CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Natuurtoets.pdf

Adviescommissie Ruimte 24 juni 2021, gemeente OssBij agendapunt: BI Vaststelling bestemmingsplan Herinrichting uiterwaarden Demen - Dieden16.070 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Natuurtoets Demen-Dieden Beoordeling van het voorkeursalternatief in het kader van de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Brabant (NNB) Documentcode: 17M7013.RAP.NT-v2

Natuurtoets Demen-Dieden Beoordeling van het voorkeursalternatief in het kader van de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Brabant (NNB) Documentcode: 17M7013.RAP.NT-v2 Betreft de geactualiseerde versie n.a.v. e-DNA onderzoek en berekeningen stikstofdepositie

Opdrachtgever K3Delta Postbus 200 6660 AE Elst Contactpersoon opdrachtgever De heer I. Reerink Contactpersoon LievenseCSO Mevrouw M. Springer T: 088 - 910 2010 E: MSpringer@LievenseCSO.com

Projectcode Documentnummer Versiedatum Status

17M7013 17M7013.RAP.NT-v2 21 januari 2020 Definitief

Autorisatie Documentnummer 17M7013.RAP.NT-v1 17M7013.RAP.NT-v2 Opgesteld door:

Versiedatum 17 oktober 2018 21 januari 2020 Functie

Status Eindconcept definitief Datum

M. Gehem

Adviseur ecologie

16.08.2018

J. van Mil

Adviseur ecologie

16.08.2018

Geverifieerd door:

Functie

Datum

D. van der Veen

Adviseur ecologie

23.08.2018

J. van Mil

Adviseur ecologie

17.10.2018

M. Gehem

Adviseur ecologie

21.01.2020 (NO e-DNA)

Akkoord projectleider:

Functie

Datum

M. Springer

Projectleider

17.10.2018 21.01.2020

Paraaf

Paraaf

Paraaf

LIEVENSECSO MILIEU B.V. BUNNIK

LEEUWARDEN

MAASTRICHT

Postbus 2 3980 CA Bunnik Regulierenring 6 3981 LB Bunnik

Postbus 422 8901 BE Leeuwarden Orionweg 28 8938 AH Leeuwarden

Postbus 1323 6201 BH Maastricht Sleperweg 10 6222 NK Maastricht

E-mail: info@LievenseCSO.com KvK-nummer: 30152124

Website: LievenseCSO.com BTW-nummer: NL. 8075.03.368.B.01

IBAN:NL63 ABNA 0570208009

Inhoudsopgave Hoofdstuk

Pagina

1

Inleiding ............................................................................................................................. 1

2

Wettelijk kader ................................................................................................................... 3

3

2.1 Soortenbescherming .........................................................................................................3 2.2 Gebiedenbescherming ......................................................................................................4 Onderzoeksopzet ................................................................................................................ 5

4

3.1 Onderzoeksmethode .........................................................................................................5 3.2 Effectenbeoordeling ..........................................................................................................5 Plangebied en voornemen .................................................................................................. 6 4.1 4.2 4.3

5

Huidige situatie .................................................................................................................6 Historie ..............................................................................................................................8 Voorkeursalternatief .........................................................................................................9 4.3.1 Uitgangspunten voor het ontwerp .......................................................................9 4.3.2 Omschrijving van het voorkeursalternatief ....................................................... 11 Huidige beschermde natuurwaarden ..................................................................................15 5.1

6

Beschermde Soorten ...................................................................................................... 15 5.1.1 Planten .............................................................................................................. 15 5.1.2 Grondgebonden zoogdieren ............................................................................. 15 5.1.3 Vleermuizen ...................................................................................................... 16 5.1.4 Amfibieën .......................................................................................................... 17 5.1.5 Reptielen ........................................................................................................... 17 5.1.6 Vissen ................................................................................................................ 17 5.1.7 Libellen, dagvlinders en overige ongewervelden .............................................. 17 5.1.8 Vogels ................................................................................................................ 18 5.2 Gebiedenbescherming ................................................................................................... 19 5.2.1 Natura 2000-gebieden ......................................................................................

19 5.2.2 NNN-gebieden ................................................................................................... 19 Effecten beoordeling soortenbescherming..........................................................................20

7

6.1 Algemeen ....................................................................................................................... 20 6.2 Grondgebonden zoogdieren .......................................................................................... 20 6.3 Vleermuizen ................................................................................................................... 21 6.4 Amfibieën ....................................................................................................................... 21 6.5 Vissen ............................................................................................................................. 22 6.6 Broedvogels .................................................................................................................... 22 6.7 Conclusie en advies soortenbescherming ...................................................................... 23 Effectbeoordeling gebiedenbescherming ............................................................................25 7.1

Natura 2000.................................................................................................................... 25 7.1.1 Inleiding ............................................................................................................. 25

NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

8

7.1.2 Natuurdoelen Natura 2000-gebied ................................................................... 25 7.1.3 Algemene doelen .............................................................................................. 26 7.1.4 Instandhoudingsdoelstellingen ......................................................................... 26 7.1.5 Selectie van effecten ......................................................................................... 28 7.1.6 Effectbeoordeling verzuring en vermesting ...................................................... 29 7.1.7 Conclusie ........................................................................................................... 29 7.2 Natuurnetwerk Nederland / Natuurnetwerk Brabant ................................................... 29 7.2.1 Inleiding ............................................................................................................. 29 7.2.2 Situering ............................................................................................................ 30 7.2.3 Effectbeoordeling .............................................................................................. 30 7.2.4 Wezenlijke kenmerken en waarden ..................................................................

31 7.2.5 Beheertypenkaart.............................................................................................. 31 7.2.6 Ambitiekaart ...................................................................................................... 32 7.2.7 Beoordeling van de effecten ............................................................................. 34 7.3 Conclusie ........................................................................................................................ 34 Eindconclusie .....................................................................................................................35

Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

Wetgeving en beleid Literatuur Verspreidingskaarten grondgebonden zoogdieren Verspreidingskaarten vleermuizen Verspreidingskaarten amfibieën Verspreidingskaarten vissen Verspreidingskaarten jaarrond beschermde broedvogels

NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

1

Inleiding In opdracht van K3Delta heeft LievenseCSO Milieu B.V. een Natuurtoets uitgevoerd voor het natuurontwikkelingsproject Demen-Dieden (Provincie Noord-Brabant). Natuurmonumenten en Rijkswaterstaat hebben de wens uitgesproken om circa 110 hectare (tussen rivierkilometer 183,7 t/m 188,2) opnieuw in te richten waardoor natuur zich kan ontwikkelen en de waterveiligheid wordt vergroot. In het kader van de geplande werkzaamheden is een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In deze fase van het project wordt de toetsing gedaan middels een natuurtoets aan de hand van beschikbare verspreidingsgegevens en een indicatief veldbezoek. In de natuurtoets worden de effecten van het voornemen (zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden) beoordeeld. De natuurtoets bevat de onderbouwing in het kader van de procedure van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb, zie bijlage 1). De Wnb voorziet sinds 1 januari 2017 in het wettelijk kader voor de bescherming van Natura 2000-gebieden, planten- en diersoorten en houtopstanden. In de Wnb zijn de provincies primair bevoegd gezag voor bescherming van soorten en natuurgebieden. De voorliggende natuurtoets leent zich niet direct voor een eventueel noodzakelijke ontheffingsaanvraag voor de geplande planontwikkeling.

Het doel van de natuurtoets is, om op basis van een literatuuronderzoek en een veldbezoek, een inschatting te maken of: • Beschermde planten- en diersoorten in het plangebied of directe omgeving voorkomen; • De planontwikkeling mogelijk effect(en) heeft op de al dan niet aanwezige beschermde planten- en diersoorten en of de ontwikkeling in strijd is met de Wnb soortenbescherming; • Een noodzaak aanwezig is voor het uitvoeren van een nader onderzoek naar de mogelijk voorkomende beschermde planten- en diersoorten, door gerichte veldinventarisaties volgens de geldende protocollen; • De planontwikkeling plaatsvindt in of nabij een beschermd natuurgebied (Natura 2000gebied) of het Natuurnetwerk Nederland (NNN; voormalige EHS) en of daarbij sprake is van de noodzaak voor onderzoek in het kader van de Wnb gebiedsbescherming en/of het provinciale beleid omtrent het NNN, inclusief externe werking. Zowel bij mogelijke effecten als bij onvoldoende gegevens over de mogelijke aanwezige beschermde soorten of gebieden (Natura 2000-gebieden of NNN-gebieden), volgt doorgaans het advies voor het uitvoeren van een nader onderzoek (volledige veldinventarisatie). Op basis van een nader onderzoek kan een ontheffing in het kader van het soortenbeschermingsdeel van de Wnb worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. LievenseCSO Milieu B.V.

is door Normec Certification gecertificeerd voor de ISO 9001- en de 14001-normen en heeft een eigen kwaliteitssysteem. De medewerkers van LievenseCSO Milieu B.V. zijn voor de uitvoer van flora- en faunaonderzoeken zijn VCA gecertificeerd. Daarnaast is LievenseCSO lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB).

NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

1 / 35

LievenseCSO Milieu B.V. is niet aansprakelijk voor (vervolg)schade welke kan voorkomen op basis van de inhoud en resultaten van de opgestelde quickscan. Dit rapport is opgesteld op verzoek van de opdrachtgever en is zijn eigendom.

NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

2 / 35

2

Wettelijk kader

2.1

Soortenbescherming De Wnb voorziet in de bescherming van planten- en diersoorten (zie bijlage 1). De basis wordt gevormd door de zorgplicht (artikel 1.11) waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. In de Wnb zijn hiernaast, op basis van internationale afspraken, drie beschermingsregimes opgesteld voor strikt beschermde soorten: - Artikel 3.1: Vogelrichtlijnsoorten - Artikel 3.5: Habitatrichtlijnsoorten en soorten van de Conventie van Bern Appendix II en de Conventie van Bonn Appendix I. - Artikel 3.10: Andere (nationale) soorten Elk van de drie beschermingsregimes kent zijn eigen soortenlijsten met daarbij eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffingsverlening. Voor de eerste twee beschermingsregimes sluiten deze nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere soorten geldt een minder strikt regime. In tabel 2.1 zijn de verboden per beschermingsregime opgenomen in bijlage 1 staat nader toegelicht Tabel 2.1 Verboden uit artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb

Soorten

VRL-soorten

Artikel Verboden

3.1

HRL-soorten, soorten uit bijlage I en II van de Bern 3.5 conventie en bijlage I van de Bonn conventie

Andere beschermde soorten

3.10

Lid 1. Opzettelijk doden/vangen Lid 2. Opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten/eieren Lid 3. Wegnemen van nesten Lid 4. Eieren rapen/onder zich hebben Lid 5. Opzettelijk verstoren (indien van wezenlijke invloed op de SVI) Lid 1. Opzettelijk doden/vangen Lid 2. Opzettelijk verstoren Lid 3. Eieren te rapen of vernielen Lid 4. Beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen Lid 5. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten Lid 1 a. Opzettelijk doden/vangen van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden (vernoemd in onderdeel a) Lid 1 b. Beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen van soorten (als bedoeld in onderdeel a) Lid 1 c. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten (als bedoeld in onderdeel b)

NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

3 / 35

2.2

Gebiedenbescherming De Wnb gebiedsbescherming voorziet in de bescherming van natuurgebieden van Europees belang welke behoren tot het Natura 2000-netwerk. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere plantenen diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen. De basis wordt gevormd door de zorgplicht (artikel 1.11) waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Naast de wettelijke bescherming van de Natura 2000-gebieden heeft Nederland de bescherming van andere gebieden vastgelegd in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescherming van het NNN vindt plaats door toetsing van de bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen aan het NNN-beleid. In dit hoofdstuk volgt een overzicht van alle beschermde gebieden in en rondom het plangebied.

NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

4 / 35

3

Onderzoeksopzet

3.1

Onderzoeksmethode De voorgenomen plannen zijn mogelijk in strijd met de Wet natuurbescherming en het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; ook bekend als Natuurnetwerk Brabant, NNB). Daarom is onderzoek uitgevoerd naar aanwezige of te verwachten beschermde natuurwaarden binnen de invloedssfeer van de voorgenomen activiteiten. Gestart is met een literatuuronderzoek om na te gaan of beschermde soorten bekend zijn in en rondom het plangebied. Grote delen van Nederland zijn in de afgelopen jaren reeds onderzocht op aanwezige beschermde soorten. De gegevens afkomstig van deze onderzoeken worden grotendeels gepubliceerd in boeken (soortverspreidingsatlassen), rapportages of zijn op internet te raadplegen. Hierbij is tevens gebruik gemaakt van de informatie uit de Nationale Databank Flora en Fauna1 (NDFF, 2018; geraadpleegd op 19-062018). Om een goed beeld te geven van de huidige en potentiele natuurwaarden van het gebied zijn waarnemingen vanaf 1 januari 2008 gebruikt in dit rapport2. Ook is de ligging onderzocht van het plangebied ten opzichte van (beschermde waarden van) Natura 2000gebieden en/of het NNN. De verspreiding van de te verwachten natuurwaarden zijn op GISkaarten weergeven.

3.2

Effectenbeoordeling De omvang van de werkzaamheden en de veranderingen die worden aangebracht in het plangebied vormen de basis voor de effectenbeoordeling. De effectenbeoordeling houdt rekening met tijdelijke effecten (gedurende de uitvoering van de werkzaamheden) en langdurige effecten (na de uitvoering). In hoeverre het mogelijk is om een complete effectanalyse te maken, is afhankelijk van de volledigheid en bruikbaarheid van de beschikbare verspreidingsgegevens en duidelijkheid over de uit te voeren werkzaamheden en uitvoeringsplanning. In de effectenbeoordeling wordt ervan uitgegaan dat de werkzaamheden gedurende daglichtperiode worden uitgevoerd. Omdat de exacte werkzaamheden en uitvoeringsperiode en -duur nog niet bekend zijn, wordt in de effectenbeoordeling aangegeven in welke periode veel dan wel weinig (of geen) effecten worden verwacht. Wanneer aanvullend onderzoek noodzakelijk blijkt, is dat ook beschreven, de effectenbeoordeling kan dan pas na uitvoering van het noodzakelijke soortgerichte onderzoek worden afgerond.

1 Verdere openbaarmaking van deze gegevens is alleen toegestaan met voorafgaande toestemming van BIJ12.

Ook doorlevering van de natuurgegevens op puntniveau is niet toegestaan. 2 Het bevoegd gezag hanteert bij een ontheffingsaanvraag over het algemeen de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.” NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

5 / 35

4

Plangebied en voornemen

4.1

Huidige situatie Het plangebied Demen-Dieden (figuur 4.1) omvat de Maasuiterwaarden van dijkteen tot rivieroever ter hoogte van Demen en Dieden in de gemeente Oss, vanaf Neerlangel (dijkpaal 401) tot aan de Diedensche Uiterdijk (dijkpaal 448). Het gebied is ongeveer 110 ha groot en omvat circa 4,5 kilometer rivieroever (rivierkilometer 183,7 t/m 188,2). Het gebied waarbinnen waarnemingen op kaart zijn weergegeven betreft het plangebied, inclusief een zone van 500 meter3 afstand. Dit wordt in voorliggend rapport aangeduid met invloedsgebied.

Figuur 4.1 Plan- en invloedsgebied Demen-Dieden met rivierkilometers.

Het plangebied bevindt zich binnen het traject van de MIRT-verkenning Ravenstein-Lith. Onder de noemer Meanderende Maas werkt het waterschap Aa en Maas met partners aan het versterken van de dijk tussen Ravenstein en Lith, het geven van meer ruimte aan de Maas en het ontwikkelen van het gebied. Dit zodat het gebied Ravenstein-Lith voldoet aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, die sinds 2017 van kracht zijn. De huidige situatie van het plangebied bestaat uit een overwegend agrarisch landschap (grasland en maïs) met bijbehorend (intensief) agrarisch gebruik (figuur 4.2 en 4.3). Door de hoge ligging leent het buitendijkse land zich voor het verbouwen van bieten en mais en is het nabij Demen als grasland in gebruik. De actuele natuurwaarden van de uiterwaarden zijn daardoor zeer beperkt. Alleen op de deels zandige, aangevulde oeverzones komen hier en daar enigszins soortenrijke vegetaties voor. De uiterwaard is in de loop der tijd hoog opgeslibd en overstroomt in de huidige situatie nog maar heel zelden (eens per 10 jaar). 3 500 meter als gangbare verstoringsafstand trekvogels en wintergasten NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

6 / 35

Figuur 4.2: Impressie van het plangebied (Demense Uiterwaard)

Figuur 4.3: Impressie van het plangebied (Diedense uiterwaard)

De bakenbomen zijn voor het grootste deel nog aanwezig. De rivieroever is met stenen versterkt. Bij Demen ligt, haaks op de stroomrichting van de Maas, de veerweg naar het pontje naar Batenburg. Deze veerpont vaart naar verwachting alleen in het toeristenseizoen. Aan weerszijden van de veerstoep liggen gegraven laagten met water, achter de stenen rivieroever, waarvan de meest oostelijke waterpartij in open verbinding met de maas staat. De dijk bij Demen-Dieden is voorzien van een tuimelkade en een onderbroken markante laanbeplanting, zowel één- als dubbelzijdig. Binnendijks tegen de dijk ligt een tweetal rabattenbosjes. Het dijktracé is licht slingerend, tot de scherpe bocht bij Dieden, die de oude Maasmeander markeert. NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

7 / 35

4.2

Historie De Maas is een regenrivier met van oorsprong vele meanders. De rivier heeft bij hoogwater klei en zand afgezet. De dorpen zijn gebouwd op relatief hoge zandige koppen van de oeverwal. De kleilaag in de uiterwaarden varieert sterk in dikte. Ter hoogte van Demen is het kleidek tussen de 2,5 en 3,5 meter dik. Ter hoogte van Dieden zijn in de ondergrond twee oude beddingen van de Maas herkenbaar, waar het kleipakket dikker is dan 4 meter (tot 6 meter). Sinds de bedijking vanaf de Middeleeuwen is naar verluidt al wateroverlast bij grote afvoeren. Te veel water door het smalle stroombed maakte het risico op een dijkdoorbraak groot. Eeuwenlang was om die reden de Beerse Maas, een groene rivier dwars door het Maasland, een uitweg. Ondanks de Beerse Maas waren er nog steeds dijkdoorbraken, zoals in 1925 bij Overasselt. Daarom werd de Maas in de jaren ‘30 van de vorige eeuw gekanaliseerd (en genormaliseerd; zie figuur 4.4): bochten werden rechtgetrokken, een strakke hoofdgeul gegraven en er kwam een stuw met sluizencomplexen bij Grave en bij Lith. De rivier heeft sindsdien een vast peil. De zandondergrond ligt hierdoor deels boven en deels onder het stuwpeil van de Maas (bij Lith 4,9 m +NAP). Nagenoeg de hele uiterwaard is bij de Maaswerken in de vorige eeuw afgetopt en afgevlakt.

Destijds is dwars door de uiterwaard van Demen niet alleen een nieuwe Maasbedding gegraven; een deel van de Maasoevers is destijds (30 tot 70 meter) verschoven. Over ongeveer 2 kilometer lengte zijn de oude bekribte oeverzones aangevuld met zand en klei. Parallel aan de gekanaliseerde rivierloop is de uiterwaard afgegraven, ten behoeve van een betere doorstroming. Dit wordt de Lelyzone genoemd.

Figuur 4.4: Uitsnede basiskaart landschapsouderdom (bron: Greenhouse Advies B.V.2018)

In het traject Demen-Dieden zijn de meander van Batenburg en de oude Maasarm bij Dieden herkenbaar in het landschap aanwezig (figuur 4.4). Binnendijks zijn oude dijkdoorbraken zichtbaar en het kronkelige dijktracé toont dat er meer dijkdoorbraken NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

8 / 35

hebben plaatsgevonden, maar bij de Maaswerken zijn verdwenen. Aan de Maasdijk van Dieden staan de markante korenmolen Stella Polaris (1865) en de Sint-Laurentiuskerk uit de 12e eeuw. Op de westelijke grens van het plangebied en de Diedensche Uiterwaarden, liggen binnendijks de grachtrestanten van kasteel Eerbosch (figuur 4.5). Het kasteel stond hier tot 1875. Oorspronkelijk heeft dit kasteel naar verwachting direct aan een, inmiddels vol geslibde, rivierarm gelegen.

Figuur 4.4: Uitsnede Kadastrale kaart 1811-1832,

4.3

Figuur 4.5: Schets van 't slot “Eerbosch te Dieten (Bron: Wat was Waar.nl in 1616”. Getekend door J. Stellingwerf rond 1723, naar een onbekend voorbeeld)

Voorkeursalternatief Het plangebied Demen-Dieden start aan de oostzijde met de oude rivieroever, waar toen de Batenburgse meander nog bestond. Aan de westzijde van het plangebied ligt het reeds in uitvoering zijnde project Diedensche Uiterdijk. Ook hier wordt reliëfvolgend ontkleid. Op een hoog deel van dit project is een bos ontwikkeld en is een dassenburcht aanwezig. De dijk bij de kasteellocatie naar dit bos vormt een (landbouwkundige) ontsluiting.

4.3.1

Uitgangspunten voor het ontwerp Op basis van de gebiedsverkenningen én onderlinge afspraken zijn door de initiatiefnemers een aantal uitgangspunten voor het project benoemd. De onderstaande uitgangspunten bepalen de reikwijdte van het project en de zoekruimte van de alternatieven en de scope van het project. Natuurontwikkeling - Het primaire doel is het realiseren van een aaneengesloten, gebiedsdekkend robuust, rijk gestructureerd en riviergebonden natuurgebied met een proportionele bijdrage aan hoogwaterveiligheid met meerwaarde voor de omgeving (toegankelijkheid, verrijking leefomgeving, bijdrage aan hoogwaterveiligheid, etc.). Om de gewenste invloed van de Maas op de natuur en de doorstroombaarheid te vergroten worden de uiterwaarden meerdere meters verlaagd. - Het project moet een proportionele bijdrage leveren aan de Kaderrichtlijn Water (KRW) door de aanleg van natuurvriendelijke oeverzones langs de Maas en het toevoegen van, met de Maas verbonden ondiepe, deels mee stromende en deels geïsoleerde, nevengeulen. NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

9 / 35

-

-

-

Reliëfvolgende ontkleiïng tot de onderliggende zand ondergrond is het uitgangspunt. De zandspiegel wordt vergraven op locaties waar dat ecologische gezien meerwaarde heeft. In het gehele plangebied wordt de verrijkte bovengrond afgegraven. Ook in de terreindelen waar klei blijft zitten, wordt deze voedselrijke bovengrond verwijderd. Dit omdat het oppervlak open water anders te groot wordt. In de dijkbeschermingszone A vindt geen verlaging plaats.

Landschapsversterking - Het streven is het landschap goed beleefbaar en leesbaar maken en de samenhang tussen rivier en uiterwaarden enerzijds alsmede de verticale samenhang anderzijds te versterken. De ontstaansgeschiedenis wordt waar mogelijk, door de vormgeving van de ingrepen, zichtbaar gemaakt. - De bestaande bakenbomen zijn ingepast in het ontwerp. De gemeente Oss wenst (een duurzaam) behoud van de bakenbomen. Hier is actieve herplant voor nodig. Het ontwerp geeft de mogelijkheid om nieuwe bakenbomen op het verlaagde maaiveld te planten. Rivierverruiming - Rivierverruiming is niet het primaire doel, maar het project beoogt wél een proportionele bijdrage te leveren aan de verruiming van de afvoercapaciteit bij hoogwater. Dijkzone - Het plangebied omvat de Maasuiterwaarden vanaf de rivieroever tot de teen van de waterkering. Het zomerbed, de dijk en het binnendijks gebied zijn géén onderdeel van het plangebied. - Dijkverbetering is géén onderdeel van het project. Het project anticipeert waar mogelijk wel op de aanstaande dijkversterking (ruimte voor verbreding, voorlandverbetering, strategische voorraadvorming) mits dit de voortgang van het project niet beperkt. - In de dijkzone wordt in dit stadium van de planvorming uitgegaan van een principeoplossing met betrekking tot de piping lengte.

NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

10 / 35

Recreatie - Het gebied wordt vrij toegankelijk voor extensieve natuurgerichte recreatie (struinen, wandelen, vissen). Er worden slechts spaarzaam recreatieve voorzieningen aangelegd (toegangen, parkeervoorzieningen, informatieborden). Het gebied wordt niet toegankelijk voor ruiters (en menners) teneinde conflicten met de grazende dieren bij voorbaat te vermijden. De aan te leggen wateren worden niet toegankelijk voor gemotoriseerde watersport (dus wel voor kanoën e.d.). - Het toeristische fietsveer Batenburg-Megen blijft bestaan en wordt in overleg met de eigenaar/beheerder ingepast in het ontwerp. Terreinbeheer en eigendommen - Conform de Natuurvisie ‘MeerMaas’ is een integraal beheer en natuurgerichte seizoensbegrazing het uitgangspunt voor het beheer. Jaarrondbegrazing is in de toekomst mogelijk. Uitvoering - Het moet mogelijk zijn om de uitvoering van het project in de oeverzone (RWS-deel) en het overige plangebied (NM-deel), respectievelijk 1/3 en 2/3 van het totale oppervlak, los van elkaar te realiseren. - Niet-vermarktbare vrijkomende specie (onder meer bovengrond, onbruikbare kleilagen en zand) wordt in principe binnen het gebied toegepast. Er wordt géén zand gewonnen. Uitwisseling tegen wel vermarktbare klei is mogelijk, doch alleen daar waar dat bijdraagt aan de projectdoelen.

- De werkzaamheden worden, voor het NM-deel, in pas met de afzetmogelijkheden van de klei, gefaseerd uitgevoerd. Ontgraven terreindelen worden na maximaal 3 jaar definitief opgeleverd naar tevredenheid van de opdrachtgever. De werkrichting is in principe van west naar oost. - De uitvoering vindt gefaseerd plaats. De uitvoeringssnelheid wordt afgestemd op de jaarlijks beschikbare ruimte om de vrijkomende klei direct af te zetten. De totale uitvoering neemt circa 7-10 jaar in beslag; een en ander is afhankelijk van de markt. - Op enig moment zal niet meer dan 30% van het plangebied in uitvoering zijn. 4.3.2

Omschrijving van het voorkeursalternatief Kern van het project is een maaiveldverlaging middels aanleg van geulen (buiten de beschermingszone) in de uiterwaard (figuur 4.6) tot op de onderliggende zandondergrond. Tussen de geulen vormt het verlaagde maaiveld de basis voor natuurontwikkeling. Dit bestaat uit een gevarieerde grasvegetatie, overwegend open, met spontaan gevestigde kruiden, waar door zorgvuldig beheer een beperkt oppervlakte struweel en bomen tot ontwikkeling kunnen komen. Ter hoogte van Demen ontstaat een brede meestromende ondiepe zandige oevergeul. Deze geul is tweezijdig aangetakt aan de rivier, met instroomdrempels onder het stuwpeil. Tussen de geul en de Maas ontstaan zandige platen en eilanden daar waar de zandspiegel hoger ligt dan het stuwpeil. De geul is zo vormgegeven dat door het rivierwater steile buitenbochten en flauwe binnenbochten ontstaan. In de buitenbocht ontstaan steilranden, dit is gunstig voor bijvoorbeeld oeverzwaluwen en ijsvogels. In de flauwe binnenbochten zijn de stroomsnelheden beperkt, waardoor hier zich oever- en watervegetaties ontwikkelen. NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

11 / 35

Figuur 4.6: ontwerptekening voorkeursalternatief NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

12 / 35

De nieuwe Demense geul grenst in het oosten aan de hoger liggende oever, die verwijst naar de oude oever van de Batenburgse Maasmeander. Om het contrast tussen de hoge oude oever en de nieuwe verlaagde zandige geul in de zandige omgeving te accentueren, wordt een struinpad op hoogte naar de instroomopening gemaaid. Het veer naar Batenburg behoudt zijn toegang in de vorm van een brede vlonder. Na ontkleien wordt de vlonder ondersteund door een landhoofd op een eilandje. Doordat de Demense geul relatief breed is en dat de bestaande laagten nabij de veerstoep in het ontwerp worden opgenomen, behoudt Demen de visuele relatie met de rivier. Naar verwachting wordt de Maas vanaf de omgeving van de Veerweg zelfs beter zichtbaar. De geul van Demen wordt aan de westzijde begrensd door de oude maasoever van de Batenburgse meander. Dit terrein wordt tot op kribhoogte afgegraven, zodat deze oude Maasoever herkenbaar wordt. Tussen Demen en Dieden wordt geen klei gewonnen. De uiterwaard is hier zo smal dat verlagen binnen de dijkbeschermingszone zou vallen. Wel wordt hier voorzien in een pad berijdbaar door rolstoelgebruikers. Dit pad sluit aan op bestaande dijkafritten, zodat een ommetje ontstaat. Ten westen van Dieden worden twee geulen aangelegd. Dicht bij de dijk komt een nagenoeg permanent van de Maas geïsoleerde geul waar waterplanten groeien.

(voor deze geul geldt de (vegetatierijke) meander van de oude Maas in de Diedensche Uiterdijk als voorbeeldgebied) De geïsoleerde geul ligt op de plaats waar op de historische kaart ook een geul is te zien. De tussengelegen gronden zijn in deze uiterwaard slechts lokaal zandig. Het kleipakket is hier zo dik, dat door alles afgraven alleen water zou ontstaan. Daar blijft een deel van de klei achter. Tussen de geïsoleerde geul en de rivier komt een kleine meestromende geul. Het tracé van deze geul is afgeleid van de historische situatie: hier lag vroeger een oude kade. Nabij de geïsoleerde geul is de Lelyzone in de huidige situatie plaatselijk nog redelijk zichtbaar. Doordat de dijkzone niet af gegraven wordt, blijft de Lelyzone als terreinsprong herkenbaar. Tegenover het voormalig kasteel vervalt het landbouwpad. Hier wordt de Lelylijn de nieuwe oever van de geïsoleerde geul, waardoor een terreinsprong ontstaat. Bovenop de steilrand (figuur 4.6) is over een breedte van ca 40 meter de mogelijkheid vanaf de dijk te wandelen in de richting van het bestaande bos. Het terrein ten zuiden van deze Lelylijn is aangewezen als uitwissellocatie. Dat betekent dat er, buiten een royale zone om het bos, tussen Lelyzone, dijkzone en de aanwezige Maasheg klei wordt gewonnen. Het maaiveld wordt na ontkleien aangevuld in aansluiting op de bestaande laagte in de dijkzone.

Hier wordt in de dijkzone eveneens niet afgegraven. De mogelijke archeologische waarden van deze dijkzone maakt afgraven onverstandig. Bovendien is er al sprake van een laagte.

NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

13 / 35

Voor de oever van het zomerbed over het gehele traject Demen-Dieden voorziet het ontwerp in aanleg van een natuurlijke oever door het verwijderen van de stortsteen en verlaging van de uiterwaard tot op de zandondergrond. Ter plekke van de oeveraanvullingen worden de oude kribben (aangelegd rond 1854-1891) zo mogelijk blootgelegd. De bakenbomen zijn van landschappelijke waarde en worden waar mogelijk ingepast in het ontwerp. Dat betekent dat de bakenbomen dan op kleine verhogingen komen te staan, ruim om de stam en in stroomrichting ovaal, nadat het terrein om de bomen is verlaagd.

NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

14 / 35

5

Huidige beschermde natuurwaarden

5.1

Beschermde Soorten

5.1.1

Planten Vanuit de beschikbare verspreidingsgegevens (NDFF 2018) zijn, binnen de invloedssfeer van het plangebied, geen waarnemingen bekend van beschermde plantensoorten. Op basis van terreinkenmerken, habitateisen en recente verspreidingsgegevens wordt het voorkomen van beschermde plantensoorten binnen het plangebied niet verwacht.

5.1.2

Grondgebonden zoogdieren De verspreidingsgegevens van grondgebonden zoogdieren (Broekhuizen et al. 2016; NDFF 2018) geven aan dat in het invloedsgebied van het plangebied diverse beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn waargenomen (bijlage 3). Voor veel van de mogelijk voorkomende soorten (onder andere aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, veldmuis en vos) geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling (Provincie Noord-Brabant 2016). Dit wil zeggen dat voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen ontheffing van de Wnb hoeft te worden aangevraagd. Voor deze groep soorten geldt echter wel, net als voor niet beschermde soorten, te allen tijde de zorgplicht. Deze vrijstelling geldt niet voor de binnen de invloedssfeer waargenomen bever en das. Mogelijk komen ook marterachtigen als bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel in het plangebied voor. - Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen als wilg en es. Langs de oevers van de Maas en de wateren bij het voetveer is geschikt foerageergebied aanwezig. In het planbied zijn beversporen bekend (figuur 5.1).

Zichtwaarnemingen zijn bekend vanuit de Diedensche Uiterdijk direct ten westen van het plangebied. Recente waarnemingen (2016) van vraatsporen worden vermeld in de Middelwaard direct ten zuidoosten van het plangebied. Het plangebied heeft door het groot en deels agrarisch gebruik nagenoeg geen functie voor bever. De aanwezigheid van burchten wordt op basis van terreinkenmerken en recente verspreidingsgegevens niet verwacht. - De das komt voor in een breed scala aan biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook andere open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn geschikte leefgebieden. Binnen het plangebied zijn zichtwaarnemingen en sporen bekend nabij en in de Diedensche Uiterdijk (figuur 5.1). In 2018 is nabij Demen een dood exemplaar aangetroffen. Op een hoog deel ten westen van het plangebied is in een bos een dassenburcht aanwezig. - De bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel komen voor in een breed scala aan biotopen maar hebben de voorkeur voor kleinschalig landschap met voldoende dekking, deze dekking bestaat onder andere uit oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden. De bunzing is gebonden aan waterrijke gebieden, de steenmarter en wezel komen naast waterrijke gebieden ook in drogere gebieden voor.

Het huidige plangebied heeft een open karakter met enkele ruige NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

15 / 35

graslanden. Naast de bakenbomen is, bij het fiets- en voetveer, een bosschage aanwezig en wordt de zuidzijde van het plangebied grotendeels begrensd door een bomenrij/laan. Het plangebied vormt een beperkt geschikt potentieel leefgebied. Omdat deze martersoorten een territorium hebben van meerdere hectares kan het plangebied onderdeel uitmaken van het leefgebied van deze soorten.

Figuur 5.1: Waarnemingen van bever en das binnen de invloedssfeer.

5.1.3

Vleermuizen De verspreidingsgegevens van vleermuizen (Broekhuizen et. al. 2016; NDFF 2018) geven aan dat binnen de invloedssfeer van het plangebied diverse vleermuissoorten kunnen voorkomen. Alle vleermuizen zijn strikt beschermd conform de Wnb. Binnen het invloedsgebied voorkomen vleermuissoorten zijn baardvleermuis, Brandts vleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (bijlage 4). Mogelijk komen ook rosse vleermuis en watervleermuis in het invloedsgebied voor. Vleermuizen maken gebruik van lijnelementen bestaande uit bijvoorbeeld watergangen en bomenrijen. Er zijn binnen het plangebied geen doorgaande lijnelementen met bomen aanwezig. De rivier vormt wel een doorgaand lijnelement. De bomen op de dijk en de bakenbomen langs de maas zijn in potentie wel geschikt, maar vormen geen onderdeel van het plangebied. In het plangebied is beperkte dekking aanwezig (bomen aan de noord en zuidzijde van de begrenzing van het plangebied). Naar verwachting maken met name de graslanden onderdeel uit van het foerageergebied. Boven deze percelen zal met name gefoerageerd worden in de nabijheid van bomen (dekking). Gezien de beperkte dekking wordt geen essentieel foerageergebied verwacht.

NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

16 / 35

In het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig, verblijfplaatsen van typische gebouw bewonende (bijvoorbeeld gewone dwergvleermuis) soorten worden binnen het plangebied niet verwacht. De bomen op de dijk en de bakenbomen langs de maas zijn in potentie geschikt als verblijfplaats van boombewonende soorten en soorten die zowel in bomen als gebouwen voorkomen. 5.1.4

Amfibieën De verspreidingsgegevens van amfibieën (NDFF 2018; RAVON 2016) geven aan dat binnen de invloedssfeer van het plangebied diverse amfibieënsoorten aanwezig zijn (bijlage 5). Voor veel van de mogelijk voorkomende soorten (onder andere bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander) geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling (Provincie Noord-Brabant, 2016). Dit wil zeggen dat voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen ontheffing van de Wnb hoeft te worden aangevraagd. Voor deze groep soorten geldt echter wel, net als voor niet beschermde soorten, te allen tijde de zorgplicht. Deze vrijstelling geldt niet voor de in de verspreidingsgegevens vermelde kamsalamander. Deze soort is aanwezig in het rabattenbos bij Demen. In het plangebied zijn een tweetal mogelijk geschikte voortplantingswateren aanwezig nabij het voetveer. Deze wateren zijn echter in zeer beperkte mate geschikt vanwege de aanwezigheid van vis.

5.1.5

Reptielen Uit verspreidingsgegevens blijkt dat er binnen het invloedsgebied de afgelopen tien jaar geen beschermde reptielensoorten zijn waargenomen (NDFF 2018; RAVON, 2016). Op basis van terreinkenmerken, habitateisen (Creemers & Van Delft, 2009) en recente verspreidingsgegevens wordt de aanwezigheid van beschermde reptielensoorten uitgesloten.

5.1.6

Vissen Uit de beschikbare verspreidingsgegevens (NDFF 2018; RAVON 2016) blijkt dat binnen het invloedsgebied de beschermde grote modderkruiper aanwezig is (bijlage 6). Op basis van terreinkenmerken, habitateisen (Creemers & Van Delft, 2009) en recente verspreidingsgegevens worden andere beschermde vissoorten uitgesloten. De grote modderkruiper is aanwezig buiten het plangebied, in enkele binnendijkse wateren bij Dieden. Deze soort heeft een voorkeur voor verlandende wateren in laag dynamische overstromingsvlakten en moerasgebieden. Ze prefereert ondiepe wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige waterplantengroei. Op basis van deze gegevens is het niet uit te sluiten dat grote modderkruiper voorkomt in de poelen nabij de veerpont. Er zijn geen andere jaarrond watervoerende watergangen in het plangebied aanwezig.

5.1.7

Libellen, dagvlinders en overige ongewervelden Vanuit de verspreidingsgegevens (NDFF 2018, Bos et al. 2006; vlinderstichting.nl) van libellen, dagvlinders en overige ongewervelden zijn binnen 1 kilometer van het plangebied geen waarnemingen bekend van beschermde libellen- of dagvlindersoorten of overige soorten ongewervelden. Op basis van terreinkenmerken, habitateisen en recente NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

17 / 35

verspreidingsgegevens wordt de aanwezigheid van beschermde ongewervelden in het plangebied uitgesloten. 5.1.8

Vogels In voorliggend onderzoek is geen systematische broedvogelinventarisatie uitgevoerd. Op basis van expert judgement en bekende verspreidingsgegevens (onder andere NDFF 20184) is beoordeeld welke soorten aanwezig kunnen zijn in het onderzoeksgebied. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen algemeen voorkomende broedvogels en soorten met jaarrond beschermde nesten. Algemeen beschermde (broed-) vogels Op basis van de beschikbare verspreidingsgegevens (NDFF 2018) is het voorkomen van diverse algemeen beschermde vogelsoorten binnen het plangebied bekend. Waarnemingen van broedende exemplaren zijn bekend van onder andere houtduif, ringmus, spreeuw en witte kwikstaart. Door beperkte dekking zullen slechts enkele individuen van zangvogels nestelen in het plangebied. Buiten het plangebied is dekking aanwezig die geschikt is als broedlocatie. Binnen het plangebied is beperkt open water aanwezig waardoor broedgevallen van watervogels waarschijnlijk niet tot beperkt aanwezig zullen zijn. De graslanden en akkerranden zijn geschikt voor hoender- en weidevogelsoorten die voorkomen in het plangebied, broedgevallen van deze soorten kunnen niet worden uitgesloten.

Vogels met jaarrond beschermde nesten Vanuit de beschikbare verspreidingsgegevens zijn binnen de invloedssfeer waarnemingen bekend van de volgende soorten: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil en zwarte wouw (bijlage 7). Deze soorten hebben hun in de meeste gevallen hun nest of rustplaats in bomen, kunstmatige nesten of op/in gebouwen. Door het ontbreken van gebouwen in het plangebied kan het voorkomen van jaarrond beschermde nesten van gierzwaluw, huismus en steenuil worden uitgesloten. Van roek en steenuil zijn waarnemingen bekend van nestindicerend gedrag. Voor de andere soorten (boomvalk, buizerd, havik, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer en wespendief) geldt dat zij foerageren in halfopen tot open terrein in de nabijheid van bomen waarin zij een (tijdelijke) verblijfplaats hebben. Het is niet uit te sluiten dat in de bakenbomen aan de noordzijde en de rijbeplanting aan de zuidzijde nest- of rustplaatsen aanwezig zijn van deze soorten.

4

In de gegevens van het NDFF is niet geselecteerd op type waarnemingen zoals, bijvoorbeeld enkel broedvogeltellingen voor de vogels. De waarnemingen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie betreffen een overzicht van alle op het moment van opvragen goedgekeurde actuele waarnemingen, dus ook losse waarnemingen en niet alleen broedgevallen. NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

18 / 35

5.2

Gebiedenbescherming

5.2.1

Natura 2000-gebieden Het plangebied heeft geen status als Natura 2000-gebied, het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ‘Rijntakken’ ligt op circa 7 kilometer ten noorden van het plangebied (zie hoofdstuk 7). ‘De ‘Rijntakken’ zijn aangewezen als Habitat- en Vogelrichtlijngebied. Op grotere afstand liggen andere Natura 2000-gebieden zoals ‘Sint Jansberg’ (20 kilometer), ‘De Bruuk’ (21,5 kilometer) en ‘Oeffelter Meent’ (22,5 kilometer).

5.2.2

NNN-gebieden Het plangebied valt binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of Natuurnetwerk Brabant (NNB; hoofdstuk 8). Een groot deel bestaat uit nog om te vormen agrarisch gebied. Daarnaast zijn binnen de begrenzing van het plangebied de types N01.03 Rivier- en moeraslandschap, N12.04 Zilt- en overstromingsgrasland en N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos aanwezig. Buiten de begrenzing van het plangebied zijn de types N01.03, N04.02 Zoete plas, N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland, N14.03 haagbeuken- en essenbossen, N16.03 Droog bos met productie en N17.05 Wilgengriend aanwezig.

NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

19 / 35

6

Effecten beoordeling soortenbescherming

6.1

Algemeen Op basis van het literatuuronderzoek en veldbezoek wordt geconcludeerd dat er beschermde grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën, vissen en algemeen en jaarrond beschermde broedvogelsoorten in het plangebied kunnen voorkomen. De aanwezigheid van andere beschermde soorten en negatieve effecten op deze soorten als gevolg van de realisatie van het voorkeursalternatief worden uitgesloten.

6.2

Grondgebonden zoogdieren Algemeen beschermde soorten In het plangebied komen algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën voor. Voor de te verwachten soorten geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling (Provincie Noord-Brabant, 2016). Dit wil zeggen dat voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen ontheffing van de Wnb hoeft te worden aangevraagd. Voor deze soorten geldt echter te allen tijde de zorgplicht. Omdat deze soorten jaarrond actief kunnen zijn kan geen werk voorkeursperiode worden aangegeven. Voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen is voor de algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren geen nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wnb nodig. Bever Het plangebied is langs de randen geschikt als foerageergebied voor de bever. De aanwezigheid van burchten is niet bekend binnen het plangebied en wordt op basis van de aanwezigheid van stortsteen langs de oevers uitgesloten. Het plangebied heeft geen essentiële functies. Na herinrichting van het plangebied zal het areaal geschikte leefgebied voor deze soort toenemen. Het voornemen heeft een positieve invloed op de bever door realisatie van leefgebied voor deze soort. Omdat het plan geen negatieve effecten heef is een ontheffing niet nodig.

Das en andere marterachtigen Het plangebied is onderdeel van het leefgebied van de das en mogelijk ook voor bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel. Er zijn geen bekende verblijfplaatsen in het plangebied aanwezig. Net buiten het plangebied is aan de westzijde een dassenburcht bekend. Door de herinrichting verandert het areaal geschikt foerageergebied en is deze (tijdelijk) minder geschikt voor deze soorten. Het areaal gaat echter niet verloren, waardoor uitvoering van het voorkeursalternatief geen negatieve gevolgen heeft voor de populaties van deze soorten. Voor de realisatie van het voornemen is nader onderzoek of een ontheffing voor de das, bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel niet nodig.

NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

20 / 35

6.3

Vleermuizen Vliegroutes en foerageergebieden Opgaande lijnvormige structuren en open water kunnen fungeren als vliegroute en foerageergebied voor baardvleermuis, Brandts vleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. In het planbied zijn (met uitzondering van de rivier) geen doorgaande lijnelementen aanwezig. De rivier vormt wel een lijnelement, maar deze vliegroute functie wordt binnen dit project niet aangetast. Er worden daarmee geen effecten op essentiële vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen verwacht. Verblijfplaatsen Potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen zijn binnen het invloedsgebied aanwezig in de vorm van bomen op de dijk en de bakenbomen langs de Maas. Geen van deze bomen zullen gekapt worden, waardoor met zekerheid geen verblijfplaatsen aangetast zullen worden. Voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen is voor vleermuizen geen nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wnb nodig.

6.4

Amfibieën Algemeen beschermde soorten In het plangebied komen algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën voor. Voor de te verwachten soorten geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling (Provincie Noord-Brabant, 2016). Dit wil zeggen dat voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen ontheffing van de Wnb hoeft te worden aangevraagd. Voor deze soorten geldt echter te allen tijde de zorgplicht. Omdat deze soorten jaarrond actief kunnen zijn kan geen voorkeursperiode worden aangegeven. Voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen is voor de algemeen beschermde amfibieën geen nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wnb nodig. Kamsalamander Van de kamsalamander zijn enkele waarnemingen bekend in het invloedsgebied. Op basis van de beschikbare verspreidingsgegevens is er een kleine kans op effecten op kamsalamander, omdat er leefgebied in de directe omgeving van het dijktraject aanwezig is. Hoewel de kans zeer laag is, is de soort daardoor mogelijk ook aanwezig in de waterpartijen bij het voetveer. Door gerichte inventarisatie van deze wateren uit te voeren kan hierover duidelijkheid worden gegeven. Actualisatie januari 2020 Voor de soort kamsalamander is uit de natuurtoets naar voren gekomen dat het plangebied in potentie geschikt leefgebied is voor kamsalamander.

Deze soort kan mogelijke schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling op de locatie. Daarom is in twee poelen met eDNA onderzocht of deze soort daadwerkelijk aanwezig is. Op basis van de uitkomsten van het eDNA onderzoek is gebleken dat er geen DNA sporen zijn

NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

21 / 35

aangetroffen van de kamsalamander. Daarom kan worden geconcludeerd dat beide poelen geen onderdeel uitmaken van het leefgebied van kamsalamander5. Voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen is voor de kamsalamander geen nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wnb nodig. 6.5

Vissen Grote modderkruiper Van de grote modderkruiper zijn enkele waarnemingen bekend in het invloedsgebied. Op basis van de beschikbare verspreidingsgegevens is er een kleine kans op effecten op deze soort, omdat er leefgebied in de directe omgeving van het dijktraject aanwezig is. Mogelijk is de soort ook aanwezig in de waterpartijen bij het voetveer. Door gerichte inventarisatie van deze wateren uit te voeren kan hierover duidelijkheid worden gegeven. Voor de soort grote modderkruiper is uit de natuurtoets naar voren gekomen dat het plangebied in potentie geschikt leefgebied is voor grote modderkruiper. Deze soort kan mogelijke schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling op de locatie. Daarom is in twee poelen met eDNA onderzocht of deze soort daadwerkelijk aanwezig is. Op basis van de uitkomsten van het eDNA onderzoek is gebleken dat er geen DNA sporen zijn aangetroffen van de grote modderkruiper. Daarom kan worden geconcludeerd dat beide poelen geen onderdeel uitmaken van het leefgebied van grote modderkruiper6. Voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen is voor de grote modderkruiper geen nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wnb nodig.

6.6

Broedvogels Algemene broedvogels Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren. Voor werkzaamheden met schadelijke effecten op broedvogels wordt veelal geen ontheffing verleend, omdat het (starten van de) uitvoering van de werkzaamheden buiten het broedseizoen over het algemeen een goed alternatief vormt. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode tussen half maart en half augustus worden aangehouden als broedseizoen. Rekening houden met het broedseizoen is derhalve een belangrijke randvoorwaarde voor voorliggend project. Het plangebied is in potentie geschikt als broedlocatie van algemene broedvogels. Negatieve effecten op algemene broedvogels kunnen niet zonder meer worden uitgesloten. 5 6

Lievense, 17M007013_ECO NO grote modderkruiper en kamsalamander_v1 Lievense, 17M007013_ECO NO grote modderkruiper en kamsalamander_v1

NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

22 / 35

Het aanvragen van een ontheffing voor deze soortgroep is niet mogelijk. Door buiten het broedseizoen te werken, het opstarten van de werkzaamheden voor start van het broedseizoen en / of het treffen van preventieve maatregelen ter voorkoming van (nieuw) vestiging, kunnen negatieve effecten, en daarmee een overtreding van de Wnb worden voorkomen. Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Voor een aantal broedvogelsoorten geldt dat de nestlocaties inclusief de functionele omgeving jaarrond beschermd zijn7. Bij verstoring of vernieling van nesten of leefgebied moet voor deze soorten ook buiten het broedseizoen een ontheffing aangevraagd worden. Op basis van de beschikbare verspreidingsgegevens kunnen boomvalk, buizerd, havik, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer en zwarte wouw binnen het invloedsgebied een jaarrond beschermde nestplaats hebben. De aanwezigheid van andere vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie wordt op basis van terreinkenmerken, habitateisen en recente verspreidingsgegevens uitgesloten. Binnen het invloedsgebied zijn in potentie diverse verblijfplaatsen / nestlocaties van deze soorten aanwezig (onder andere horsten en roestplaatsen), waaronder de bomen op de dijk en de bakenbomen langs de Maas. Geen van deze bomen zullen gekapt worden, waardoor met zekerheid geen verblijfplaatsen / nestlocaties aangetast zullen worden.

Het voornemen heeft geen negatieve effecten op vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestplaats. Een ontheffing is niet nodig. 6.7

Conclusie en advies soortenbescherming Uit de uitgevoerde verkenning blijkt dat de voorgenomen maatregelen (negatieve) effecten hebben op een selectie van beschermde soorten. Tabel 6.1 geeft een opsomming van de te verwachten effecten op beschermde soorten als gevolg van uitvoering van het voorkeursalternatief. Uit het overzicht blijkt dat geen nader onderzoek danwel ontheffing nodig is voor realisatie van het voorkeursontwerp.

7

Onder jaarrond beschermde nesten van broedvogels wordt verstaan: in functie zijnde nesten van de ooievaar, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek, wespendief, zwarte wouw, slechtvalk, sperwer, steenuil, kerkuil, oehoe, gierzwaluw, grote gele kwikstaart en huismus. Voor sommige andere soorten geldt dat de nesten jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen (Voormalige Dienst Regelingen, 2009, thans de RVO) NATUURTOETS DEMEN-DIEDEN | BEOORDELING VAN HET VOORKEURSALTERNATIEF IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING EN HET NATUURNETWERK BRABANT (NNB) | DOCUMENTCODE: 17M7013.RAP.NT-V2

23 / 35

Tabel 6.1: Overzicht van (potentiele) effecten op beschermde soorten Zoogdieren Bever

Das

Marterachtigen

Mogelijk effect Kans op tijdelijke verstoring van verblijfplaatsen en leefgebied Kans op tijdelijke verstoring van leefgebied Kans op tijdelijke verstoring van leefgebied

Nader onderzoek

Ontheffing

Nee

Geen ontheffing nodig

Nee

Geen ontheffing nodig

Nee

Geen ontheffing nodig

Nee

Geen ontheffing nodig

Nee

Geen ontheffing nodig

Nee

Geen ontheffing nodig

Nee

Geen ontheffing nodig

Nee

Geen ontheffing mogelijk

Nee

Geen ontheffing nodig

Vleermuizen Vliegroutes en foerageergebied

Geen negatieve gevolgen

Verblijfplaatsen in

Kans op aantasting van verblijfplaatsen

bomen

in de te kappen bomen

Amfibieën Kamsalamander

Kans op aantasting leefgebied en verblijfplaatsen

Vissen Grote modderkruiper

Kans op aantasting leefgebied en verblijfplaatsen

Broedvogels Algemeen beschermd Jaarrond beschermd

Aantasting van verblijfplaatsen in het broedseizoen niet toegestaan Geen negatieve gevolgen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=1ae907a7-b53a-43b1-9133-419698e2bce3