 µg/m³ bijdraagt) draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Woningbouw draagt pas IBM bij aan de luchtkwaliteit als er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden. Met onderhavig plan worden twee woningen toegevoegd. Met het plan wordt derhalve ruimschoots onder het 3% criterium gebleven. Het initiatief draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit. 5.7.7 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt.

Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Doorwerking plangebied Het plangebied is niet gelegen nabij een hoogspanningslijn, wat betekent dat ter hoogte van het plangebied geen sprake is van een magnetische veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla ten gevolge van hoogspanningslijnen. Straling vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. 5.7.8 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden.

In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd. Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 49 van 62 vastgesteld

Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. De woningen die ontstaan met onderhavig initiatief worden aangemerkt als een geluidsgevoelig object. Gezien de ligging van het plangebied is zowel een akoestisch onderzoek naar weg- als railverkeerslawaai uitgevoerd 4 (zie bijlage 5). Uit het onderzoek volgt dat de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai lager blijkt dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk. Daarnaast blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van spoorweglawaai hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. Voor de woning dient een hogere waarde aangevraagd te worden.

Bron- en overdrachtsmaatregelen worden als niet doelmatig geacht. Maatregelen bij de ontvanger dienen onderzocht te worden om aan te tonen dat de geluidwering afdoende is om een binnenniveau van 35 dB(A) te waarborgen, indien er een nadere uitwerking van het verbouwplan is gemaakt. Voor de omschakeling van de bestaande bedrijfswoning in twee burgerwoningen dient een hogere waarde aangevraagd te worden bij het college van B&W. Bij de aanvraag omgevingsvergunning is een bouwkundige gevelweringsonderzoek nodig t.b.v. het bepalen van het binnenniveau. Middels een voorwaardelijke verplichting wordt geborgd dat het gebruik van de locatie voor woondoeleinden pas is toegestaan indien een aanvullend akoestisch onderzoek is uitgevoerd. Binnen het plangebied is dan ook de aanduidingen ‘specifieke vorm van wonen – voorwaardelijke verplichting’ toegekend. 5.7.9 Gezondheid Uit de VGO-rapporten die afgelopen jaren zijn gepubliceerd door het RIVM komt duidelijk naar voren dat er een relatie wordt gevonden tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Deze relatie is door de onderzoeker op verschillende manieren vastgesteld. Daarbij komt dichtheid van veehouderijbedrijven en afstand tot bepaalde type individuele veehouderijen concreet naar voren als factoren die van invloed zijn op de gezondheid van omwonenden.

Verder blijkt uit VGO-onderzoek dat er in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogde incidentie van longontstekingen (ca. 25-30% hoger) voorkomt. De oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rond geitenbedrijven is vooralsnog onbekend en onderwerp van vervolgonderzoek. Op dit moment kan er geen enkele bron-effect relatie worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit geitenhouderijen. Wel is er een causaal verband geconstateerd waarbij de associatie sterker is naarmate de afstand tot een geitenhouderij kleiner is. Tot er meer duidelijkheid is over de bron van de verhoogde incidentie longontstekingen kan niet worden geadviseerd over beschermde maatregelen. Afstand houden en goed informeren is de enige maatregel die de GGD op dit moment adviseert.

Ingenieursburo Ulehake, Akoestisch onderzoek – geluidsbelasting spoor- en verkeerslawaai, 2 maart 2022, opdrachtnummer: 17153-01

4

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 50 van 62 vastgesteld

In afwachting van het vervolgonderzoek heeft de provincie besloten dat geitenstallen uitbreiden of in gebruik nemen niet meer is toegestaan. Het moratorium is in beginsel tijdelijk. Als de uitkomsten van het vervolgonderzoek bekend worden, wordt er gekeken of er redenen zijn het besluit in te trekken of aan te passen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verplicht om alle bekende risico's bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (met andere woorden de 'stop' op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkelingen binnen de 2 km straal van een geitenhouderij), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Het verantwoorden van dit verhoogde risico is aan het bevoegd gezag, in casu de gemeente. Deze geeft een oordeel over en maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (m.b.t. onder andere gezondheid & geitenhouderijen). Het college van B&W besloot op 5 december 2017 dat wenselijke ontwikkelingen na een zorgvuldige afweging met betrekking tot volksgezondheid kunnen worden toegestaan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij.

Het beleid voor geitenhouderijen in Oss houdt in dat bij de realisering van een ruimtelijke ontwikkeling binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij rekening moet worden gehouden met de volgende criteria: a. het infomeren van de aanvragers over het risico b. terughoudend omgaan met ontwikkelingen betreffende het huisvest of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen c. na een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk kunnen wenselijke ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij worden toegestaan. ‘De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Dit stappenplan is voor het te realiseren plan doorlopen. 1. Edotoxine (varkens- / pluimveehouderijen) Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen.

Het is van belang dat ter plaatse van de ontwikkeling sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden.  De dichtstbijzijnde varkenshouderij is gelegen aan de Berghemseweg 21 in Herpen. De fijnstofemissie voor dit bedrijf bedraagt PM10: 287 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 108 meter, de huidige afstand (hemelsbreed) bedraagt 910 meter.  De dichtstbijzijnde pluimveehouderij (vleeskuikens) is gelegen aan de Hoefstraat 7 in Herpen. De fijnstofemissie voor dit bedrijf bedraagt PM10: 1.963 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 270 meter, de huidige afstand (hemelsbreed) bedraagt 630 meter. Als gekeken wordt naar de afstanden dan ligt het plangebied buiten de endotoxine risicocontouren van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. 2. Emissies Uit het VGO onderzoek komt naar voren dat diverse gezondheidseffecten gerelateerd lijken te zijn aan de blootstelling van omwonenden aan de emissie van fijnstof, micro-organismen en ammoniak (via de bijdrage aan secundair fijnstof) afkomstig van veehouderijen. Gekeken dient te worden of sprake is van een toename van deze emissies.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 51 van 62 vastgesteld

Onderhavig plan voorziet in het verbouwen van een cultuurhistorisch pand tot twee woningen. Dit initiatief leidt niet tot een toename van emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak. 3. Wijze waarop met overbelasting geur wordt omgegaan 3a. Wettelijke uitgangspunten Op grond van de Wet geurhinder veehouderij kan bij een ontwikkeling sprake zijn en blijven van een overbelaste geursituatie. Het uitgangspunt hierbij is dat er geen sprake is of blijft van een overbelaste situatie voor geur (voorgrond of achtergrond). De ontwikkeling vindt niet plaats in een gebied met een overbelaste geursituatie. Met het initiatief is daarnaast geen sprake van een toename van geuremissie. 3b. Gezondheidskundige uitgangspunten Naast een toets op de wettelijke aspecten kan ook gekozen worden voor een gezondheidskundige beoordeling ten aanzien van het aspect geur. Toetsing vindt dan plaats aan de door de GGD gehanteerde gezondheidskundige advieswaarde. De GGD hanteert het standpunt dat het onderzoek van Geelen et al. (2015). De op grond van het onderzoek van Geelen hierbij behorende geurbelasting is weliswaar niet juridisch houdbaar aangezien dit niet is opgekomen binnen het gemeentelijk beleid. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de geursituatie in het gebied. 4.

De aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij De soort landbouwhuisdieren dat wordt gehouden en ook de combinatie van te houden dieren kan van invloed zijn op het eventuele risico voor de volksgezondheid. Dit heeft te maken met een mogelijk verhoogde infectiedruk en het risico van vermenging bacteriën of virussen. Indien er sprake is van het gecombineerd houden van varkens en pluimvee, of rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten) of kleine herkauwers onderling dan is advisering vanuit de GGD wenselijk in hoeverre dit voor wat betreft volksgezondheid verantwoord is. Er zijn geen veehouderijen in de buurt waar bovenstaande combinaties worden gehouden. Daarnaast zijn er geen varkens- en/ of pluimveebedrijven in de buurt waarvan de afstand tussen de inrichtingsgrenzen minder dan 100 meter bedraagt. 5. Veehouderijen 5a. Geitenbedrijven Uit recente bevindingen van het VGO-2 rapport (2017) blijkt dat er in een straal van 2 kilometer rondom geitenhouderijen een verhoogde incidentie op longontstekingen wordt gevonden. Hierom bedraagt de minimale afstand tussen geitenhouderijen en gevoelige bestemmingen 2 kilometer. Binnen 2 kilometer van het plangebied is één geitenhouderij gelegen. Op de locatie Harenseweg 44 worden 550 geiten gehouden. De afstand tussen deze locatie en het plangebied bedraagt hemelsbreed 1,6 km.

De beoogde woningen zijn gelegen binnen de 2 kilometer zone van deze geitenhouderijen. Het initiatief richt zich niet tot kwetsbare doelgroepen en daarnaast gaat het om een klein aantal nieuwe inwoners. De nieuwe bewoners worden vooraf geïnformeerd over de ligging binnen de 2 kilometer zone van de geitenhouderij. 5b. Pluimveebedrijven Uit het VGO-2 rapport (2017) blijkt dat er binnen een straal van 1 kilometer rondom één pluimveehouderij omwonenden een verhoogd risico op longontsteking hebben. Zoals uit stap 1 blijkt is de dichtstbijzijnde pluimveehouderij gelegen op 1,78 kilometer. Er zijn geen pluimveehouderijen gelegen binnen 1 kilometer van het plangebied. Ten aanzien van de beoordeling op basis van de ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden gesteld dat het plangebied is gelegen buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is dus geen sprake van een verhoogd risico. 5c. Overige veehouderijen Indien een overige veehouderij op kortere afstand ligt dan 250 meter van een bebouwde kom is het advies om een aanvullend risicobeoordeling uit te voeren. Uit paragraaf 5.1.1 blijkt dat de omliggende paardenhouderijen en melkveehouderijen geen belemmeringen vormen voor het woon- en leefklimaat binnen het plangebied. Een aanvullend risicobeoordeling is derhalve niet benodigd.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 52 van 62 vastgesteld

6. De aanwezigheid van mestbe- of verwerking Bij een veehouderij kan mestbewerking als nevenactiviteit bij het houden van de dieren aan de orde zijn. Maar het kan ook een op zichzelf staande activiteit betreffen, waar mest van meerdere veehouderijen wordt bewerkt. Er is in de nabijheid van het plangebied geen mestbewerkings- of mestverwerkingsbedrijf aanwezig. 7. Ongerustheid bij omwonenden Indien er rond een veehouderij veel ongerustheid bestaat over het aspect volksgezondheid (gerelateerd aan de betreffende veehouderij of meerdere veehouderijen in de omgeving), dan is een advies vanuit de GGD wenselijk. Er is in de omgeving geen ongerustheid over de volksgezondheid bij omwonenden. Uit het stappenplan blijkt dat sprake is van een gezond woon- en leefklimaat en dat advies van de GGD niet nodig wordt geacht. 5.7.10 Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden beoordeeld of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een richtafstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies zoals woningen kan worden gehanteerd. Kleinere afstanden zijn mogelijk mits er een locatie specifiek onderzoek wordt uitgevoerd.

In de omgeving van het plangebied wordt geen gebruik gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Het huidig gebruik van agrarische gronden rondom het plangebied betreft akkerbouw. Binnen 50 meter van het perceel vindt er derhalve geen gebruik plaats van gewasbeschermingsmiddelen.

5.8 Milieueffectrapportage (M.e.r.) Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. Deze paragraaf bevat een toetsing aan de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (zie hierna). Kenmerken van het project  Omvang van het project  Cumulatie met andere projecten  Gebruik van natuurlijke grondstoffen  Productie van afvalstoffen  Verontreiniging en hinder  Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project  Bestaand grondgebruik  Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied  Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 53 van 62 vastgesteld

milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

hoge

bevolkingsdichtheid,

Kenmerken van het potentiële effect  Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)  Grensoverschrijdende karakter van het effect  Waarschijnlijkheid van het effect  Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Omdat het initiatief onder de drempelwaarden valt zoals aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is mede opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Tabel 8.uitwerking kenmerken van het project

Criteria Omvang van het project

Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen

Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen

Toets Het project heeft betrekking op het renoveren en verbouwen van een cultuurhistorisch pand tot twee woningen. Er is dan ook sprake van het saneren van een bedrijf, en daarvoor in de plaats het toevoegen van twee woningen. Om het initiatief mogelijk te maken wordt het bestemmingsplan gewijzigd. De bedrijfsbestemming wordt daarbij omgezet naar een woonbestemming. Het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in de D-lijst voor stedelijke ontwikkelingsprojecten Nee Nee Nee, behoudens (regulier) huishoudelijk afval wat door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt zal worden. Ook de (tijdelijke) afvalstoffen die ontstaan door de sloop en bouw worden door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt. Daarbij vindt zoveel mogelijk als kan recycling plaats Er is geen sprake van een activiteit die leidt tot verontreiniging of hinder voor het milieu Nee, het plangebied bevindt zich buiten plaatsgebonden risicocontouren en er is geen sprake van een verslechtering van het groepsrisico

Conclusie: vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 54 van 62 vastgesteld

Plaats van het project Tabel 9.uitwerking plaats van het project

Criteria Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor:  gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)  gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Toets Bedrijf N.v.t. Nee, uit de onderzoeken die in het kader van het initiatief zijn uitgevoerd, blijkt dat het project geen significante effecten veroorzaakt voor de omgeving (zie hiervoor betreffende aspecten in hoofdstuk 5 van deze toelichting) Nee Nee

Conclusie: vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Tabel 10.uitwerking gevoelig gebied

Criteria Beschermd natuurmonument Habitat- en Vogelrichtlijngebieden Watergebied van internationale betekenis EHS Landschappelijk waardevol gebied Waterwinlocaties, waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument Belvédère-gebied

Toets Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee

Conclusie: het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Conclusie milieueffectrapportage a. De woningbouwontwikkeling komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; b. De activiteit valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De daarbij genoemde drempelwaarden worden niet overschreden; c. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 2, lid 5, aanhef onder b. van het Besluit m.e.r. is voor dit initiatief een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn en dat een MER niet zinvol is.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 55 van 62 vastgesteld

Hoofstuk 6.

Toelichting op de regels

6.1 Algemeen Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. In het bestemmingsplan ‘Stationsstraat 5 Berghem – 2022’is gekozen voor een gedetailleerde regeling. Voor de opzet van de regels is aangesloten bij de “Standaardregels bestemmingsplannen Oss”. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels (artikelen 1 en 2), de bestemmingsregels (artikelen 3 t/m 5), de algemene regels (artikelen 6 t/m 11) en de overgangs- en slotregels (de artikelen 12 en 13) In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels en de bijlage toegelicht. 6.2 Regels Hoofdstuk 1: Inleidende regels - Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen.

- Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel geeft aan op welke manier het meten van in de regels genoemde begrippen moet plaatsvinden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels De in dit hoofdstuk geregelde bestemmingen zijn achtereenvolgens: - Artikel 3: Wonen Dit artikel geeft de regels van de bestemming ‘Wonen’ weer. - Artikel 4: Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog Dit artikel geeft de regels van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog’ weer. Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk geeft een aantal gebruikelijke algemene regels. Het betreft achtereenvolgens: - Artikel 5: Anti-dubbelregel - Artikel 6: Algemene bouwregels - Artikel 7: Algemene gebruiksregels - Artikel 8: Algemene aanduidingsregels - Artikel 9: Afwijken van de bouw- en gebruiksregels algemeen - Artikel 10: Wijzigingsregels - Artikel 11: Overige regels

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 56 van 62 vastgesteld

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels - Artikel 12: Overgangsrecht Dit artikel regelt het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik van gronden en bouwwerken. - Artikel 13: Slotregel Dit artikel regelt de formele titel waaronder het bestemmingsplan kan worden aangehaald. Bijlagen - Bijlage 1: Lijst met rechtstreeks toelaatbare aan-huis-gebonden activiteiten In deze bijlage is aangegeven welke beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten rechtstreeks toelaatbaar zijn in woningen. - Bijlage 2: Bedrijvenlijst In deze bijlage zijn de bedrijven opgenomen die binnen de gemeente Oss zijn toegestaan.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 57 van 62 vastgesteld

Hoofstuk 7. 7.1

Handhaving

Beleidskader

Naar aanleiding van een landelijk traject heeft de gemeente Oss in 2005 de nodige besluiten genomen om de handhaving te professionaliseren. De gemeente wil namelijk een professionele organisatie zijn. Om haar handhavingstaken zo transparant en objectief mogelijk uit te voeren, heeft zij een toezicht-, sanctieen gedoogstrategie opgesteld. De wijze waarop de gemeente handelt bij overtredingen is daarin vastgelegd. Het uitgangspunt voor handhaving is: elke norm die het verdient te worden gesteld, verdient het ook te worden gehandhaafd. De gemeente is verantwoordelijk voor het algemeen belang, dat concreet wordt in de belangen van veiligheid, volksgezondheid, natuurlijk milieu en ruimtelijke kwaliteit. Deze belangen vragen om een actieve handhaving. Een goede handhaving start echter al bij het opstellen van beleid, regels en voorschriften. Om in dit verband bestemmingsplannen actief te kunnen handhaven moet voldaan zijn aan de volgende criteria: -

het opstellen van uitvoerbaar beleid en duidelijke regels; het verstrekken van duidelijke informatie op basis waarvan burgers en bedrijven hun keuzes kunnen maken; zorgen voor de naleving van regels door middel van toezicht en de inzet van handhavingsinstrumenten.

Als primaire verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven wordt gezien: -

het aanvaarden van de consequenties van de eigen keuzes; nakoming van afspraken en naleving van regels.

In het Handhavingsprogramma wordt het concrete belang van handhaving van regels van bestemmingsplannen aangegeven. De negatieve effecten van niet-handhaving kunnen immers groot zijn, zoals schade aan natuur en ruimtelijke kwaliteit, financieel-economische schade en onveiligheid. Maar ook kunnen burgers en bedrijven worden benadeeld door illegale activiteiten van hun buren/omwonenden. De ruimte in Nederland is schaars en iedereen heeft belang bij een goede woon-, werk- en leefomgeving. De kwaliteit hiervan wordt grotendeels in bestemmingsplannen vastgelegd en die kwaliteit verdient het om te worden beschermd, onder meer door toezicht op naleving van de regels en desnoods bestuursrechtelijke handhaving. Het bestuurlijke belang van een adequate handhaving van bestemmingsplannen is dus groot, maar dat geldt ook voor de individuele belangen van burgers en bedrijven. 7.2

Professionele handhaving en handhavingsprogramma

De gemeente Oss voldoet aan de wettelijke kwaliteitscriteria voor een professionele handhavingsorganisatie. Elke vier jaar wordt er een Handhavingsprogramma opgesteld waarin de prioriteiten voor de uitvoering worden vastgelegd. Dit gebeurt na de aantreding van een nieuwe gemeenteraad en de vorming van een nieuw college van burgemeester en wethouders. Elk jaar wordt aan de hand van een probleem- of omgevingsanalyse een voortschrijdend programma gemaakt, waarin rekening wordt gehouden met gewijzigde wetgeving en de op dat moment concrete problematiek. Handhaving van bestemmingsplannen is een vaste prioriteit in het programma.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 58 van 62 vastgesteld

7.3

Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht

De regels van dit bestemmingsplan zijn getoetst op handhaafbaarheid. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voorziet in een verbod op het (laten) gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit. In beginsel worden bouwwerken die in overeenstemming zijn met het vorige bestemmingsplan positief bestemd. Hetzelfde geldt voor gebruik in overeenstemming met het vorige bestemmingsplan. Met andere woorden: bestaande rechten worden gerespecteerd. Zij zijn in beginsel alleen onder het algemene overgangsrecht gebracht als te voorzien is dat zij binnen de planperiode van tien jaar zullen verdwijnen. Als sprake is van een naar huidige beleidsinzichten onwenselijke situatie die in het vorige bestemmingsplan al onder het overgangsrecht valt, is bezien of deze onder het persoonsgebonden overgangsrecht kan worden gebracht. Dat wil zeggen dat het overgangsrecht voor de betreffende percelen is beperkt tot degenen die die percelen gebruiken op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Voortgezet gebruik door anderen wordt niet als bestaand gebruik aangemerkt. Wij geven hieraan de voorkeur boven een uitsterfconstructie. Een uitsterfconstructie houdt in feite een positieve bestemming in, die afloopt na beëindiging van het betreffende gebruik. Dit maakt opvolging in de tijd door meerdere gebruikers mogelijk.

Daarmee kan in beginsel het ongewenste gebruik eindeloos lang duren. Persoonsgebonden overgangsrecht heeft als voordeel dat het gekoppeld is aan gebruik door één specifieke gebruiker of een beperkt aantal specifieke gebruikers. Daarmee kan het ongewenste gebruik in de praktijk eerder beëindigd worden, en zeker niet eindeloos lang voort blijven duren, waarmee mee recht wordt gedaan aan de bedoeling van overgangsrecht. Het persoonsgebonden overgangsrecht heeft zeker bij situaties die illegaal zijn ontstaan onze voorkeur boven een uitsterfregeling. Daarnaast kan het voorkomen dat bouwwerken in strijd met het vorige bestemmingsplan zijn opgericht, of dat bestaand gebruik in strijd is met dat plan. Een positieve bestemming ligt dan in de rede als de met het vorige bestemmingsplan strijdige situatie naar huidige beleidsinzichten ruimtelijk aanvaardbaar is. Indien de betreffende situatie ruimtelijk niet aanvaardbaar is, zal hiertegen in beginsel handhavend worden opgetreden. Indien dat in een uitzonderlijk geval niet (meer) mogelijk is, is bezien of de situatie onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht kan worden. Overigens zijn strijdige situaties op grond van de planregels standaard uitgezonderd van het algemene overgangsrecht. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft dit voor.

Uiteindelijk is altijd maatwerk vereist om te bepalen of een positieve bestemming, algemeen overgangsrecht of persoonsgebonden overgangsrecht mogelijk is.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 59 van 62 vastgesteld

Hoofstuk 8.

Economische uitvoerbaarheid

Dit bestemmingsplan voorziet in nieuwe bouwmogelijkheden. De Grondexploitatie-wetgeving is dan ook van toepassing. Dat betekent dat meerkosten voor de planologische procedure als gevolg van particuliere ontwikkelingen dienen te worden verhaald op de initiatiefnemer(s). De verhaal van deze kosten kan op twee manieren worden geregeld, namelijk via een anterieure overeenkomst of via een exploitatieplan. De gemeente Oss heeft nadrukkelijk de voorkeur om dit via een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer te regelen omdat het opstellen van een exploitatieplan aanzienlijke meerkosten voor gemeente én initiatiefnemer tot gevolg heeft. Dit plan is een particulier initiatief. Met initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. De kosten die voortvloeien uit het plan zijn voor rekening en risico van initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. In de anterieure overeenkomst is ook vastgelegd dat de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 60 van 62 vastgesteld

Hoofstuk 9.

9.1

Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid

Omgevingsdialoog

In de periode van 21 december 2021 tot en met 28 januari 2022 is het planvoornemen met de buurtbewoners gesproken aan de hand van de tekeningen en extra informatie. Met de buurtbewoners is gesproken over het renoveren van het cultuurhistorische pand en het omzetten van de bedrijfsbestemming naar een woonbestemming. Er is gesproken met de bewoners van de Stationsstraat 3, 7 en 16 en de bewoners van Deursenseweg 2 en 2b. Alle buurtbewoners gaven aan op het eerste gezicht geen bezwaren te hebben tegen het planvoornemen.

9.2 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat ‘het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn’. Ter uitvoering daarvan zijn op 14 maart provincie Noord-Brabant, op 15 maart 2022 Waterschap Aa en op 24 maart 2022 Veiligheidsregio Brabant-Noord in de gelegenheid gesteld om te reageren op het concept ontwerpbestemmingsplan. Het plan is niet overlegd met de diensten van de Rijksoverheid, omdat het Rijk in 2012 heeft aangegeven dat vooroverleg alleen nog maar hoeft als het gaat om defensie, waterstaat en energievoorzieningen. In dit plan gaat het hier niet om en daarom is het niet voorgelegd aan het Rijk. Het vooroverleg heeft het volgende opgeleverd. 9.2.1 Waterschap Aa en Maas Waterschap Aa en Maas heeft op 28 maart 2022 aangegeven dat het concept ontwerpbestemmingsplan is beoordeeld. Naar aanleiding van de beoordeling, is geconcludeerd dat er geen ruimtelijke waterschapsbelangen van toepassing zijn. Echter, ontbreekt de beschrijving naar het actuele waterbeheerplan 2022-2027. Verder heeft het waterschap geen opmerkingen.

De vooroverlegreactie heeft geleid tot een inhoudelijke aanpassingen van het ontwerpbestemmingsplan, waarbij het waterbeheerplan 2022-2027 is opgenomen. 9.2.2 Veiligheidsregio Brabant-Noord De Veiligheidsregio Brabant-Noord heeft in een brief van 21 april 2022 aangegeven dat het plangebied op een afstand van ca 110 meter van de spoorlijn Nijmegen - ’s-Hertogenbosch ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen over plaats vindt Om deze reden dient conform artikel 8 BEVT het groepsrisico te worden beantwoord. In dit geval kan worden volstaan met een beperkte verantwoording conform artikel 8 lid 2 omdat de oriënterende waarde < 0.1 bedraagt (1) In paragraaf 5.7.3. van het plan wordt ingegaan op externe veiligheid en wordt deels invulling gegeven aan de vereiste verantwoording over het groepsrisico a.d.h.v. de beleidsvisie Externe veiligheid van de gemeente Oss. Dit advies biedt met de tekst in het plan de bouwstenen t.b.v. de verantwoording.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 61 van 62 vastgesteld

De veiligheidsregio geeft daarnaast aan dat Uit de beoordelingen blijkt dat het beste ingezet kan worden in het optimaliseren van de zelfredzaamheid. Het is belangrijk dat de bewoners bewust zijn van het risico voor hen en weten hoe te handelen als een ongeval plaats vindt. Informeer de bewoners actief hierover. Dit kan door hen te wijzen op informatie beschikbaar op de website "op 't juiste spoor" De vooroverlegreactie heeft geleid tot een inhoudelijke aanpassingen van paragraaf 5.7.3 van het ontwerpbestemmingsplan. 9.2.3 Provincie Noord-Brabant De gemeente kan met behulp van een e-formulier een ruimtelijk plan elektronisch toezenden aan de provincie Noord-Brabant. Met dat formulier is beoogd de procedure rond het wettelijk vooroverleg te verkorten. Op basis van de ingevulde ruimtelijke aspecten kan in veel gevallen worden volstaan met het invullen van het formulier. De gemeente ontvangt vervolgens via de e-mail een afschrift van de inventarisatie van de ruimtelijke aspecten, waarmee het wettelijk vooroverleg is afgerond. In het kader van het wettelijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan op 14 maart 2022 door middel van het e-formulier aangemeld bij de provincie Noord-Brabant.

De provincie Noord-Brabant heeft in een brief van 4 mei 2022 aangegeven dat zij van mening zijn dat het pand aan de Stationsstraat 5 te Berghem in voorliggend plan vooralsnog niet kan worden aangemerkt als cultuurhistorisch waardevolle bebouwing zoals bedoeld in artikel 3.69 lid c van de IOV. Het pand is immers niet opgenomen op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart en het pand is ook niet opgenomen op de gemeentelijke erfgoedkaart -dan wel monumentenlijst. Indien de gemeente op basis van een cultuurhistorisch deskundigenrapport oordeelt dat het pand cultuurhistorische waarde bevat, dient de gemeente het pand als zodanig aan te wijzen, te beschermen in het bestemmingsplan én toe te voegen aan de erfgoedkaart. De provincie is van mening dat dan beoordeeld kan worden of het pand past binnen de voorwaarden van artikel 3.69 onder c van de IOV. Dat wil zeggen of er sprake is van splitsing in twee wooneenheden met herstel van cultuurhistorische waarden want behoud is hier niet aan de orde omdat het pand zodanig verbouwd is dat het op dit moment geen karakteristieke cultuurhistorisch waardevolle kenmerken meer heeft van het oorspronkelijke pakhuis. Daarbij merkt de provincie op dat het te waarderen is om het pand te herstellen met de oorspronkelijke cultuurhistorische elementen van het pakhuis.

De provincie vraagt om aanlevering van de bouwtekeningen van de huidige, historische en toekomstige situatie om een juiste beoordeling te kunnen maken van het herstel en toekomstig behoud van de cultuurhistorische waarden. De provincie acht het plan vooralsnog niet passend binnen de voorwaarden van artikel 3.69, sub c van de IOV. De provincie merkt op dat het te waarderen is om het pand te behouden en te herstellen vanwege het beeldbepalende karakter van het pakhuis. De provincie wijst erop dat als, in dit geval, bedoeld is het beeldbepalende karakter van het pand te beschermen door het toevoegen van inpandige woningen het maatwerkartikel 3.78 lid 2, onder a van de IOV van toepassing is.

Stationsstraat 5 Berghem – 2022, pag. 62 van 62 vastgesteld

De vooroverlegreactie heeft geleid tot een inhoudelijke aanpassingen van paragraven 2.1, 3.1, 4.3.2, 5.1.2, en 5.3.4. Deze paragraven zijn aangepast naar aanleiding van het rapport ‘Cultuurhistorische analyse Stationsstraat 5 te Berghem’ dat opgenomen is als bijlage 1 en naar aanleiding van de LIR-berekening die is opgenomen als bijlage 7.

9.3

Inspraak

De gemeente is wettelijk niet verplicht om een voorontwerpbestemmingsplan te maken en daar een inspraakprocedure voor te volgen. Het gemeentelijke beleid voor de toepassing van inspraak bij ruimtelijke plannen biedt de mogelijkheid om bij kleine plannen af te zien van inspraak. Dit is aan de orde bij plannen die een beperkte impact hebben. In dit geval gaat het om het behouden van een cultuurhistorische pand door dit pand te renoveren en inpandig twee woningen te realiseren. De gemeente heeft in dit geval geen voorontwerpbestemmingsplangemaakt en dus ook geen inspraakprocedure gevolgd.

9.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van de Wet ruimtelijke ordening en de Algemene wet bestuursrecht voor iedereen gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Tegelijkertijd is het plan elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website en de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl. Burgemeester en wethouders hebben de terinzagelegging vooraf meegedeeld in het plaatselijke blad Oss Actueel, in het Gemeenteblad en op de gemeentelijke website. Iedereen kon zijn zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan bij de gemeenteraad naar voren brengen tijdens de terinzagelegging. Er zijn geen zienswijzen naar voren gebracht.

9.5 Ambtshalve wijzigingen Het bestemmingsplan bevat ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan de volgende ambtshalve wijzigingen: - De op 4 mei 2022 ontvangen vooroverlegreactie van de provincie was abusievelijk niet opgenomen in de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan. De aanpassingen die voortkwamen uit de vooroverlegreactie waren wel verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Volledigheidshalve is de vooroverlegreactie alsnog toegevoegd aan paragraaf 9.2.3. - Redactionele aanpassingen in de toelichting en de regels.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=9a612863-5e08-4711-904a-9c1bd3994771