CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Bijlage XXI planMER - Omgang advies Commissie mer

Gemeenteraad 22 mei 2025, gemeente OssBij agendapunt: B Duurzame Polder - goedkeuring voorkeursalternatief3.326 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

NOTITIE

Onderwerp Project Opdrachtgever Projectcode Status Datum Referentie

Omgang advies Commissie mer Duurzame Polder Gemeente Oss en gemeente 's-Hertogenbosch 134741 Concept 01 18 november 2024 134741/24-016.516

Dit document is geautoriseerd en intern aantoonbaar vrijgegeven conform het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001.

Bijlage(n)

-

In deze notitie is aangegeven op welke wijze het tussentijds toetsingsadvies (5 juli 2023) van de Commissie mer op de varianten is verwerkt in het planMER Duurzame Polder. In de eerste kolom van tabel 1 is het advies van de Commissie mer weergegeven. Vervolgens is in de tweede kolom weergegeven hoe dit advies is verwerkt in het planMER.

Tabel 1 Overzicht verwerking van advies van de Commissie mer Advies commissie mer

Manier waarop advies is verwerkt

Pagina 2: Binnen de varianten zijn nog geen voorbeeldopstellingen of plaatsingszones gedefinieerd. De Commissie adviseert om meer invulling te geven aan de plaatsingsmogelijkheden binnen de varianten.

Paragraaf 6.1 van het planMER (Variantenontwikkeling) beschrijft dat binnen de varianten plaatsingszones zijn geselecteerd: zones waarbinnen windturbines geplaatst kunnen worden. De verschillende plaatsingszones vormen samen de variant. Daarnaast zijn per variant voorbeeldopstellingen gemaakt. Deze zijn te vinden in bijlage VIII en bieden inzicht in de mogelijke opstellingen binnen de plaatsingszones.

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Daalsesingel 51c | Postbus 24087 | 3502 MB Utrecht | +31 (0)30 765 19 00 | www.witteveenbos.com | KvK 38020751

Advies commissie mer

Manier waarop advies is verwerkt

Pagina 2: Bij alle varianten zijn beperkingen vanuit natuur nog niet voldoende meegenomen. De Commissie adviseert natuurinformatie in dit stadium al zo volwaardig mogelijk mee te nemen.

De variant natuur is aangepast ten opzichte van de variant waarop de Commissie mer advies heeft uitgebracht. Hiervoor heeft een verdieping op ecologische waarden en effecten plaatsgevonden. De overige varianten zijn niet aangepast op basis van beperkingen vanuit natuur. Dit past bij de strategie om vanuit de hoeken van het speelveld de mogelijkheden te onderzoeken in het planMER. Dit betekent dat de andere varianten zijn ingestoken vanuit een zo optimaal mogelijke inrichting vanuit andere thema’s dan natuur.

Pagina 2: Duidelijkheid over de ontwerpconsequenties van de laagvliegroutes van defensie en de dekking van radarstations is in dit stadium belangrijk. Indien het niet mogelijk is nu al duidelijkheid te verkrijgen, beschrijf dan in het MER de consequenties van dit informatiegebrek.

De gemeenten hebben een radarhinderonderzoek laten uitvoeren door TNO. De resultaten daarvan zijn opgenomen in paragraaf 14.4. Op basis van de informatie die beschikbaar is over het gebruik van Defensie van het laagvlieggebied en de laagvliegroute zijn de effecten van de verschillende varianten en het voorkeursalternatief beschouwd (zie paragraaf 7.4.2 en 14.3.4). Ondanks deze informatie heeft dit alsnog tot een kennisleemte geleid. In hoofdstuk 15 (kennisleemten) is deze kennisleemte benoemd.

Pagina 2, 3: Het MER moet in ieder geval de onderstaande informatie bevatten: een navolgbare locatieonderbouwing voor een windturbinepark in de Duurzame polder. Beschrijf de rol die milieuargumenten bij de locatiekeuze spelen. Dit is ook relevant omdat op dit moment in de polder geen windturbines zijn toegestaan; verdere uitwerking varianten plaatsingsgebieden. De Commissie adviseert ook beperkingen vanuit natuur (zoals noodzakelijke natuurcompensatie) en luchtvaart zoveel als mogelijk al mee te nemen. Vul het overgebleven gebied op hoofdlijnen in met voorbeeldopstellingen van turbines. Alleen dan is het mogelijk zones te onderzoeken en te vergelijken op hun milieugevolgen; een vergelijking van de varianten op hun milieugevolgen. Hierdoor krijgen de gemeenten goed inzicht in de milieu voor- en nadelen van de keuze voor een voorkeursvariant. Besluitvormers en insprekers lezen in de eerste plaats de samenvatting van het MER. Daarom verdient dit onderdeel bijzondere aandacht. De samenvatting moet als zelfstandig document leesbaar zijn en een goede afspiegeling zijn van de inhoud van het MER.

-

Pagina 4: De Commissie adviseert in het MER de geschiedenis [van het project Duurzame Polder], de betrokken partijen, de daarin gezette stappen en de (raads)besluiten duidelijk en navolgbaar samen te vatten. Hierdoor wordt ook duidelijk(er) hoe de verschillende stappen en besluiten zich tot elkaar verhouden. Beschrijf welke rol milieu-informatie hierbij gespeeld heeft.

Paragraaf 1.1 van het planMER (Voorgenomen project: Duurzame Polder) beschrijft het proces dat is doorlopen en de besluiten die zijn genomen.

Pagina 4: Laat op hoofdlijnen zien of binnen het grondgebied van beide gemeenten of in de directe omgeving andere, vergelijkbare locaties denkbaar zijn voor een windturbinepark. Indien deze voorhanden zijn, vergelijk deze locaties dan op hoofdlijnen op hun milieugevolgen.

Paragraaf 1.1.5 (Locatiekeuze Duurzame Polder) beschrijft welke overige locaties binnen beide gemeenten voorhanden zijn voor windenergie en waarom voor de Duurzame Polder is gekozen. Op hoofdlijnen wordt ook beschreven op welke wijze milieueffecten daarbij zijn betrokken.

Pagina 5: Onderbouw vervolgens de keuze voor de gemaakte locatie. Laat hierbij zien welke rol milieuargumenten hierbij spelen of hebben gespeeld.

2|6

Witteveen+Bos | 134741/24-016.516 | Concept 01

-

-

navolgbare locatieonderbouwing: Paragraaf 1.1.5 (Locatiekeuze Duurzame Polder) beschrijft welke overige locaties binnen beide gemeenten voorhanden zijn voor windenergie en waarom voor de Duurzame Polder is gekozen; verdere uitwerking varianten plaatsingsgebieden: Paragraaf 6.1 van het planMER (Variantenontwikkeling) beschrijft dat binnen de varianten plaatsingszones zijn geselecteerd. Daarnaast zijn per variant voorbeeldopstellingen gemaakt. Deze zijn te vinden in bijlage VIII en bieden inzicht in de mogelijke opstellingen binnen de plaatsingszones; een vergelijking van de varianten op hun milieugevolgen: in het planMER zijn de verschillende varianten met elkaar vergeleken. In paragraaf 7.6 (Samenvatting effectbeoordeling varianten) is het resultaat daarvan te zien. Ook is in hoofdstuk 0 een zelfstandig leesbare samenvatting opgenomen.

Advies commissie mer

Manier waarop advies is verwerkt

Pagina 5: Zet vervolgens het bestaande gebruik van de polder en doelen van de verschillende overheden goed op een rij. De Commissie denkt hierbij in ieder geval aan: klimaatdoelen uit de RES 1.0 NOB; huidig agrarisch gebruik van de polder; natuur, de polder is een belangrijk weidevogelgebied en deels onderdeel van NNB; luchtvaart, laagvliegroutes Defensie en eventuele radarverstoring; woningbouwplannen van beide gemeenten.

De doelstellingen van de gemeenten voor de polder zijn benoemd in hoofdstuk 1. In paragraaf 3.5 wordt het beleid van beide gemeenten uiteengezet, waarbij ook wordt ingegaan op het plangebied. Hoofdstuk 4 bevat de beschrijving van de huidige situatie van de polder, waaronder het agrarisch gebruik, natuur, luchtvaart, laagvliegroutes, radars en woningbouwplannen.

Pagina 5: Na het planMER zullen later omgevingsvergunningen en andere besluiten genomen worden voor de realisatie van het voornemen (denk bijvoorbeeld aan mogelijke aanpassing en verplaatsingen van NNB en laagvliegroutes). Geef aan welke besluiten dit zijn, wie daarvoor het bevoegde gezag is en wat globaal de planning is.

In paragraaf 1.1.1. (Aanleiding) is geschetst hoe de procedure na het planMER eruit ziet.

Pagina 5: De Commissie adviseert in het planMER te starten met een korte uitleg hoe de varianten samen hangen met eerder naar buiten gebrachte denkrichtingen, varianten, opstellingsprincipes etc.

In paragraaf 6.1 van het planMER (Variantenontwikkeling) is het proces van het ontwikkelen van de varianten, inclusief de samenhang met denkrichtingen en opstellingsprincipes toegelicht.

Pagina 6: Het is mogelijk en nodig om telgegevens en ecologisch onderzoek en monitoring te vertalen naar verspreidingskaarten per soort/soortgroep en aantallen en trends te beschrijven. Doel is hiermee een beter zicht te krijgen op de (on)mogelijkheden die de huidige en toekomstige natuurwaarden in de polder met zich meebrengen.

Door middel van verschillende ecologische onderzoeken is zo goed als mogelijk in de huidige fase in beeld gebracht waar welke soorten kunnen voorkomen. Hierbij is ook aandacht gegeven aan de aantallen en trends. Bij een concreet initiatief is voor het projectMER vervolgonderzoek nodig.

Pagina 6: Maak met deze gegevens een onderbouwde, globale inschatting van zowel het verlies aan natuurpotentieel per variant en de omvang van wat door middel van natuurvriendelijke inrichtingen elders in het gebied gecompenseerd moet worden. Deze informatie is relevant om tijdig zicht te krijgen op de beschikbare plaatsingsruimte en de daarmee samenhangende mate van compensatie in het iteratieve vormgevingsproces van de plaatsingszones. Motiveer hiertoe kort de (ecologische) haalbaarheid van elke variant inclusief de omvang van de benodigde compensatie en pas de desbetreffende variant aan waar nodig. Ga hierbij ook in op eventueel benodigde compensatie in het kader van het NNB

In het planMER is onderzocht wat de effecten zijn op natuur van de verschillende varianten. Dit effectenonderzoek is opgenomen in hoofdstuk 7. Hierbij is nog niet ingegaan op concrete maatregelen voor compensatie. Vervolgens is voor het VKA nader onderzocht wat de ecologische haalbaarheid is en welke maatregelen nodig en mogelijk zijn voor compensatie. Dit is beschreven in een ecologische risicoanalyse (bijlage XVII), Passende Beoordeling (bijlage XVIII) en een Nee-tenzij toets (bijlage XIX).

Pagina 7: Bij de varianten stellen de gemeenten dat de effecten ‘voor de gehele groene zone worden onderzocht'. De Commissie adviseert een andere aanpak. Bekijk op basis van de overgebleven opstellingsruimte, nadat rekening gehouden is met natuur en waar mogelijk luchtvaart, in elke variant welke opstellingsprincipes / voorbeeldopstellingen(en) van windturbines mogelijk zijn opdat deze landschappelijk het beste passen. Leg vervolgens per variant kort het landschappelijke verhaal uit.

Na het ontvangen van het advies van de Commissie mer zijn de varianten op verschillende punten aangescherpt en zijn voorbeeldopstellingen ontwikkeld (bijlage VIII). Dit heeft met name voor de variant Natuur geleid tot aanzienlijke wijzigingen. Hiervoor heeft een verdieping op ecologische waarden en effecten plaatsgevonden. De overige varianten zijn niet aangepast op basis van beperkingen vanuit natuur. Dit past bij de strategie om vanuit de hoeken van het speelveld de mogelijkheden te onderzoeken in het planMER. Ten aanzien van beperkingen vanuit Defensie geldt dat deze vrijwel het gehele gebied beslaan en in deze fase nog geen beperking hebben opgelegd voor de verdere uitwerking van de varianten. Per variant is ook toegelicht hoe de plaatsingszones aansluiten bij de denkrichtingen (het landschappelijke verhaal) van H+N+S landschapsarchitecten.

3|6

Witteveen+Bos | 134741/24-016.516 | Concept 01

Advies commissie mer

Manier waarop advies is verwerkt

Pagina 7: Variant 2, geluid: bij het vormgeven van plaatsingszones adviseert de Commissie om ook te bezien in hoeverre solitaire woningen een obstakel (kunnen) vormen en het meenemen daarvan als molenaarswoningen kan leiden tot betere opstellingsmogelijkheden.

In paragraaf 6.1 van het planMER (Variantenontwikkeling) is toegelicht dat voor de varianten Landschap, Natuur en Restruimte minder afstand tot woningen is aangehouden, om de mogelijkheid voor molenaarswoningen te onderzoeken.

Pagina 7, 8: Variant 3, landschap: onderzoek voor variant 3 twee voorbeelduitwerkingen: variant 3 zoals nu voorgesteld, de plaatsingszone wordt begrensd door landschappelijke structuren die door bewoners in en rondom de polder als duidelijke lijnen in het landschap worden ervaren; een uitwerking waarin onderzocht is in hoeverre lange(re) lijnen mogelijk zijn. Deze geven namelijk een rustiger en logischer landschappelijk beeld, zoals de gemeenten in de eerdere studie tussenrapport ‘denkrichtingen en varianten’ ook concludeerden. Daarnaast komen hiermee landschappelijke verschillen met andere varianten beter in beeld. Het meenemen van molenaarswoningen kan ook hier leiden tot betere opstellingsmogelijkheden.

Paragraaf 6.1 van het planMER (Variantenontwikkeling) beschrijft de twee subvarianten van de variant Landschap. Deze zijn geoptimaliseerd naar aanleiding van het advies van de Commissie mer. Variant Landschap 1 kent twee plaatsingszones waar lange lijnen mogelijk zijn. Landschap 2 bestaat uit één plaatsingszone waar lange lijnen mogelijk zijn. Bij beide varianten is ook minder afstand tot woningen aangehouden, om de mogelijkheid voor molenaarswoningen te onderzoeken.

Pagina 8: Variant 4, natuur: de Commissie adviseert een optimaal plan voor natuurcompensatie in deze variant op te nemen. Een variant waarbij ook ingezet wordt op het zoveel mogelijk versterken van natuur binnen de hele polder.

De variant natuur is geoptimaliseerd en houdt rekening met de natuurwaarden in het gebied. Voor de effectbeoordeling is gekeken naar de effecten van windturbines binnen de verschillende varianten. Compensatie vraagstukken zijn geen onderdeel van de varianten en volgen uit het effectenonderzoek. Dit is wel onderdeel van het Programma Duurzame Polder.

Pagina 8: De Commissie adviseert de deelopgaven voor de deelgebieden waar mogelijk al uit te werken. Het zou namelijk kunnen leiden tot nieuwe en kansrijke mitigerende maatregelen voor landschap of natuur.

Binnen de integrale gebiedsontwikkeling zijn per deelgebied ruimtelijke principes op hoofdlijnen en op principeniveau bepaald, zonder een exacte ruimtelijke invulling vast te leggen. Dit past bij het detail- en schaalniveau van het programma dat de gemeenten willen opstellen. In het planMER worden de kansen en aandachtspunten vanuit milieu van de ruimtelijke principes beschouwd (zie hoofdstuk 12 en 13 van het planMER).

Pagina 9: Beschrijf de bestaande toestand van het milieu in het studiegebied. Beschrijf ook de te verwachten milieutoestand als gevolg van de autonome ontwikkeling, als referentie voor de te verwachten milieueffecten. Ga bij beschrijving van deze ontwikkeling uit van te verwachten veranderingen in de huidige activiteiten in het studiegebied, en van nieuwe activiteiten waarover reeds is besloten.

Hoofdstuk 4 van het planMER beschrijft de referentiesituatie.

Pagina 9: Onderbouw de keuze van de rekenregels/-modellen en van de gegevens waarmee de gevolgen worden bepaald. Ga ook in op de onzekerheden in deze bepaling. Onderscheid daarbij onzekerheden in de kwaliteit van de gegevens (bron, ouderdom, betrouwbaarheid, e.d.). Vertaal dit zo mogelijk in een bandbreedte voor de genoemde gevolgen en geef aan wat dit betekent voor de vergelijking van de varianten met de referentie.

Voor het planMER is steeds aangegeven welke rekenregels of -modellen zijn gebruikt. Dit zijn onder andere Aerius Calculator, Geomilieu, de NSG- en Vercammen curve en de methode Miedema. Dit zijn recente en gangbare rekenmodellen en beoordelingsmethoden.

Pagina 9: Natuur Beschrijf de ecologische gevolgen van opstellingen van windturbines in de Duurzame polder (sterfte door aanvaring, barrièrewerking, aantasting leefgebied) in de aanleg- en gebruiksfase. De beschrijving van de effecten in de aanlegfase kan kwalitatief.

In het planMER wordt benoemd hoe de effecten op natuur voor de verschillende natuurwaarden zijn onderzocht. Hierbij is ingegaan op zowel de aanlegfase als de gebruiksfase en is aangegeven welke fase het meest maatgevend is voor het bepalen van de effecten. Voor de onderzoeken is gebruik gemaakt van bestaande (openbare) data en zijn aanvullende analyses uitgevoerd. Hierbij is ook expert judgement toegepast om de effecten in deze fase (planMER) zo goed als mogelijk te duiden.

Bij windparken kunnen de effecten in de gebruiksfase beperkt blijven tot vogels en vleermuizen. Ga bij de beschrijving uit van de functie(s) van de zoekgebieden voor de relevante soorten, waaronder broeden, slaapplaatsen vogels, rust- en verblijfsplaatsen, vliegroutes, foerageergebieden etc.

4|6

Witteveen+Bos | 134741/24-016.516 | Concept 01

Advies commissie mer Vat vervolgens per variant effecten (sterfte door aanvaring, barrièrewerking, aantasting leefgebied) samen voor zowel de aanlegfase (inclusief eventuele hersteltijd) als de gebruiksfase (ecologische kwaliteiten en waarden NNB en de lokale of regionale Staat van Instandhouding per soort of soortgroep).

Manier waarop advies is verwerkt Aanvullend heeft Waardenburg Ecology in een ecologische risicoanalyse (bijlage XVII) gebieden (per soort) aangeduid waar opstellingen van windturbines nadelige gevolgen kunnen hebben. Dit onderzoek is gebruikt om de effecten van het voorkeursalternatief te bepalen.

Pagina 9, 10: Stikstofdepositie Geef in het planMER aan of voor stikstof knelpunten te verwachten zijn, hoe de varianten daarin eventueel verschillen en hoe daarmee omgegaan kan worden.

Paragraaf 7.3.1 van het planMER (Stikstofeffecten op Natura 2000-gebieden) beschrijft welke effecten als gevolg van stikstofdepositie te verwachten zijn. Hierbij geldt dat een proefberekening is gemaakt met de Aerius Calculator. Op deze manier is op hoofdlijnen een beeld geschetst van de effecten. Vervolgens zijn in paragraaf 10.3 onder andere voor stikstofdepositie verschillende opties voor mitigerende maatregelen genoemd. Ook de Passende Beoordeling, opgesteld door TAUW voor het voorkeursalternatief, gaat in op de te verwachten effecten van stikstofdepositie (zie paragraaf 14.3.3 van het planMER). Hieruit blijkt dat er mitigerende maatregelen mogelijk zijn, waardoor er naar verwachting geen sprake zal zijn van een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstofdepositie.

Pagina 10: Toetsing aan wet- en regelgeving Toets de gevolgen per alternatief aan de beschermingsregimes voor gebieden en soorten uit de provinciale omgevingsverordening, de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet na inwerkingtreding. Wees hierbij ten aanzien van vogels bedacht op externe werking op Natura 2000 gebieden op grotere afstand (slaapplaatsfunctie).

Voor de effectbeoordeling van het thema Natuur zijn de effecten op Natura 2000gebieden, Natuurnetwerk Brabant (NNB), rusten foerageergebied voor ganzen en smienten en de effecten op beschermde plant- en diersoorten beoordeeld.

Geef ook aan of er in de polder ecologische hotspots zijn waarbij op voorhand te verwachten is dat de natuurwetgeving aan de ontheffing/omgevingsvergunning voor een windpark in de weg zal staan.

Hierbij is ook ingegaan op ecologische hotspots. Ook de aanvullende risicoanalyse (bijlage XVII) van Waardenburg Ecology heeft ‘hotspots’ geïdentificeerd.

Indien de ecologische kenmerken en waarden van het NNB beïnvloed worden doorloop dan het beschermingsregime uit de provinciale (interim)Omgevingsverordening. Als blijkt dat een Passende beoordeling opgesteld moet worden, dan adviseert de Commissie om deze op te nemen in het MER. Dan staat alle milieu-informatie over het project bij elkaar en wordt duidelijk in hoeverre varianten uitvoerbaar zijn.

Ten behoeve van het beschermingsregime van het NNB is door TAUW een Nee, tenzij-toets uitgevoerd (bijlage XIX). Door TAUW is een Passende beoordeling (bijlage XVIII) opgesteld voor het voorkeursalternatief. Deze is betrokken bij de beoordeling van het VKA (hoofdstuk 14). De resultaten van de Ecologische risicoanalyse, de Nee, tenzij-toets en de Passende beoordeling zijn opgenomen in hoofdstuk 14 (Voorkeursalternatief).

Pagina 10: Landschap De Commissie adviseert de al bestaande landschappelijke visualisaties te (her)gebruiken als basis om de varianten op hun landschappelijke effecten te vergelijken. Presenteer visualisaties vanaf ooghoogte, van dichtbij en van grotere afstand, vergezeld van een beschrijving van het beeld. Belangrijk is dat een beeld beschikbaar is: • van het landschap voor de ingreep; • van het landschap als het windturbinepark gerealiseerd is;

5|6

Witteveen+Bos | 134741/24-016.516 | Concept 01

Voor de varianten zijn verschillende visualisaties gemaakt (bijlage IX). Deze zijn gebruikt voor de effectbeoordelingen. Hierbij is bepaald vanaf welke locaties de meeste mensen zicht hebben op de windturbines. Dit zijn primair de randen van het gebied.

Advies commissie mer

Manier waarop advies is verwerkt

• vanaf belangrijke (recreatieve) routes in/door het gebied. Nu wordt vooral vanuit de randen geredeneerd. Bepaal in het MER op basis van de visualisaties en daarvan afgeleide landschappelijke effecten het totaaleffect op het landschap van een variant. Pagina 11: Leefomgeving Gezien het abstracte karakter van dit deel van het MER (deel 1) adviseert de Commissie om van de varianten (plaatsingszones) globaal de Ldengeluidcontouren van 45 en 47 dB vast te stellen, alsmede het aantal woningen/ gehinderden binnen deze contouren. Een Lden-contour van 40 of 42 dB is zinvol om per variant een beeld te krijgen van de te verwachten geluidbelasting op de woonkernen, zeker wanneer varianten plaatsing van turbines binnen de vastgestelde ‘1 en 2 km-zones vanaf woonkernen’ voorzien.

Paragraaf 7.5.2 van het planMER (Effecten op geluidsbelasting op geluidgevoelige gebouwen) brengt de geluidcontouren in beeld die volgen uit het hanteren van een maximale geluidbelasting van 47 dB Lden, 45 dB Lden, 42 dB Lden en 40 dB Lden op de gevel van gevoelige bestemmingen. Ook is het aantal geluidgehinderden binnen deze contouren inzichtelijk gemaakt. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in woningen en overige objecten.

Pagina 11: Energieopbrengst Geef per variant de energieopbrengst per jaar voor wind aan, uitgaande van de twee turbinevarianten die de gemeente wil onderzoeken (3,6 en 7,2 MW). Bepaal hiermee de jaarlijkse energieopbrengst op hoofdlijnen. Voor het abstractieniveau van dit plan-MER is een gedetailleerder onderzoek niet zinvol.

Per variant (m.u.v. variant Restruimte) is de theoretische energieopbrengst per jaar berekend voor beide turbinetypes (terug te vinden in paragraaf 6.2 t/m 6.5 en paragraaf 7.6).

Geef – voor kwantificeerbare grootheden, zoals geluid en vogel/ vleermuisslachtoffers - ook de relatieve effecten per kWh weer; op deze wijze kunnen varianten met substantieel verschillende opwekpotenties toch goed worden vergeleken.

6|6

Witteveen+Bos | 134741/24-016.516 | Concept 01

De effecten per kWh zijn niet gekwantificeerd. Dit is ons inziens niet passend bij het detailniveau van het planMER, waarbij gezocht wordt naar mogelijkheden voor windturbines. In het vervolg kan dit advies wel worden opgenomen, zodra meer bekend is over de exacte turbinelocaties en wanneer specifiek onderzoek beschikbaar is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=651b75e9-04ac-46b3-8d35-101ba8419546