Bijlage 3 - Bijlage XVI planMER - Ecologische risicoanalyse Duurzame Polder
Tekst van het document
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
25
van de geplande windturbines worden in de beoordeling dan ook niet als onderscheidend criterium meegenomen. Wel geldt dat windturbines met een grote rotordiameter en lage ashoogte (lage tiplaagte) vaak schadelijker zijn (Behr et al. 2018). Omdat voor vleermuizen mogelijk sprake is van voorzienbare sterfte, is sprake van schadelijke handelingen in het kader van de Ow en is een omgevingsvergunning voor een flora- en activiteit nodig en/of dienen maatregelen te worden genomen om dit te voorkomen. Voor de omgevingsvergunningaanvraag is nader onderzoek nodig om vast te kunnen stellen voor welke vleermuissoorten een omgevingsvergunning aangevraagd dient te worden en of het aantal slachtoffers de gunstige staat van instandhouding (GSI) van de betrokken soorten in het geding kan brengen.
Stilstandvoorziening t.b.v. van vleermuizen Het toepassen van een stilstandvoorziening op de windturbines is een beproefde methode om het aantal vleermuisslachtoffers sterk te reduceren (met een stilstandvoorziening die is afgestemd op de lokaal vastgestelde vleermuisactiviteit kan een reductie van zeker 80% worden behaald (Lagrange et al. 2013)). Nader onderzoek moet uitwijzen of een stilstandvoorziening voor windturbines binnen het zoekgebied Duurzame Polder noodzakelijk is. Gelet op de relatief grote aantallen rosse vleermuizen die door het zoekgebied vliegen, is de kans aannemelijk dat een stilstandvoorziening op alle windturbines noodzakelijk is.
4.3
Overige beschermde soorten
4.3.1
Flora Uit de NDFF (2024) zijn geen waarnemingen van strikt beschermde flora binnen het zoekgebied bekend. Het zoekgebied biedt geen tot slechts marginaal geschikt habitat voor strikt beschermde flora. In het zoekgebied en directe omgeving komen wel diverse plantensoorten voor die op de Rode lijst staan (o.a. kamgras, kattendoorn, korenbloem etc.). Dit is i.h.k.v. de specifieke zorgplicht relevant (zie §1.2.1). Het betreft voornamelijk groeilocaties als uiterwaarden, dijktaluds en bosschages (NDFF 2024). Windturbines zijn vaak gesitueerd op intensief agrarische percelen, waar vaak geen planten van de Rode lijst staan. De effecten op deze soorten flora worden daarom klein geacht. Bij een concreet initiatief wordt wel aanbevolen om een quick scan uit te voeren, waarbij ook de (tijdelijke) toegangswegen en andere voorzieningen moeten worden meegenomen.
4.3.2
Ongewervelden In (de omgeving van) het zoekgebied komen twee soorten ongewervelden voor die strikt beschermd zijn onder de Ow (NDFF 2024). Het gaat om de vlindersoorten: grote vos en veldparelmoervlinder. Indien geen waardplanten (voornamelijk iep, maar ook populier,
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
26
wilgen en sleedoorn voor grote vos; voornamelijk smalle weegbree, maar ook ereprijs, knoopkruid en muizenoor voor veldparelmoervlinder) worden verwijderd tijdens de aanlegfase van het windinitiatief kunnen negatieve effecten op deze vlindersoorten op voorhand uitgesloten worden. Negatieve effecten op ongewervelden tijdens de gebruiksfase van het windinitiatief zijn op voorhand uitgesloten. In het zoekgebied en directe omgeving komen wel diverse plantensoorten voor die op de Rode lijst staan (o.a. vlinders, krekels, bijen en hommels). Dit is i.h.k.v. de specifieke zorgplicht relevant (zie §1.2.1). De waarnemingen zijn voornamelijk gedaan op locaties als uiterwaarden, dijktaluds en bosschages (NDFF 2024). Windturbines zijn vaak gesitueerd op intensief agrarische percelen, waar vaak geen waardplanten van soorten van de Rode lijst staan. De effecten op deze soorten ongewervelden worden daarom klein geacht. Bij een concreet initiatief wordt wel aanbevolen om een quick scan uit te voeren, waarbij ook de (tijdelijke) toegangswegen en andere voorzieningen moeten worden meegenomen.
4.3.3
Vissen In het zoekgebied en directe omgeving is de aanwezigheid van grote modderkruiper vastgesteld (NDFF 2024), deze soort is strikt beschermd onder de Ow. Indien de wateren ongemoeid blijven kunnen effecten op deze soort tijdens de bouwfase op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op de grote modderkruiper tijdens de gebruiksfase van windturbines zijn op voorhand uitgesloten.
De aanwezigheid van grote modderkruiper wordt ook bevestigd door het onderzoek van Altenburg & Wymenga: “Op basis van de eDNA resultaten in combinatie met de gegevens van de NDFF is te concluderen dat vrijwel alle watergangen binnen het onderzoeksgebied deel uitmaken van het leefgebied van de Grote modderkruiper “ (Koopmans et al. 2021).
In het zoekgebied en directe omgeving komen daarnaast vissen voor die op de Rode lijst staan (alver, rivierprik en zeeprik). Dit is i.h.k.v. de specifieke zorgplicht relevant (zie §1.2.1). Voor deze soorten geldt hetzelfde als voor de grote modderkruiper: indien de wateren ongemoeid blijven kunnen effecten op deze soorten tijdens de bouwfase op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten tijdens de gebruiksfase van windturbines zijn op voorhand uitgesloten.
4.3.4
Amfibieën Binnen en nabij het zoekgebied zijn waarnemingen van amfibieën bekend die door de provincie Noord-Brabant zijn aangewezen als vergunningvrije gevallen bij ruimtelijke ingrepen, zoals bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander, (NDFF 2024). Wel dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht voor deze soorten.
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
27
In het zoekgebied en directe omgeving is de aanwezigheid van kamsalamander, rugstreeppad en alpenwatersalamander vastgesteld (NDFF 2024), deze soorten zijn strikt beschermd onder de Ow. Deze soorten is voornamelijk in poelen op de grens van het zoekgebied waargenomen. Het is echter niet uitgesloten dat deze soort ook buiten de betreffende wateren aanwezig is (bijvoorbeeld overwinteringsplaatsen). Indien wateren ongemoeid blijven worden effecten op beschermde soorten amfibieën klein geacht. Bij een concreet alternatief wordt aanbevolen om nader in het veld te controleren of leefgebied voor de beschermde amfibieën aanwezig is. Effecten tijdens de gebruiksfase zijn op voorhand uitgesloten. Binnen het zoekgebied zijn daarnaast waarnemingen bekend van groene kikker (onb; mogelijk de beschermde poelkikker, NDFF 2024). Deze soort is in diverse wateren binnen het zoekgebied waargenomen. Het is echter niet uitgesloten dat deze soort ook buiten de betreffende wateren aanwezig is (bijvoorbeeld overwinteringsplaatsen). Zie de conclusie van de andere beschermde amfibieënsoorten voor de effectbeoordeling.
Het beeld uit de NDFF is op hoofdlijnen vergelijkbaar met het onderzoek van Altenburg & Wymenga (Koopmans et al. 2021). Dit rapport beschrijft het volgende: “Tijdens het onderzoek zijn vijf soorten amfibieën (bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en poelkikker) waargenomen. Heikikker en Kamsalamander zijn niet in het gebied aangetroffen. In een aantal sloten in het onderzoeksgebied is de beschermde Poelkikker aangetroffen. Alle Poelkikkers die tijdens het vis- en amfibieën onderzoek zijn aangetroffen, waren aanwezig in één sloot langs de Lithergraaf. Daarnaast is er tijdens het kooronderzoek nog kooractiviteit van Poelkikkers waargenomen langs de ecologische verbindingszone tussen de Hertogswetering en het gebied van Brabant Water”.
4.3.5
Reptielen Binnen het zoekgebied en directe omgeving zijn diverse waarnemingen levendbarende hagedis bekend (NDFF 2024). Deze soort is voornamelijk in bij kleine zandverstuivingen nabij Nuland waargenomen, maar het is niet uitgesloten dat deze soort ook buiten deze locatie aanwezig is. Windturbines zijn vaak gesitueerd op intensief agrarische percelen, die geen onderdeel zijn van essentieel leefgebied van deze soort. De effecten op beschermde soorten reptielen worden daarom klein geacht. Afhankelijk van de definitieve windturbineposities kunnen effecten op beschermde reptielen optreden. Zodra de exacte werkzaamheden ten behoeve van de bouw van de windturbines bekend zijn wordt toetsing van de mogelijke effecten op voornoemde reptielen aanbevolen. Effecten tijdens de gebruiksfase zijn op voorhand uitgesloten.
4.3.6
Grondgebonden zoogdieren Binnen en nabij het zoekgebied zijn waarnemingen van grondgebonden zoogdieren bekend die door de provincie Noord-Brabant zijn aangewezen als vergunningvrije gevallen bij ruimtelijke ingrepen, zoals aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel,
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
28
haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat (NDFF 2024). Wel dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht voor deze soorten. Binnen het zoekgebied zijn daarnaast waarnemingen bekend van de beschermde soorten bever, bunzing, das, eekhoorn, steenmarter, wezel en wolf (NDFF 2024). Afhankelijk van de definitieve windturbineposities kunnen effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren optreden. Zodra de exacte werkzaamheden ten behoeve van de bouw van de windturbines bekend zijn wordt toetsing van de mogelijke effecten op voornoemde zoogdieren aanbevolen, waaronder een ‘habitatgeschiktheidsonderzoek kleine marterachtigen’. Effecten tijdens de gebruiksfase zijn op voorhand uitgesloten.
Het beeld uit de NDFF is op hoofdlijnen vergelijkbaar met het onderzoek van Waardenburg Ecology (Verbeek et al. 2022). Dit rapport beschrijft het volgende: “In het populierenbosje aan de Tweede Hoefsteeg werd op 27 maart 2020 een bewoonde dassenburcht aangetroffen. Er waren veel recente graafsporen aanwezig en er werden haren van dassen aangetroffen. In 2021 is het bosje (buiten dit project om) gekapt. In de modder op het perceel zijn sporen aangetroffen van reeën, konijnen, vossen en egels”. Daarnaast vermeldt Waardenburg Ecology het volgende: “Van de kleine marterachtigen zijn in 2022 de wezel en de hermelijn waargenomen in het plangebied. Op de sporenvellen zijn naast de sporen van de wezel en de hermelijn sporen gevonden van muizen, bruine rat, konijn, egel, kikker en kleine zangvogels”.
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
29
5 Natuur Netwerk Brabant Binnen het zoekgebied zijn delen van het Natuur Netwerk Brabant (NNB) gelegen (zie Figuur 5.1). De bouw en het gebruik van windturbines kan effecten hebben op de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het NNB, waarmee een negatief effect op het functioneren van het NNB niet kan worden uitgesloten. De plaatsing van windturbines binnen het NNB is niet zonder meer toegestaan, want een dergelijke ontwikkeling moet aan een aantal voorwaarden voldoen (Omgevingsverordening Noord-Brabant 2024). Zo geldt een compensatieplicht naar de regels van de omgevingsverordening Brabant. Het NNB kent daarnaast externe werking. Ook hier geldt een compensatieplicht voor. In voorliggende ecologische risicoanalyse worden de effecten op het NNB beschreven en getoetst voor zowel windturbineposities binnen als buiten de begrenzing van het NNB, los gezien van de ruimtelijke (on)mogelijkheid.
Figuur 5.1
5.1
Natuur Netwerk Brabant in de (ruime) omgeving van het zoekgebied Duurzame Polder.
NNB beheertypen binnen het zoekgebied Binnen het zoekgebied komen meerdere beheertypen van het NNB voor (zie Tabel 5.1 en Figuur 5.2).
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
30
Tabel 5.1
Natuurbeheertypen binnen het zoekgebied
Natuurbeheertypen binnen het zoekgebied N01.03 Rivier- en moeraslandschap
N12.05 Kruiden- en faunarijke akker
N03.01 Beek en bron
N13.01 Vochtig weidevogelgrasland
N04.02 Zoete plas
N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos
N05.02 Gemaaid rietland
N14.03 Haagbeuken- en essenbos
N05.04 Dynamisch Moeras
N16.03 Droog bos met productie
N11.01 Droog schraalgrasland
N16.04 Vochtig bos met productie
N12.01 Bloemdijk
N17.04 Eendenkooi
N12.02 Kruiden- en faunarijke akker
N17.05 Wilgengriend
Ernstige aantasting of negatieve invloed op het functioneren van andere beheertypen van het NNB, als gevolg van de realisatie van de windturbines, zijn vanwege de afstand, gevoeligheid van de kwalificerende soorten en/of beperkt oppervlakte niet waarschijnlijk en worden daarom niet in detail behandeld. Wel dienen de mogelijke effecten bij een definitieve windturbineopstelling inzichtelijk gemaakt te worden.
Figuur 5.2
Ligging van het zoekgebied ten opzichte van de verschillende beheertypen van het NNB.
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
31
5.2
Typering en effectbepaling beheertypen NNB Op de website van BIJ12 staan per beheertype de kwalificerende soorten aangegeven 8. Dit overzicht per beheertype is gebruikt bij onderstaande toetsing.
5.2.1
Natuurbeheertypen zonder kwalificerende broedvogels Zes van de zestien natuurbeheertypen (N03.01, N04.02, N11.01, N12.01, N12.02 en N17.04) kennen geen (broed)vogels als kwalificerende soorten. De kwalificerende soorten voor deze beheertypen zijn veelal planten-, vissen-, dagvlinder- en/of libellensoorten. Deze soorten zijn niet gevoelig voor windturbines en effecten hiervan. Alleen in de aanlegfase van windturbines en bijbehorende infrastructuur kan mogelijk sprake zijn van ernstige aantasting of een negatieve invloed op het functioneren van het NNB. De verwachting is dat de potentiële windturbines buiten dit beheertype gerealiseerd worden en dat eventuele watergang(en) niet gedempt of overkluist worden. Indien toch oppervlaktes (tijdelijk) verloren gaan door de realisatie van windturbines dienen deze gecompenseerd te worden conform de provinciale omgevingsverordening.
5.2.2
Natuurbeheertypen met kwalificerende broedvogels De overige tien natuurbeheertypen (N01.03, N05.02, N05.04, N12.05, N13.01, N14.01, N14.03, N16.03, N16.04 en N17.05) kennen onder andere kwalificerende broedvogelsoorten. De eventuele overige soorten zijn vaak niet gevoelig voor windturbines en effecten hiervan, maar kwalificerende broedvogelsoorten mogelijk wel. Van alle natuurbeheertypen zijn kwalificerende soorten (o.a. nachtegaal, blauwborst, gele kwikstaart, tureluur, veldleeuwerik, groene specht, boomklever, etc. ) in de afgelopen vijf jaar in het zoekgebied waargenomen (NDFF 2024). Nadere toetsing is nodig om de mogelijke effecten te beoordelen, maar met name de bosvogels zijn niet of nauwelijks gevoelig voor verstoring door windturbines en vliegen in het broedseizoen niet of zelden op rotorhoogte. Dit ligt anders bij de akker- en weidevogels. Deze soorten zijn vaak meer verstoringsgevoelig en hebben soms meer risico op aanvaringen, bijvoorbeeld tijdens de baltsvluchten. De verwachting is daarom dat vooral het NNB in het midden van het zoekgebied (rondom de twee (voormalige) eendenkooien) verstoringsgevoelig is. De gebruiksfase van de mogelijke windturbines kan dus leiden tot een ernstige aantasting of negatieve invloed op het functioneren van het NNB met betrekking tot verschillende beheertypen.
Een nadere analyse van aanvullende broedvogeldata van kwalificerende soorten uit het NNB-deel met kwalificerende broedvogels is gewenst. Bovendien dienen eventuele verloren gegane oppervlaktes van het NNB gecompenseerd te worden conform de provinciale omgevingsverordening. Daarnaast is niet alleen compensatie benodigd voor de overdraai van de wieken, maar eveneens voor de geluidsverstoring (zie memorandum ‘spelregels natuurcompensatie bij winturbines in Natuur Netwerk Brabant’). Mogelijke mitigerende en compenserende maatregelen in de vorm van een compensatieplan dienen in een vervolgfase nader uitgewerkt te worden.
8
Zie https://www.bij12.nl/onderwerp/natuursubsidies/index-natuur-en-landschap/natuurtypen/
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
32
5.2.3
Overige beheertypen in het zoekgebied Naast bovengenoemde natuurbeheertypen liggen ook nog landschapselementtypen binnen het zoekgebied, zoals L01.01 Poel en klein historisch water en L01.02 Houtwal en houtsingel. De verwachting is dat de windturbines buiten deze landschapselementen gesitueerd worden. De voornoemde landschapselementtypen kennen geen kwalificerende soorten. Hierdoor is ook geen sprake van negatieve effecten van de bouw en het gebruik van windturbines. Er is geen sprake van ernstige aantasting of negatieve invloed van de realisatie van windturbines op het functioneren van het NNB met betrekking tot voornoemde landschapselementtype.
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
33
6 Provinciaal beleid De provincie Noord-Brabant heeft naast de bescherming van het NNB ook andere gebieden aangewezen ter bescherming van natuurwaarden (zie Figuur 6.1). Het gaat dan bijvoorbeeld om rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten.
Naast de bescherming van rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten zijn in deze regio ook eendenkooien met een provinciale bescherming. Hier geldt het ‘afpalingsrecht’. Aan eendenkooien is vanouds het recht van afpaling verbonden. Dat houdt in dat er binnen een straal van enkele honderden tot wel 1500 meter geen activiteiten mogen plaatsvinden die de vangst zouden kunnen verstoren. Dit is echter niet ecologisch van aard, maar meer planologisch (cultuurhistorisch). Vandaar dat dit aspect niet nader behandeld wordt.
Figuur 6.1
Rust- en foerageergebieden voor ganzen en smienten in de (ruime) omgeving van het zoekgebied Duurzame Polder.
In het zoekgebied is een rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten gelegen (zie Figuur 6.1). Het gaat om het rust- en foerageergebied Beerse Overlaat. Plaatsing van windturbines binnen dit provinciaal beschermde gebied is niet beleidsmatig uitgesloten. Hoewel rust- en foerageergebieden voor ganzen en smienten beleidsmatig geen externe
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
34
werking kennen is dit wel relevant in het kader van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Effecten op de functionaliteit van het rusten foerageergebied voor ganzen en smienten mogelijk aan de orde. Dit geldt zowel voor verstoring als sterfte als gevolg van de ingebruikname van mogelijke windturbines. De gebieden worden veelvuldig gebruikt door ganzen en eenden. Daarom wordt het aanbevolen wordt om windturbines ruim buiten het aangewezen foerageergebied voor ganzen en smienten te realiseren, op ten minste 400 m afstand (zie onderstaand tekstkader).
Voor de meeste vogelsoorten wordt aangenomen dat buiten het broedseizoen de effectafstand toeneemt met de omvang van het windpark. Voor ganzen, smient, kievit en goudplevier is deze relatie statistisch significant (Hötker et al. 2006). Onder een aantal vogelsoorten van agrarische gebieden (o.a. zaadeters, kraaiachtigen en leeuweriken) konden ook buiten het broedseizoen geen significante vermijdingseffecten van windturbines worden vastgesteld (Devereux et al. 2008, Steinborn et al. 2011). Echter, voor veel andere vogelsoorten zijn wel effecten van vermijding door windturbines buiten de broedperiode vastgesteld. Als maximum effectafstand van windturbines op niet broedende vogels wordt over het algemeen 600 m gebruikt (BirdLife Europe 2011), maar dit is sterk soortspecifiek en de werkelijke effectafstand is meestal kleiner. De gemiddelde vermijdingsafstand voor zwanen --, ganzen en enkele steltlopersoorten, zoals kievit, goudplevier en wulp, ligt bijvoorbeeld tussen 150-400 m (Hötker et al. 2006, Steinborn et al. 2011 , Langgemach & Dürr 2023). Voor de meeste andere soort(groep)en die buiten het broedseizoen in groepen rusten of foerageren (o.a. eenden, meeuwen, duiven, spreeuw), vormen effectafstanden van 100 200 m veelal de bovengrens (Winkelman 1989, Hötker et al. 2006, Steinborn et al. 2011). Daarnaast kunnen alle voornoemde soortgroepen gewenning vertonen voor windparken.
Tot slot wordt aanbevolen om dit aspect en de toetsing hierop te bespreken met het bevoegd gezag (provincie Noord-Brabant).
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
35
7 Conclusie en aanbevelingen Op basis van voorgaande verkennende studie naar natuurwaarden in en rondom zoekgebied Duurzame Polder vindt in dit hoofdstuk een synthese/conclusie van de verschillende onderdelen plaats. Daarnaast wordt een aantal aanbevelingen gedaan.
7.1
Synthese en conclusies
7.1.1
Natura 2000-gebieden De bouw en exploitatie van windturbines in het zoekgebied heeft mogelijk negatieve effecten op de IHD’s van omliggende Natura 2000-gebied(en). Het zoekgebied leidt tot een tijdelijke en, naar verwachting, beperkte hoeveelheid stikstofemissie in de aanlegfase. Het zoekgebied wordt daarnaast gebruikt door eenden, ganzen, zwanen en steltlopers met een IHD voor Natura 2000-gebieden Rijntakken. Nader veldonderzoek (wintervogelonderzoek) en een daaropvolgende natuurtoets van de mogelijke effecten van de ontwikkeling van windturbines in het zoekgebied, zal moeten uitwijzen of (in cumulatie met effecten van andere projecten) sprake kan zijn van significant negatieve effecten op de IHD’s van de betreffende soorten. Indien dit niet kan worden uitgesloten, kan in een passende beoordeling de noodzakelijke mitigatie worden uitgewerkt, bijvoorbeeld toepassing van een stilstandsvoorziening, zodat de effecten tot een acceptabel niveau worden teruggebracht. Op basis van de uitgevoerde veldonderzoeken van Altenburg & Wymenga (Koopmans et al. 2021) en Waardenburg Ecology (Verbeek et al. 2022) lijken delen van het zoekgebied in het (noord)oosten en het uiterste zuidwesten minder risicovol dan de overige delen van het zoekgebied (zie §7.2).
Daarnaast dient rekening worden gehouden met de vliegbewegingen van en naar de rivieren en uiterwaarden, waardoor plaatsing van windturbines haaks op deze vliegpaden risicovol zijn.
7.1.2
Beschermde soorten Omdat voor vleermuizen en vogels met grote waarschijnlijkheid sprake is van voorzienbare sterfte in de gebruiksfase van windturbines, is sprake van schadelijke handelingen in het kader van de Ow en is een omgevingsvergunning voor een flora- en activiteit nodig en/of dienen maatregelen te worden genomen om dit te voorkomen. Voor deze omgevingsvergunningaanvraag is nader onderzoek nodig om vast te kunnen stellen voor welke vleermuis- en vogelsoorten een omgevingsvergunning aangevraagd dient te worden en of
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
36
het aantal voorspelde slachtoffers de staat van instandhouding van de betrokken soorten in het geding kan brengen. Mitigerende maatregelen kunnen noodzakelijk zijn om de effecten tot een acceptabel niveau terug te brengen. Indien bomen gekapt worden dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de mogelijke aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen en/of de aanwezigheid van (jaarrond) beschermde nesten. In relatie tot de mogelijke ontwikkeling van een windpark is ten aanzien van vleermuizen geen duidelijke voorkeurslocatie voor windturbines in het zoekgebied aan te geven, wel is de vleermuisactiviteit hoger nabij landschapselementen (bomenrijen, bosschages en watergangen). Het merendeel van de aanwezige landschapselementen in het zoekgebied wordt in meer of mindere mate als foerageergebied gebruikt. Aanbevolen wordt om 200 m afstand van dergelijke landschapselementen aan te houden. Binnen het zoekgebied zijn verschillen in het gebiedsgebruik van onder andere akker- en weidevogels. De plasdrasgebieden, zoals beschreven in Koopmans et al. (2021) en Verbeek et al. (2022), kennen duidelijk verhoogde aantallen vogels. Binnen deze plasdrasgebieden (incl. verstoringscontour) is de realisatie van windenergie vanuit ecologisch perspectief niet passend.
Afhankelijk van de definitieve windturbineposities kunnen effecten op beschermde ongewervelden, amfibieën, reptielen en grondgebonden zoogdieren optreden. Zodra de exacte werkzaamheden ten behoeve van de bouw van de windturbines bekend zijn wordt toetsing van de mogelijke effecten op beschermde soorten aanbevolen. Mogelijk is veldonderzoek voor deze soorten noodzakelijk. Met name tijdens de bouwfase (als gevolg van aanleg fundatie, kraanopstelplaatsen en infrastructuur) kan sprake zijn van (verstorende) effecten; deze zijn vaak goed mitigeerbaar door een kleine (plan)aanpassing en/of door te werken met een ecologisch werkprotocol. Effecten op overige beschermde soorten tijdens de exploitatiefase worden niet verwacht.
7.1.3
Natuur Netwerk Brabant Binnen zoekgebied zijn delen van het Natuur Netwerk Brabant (NNB) gelegen. De verwachting is dat de potentiële windturbines buiten het NNB worden gerealiseerd. Indien windturbine(s) toch gesitueerd worden binnen het NNB zal door de bouw van windturbine(s) en bijbehorende infrastructuur sprake zijn van ernstige aantasting of een negatieve invloed op het functioneren van het NNB. Eventuele verloren gegane oppervlaktes van het NNB dienen gecompenseerd te worden conform de provinciale verordening. Wanneer de windturbine(s) buiten het NNB gerealiseerd worden en/of tijdens de exploitatie is (functie)aantasting evenmin uitgesloten. Een aantal van de kwalificerende soorten - namelijk de kwalificerende broedvogels - is gevoelig voor windturbines en de effecten hiervan. Een nadere toetsing en analyse van aanvullende broedvogeldata van kwalificerende soorten uit het NNB is noodzakelijk indien windturbine(s) op korte afstand van de betreffende NNB-delen gepland worden. Daarnaast mogelijk compensatie benodigd voor de geluidsverstoring (zie memorandum ‘spelregels natuurcompensatie bij
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
37
winturbines in Natuur Netwerk Brabant). Mogelijke mitigerende en compenserende maatregelen in de vorm van een compensatieplan dienen in een vervolgfase nader uitgewerkt te worden.
7.1.4
Provinciaal beleid Binnen het zoekgebied is een rust- en foerageergebied van ganzen en smienten gelegen. Realisatie van windturbines binnen dit gebied is beleidsmatig niet uitgesloten. Effecten op de functionaliteit (zowel verstoring als sterfte) van deze gebieden kunnen niet worden uitgesloten. Aanbevolen wordt om windturbines op ten minste 400 m afstand van het rusten foerageergebied van ganzen en smienten te realiseren. Daarnaast wordt aanbevolen om dit aspect en de toetsing hierop te bespreken met het bevoegd gezag (Provincie NoordBrabant).
7.2
Aanbevelingen In een eventueel vervolgtraject (ruimtelijke procedure, omgevingsvergunningentraject) zal een natuurtoets moeten worden uitgevoerd, o.a. ten behoeve van de onderbouwing voor de noodzakelijke omgevingsvergunning(en) in het kader van de Omgevingswet. Om de effecten op beschermde natuurwaarden goed te kunnen bepalen en beoordelen is met name extra informatie nodig over het gebiedsgebruik van vogels en vleermuizen. Het wordt aanbevolen om aanvullend broedvogel-, wintervogel- en vleermuisonderzoek uit te voeren bij een concreet initiatief. Ook het uitvoeren van nader onderzoek naar jaarrond beschermde nesten van vogels, verblijfplaatsen van kleine marterachtigen, verblijfplaatsen van vleermuizen en overige beschermde soorten kan aan de orde zijn, afhankelijk van de exacte windturbineposities. Op basis van de voornoemde synthese en conclusies zijn de volgende hoog risicogebieden voor ‘Windenergie in de Duurzame Polder’ geformuleerd: • Natuur Netwerk Brabant en directe omgeving (ca. 200 m, zie Figuur 7.2); • Plasdrasgebieden en directe omgeving (ca. 400 m, zie Figuur 7.3); • Hotspotlocaties weidevogels en directe omgeving (ca. 1000 m, zie Figuur 7.4); • Rust- en foerageergebieden voor ganzen en smienten en directe omgeving (ca. 400 m, zie Figuur 7.5); • Belangrijke landschapselementen voor vleermuizen (ca.
200 m, zie Figuur 7.6); • Zones met de meeste risicovolle vliegbewegingen langs de grote rivieren (ca. 200 m, zie Figuur 7.7); Daarnaast zijn de volgende aanbevelingen geformuleerd: • Een hogere tiplaagte van de windturbines heeft de voorkeur; • Clustering van de windturbines heeft de voorkeur boven spreiding Op basis van de hoog risicogebieden is realisatie van windenergie in het (noord)oosten en uiterste zuidwesten van het zoekgebied het meest kansrijk (zie Figuur 7.1). Echter kunnen dan nog steeds mitigerende en/of compenserende maatregelen aan de orde zijn.
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
38
Figuur 7.1
Hoog risicogebieden binnen het zoekgebied Duurzame Polder. Vanuit ecologisch perspectief is realisatie van windenergie binnen deze gebieden onwenselijk.
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
39
Literatuur Baptist, H., 2005. Vogelslachtofferonderzoek Roggenplaat, rapportage 2004-2005. Rapport 2005/3. Ecologisch Adviesbureau Henk Baptist, Kruisland. Behr, O., R. Brinkmann, K. Hochradel, J. Mages, F. Korner-Nievergelt, H. Reinhard, R. Simon, F. Stiller, N. Weber & M. Nagy, 2018. Bestimmung des Kollisionsrisikos von Fledermääusen an Onshore-Windenergieanlagen in der Planungspraxis - Endbericht des Forschungsvorhabens geföördert durch das Bundesministerium füür Wirtschaft und Energie (Föörderkennzeichen 0327638E). Erlangen / Freiburg / Ettiswil. Beuker, D. & R. Lensink, 2010. Monitoring windpark windturbines Echteld. Onderzoek naar aanvaringsslachtoffers onder lokale en trekkende vogels. Rapport 10-033. Bureau Waardenburg, Culemborg. BirdLife Europe, 2011. Meeting Europe’s renewable energy targets in harmony with nature. RSPB, Sandy, UK. Brenninkmeijer, A. & C. van der Weyde, 2011. Monitoring vogelaanvaringen Windpark Delfzijl-Zuid 2006-2011. A&W rapport 1656. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Faenwâlden. van Bruggen, J., 2019. Tien jaar Zwarte Sterns, minder kolonies maar gemiddeld iets meer nesten. Sovon-Nieuws jaargang 32 (2019) nr. 2. Devereux, C.L., M.J.H. Denny & M.J. Whittingham, 2008. Minimal effects of wind turbines on the distribution of wintering farmland birds. J. Appl. Ecol. 45: 1689-1694. Everaert, J., 2008.
Effecten van windturbines op de fauna in Vlaanderen. Onderzoeksresultaten, discussie en aanbevelingen. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2008 (rapportnr. INBO.R.2008.44). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Haarsma, A.J., 2012. De meervleermuis en Natura2000 in Nederland. 8 augustus 2012, Heemstede. Hötker, H, 2006. The impact of repowering of wind farms on birds and bats. Bergenhusen, Oktober 2006. Hötker, H., K.-M. Thomsen & H. Köster, 2006. Impacts on biodiversity of exploitation of renewable energy sources: the example of birds and bats. Facts, gaps in knowledge, demands for further research, and ornithological guidelines for the development of renewable energy exploitation. Michael-Otto-Institut im NABU, Bergenhusen. Klop, E. & A. Brenninkmeijer, 2014. Monitoring aanvaringsslachtoffers Windpark Eemshaven 20092014 Eindrapportage vijf jaar monitoring. A&W-rapport 1975. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Veenwouden. Koopmans M., M. Terpstra & J. van Assen 2021. Ecologisch onderzoek windpark Oss. A&Wrapport 19-406 Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Krijgsveld, K.L., K. Akershoek, F. Schenk, F. Dijk, H. Schekkerman & S. Dirksen, 2009. Collision risk of birds with modern large wind turbines: reduced risk compared to smaller turbines. Ardea 97(3): 357-366. Krijgsveld, K.L. & D. Beuker, 2009.
Vogelslachtoffers bij windpark Anna Vosdijk op Tholen. Onderzoek naar aanvaringen onder trekkende steltlopers en overwinterende smienten. Rapport 09-072. Bureau Waardenburg, Culemborg. Lagrange, H., P. Rico, Y. Bas, A.-L. Ughetto, F. Melki & C. Kerbiriou, 2013. Mitigating bat fatalities from wind-power plants through targeted curtailment: results from 4 years of testing CHIROTECH©. Book of abstracts CWE, Stockholm.
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
40
Langgemach, T. & T. Dürr, 2023. Informationen über Einflüsse der Windenergienutzung auf Vögel. Landesamt für Umwelt Brandenburg, Nennhausen. Lensink, R. & P.W. van Horssen, 2012. Een matrixmodel om effecten op een populatie te voorspellen van slachtoffers door windturbines. Rapport 11-198. Bureau Waardenburg, Culemborg. Limpens, H.J.G.A., M. Boonman, F. Korner-Nievergelt, E.A. Jansen, M. van der Valk, M.J.J. La Haye, S. Dirksen & S.J. Vreugdenhil, 2013. Wind turbines and bats in the Netherlands – Measuring and predicting. Report 2013.12, Zoogdiervereniging & Bureau Waardenburg. Musters, C.J.M., M.A.W. Noordervliet & W.J.T. Keurs, 1996. Bird casualties caused by an wind energy project in an estuary. Bird Study 43, 124-126. Potiek, A., M.P. Collier, H. Schekkerman & R.C. Fijn, 2019. Effects of turbine collision mortality on population dynamics of 13 bird species. Rapport 18-342. Bureau Waardenburg, Culemborg. Roemer C., T. Disca, A. Coulon & Y. Bas, 2017. Bat flight height monitored from wind masts predicts mortality risk at wind farms. Biol. Conserv. 215: 116-122. Schaut, C., K. Aper & C. Derde, 2008. Aanvaring van vogels met MW-windturbines in de haven van Antwerpen. Rapport 2008-CS1. Fortech Studie bvba, Vrasene. Sierdsema H., van Els P. & van Irsel J. 2019. Vogels van de Beerse Overlaat en analyse verstoring van vogels door windturbines. Sovon-rapport 2019/89.
Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Steinborn, H., M. Reichenbach & H. Timmermann, 2011. Windkraft - Vögel - Lebensräume. Ergebnisse einer siebenjährigen Studie zum Einfluss von Windkraftanlagen und Habitatparametern auf Wiesenvögel. Arsu GmbH, Oldenburg. Verbeek, R.G., D. Beuker, J.C. Hartman & K.L. Krijgsveld, 2012. Monitoring vogels Windpark Sabinapolder. Onderzoek naar aanvaringsslachtoffers. Rapport 11-189. Bureau Waardenburg, Culemborg. Verbeek R.G., K. Kuiper, B.W.R. Engels & L. Verhoek, 2022. Natuuronderzoek Windpark Den Bosch. Rapportage veldonderzoek 2019 - 2022. Rapport 22-309. Waardenburg Ecology, Culemborg. Verbeek, R.G. J.J. Kraal & F. Derriks, 2023. Veldonderzoek weidevogels Energiepark Rijnenburg. Onderzoek vliegbewegingen grutto en territoria weidevogels 2023. Rapport 23-252, Waardenburg Ecology, Culemborg. van der Vliet, R., W. Heijligers & J. Tilborghs, 2011. Maximale foerageerafstanden. Op een rij gezet voor 97 beschermde vogelsoorten. Toets 18(4): 6-10. Winkelman, J.E., 1989. Vogels en het windpark nabij Urk (NOP): aanvaringsslachtoffers en verstoring van pleisterende eenden ganzen en zwanen. RIN-rapp. 89/15. RIN, Arnhem. Winkelman, J.E., 1992. De invloed van de Sep-proefwindcentrale te Oosterbierum (Fr.) op vogels. 1. Aanvaringsslachtoffers. RIN-rapp. 92/2. IBN-DLO, Arnhem.
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
41
Bijlage I
Essentietabellen Natura 2000gebieden
In onderstaande tabel zijn de instandhoudingsdoelstellingen van nabijgelegen Natura 2000-gebieden, die in voorliggend rapport worden beschreven, overzichtelijk weergegeven.
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
42
HR = Habitatrichtlijn, VR = Vogelrichtlijn
Habitattypen
subtype
Kampina & Oisterwijkse Vennen
Aangewezen onder
Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek
IHD’s nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
Rijntakken
Tabel B.1
HR, VR
HR
HR, VR
H2310
stuifzandheiden met struikhei
x
H2330
zandverstuivingen
x
H3110
zeer zwakgebufferde vennen
H3130
zwakgebufferde vennen
H3140
kranswierwateren
H3150
meren met krabbenscheer en fonteinkruiden
H3160
zure vennen
H3260
beken en rivieren met waterplanten
H3270
slikkige rivieroevers
H4010
vochtige heiden
H4030
droge heiden
H6120
stroomdalgraslanden
H6230
heischrale graslanden
H6410
blauwgraslanden
H6430
ruigten en zomen
A
moerasspirea
x
H6430
ruigten en zomen
B
harig wilgenroosje
x
H6430
ruigten en zomen
C
droge bosranden
x
H6510
glanshaver- en vossenstaarthooilanden
A
glanshaver
x
H6510
glanshaver- en vossenstaarthooilanden
B
grote vossenstaart
x
H7110
actieve hoogvenen
B
heideveentjes
H7140
overgangs- en trilvenen
A
trilvenen
H7150
pioniervegetaties met snavelbiezen
H7210
galigaanmoerassen
H9120
beuken- en eikenbossen met hulst
H9190
oude eikenbossen
H91D0
hoogveenbossen
H91E0
vochtige alluviale bossen
A
zachthoutooibossen
x
H91E0
vochtige alluviale bossen
B
essen-iepenbossen
x
H91E0
vochtige alluviale bossen
C
beekbegeleidende bossen
x
H91F0
droge hardhoutooibossen
x x x x
x x
B
grote fonteinkruiden
x x
A
hogere zandgronden
x x x x x
x
x
x x x x x
x
x x x
x
x
Habitatrichtlijnsoorten H1042
gevlekte witsnuitlibel
H1059
pimpernelblauwtje
x
H1061
donker pimpernelblauwtje
H1082
gestreepte waterroofkever
H1095
zeeprik
x
H1099
rivierprik
x
H1102
elft
x
H1106
zalm
x
H1134
bittervoorn
x
x
H1145
grote modderkruiper
x
x
H1149
kleine modderkruiper
x
x
H1163
rivierdonderpad
x
H1166
kamsalamander
x
H1318
meervleermuis
x
H1337
bever
x
H1831
drijvende waterweegbree
A004 A017 A021 A022 A119 A122 A153 A197 A229 A249 A272 A276 A298
Broedvogels dodaars aalscholver roerdomp woudaap porseleinhoen kwartelkoning watersnip zwarte stern ijsvogel oeverzwaluw blauwborst roodborsttapuit grote karekiet
A005 A017 A037 A038 A701 A702 A041 A043 A045 A048 A050 A051 A052 A053 A054 A056 A059 A061 A068 A125 A130 A140 A142 A151 A156 A160 A162
Niet-broedvogels fuut aalscholver kleine zwaan wilde zwaan taigarietgans toendrarietgans kolgans grauwe gans brandgans bergeend smient krakeend wintertaling wilde eend pijlstaart slobeend tafeleend kuifeend nonnetje meerkoet scholekster goudplevier kievit kemphaan grutto wulp tureluur
x x x
x x x x x x x x x x x
x x
x
x
x
x x
x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
43
Bijlage II Kaarten met de hoog risicogebieden per thema
Figuur 7.2
Hoog risicogebied NNB (incl. buffer van 200 m) binnen het zoekgebied Duurzame Polder. Vanuit ecologisch perspectief is realisatie van windenergie binnen dit gebied onwenselijk.
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
44
Figuur 7.3
Hoog risicogebied plasdrasgebieden (incl. buffer van 400 m) binnen het zoekgebied Duurzame Polder. Vanuit ecologisch perspectief is realisatie van windenergie binnen dit gebied onwenselijk.
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
45
Figuur 7.4
Hoog risicogebied hotspotlocaties weidevogels (incl. buffer van 1000 m) binnen het zoekgebied Duurzame Polder. Vanuit ecologisch perspectief is realisatie van windenergie binnen dit gebied onwenselijk.
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
46
Figuur 7.5
Hoog risicogebied rust- en foerageergebied ganzen en smienten (incl. buffer van 400 m) binnen het zoekgebied Duurzame Polder. Vanuit ecologisch perspectief is realisatie van windenergie binnen dit gebied onwenselijk.
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
47
Figuur 7.6
Hoog risicogebied landschapselementen vleermuizen (incl. buffer van 200 m) binnen het zoekgebied Duurzame Polder. Vanuit ecologisch perspectief is realisatie van windenergie binnen dit gebied onwenselijk.
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
48
Figuur 7.7
Hoog risicogebied vliegpaden watervogels (incl. buffer van 200 m) binnen het zoekgebied Duurzame Polder. Vanuit ecologisch perspectief is realisatie van windenergie binnen dit gebied onwenselijk.
ECOLOGISCHE RISICOANALYSE WINDENERGIE DUURZAME POLDER ONDERZOEK IN HET KADER VAN DE OMGEVINGSWET EN PROVINCIAAL BELEID
49