CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2D Bijlagen bij de toelichting - Dorpenweg 39 Deursen - Dennenburg - 2022.PDF

Adviescommissie Ruimte 23 juni 2022, gemeente OssBij agendapunt: Ingetrokken collegebesluit 21 juni Vaststelling bestemmingsplannen ‘Dorpenweg 39 Deursen-Dennenburg - 2022’ ‘Hoessenboslaan 45 Berghem – 2022’ ‘Aalstvoortsestraat 2c Herpen 2022' Rondestraat 16 Deursen-Denneburg 2022'20.823 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

BESTEMMINGPSLAN Dorpenweg 39 Deursen-Dennenburg - 2022 Bijlagen bij toelichting

Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |

Indexpagina bijlagen bij bestemmingsplan Dorpenweg 39 Deursen-Dennenburg - 2022 Bijlage 1

- Landschappelijk inpassingsplan

Bijlage 2

- Voortoets stikstof

Bijlage 3

- Beleidsvisie externe veiligheid Oss

Bijlage 4

- Quickscan flora & fauna

Bijlage 5

- M.e.r.-beoordeling

Bijlage 6a

- AERIUS-berekening – bijlage 1

Bijlage 6b

- AERIUS-berekening – bijlage 2

Bijlage 1

- Landschappelijk inpassingsplan

5-11-2021

Landschappelijk inpassingsplan Dorpenweg 39, Ravenstein

R.J.L. Bijvelds (Rik) LANDSCHAPSONTWERPER BNL ADVIES Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68

Landschappelijk inpassingsplan, ten behoeve van de geplande ontwikkelingen op de locatie: Dorpenweg 39, Ravenstein

Colofon: BNL advies Telefoonstraat 2 5428 GJ Venhorst T: 06 18 90 46 06 E: info@bnladvies.nl W: www.bnladvies.nl

Opdrachtgevers:

Loon- en Verhuurbedrijf Rossen Dhr. W. Rossen Dorpenweg 39 5352 LB Rossen

Status: Versie: Datum: Auteur:

definitief 21055.LIP001 5-11-2021 Ing. R.J.L. Bijvelds (Rik)

Pagina

1

Opgesteld door:

Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68

Inhoud Colofon: ...................................................................................................1 Inleiding ...................................................................................................3 1.

Planbeschrijving ....................................................................................4 1.1

Situering van het plangebied ................................................................4

1.2

Landschapstypering projectlocatie .........................................................5

1.3

Bodemmorfologie binnen het plangebied .................................................5

1.4

Het inrichtingsplan ...........................................................................6

1.5

Landschapsboom ..............................................................................6

1.6

Knip- en scheerhaag ..........................................................................6

1.7

De struweelhaag ..............................................................................6

1.8

Amfibieënpoel .................................................................................6

1.9

Kruidenrijk grasland ..........................................................................6

1.10

Natuuroever riet ..............................................................................6

2.

Plantlijst .............................................................................................7

3.

De aanleg ............................................................................................8

4.

3.1

Grondbewerking ...............................................................................8

3.2

Grondverbetering .............................................................................8

3.3

Opkuilen ........................................................................................8

3.4

Uitzetten .......................................................................................8

3.5

Wettelijke bepalingen ........................................................................9

3.6

Menging.........................................................................................9

3.7

Plantwijze ......................................................................................9

3.8

Amfibieënpoel ............................................................................... 10

3.9

Kruidenrijk grasland ........................................................................ 11

1.10

Natuuroever riet ............................................................................ 11

Onderhoud/beheer ............................................................................... 12 4.1

Onkruidbestrijding .......................................................................... 12

4.2

Beheer 1e groeiseizoen ..................................................................... 12

4.3

Snoeien ....................................................................................... 12

4.3.1 Struweelhaag .............................................................................. 12 4.3.2 Landschapsboom .......................................................................... 12 Amfibieënpoel ............................................................................... 12

4.5

Kruidenrijk grasland ........................................................................ 13

4.6

Natuuroever riet ............................................................................ 13

Bijlage 1. Landschappelijk inpassingsplan op de locatie: Dorpenweg 39 te Ravenstein..... 14 Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68

Pagina

4.4

2

4.3.3 Knip- en scheerhaag ...................................................................... 12

Inleiding Initiatiefnemer heeft een loonwerkbedrijf welke gericht is op agrarisch loonwerk, grondverzet en cultuurtechnische activiteiten. Naast agrarisch loonwerk c.q. verhuur van materieel en personeel, is aanleg, beheer en onderhoud van ‘landschap/buitenruimte’ in brede zin, middels de inzet van gemechaniseerde en moderne apparatuur en vakbekwaam personeel – buiten de eigen inrichting – de kerntaak van het bedrijf. Initiatiefnemer is voornemens om een ontwikkelingsslag op het bedrijf te maken. De doelstellingen hierbij zijn o.a. het realiseren van een efficiënte bedrijfsvoering, waarbij onnodige vervoersbewegingen (en dus ook kosten) voorkomen worden en waarbij machines een langere levensduur hebben. In de beoogde situatie wordt een nieuwe loods / veldschuur gerealiseerd t.b.v. de opslag van machines en de opslag van materialen en gereedschappen die - langdurig (bijvoorbeeld vanwege seizoensinvloeden) - niet worden gebruikt. Deze loods heeft oppervlak van 856 m2. De minder gevoelige hulpstukken zullen in een opslag aan de achterzijde naast de bestaande, meest zuidelijke loods, gerealiseerd gestald worden. De gemeente Oss eist bij deze geplande ontwikkeling een landschappelijke inpassing van het werkterrein en de bebouwing.

Deze landschapselementen worden verdeeld over het kavel toegepast waarbij zoveel mogelijk zichtlijnen / doorzichten op achterliggend gebied behouden blijft.

Pagina

3

Voorliggend plan geeft invulling weer van de bestaande en toe te voegen landschappelijke inpassing op de locatie: Dorpenweg 39 te Ravenstein.

Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68

1. Planbeschrijving 1.1

Situering van het plangebied

Het plangebied is gelegen ten westen van de dorpen Deursen-Dennenburg en Ravenstein (zie afbeelding 1). De bedrijfslocatie is gelegen in een komgebied, welke primair een agrarische functie heeft. De komgronden betreffen kleiige, relatief laaggelegen gronden. Het landschap is grootschalig, open tot zeer open en wordt gekenmerkt door een zeer regelmatig, rationeel, rechtlijnig verkavelingspatroon. Dit verkavelingspatroon bestaat over het algemeen uit een slagenverkaveling. Op de bedrijfslocatie waar de ontwikkeling inclusief landschappelijke inpassing plaats vindt, (zie afbeelding 2) is sprake van onder andere stalling van (land-)bouwmachines, motorrijtuigen met beperkte snelheid, werktuigen en overige hulpmiddelen, kleinschalig onderhoud en reparatie aan eigen materieel, kantoorvoorzieningen en er is een tankinstallatie en een reinigingsplaats voor eigen materieel aanwezig. Verder is op onderhavige locatie één bedrijfswoning toegestaan. Tot slot is er op onderhavige locatie sprake van een beperkte werkvoorraad aan hulp-, bouw-, afval- en grondstoffen.

Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68

Pagina

Vigerend bestemmingsplan Het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van de bedrijfslocatie betreft het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’, welke is vastgesteld op 16 april 2020. Conform het bestemmingsplan zijn op onderhavige locatie de volgende bestemmingen en aanduidingen van toepassing: Enkelbestemming ‘Bedrijf’ - Enkelbestemming ‘Agrarisch’ - Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog’ - Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – dorpenweg 39’ - Functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – agrarisch-technisch hulpbedrijf en –of agrarisch verwant bedrijf; Gebiedsaanduiding ‘overige zone – komgebied’; - Gebiedsaanduiding ‘overige zone – overig agrarisch gebied’.

4

Afbeelding 1: Globale ligging van het plangebied. De locatie, Dorpenweg 39, ten westen van Ravenstein, waar de landschappelijke inpassing toegepast is/ gaat worden, wordt globaal aangeduid met de rode cirkel. Bron: Kadviewer.map5.nl, 22-03-2021

Afbeelding 2: Begrenzing van het plangebied waarbinnen de landschappelijke inpassing toegepast is/ gaat worden, binnen de rode lijn. Bron: Kadviewer.map5.nl, 22-03-2021

1.2 Landschapstypering projectlocatie De projectlocatie is gelegen binnen het komgebied. Kenmerkend voor het komgebied is de grote openheid van het gebied. Het omliggend, direct aangrenzende gebied kenmerkt zich door haar openheid en gebruik als bouwland (bron: Bestemmingsplan Buitengebied Oss). Binnen het plangebied is al een grote verscheidenheid aan landschapselementen zoals houtwallen, singels, landschapboomen en heggen, welke meegenomen zijn binnen dit landschapsontwerp. Kenmerken en kwaliteiten van dit landschap worden waar mogelijk gebruikt als speerpunten voor de landschappelijke inpassing gebruikt. De hoofdkenmerken van het komgebied zijn hieronder opgesomd: -

Behoud van grote openheid van het gebied; Behoud van open relaties naar uiterwaarden en de dekzandrug; Rietzones in verbrede oevers van sloten; Voorzichtige omgang met hoogopgaande elementen; Hagen op (kavel)grenzen; Robuust, waar architectuur het toelaat boomrijen; Inrichting van slootoevers; Boomsoorten: Elzen, wilgen, populieren en Essen; Hagen: sleedoorn, meidoorn, kornoelje.

Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68

Pagina

Het plangebied is gelegen ten westen van Ravenstein. De ingebrachte gronden vallen binnen de zware klei-gebieden van Nederland. De kavel (waar de landschappelijke inpassing toegepast is/ gaat worden) bevindt zich op de grondsoort: kalkloze poldervaaggronden met de beschrijving: klei met zware tussenlaag of ondergrond, met grondwatertrap V*. (bron: maps.bodemdata.nl, 22-03-2021).

5

1.3 Bodemmorfologie binnen het plangebied

1.4 Het inrichtingsplan Het landschappelijk inpassingsplan, bestaat uit diverse soorten landschapselementen zoals: -

Landschapboom Knip- en scheerhagen Struweelhagen Amfibieënpoel Kruidenrijk grasland Rietoever

Het inrichtingsplan is opgenomen in bijlage 1.

1.5 Landschapsboom De landschapsboom welke aangeplant gaat worden, staat in de hoek aan de westzijde van de kavel. De soort welke aangeplant gaat worden is: -

Fraxinus excelcior

1.6 Knip- en scheerhaag De knip- en scheerhaag welke aangeplant gaat worden bestaat uit één soort: - Fagus sylvatica

1.7 De struweelhaag De struweelhaag welke aangeplant wordt bestaat uit diverse soorten struikvormers. Hiervoor is de plantlijst opgesteld welke terug te vinden is in hoofdstuk 2.

1.8 Amfibieënpoel De amfibieënpoel dient mede als waterinfiltratieplaats, maar heeft zeker ook nog de functie voor de voortplanting van diverse soorten amfibieën. Om ongewenste soorten zoals vissen (sommige soorten eten eieren/ jonge amfibieën) tegen te gaan, zou een amfibieënpoel eens in de vijf jaar volledig droog mogen vallen. Hoe de amfibieënpoel gegraven moet worden/ welke diepte minimaal behaald moet worden, kan beoordeeld worden door voorafgaand aan de werkzaamheden metingen uit te voeren.

1.9 Kruidenrijk grasland Het kruidenrijk grasland, is een landschapselement welke aan de noord- en westzijde van het perceel terugkomt. Deze graslanden bestaan uit een gevarieerde kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden.

1.10

Natuuroever riet

Pagina

6

De bestaande watergang aan de zuid- en westzijde van de kavel gaat natuurlijk ingericht worden. Dit houdt in dat de over in een profiel van minimaal 1:3 tot 1:5 opgetrokken gaat worden. Hierdoor ontstaat een oever welke sneller opwarmt en waarmee andere soorten flora en fauna de kans krijgen om zicht te ontwikkelen.

Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68

2. Plantlijst Plantlijst voor de landschappelijke inpassing op de locatie: Dorpenweg 39 te Ravenstein Grondsoort: Totaal aantal landschapsbomen Totaal aantal struweelbeplanting Totaal aantal knip- en scheerhagen Rietoever

Klei 1 stuks 1245 stuks 350 stuks 435 stuks

Landschapsbomen Aantal Eenheid Latijnse naam 1 stuks Fraxinus excelsior

Nederlandse naam Es

Plantmaat Type 20-25 Hoogstam

Struweelhaag Aantal Eenheid Latijnse naam 125 stuks Viburnum opulus 195 stuks Crataegus monogyna 195 stuks Crataegus laevigata 195 stuks Sambus nigra 160 stuks Cornus sanquinea 125 stuks Salix triandra 125 stuks Salix cinerea 125 stuks Prunus padus

Nederlandse naam Gelderse roos Eenstijlige meidoorn Tweestijlige meidoorn Gewone vlier Rode kornoelje Amandelwilg Grouwe wilg Inheemse vogelkers

Plantmaat Type 80-100 struweelbeplanting 80-100 struweelbeplanting 80-100 struweelbeplanting 80-100 struweelbeplanting 80-100 struweelbeplanting 80-100 struweelbeplanting 80-100 struweelbeplanting 60-80 struweelbeplanting

Knip- en scheerhagen Aantal Eenheid Latijnse naam 350 stuks Fagus sylvatica

Nederlandse naam Gewone beuk

Plantmaat Type 80-100 Haagplantsoen

Rietoever 435 stuks

Riet

Wortelstek

Pagina

7

Phragmites australis

Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68

3. De aanleg 3.1 Grondbewerking Struweelhaag en knip- en scheerhaag: De te beplanten oppervlakte dient 40 cm diep losgemaakt te worden. Dit is nodig ter verbetering van bodemstructuur. Voor bouwland volstaat diepwoelen of ploegen, daarna cultivateren of eggen. Voor weilanden en ruig terrein geldt: eerst frezen, daarna diepwoelen of ploegen en als laatste cultivateren of eggen. Landschapsboom: plantgat graven van 100*100*100 cm. De bodem in het plantgat dient minimaal 20 cm diep te worden losgemaakt. Dit ter bevordering van de aangroei.

3.2 Grondverbetering Landschapsboom, struweelhaag en knip- en scheerhaag: De keuze van het plantsoen is zodanig dat extra bemesting in principe niet nodig is. Door 2m3 compost per 100m2 in te werken zal de beplanting beter aanslaan en kan het meer droogte verdragen.

3.3 Opkuilen De planten dienen direct na levering opgekuild te worden! Na opkuilen dient de beplanting zo snel mogelijk op de definitieve plaats te worden geplant (niet opkuilen in vorstperiode). Struweelhaag en knip- en scheerhaag: In 30 cm diepe sleuf. Zorg dat de wortels in zijn geheel onder de grond zitten om uitdroging te voorkomen. Landschapsboom: In 60 cm diepe plantplaats. Zorg dat de wortels in zijn geheel onder de grond zitten om uitdroging te voorkomen.

3.4 Uitzetten Struweelhaag: plantafstand 1,50 * 1,50 meter in driehoekverband (zie afbeelding 3).

Afbeelding 3: planten in driehoeksverband, met een plantafstand van 1,5 * 1,5 m hart op hart.

Knip- en scheerhaag: Plantafstand 25 cm hart op hart, 7 stuks per m1, in een dubbele rij (zie afbeelding 4).

Afbeelding 4: planten in rijverband, met een plantafstand van 25 cm hart op hart.

Natuuroever riet: Zie inrichtingsplan Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68

Pagina

Amfibieënpoel: zie inrichtingsplan

8

Landschapsboom: Zie inrichtingsplan

3.5 Wettelijke bepalingen Bomen dienen minimaal 2 meter uit de perceelgrens geplant te worden. Hagen en struikvormers dienen minimaal 0,5 meter uit de perceelgrens geplant te worden. Menging: zorg dat de verschillende soorten gemengd door de houtsingel geplant worden.

3.6 Menging Onder menging wordt verstaan het mengen van de plantsoorten in Struweelhagen. Hoe groter de struweelhagen zijn des te groter de plantgroepen worden. Bij kleine plantvakken (<50 m2) wordt gebruik gemaakt van 3-5 planten per soort en bij grote plantvakken (>50) wordt gebruik gemaakt van 5-8 planten per soort in een groep. Deze groepen plant men gemengd in wildverband, zodat geen vakken van soorten ontstaan (zie afbeelding 5). ======ooooooooxxxxxxxx-------aaaaaaaaavvvvvvvv====== = = = o o o s s s s o o o o x x x i i i x x x- - - - e e e e a a a a a a i i i i v v v v + + + + = = = = = ==++++++ssssooiiiiiirrrrrr----eee+++++ iiiiivvvvvvv++www ww++++ssssooooiiixxxxrrrrrooooeeee+++++=====wwwwww vvvvvv------aaaaaaaxxxxxxooooo======aaaaaaa=====vvvvv

= o x – a v: zijn de struikvormers voornamelijk randsoorten (soorten zie plantlijst) s i w + r: is het vulhout (soorten zie plantlijst) Afbeelding 5: mengingsschema struweelhagen

3.7 Plantwijze Struweelhaag: - Pootlijn uitzetten - 1e persoon plantgat graven van 2 spades diep. - 2e persoon neemt bussel planten, plant in plantgat zetten met een afstand van 150 cm hart op hart (zelfde diepte als op de kwekerij), grond aanvullen en als laatste de grond aandrukken. Knip- en scheerhaag: - Pootlijn uitzetten - 1e persoon plantgat graven van 2 spades diep. - 2e persoon neemt bussel planten, plant in plantgat zetten met een afstand van 20 cm hart op hart (zelfde diepte als op de kwekerij), grond aanvullen en als laatste de grond aandrukken.

Pagina

Zorg dat de planten het eerste jaar na aanplant voldoende water krijgen. Eventueel kunnen ze bij het planten van de bomen, de bomen aanwateren. Hierdoor spoelt het zand goed tussen de wortels.

9

Landschapsboom: Plaats eerst de boompalen in het plantgat (met grondboor en/of houten hamer). De boompaal moet aan de windzijde van de boom geplaatst worden, dit is aan de zuidwestzijde van de boom. Na het plaatsen van de boompaal kan de boom geplant worden. Plaats deze op 15 cm afstand van de boompaal en niet dieper dan dat de boom op de kwekerij gestaan heeft. Na het plaatsen van de boom kan de grond aangevuld worden. Schud een aantal keer met de boom zodat de grond goed tussen de wortels zakt. Na het aanvullen van de grond de grond aandrukken zodat hij stevig in de grond staat. Als laatste breng je de boomband aan op 5 tot 10 cm van de bovenkant van de boompaal (zie afbeelding 6 voor plantinstructies).

Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68

Afbeelding 6: Plantinstructie bomen

3.8 Amfibieënpoel

Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68

Pagina

In vlakke terreinen dienen poelen tot op 0,5 á 1,0 m beneden de laagste grondwaterstand (VI) te worden uitgegraven. Te diepe poelen (meer dan 1 m. beneden de laagste grondwaterstand) worden op den duur door vissen bevolkt. Een goed ontwikkeld vissenbestand maakt een water voor de meeste amfibieën ongeschikt (zie ook volgende paragraaf). Het is niet erg indien de poel een keer per 3-5 jaar uitdroogt in de nazomer. Op deze manier verdwijnen vissen weer uit de poel.

10

Men kan de graafwerkzaamheden het beste uitvoeren in een droge periode (juni/juli/augustus) of in een vorstperiode. In de eerstgenoemde periode bestaat er een kans, dat er schade wordt toegebracht aan flora en fauna, maar op dit perceel, waar eerst diverse opbreekwerkzaamheden plaats gaan vinden, zal dit geen probleem vormen. Een vorstperiode is wat dat betreft minder gevoelig. Maar een bevroren bodem kan dan een probleem opleveren voor de werkzaamheden.

De afmetingen van een te graven poel worden door verschillende factoren bepaald. Bij het graven kan men het best uitgaan van een wateroppervlakte met een doorsnede van 20 - 30 m. Te kleine poelen (minder dan 10 m. doorsnede) vragen vanwege snelle verlanding regelmatig onderhoud. Onderhoud is in principe verstoring en niet bevorderlijk voor de planten en dieren in de poel. Anderzijds raakt bij achterstallig onderhoud, een maar al te vaak voorkomend fenomeen, een kleine poel snel ongeschikt voor amfibieën. Bron: Ravon.nl De poel moet op een zonnige plaats komen te liggen. Daarnaast is het is belangrijk dat het noordtalud (zie afbeelding 7) zo flauw mogelijk is (1:5, liefst 1:10) doordat de zon voornamelijk op deze zijde schijnt. Door een flauwe oever warmt het water sneller op wat een gunstig effect heeft op de ontwikkeling van de eieren en larven van amfibieën. Ook kunnen op een flauwe oever meer soorten oeverplanten een plekje vinden, waartussen amfibieën eieren afzetten.

Afbeelding 7: Ligging amfibieënpoel t.o.v. de zon. Bron: Groenloket, Datum 22-03-2021

3.9 Kruidenrijk grasland Voor het inzaaien van ieder willekeurig grasmengsel kan men op een vergelijkbare manier te werk gaan als bij het inzaaien van een gazon. Het zaaien kan handmatig gebeuren maar ook machinaal met een zaaimachine.

Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68

Pagina

11

1.10 Natuuroever riet Een natuuroever riet wordt aangelegd in de vorm van een plasberm of een drasberm, hierbij gelden de volgende inrichtingseisen; de plasberm wordt uitgegraven tot 50 cm onder of 10 boven het gemiddelde waterpeil. 50% van de breedte van de oever moet dan voldoen aan deze voorwaarde, of de drasberm wordt uitgegraven tot 10 cm onder of 10 boven het gemiddelde waterpeil. 50% van de breedte van de oever moet dan voldoen aan deze voorwaarde. natte gedeelte van berm wordt aangeplant met rietstekken, plantafstand 1 x 1 meter.

4. Onderhoud/beheer De nieuw te planten landschapsbeplanting dient op de juiste manier onderhouden te worden, zodat de beplanting zich kan ontwikkelen naar ‘volwassen’ fase. Wat dat onderhoud inhoud staat hieronder beschreven.

4.1 Onkruidbestrijding De beplanting dient het 1e (zo nodig 2e) groeiseizoen zo goed mogelijk onkruidvrij te worden gehouden. Schoffelen, cultivateren en plukken zijn de mogelijkheden. Zorg ervoor dat het onkruid niet gaat overheersen waardoor de planten een moeilijke groeistart krijgen.

4.2 Beheer 1e groeiseizoen Het is belangrijk om in het eerste groeiseizoen de nieuwe beplanting water te geven. De frequentie waarin dit plaats moet vinden zal bepaald moeten worden aan de hand van de ‘vraag’ van de beplanting. Dit zal gedurende het seizoen bekeken moeten worden. Ook het 2e jaar kan het nodig zijn om de beplanting naar behoefte water te geven. Na het eerste groeiseizoen zal bekeken moeten worden of en zo ja hoeveel beplanting er ingeboet moet worden. Belangrijk is het om de inboet aan het einde van het groeiseizoen op te nemen wanneer de goede beplanting nog in blad staat. Zo kun je duidelijk zien hoeveel beplanting er dood is gegaan. Het beste is om de dode beplanting te verwijderen en op een tekening aan te geven waar en hoeveel beplanting er dood is gegaan. De inboet kan dan in het zelfde plantseizoen opnieuw geplant worden. Het is heel belangrijk om de nieuwe beplanting welke ingeboet is het eerste en zo nodig tweede groeiseizoen water te geven.

4.3 Snoeien 4.3.1 Struweelhaag Om te voorkomen dat de beplanting te weinig ruimte heeft om te groeien, zal na 3-5 jaar, 1/5 deel van de beplanting moeten worden afgezet (vlak boven de grond afzagen) of uitsnoeien (grote stammen verwijderen en kleine scheuten laten staan). Dit dient jaarlijks herhaalt te worden zodat uiteindelijk alle planten om de 5 jaar verjongt worden.

4.3.2 Landschapsboom Jaarlijks boombanden losser zetten wanneer nodig. Begeleidingsnoei toepassen elke 3 tot 5 jaar.

4.3.3 Knip- en scheerhaag 2 keer per jaar snoeien op gewenst hoogte en breedte.

4.4 Amfibieënpoel

Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68

Pagina

Bij het onderhoud van poelen kun je uitgaan van 50% open water. Als de vegetatie een groter deel van de poel bedekt , is onderhoud (opschoning) gewenst. Onderhoud de poel door eens in de 1 á 2 jaar de begroeiing op de oever te maaien en eens in de 10 á 15 jaar waterplanten eruit te baggeren. Doe dit gefaseerd: het ene jaar de oostzijde en het andere jaar de westzijde.

12

Werkzaamheden aan bestaande poelen (waarin amfibieën en/of hun larven aanwezig kunnen zijn) worden bij voorkeur tussen half augustus en half oktober uitgevoerd. Er zijn dan nauwelijks amfibieën in de poel aanwezig.

Tot het onderhoud van poelen kan ook het verwijderen van houtopslag op de oevers behoren, om te sterke beschaduwing te voorkomen. Ook hierbij heeft het voorkeur niet alles in een keer te verwijderen maar gefaseerd. Deze houtopslag dient ook als schuilgelegenheid en beschutting voor onder andere amfibieën en andere diersoorten.

4.5 Kruidenrijk grasland Een kruidenrijk grasmengsel hoeft niet wekelijks gemaaid te worden. Het is juist belangrijk dat kruiden in het gras de kans krijgen zich te ontwikkelen en in bloei te komen. Dit is goed voor de aanwezige insecten en vlinders in het gebied. -

-

De rand wordt maximaal 2 en minimaal 1 maal per jaar gemaaid en het maaisel wordt binnen 15 dagen na het maaien afgevoerd; tussen 1 april en 1 juli is maaien niet toegestaan. De periode tussen twee maaibeurten is minimaal 3 maanden; De rand wordt niet bemest en er wordt geen slootveegsel en/of bagger opgebracht; De rand wordt niet beweid en bij beweiding van de aanliggende gronden is een raster aanwezig dat zich op de grens van het element met het aanliggende landbouwperceel bevindt; Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan m.u.v. pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, Jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

4.6 Natuuroever riet De natuuroever dient op de juiste wijze beheert te worden om goed te kunnen ontwikkelen. Wat dat beheer betekent, staat hieronder beschreven.

-

-

13

-

De oever wordt minimaal éénmaal per 4 jaar en maximaal éénmaal per 2 jaar gemaaid en bij elke maaibeurt mag maximaal 50% van de oppervlakte gemaaid worden (gefaseerd maaibeheer) De oever wordt niet beweid. Bij beweiding van de aanliggende gronden is een raster aanwezig dat zich op de grens van het element met het aanliggende landbouwperceel bevindt. De oever wordt niet bemest en er wordt geen slootveegsel en/of bagger opgebracht. Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan m.u.v. pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, Jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop op het droge deel van het talud. Maaiwerkzaamheden worden uitgevoerd tussen 1 oktober en 1 maart.

Pagina

-

Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68

Pagina

14

Bijlage 1. Landschappelijk inpassingsplan op de locatie: Dorpenweg 39 te Ravenstein.

Telefoonstraat 2, 5428 GJ Venhorst – 0618904606 – info@bnladvies.nl – www.bnladvies.nl – IBAN nr: NL94KNAB0257675221 – KvK nr: 72316144 – BTW nr: NL001171642B68

Bijlage 2

- Voortoets stikstof

voortoets Wnb

Voortoets stikstofdepositie Dorpenweg 39 te Deursen-Dennenburg

Plan

:

Voortoets stikstofdepositie i.r.t. de Wet natuurbescherming (Wnb) inzake het uitvoeren van een bestemmingsplan.

Datum Opdrachtgever Contactpersoon

: 25 maart 2021 : Loon- en Verhuurbedrijf Rossen : dhr. W. Rossen

Gemeente

: Oss

Uitvoering

: Cumela Advies, Nijkerk, dhr. T. Jansen

Status

: ontwerp

Cumela Advies, Nijkerk

-1-

2021

voortoets Wnb

INHOUDSOPGAVE 1.

2

3

INLEIDING ........................................................................................................................................ 3 1.1

Algemeen................................................................................................................................. 3

1.2

Ligging van de inrichting ten opzichte van Natura 2000-gebieden ......................................... 3

WETTELIJK KADER ............................................................................................................................ 4 2.1

Wet natuurbescherming ......................................................................................................... 4

2.2

AERIUS Calculator / depositie.................................................................................................. 4

REKENONDERZOEK .......................................................................................................................... 5 3.1

Algemeen................................................................................................................................. 5

3.1.1

Emissiebronnen vaste emissies ....................................................................................... 5

3.1.2

Voertuigpassages............................................................................................................. 5

3.1.3

(Mobiele) machines en (stationair) draaiende motoren ................................................. 5

3.1.4

Stookinstallaties .............................................................................................................. 6

3.2

Emissiebronnen tijdelijke emissies .......................................................................................... 7

3.3

Berekeningswijze .................................................................................................................. 7

4

CONCLUSIES..................................................................................................................................... 8

5

BIJLAGEN ......................................................................................................................................... 9

Cumela Advies, Nijkerk

-2-

2021

voortoets Wnb

1. INLEIDING 1.1 Algemeen De familie Rossen, hierna initiatiefnemer, heeft een loonwerkbedrijf gevestigd op de Dorpenweg 39, 5352 LB te Deursen-Dennenburg. Het bedrijf is gelegen in het buitengebied van de gemeente Oss. Vanaf deze locatie wordt uitoefening gegeven aan het loonbedrijf (cumelabedrijf), welke in hoofdzaak gericht is op het uitvoeren van werkzaamheden, buiten de eigen inrichting, met gemotoriseerd materieel én werktuigen in de gemeente Oss en omgeving. Verder vinden op onderhavige locatie tevens akkerbouwactiviteiten plaats. In Afbeelding 1 is de bedrijfslocatie weergegeven.

Afbeelding 1: Beoogde situatie

1.2 Ligging van de inrichting ten opzichte van Natura 2000gebieden De ligging van de inrichting en de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn weergegeven in Afbeelding 2.

Afbeelding 2: Ligging locatie t.o.v. Natura 2000-gebieden Cumela Advies, Nijkerk

-3-

2021

voortoets Wnb

2 WETTELIJK KADER 2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. In deze wet worden drie eerdere wetten vervangen. Het gaat om de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbwet) inclusief het Programma Aanpak Stikstof, de Boswet en de Flora- en faunawet. Op basis van de Wet natuurbescherming is het verboden om zonder vergunning van Gedeputeerde Staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Bestaat er een kans op dergelijke significant negatieve gevolgen, dan moet uit een passende beoordeling blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het project. Eventueel worden maatregelen opgenomen die getroffen worden om dit te bereiken. Als niet aangetoond wordt dat aan de instandhoudingsdoelstellingen voldaan wordt, kan het project alleen doorgang vinden door de zogeheten ADC-toets met goed gevolg te doorlopen. Voor projecten die ten opzichte van de uitgangssituatie op het referentiemoment geen significante toename in stikstofdepositie veroorzaken, zijn negatieve effecten ten aanzien van dit aspect uit te sluiten.

2.2 AERIUS Calculator / depositie Vanaf de inwerkingtreding van de PAS is er een nieuw verplicht rekenprogramma voor stikstofdepositieberekeningen vastgesteld. Met AERIUS Calculator kunnen berekeningen worden uitgevoerd om effecten op Natura 2000-gebieden in kaart te brengen. Indien en voor zover het project leidt tot stikstofemissie moet de stikstofdepositie van het project worden berekend met de meest recente versie van AERIUS Calculator. Uit de berekening van de gehele beoogde situatie kunnen de volgende situaties blijken: ❖ voor een depositie die kleiner of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar op alle Natura 2000gebieden geldt geen vergunning- of meldingsplicht in het kader van de Wnb; ❖ een depositie boven de grenswaarde van 0,00 mol/ha/jaar op de betreffende Natura 2000-gebieden moet, aan de hand van een voortoets, beoordeeld worden of significant negatieve effecten op voorhand kunnen worden uitgesloten. Zo niet, dan ontstaat er een vergunningplicht. Bij de nadere uitwerking i.c. beoordeling van activiteiten welke redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de stikstofdepositie op een voor stikstof gevoelige habitat in een Natura 2000gebied dienen de provinciale beleidsregels in acht genomen te worden.

Cumela Advies, Nijkerk

-4-

2021

voortoets Wnb

3 REKENONDERZOEK In dit hoofdstuk zijn de uitgangspunten van de inputgegevens voor het rekenprogramma AERIUS opgenomen. De gegevens uit andere rapporten / onderzoeken zijn hierbij voor zover als redelijkerwijs mogelijk betrokken.

3.1 Algemeen De werk- en openingstijden zijn over het algemeen van maandag tot en met zaterdag van 06.00 uur tot 19.00 uur. Uitgegaan wordt van 312 werkdagen per jaar.

3.1.1 Emissiebronnen vaste emissies De voertuigbewegingen zijn gebaseerd op de beoogde activiteiten en derhalve de maximale aantallen die gemiddeld per etmaal plaatsvinden.

3.1.2 Voertuigpassages De diverse voertuigen staan opgesteld in de loods en op het buitenterrein. Alle voertuigbewegingen vinden plaats via de voorzijde. Op een deel van de weg en op het terrein is er sprake van een lagere snelheid, hierdoor moet er voor een deel van de rijroute gekozen worden voor ‘Binnen bebouwde kom’. Hetzelfde geldt voor de verkeersbewegingen. Voor het aantal bewegingen worden onderstaande gegevens gehanteerd, waarbij 50% in noordelijke en 50% in zuidelijke richting rijdt. Tabel 1: voertuigpassages

Omschrijving Zware motorvoertuigen (route 1) Lichte motorvoertuigen (route 1)

voertuigpassages 140 x 60 x

Terwijl de activiteiten plaatsvinden op locatie elders kunnen tussentijds transporten plaatsvinden om goederen te halen of te brengen. Deze bewegingen zijn verdisconteerd in de aantallen zoals genoemd in bovenstaande tabel. De voertuigbewegingen zijn gemodelleerd als een weg met licht-, en zwaar verkeer met de actuele emissiefactoren voor wegverkeer die in het rekenprogramma AERIUS Calculator zijn opgenomen.

3.1.3 (Mobiele) machines en (stationair) draaiende motoren Binnen de inrichting vinden ook diverse handelingen plaats met machines/werktuigen met een verbrandingsmotor i.c. activiteiten waarbij een emissie (NOx) vrijkomt vanwege de verbranding van gasolie. Voor alle relevante voertuigen/machines is sprake van de brandstof ‘diesel’. Een vuistregel voor berekening van het verbruik is op basis van het belastingspercentage en de verbruiksfactor. Het belastingspercentage is de mate van belasting van de motor. De verbruiksfactor is een getal waarmee het brandstof verbruik per belaste kW uitgerekend kan worden. Uitgegaan wordt van 1 liter dieselolie per 4 belaste kW. In onderstaand voorbeeld is de berekeningswijze aangegeven. Belastingspercentage * kW / verbruiksfactor 4 = liter per uur (Bron: IMAG)

Cumela Advies, Nijkerk

-5-

2021

voortoets Wnb

In onderstaande tabel, zijn de machines weergegeven incl. het verbruik, de stageklasse en het dieselverbruik. Hierbij wordt opgemerkt dat sprake is van een worst-case scenario omdat veel van de machines een Stageklassen IV of V betreffen.

Afbeelding 3: Invoergegevens c.q. uitgangspunten gebruiksfase

De emissies zijn gemodelleerd als vlakbron (inzake de ‘diverse bronnen op terrein) op de betreffende locaties.

3.1.4 Stookinstallaties In het woonhuis is een stookinstallatie aanwezig die aardgas verbrandt. Voor de berekening van de NOx-emissie is gebruik gemaakt van de gegevens van het CBS, zie onderstaande afbeelding. Op onderhavige locatie is een wat oudere vrijstaande woning aanwezig. De emissie van vrijstaande woningen bedraagt 3,59 kg NOx /jaar. Deze bron is als puntbron ingevoerd. Voor het kantoor is (worst-case) een oppervlak van 200 m2 aangehouden. Uitgaande van een emissie van 0,16 kg kg NOx /jaar is sprake van een emissie van 3,2 kg NOx /jaar

Afbeelding 4: Uitsnede emissies woningen

Cumela Advies, Nijkerk

-6-

2021

voortoets Wnb

3.2 Emissiebronnen tijdelijke emissies De tijdelijke emissies die ontstaan bij de bouw van de loods moeten als een project worden gezien. Deze tijdelijke emissies als gevolg van de bouwfase zijn in beginsel geïmplementeerd in de emissies in de uitvoeringsfase. De activiteiten op de locatie nemen als gevolg van de bouwfase af. Echter ter volledigheid is ook inzicht gegeven in de emissies afkomstig van de bouwfase (incl. sloop). 19

Afbeelding 5: Uitgangspunten realisatiefase

De emissies zijn gemodelleerd als vlakbron (inzake de ‘diverse bronnen op terrein) op de betreffende locaties.

3.3

Berekeningswijze

De stikstofdepositie door de gewenste activiteiten op de Natura 2000-gebieden is berekend met AERIUS Calculator. Dit rekenmodel is voorgeschreven om stikstofberekeningen uit te voeren in het kader van de Wet natuurbescherming. Het verkeer van en naar de inrichting gemodelleerd tot het punt waar de voertuigen zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld.

Cumela Advies, Nijkerk

-7-

2021

voortoets Wnb

4 CONCLUSIES In dit onderzoek zijn voor de gewenste inrichting van Loon- en Verhuurbedrijf Rossen gevestigd en bedrijfsvoerend aan de aan de Dorpenweg 39, 5352 LB te DeursenDennenburg de te verwachten stikstofdeposities ter plaatse van Natura 2000-gebieden berekend. Uit de rekenresultaten blijkt dat de stikstofdepositie op geen van de Natura 2000-gebieden groter is dan 0,00 mol/ha/jaar in zowel de realisatiefase als de uitvoeringsfase. Er is derhalve geen sprake van een significant negatief effect op gevoelige habitattypen in omliggende Natura 2000-gebieden. Gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde gebied leidt de beoogde ontwikkeling verder niet tot andere voorkomende storende factoren zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Er is derhalve geen sprake van significante verslechtering op grond van de Wet natuurbescherming.

Cumela Advies, Nijkerk

-8-

2021

voortoets Wnb

5 BIJLAGEN 1)

AERIUS-berekeningen

Cumela Advies, Nijkerk

-9-

2021

Bijlage 3

- Beleidsvisie externe veiligheid Oss

Beleidsvisie externe veiligheid Oss Ruimtelijke planning van opslag en transport van gevaarlijke stoffen; ambities en aanpak projectnr. 143448 revisie 6.4 Maart 2011

Opdrachtgever Gemeente Oss Postbus 5 5340 BA OSS

datum vrijgave

beschrijving revisie 6.4

goedkeuring

vrijgave

Maart 2011

Versie na aanpassingen inspraak

J. Eskens

J. Eskens

projectnr.143448 Maart 2011, revisie 6.4

Beleidsvisie externe veiligheid Oss Ambities en aanpak externe veiligheid in gemeente Oss

Inhoud

Blz.

1 1.1 1.2 1.3 1.4

Inleiding Waarom een beleidsvisie externe veiligheid? Doelstelling beleidsvisie Afbakening Leeswijzer

3 3 4 4 5

2 2.1 2.2

Enkele basisbegrippen Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten Plaatsgebonden risico (PR) en Groepsrisico (GR)

6 6 6

3 3.1 3.2 3.3

Reeds bestaande beleidskaders voor externe veiligheid Landelijke beleid Eerder vastgesteld gemeentelijk beleid Plaats van deze beleidsvisie in het gemeentelijk beleid

8 8 9 10

4 4.1 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.1.4 4.1.5 4.1.6 4.2

Uitgangssituatie externe veiligheid Oss Risicobronnen Spoor Vervoer over de weg Vervoer per buisleiding Vervoer over het water LPG-tankstations Overige bedrijven Conclusie uitgangssituatie

11 11 11 14 15 16 16 16 17

5 5.1 5.2 5.3 5.3.1 5.3.2 5.3.3 5.3.4 5.3.5 5.3.6 5.4 5.4.1 5.4.2 5.4.3 5.4.4

Visie externe veiligheid Oss Bieden van basisveiligheid Ambitie Uitgangspunten bij invulling ambitie Balans tussen wonen, werken, milieu enz. Veiligheidsgericht in beheer en ontwerp Bij de tijd houden van Omgevingsvergunningen Handhaving rechtszekerheid van inwoners en bedrijven Informatie naar inwoners en bedrijven Evaluatie van het risicobeleid Beïnvloedings- en beoordelingsparameters Omgang met de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico Hulpverlening Zelfredzaamheid Coördinatie EV-beleid in de gemeente Oss

18 18 18 18 19 19 20 20 20 21 21 21 21 23 23

6 6.1 6.1.1 6.1.2 6.1.3 6.1.4 6.2 6.3

Planologische kaders Spoor- en rijkswegen Zone I Plasbrandaandachtsgebied: 0 - 30 meter Zone II BLEVE aandachtsgebied (100% letaal): 0 - 200 meter Zone III BLEVE aandachtsgebied (1% letaal): 200 - 300 meter Zone IV: > 300 meter: standaard verantwoordingsplicht Hoge druk aardgastransportleidingen Planologisch kader bedrijven

26 27 28 28 29 29 29 30

blad 1 van 29

Milieumanagement en Omgevingsbeleid

projectnr.143448 Maart 2011, revisie 6.4

Beleidsvisie externe veiligheid Oss Ambities en aanpak externe veiligheid in gemeente Oss

6.3.1

Bevi-inrichtingen op daarvoor aangewezen terreinen

31

7

Ten slotte

34

Bijlagen

36

Bijlage 1: Verklarende woordenlijst

37

Bijlage 2: Zwaarte invulling verantwoording.

40

Bijlage 3: Overzicht risicovolle bedrijven en routes

43

Bijlage 4: Routering gevaarlijke stoffen

45

blad 2 van 29

Milieumanagement en Omgevingsbeleid

projectnr.143448 Maart 2011, revisie 6.4

1 1.1

Beleidsvisie externe veiligheid Oss Ambities en aanpak externe veiligheid in gemeente Oss

Inleiding Waarom een beleidsvisie externe veiligheid? Een belangrijke reden voor de gemeente Oss om een integrale visie op externe veiligheid te formuleren is de door landelijke wetgeving opgelegde plicht tot het expliciet verantwoorden van veranderingen in de voor inwoners aanwezige risico’s. In de gemeente Oss heeft vrijwel iedere ruimtelijke verandering invloed op de aanwezige risico’s , zodat er bij vrijwel ieder ruimtelijk besluit aan deze plicht moet worden voldaan. Met een beleidsvisie kan de invulling van deze verantwoording worden gestroomlijnd en ad-hoc besluiten kunnen worden vermeden. Dit betekent eenduidigheid in beleid en kostenbesparing op termijn. De volgende 4 zaken hebben een prominente rol in het beleidsveld externe veiligheid: 1. Externe veiligheid raakt vele beleidsvelden. Milieu, ruimtelijke ordening en openbare veiligheid zijn hoofdrolspelers. Spelers op het gebied van risicocommunicatie en bijvoorbeeld verkeer- en vervoer blijken onmisbaar. Daarom vraagt het omgaan met externe veiligheid om een gezamenlijke aanpak vanuit meerdere disciplines. 2. Maar de wetgeving richt zich niet alleen op de gemeentelijke organisatie. Ook de veroorzakers van mogelijke risico’s en personen in de omgeving van een risicobron dienen actief te worden betrokken. Daarom vraagt het omgaan met externe veiligheid om samenwerking tussen meerdere partijen en organisaties. 3.

Een risicoloze maatschappij bestaat niet. Welk (rest)risico is te verantwoorden? En wie draagt die verantwoording? Ambities van de gemeente bepalen de inzet van oplossingen voor en besluiten over externe veiligheid. Omgaan met externe veiligheid betekent ook het maken van keuzes. 4. Binnen externe veiligheid kunnen verschillende risicobronnen worden onderscheiden. Overzicht over deze bronnen is cruciaal voor een juiste afweging van de te maken keuzes. De risicobronnen betreffen in de gemeente Oss onder andere chemische industrie, LPG-tankstations, het transport per weg en spoor en aardgastransport. Deze beleidsvisie is in nauwe samenwerking tussen medewerkers van gemeente Oss en van Oranjewoud tot stand gekomen. De thans voorliggende versie is een update van het proces dat in 2005 is gestart. Dit omdat nieuwe ontwikkelingen ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor en door buisleidingen een actualisatie noodzakelijk maken. Deze actualisatie omvat tevens de integratie van de Beleidsvisie Externe Veiligheid van de gemeente Lith, nu deze gemeente met de gemeente Oss is samengevoegd.

blad 3 van 29

Milieumanagement en Omgevingsbeleid

projectnr.143448 Maart 2011, revisie 6.4

1.2

Beleidsvisie externe veiligheid Oss Ambities en aanpak externe veiligheid in gemeente Oss

Doelstelling beleidsvisie De beleidsvisie geeft de volgende concrete handvatten voor het structureel omgaan met externe veiligheid. Overzicht situatie externe veiligheid De beleidsvisie geeft een overzicht van de externe veiligheidssituatie in gemeente Oss. De ruimtelijke weergave van de diverse externe veiligheidsaspecten wordt gegeven via de signaleringskaart.

Structurele besluitvorming Besluitvorming over de externe veiligheid vindt vooral plaats bij ruimtelijke procedures (bestemmingsplannen enz), de behandeling van milieuvergunningen en bij de organisatie van de rampenbestrijding. De beleidsvisie beoogt hierbij ad-hoc besluitvorming te voorkomen en ieder probleem in samenhang op de juiste schaal te beoordelen. Samenwerking met de Veiligheidsregio1 is hierbij een speerpunt. Basis voor invulling van de verantwoording van de risico’s De wet schrijft voor dat gemeenten expliciet verantwoording afleggen over besluiten die invloed hebben op de risico’s voor haar inwoners. De gemeente moet zelf aangeven hoe ze dat precies wil doen. In de beleidsvisie is de hoofdlijn van de praktische uitvoering van deze verantwoording vastgelegd. Hierdoor hoeft niet per locatie (besluit) de wijze van uitvoering bedacht te worden maar wordt een structuur en uniformiteit voor de betreffende werkprocessen aangereikt. Vaststellen acceptatie(niveau) van risico's Een risicoloze samenleving bestaat niet. In de beleidsvisie worden de ambities vastgelegd, die de maat zijn voor de inspanning die gemeente Oss wil leveren, dan wel verlangt van anderen, om de veiligheid te optimaliseren. Organisatie voor de uitvoering In de beleidsvisie is op hoofdlijnen vastgelegd wie wat doet ten aanzien van externe veiligheid.

Naast de gemeente hebben ook de provincie, de Veiligheidsregio en de regionale hulpdiensten een rol.

1.3

Afbakening Het gemeentelijke beleidskader wordt in belangrijke mate bepaald door de landelijke wetgeving. Het betreft hier de kaders zoals onder meer gegeven in:  Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)  De circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRNVGS)  Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)

1

Per 1 oktober 2010 is de Wet op de Veiligheidsregio's van kracht geworden. De al eerder geregionaliseerde brandweer is nu samen met de andere hulpdiensten in de Veiligheidsregio's ondergebracht.

blad 4 van 29

Milieumanagement en Omgevingsbeleid

projectnr.143448 Maart 2011, revisie 6.4

Beleidsvisie externe veiligheid Oss Ambities en aanpak externe veiligheid in gemeente Oss

Daarnaast is nog wetgeving in ontwikkeling, zoals het:  Besluit transportroutes externe veiligheid In deze beleidsvisie worden de inhoud van deze wetgeving en de hierbij gebruikte begrippen niet uitputtend omschreven. Er wordt vooral ingegaan op:  de consequenties van deze wetgeving voor de gemeente Oss  de keuzes die de gemeente Oss maakt bij de verdere uitwerking van dit beleid Wat doet deze beleidsvisie wel:  geeft aan waar externe veiligheid staat binnen het beleid van de gemeente Oss en wat de raakvlakken zijn en waar keuzes zijn gemaakt  geeft de over het algemeen te hanteren beschermingsniveaus bij risicovolle activiteiten aan, waardoor de impact van deze activiteiten op de omgeving wordt afgestemd en andersom  grijpt daarmee in op de inrichting van de fysieke ruimte in Oss

Wat doet deze beleidsvisie niet:  richt zich niet op arbeidsveiligheid  grijpt niet in op Omgevingsvergunningen (voorheen milieubeheervergunningen) van afzonderlijke bedrijven

1.4

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt allereerst ingegaan op enkele (technische) begrippen welke een centrale rol spelen in deze beleidsvisie. Hoofdstuk 3 geeft de landelijke beleidskaders, en eerder vastgesteld gemeentelijk beleid, wat als uitgangspunt geldt voor de gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid. Hoofdstuk 4 beschrijft de bestaande situatie ten aanzien van de externe veiligheid in Oss. Hoofdstuk 5 geeft vervolgens de beleidsuitgangspunten, waarna hoofdstuk 6 het ruimtelijk kader voor het externe veiligheidsbeleid beschrijft. In hoofdstuk 7 worden ten slotte actiepunten genoemd, ter nadere uitwerking van de beleidsvisie.

blad 5 van 29

Milieumanagement en Omgevingsbeleid

projectnr.143448 Maart 2011, revisie 6.4

2

Beleidsvisie externe veiligheid Oss Ambities en aanpak externe veiligheid in gemeente Oss

Enkele basisbegrippen Externe veiligheid is specifieke en specialistische materie, die echter wel ingrijpt in de dagelijkse praktijk van de ruimtelijke ordening en het milieubeheer. In dit hoofdstuk worden enkele (technische) basisbegrippen toegelicht, afkomstig uit landelijke wetgeving. Daarnaast is in bijlage 1 een verklarende woordenlijst opgenomen.

2.1

Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten Externe veiligheid behandeld de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Enerzijds gaat het over de risicobronnen (inrichtingen (bedrijven) of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risico-ontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (bijv. zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/ waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest.

2.2

Plaatsgebonden risico (PR) en Groepsrisico (GR) De wetgever maakt onderscheid in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.

blad 6 van 29

Milieumanagement en Omgevingsbeleid

projectnr.143448 Maart 2011, revisie 6.4

Beleidsvisie externe veiligheid Oss Ambities en aanpak externe veiligheid in gemeente Oss

De wetgeving schrijft voor hoe met de PR = 10-6/jaar moet worden omgegaan. Binnen deze contour heeft iemand, die hier continu aanwezig is, de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Groeprisico (GR) en invloedsgebied Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet ‘op de kaart’ worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.

Figuur 2.1 Weergave plaatsgebonden risicocontouren, invloedsgebied en groepsrisicografiek met oriëntatiewaarde voor transport.

blad 7 van 29

Milieumanagement en Omgevingsbeleid

projectnr.143448 Maart 2011, revisie 6.4

3

3.1

Beleidsvisie externe veiligheid Oss Ambities en aanpak externe veiligheid in gemeente Oss

Reeds bestaande beleidskaders voor externe veiligheid Landelijke beleid Beleid in relatie tot het Plaatsgebonden Risico (PR) De wetgeving schrijft voor hoe met het gebied binnen de PR = 10-6/jaar contour moet worden omgegaan. Binnen deze contour heeft iemand, die hier continu aanwezig is, de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hier mogen geen nieuwe kwetsbare objecten gerealiseerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de PR = 10-6/jaar contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Beleid in relatie tot het Groepsrisico (GR) Voor de omvang van het groepsrisico bestaat geen wettelijk vastgestelde norm. Wel is er een ijkpunt, de oriëntatiewaarde. De oriëntatiewaarde is de diagonale lijn in figuur 2.1. De omgang met de oriëntatiewaarde door de gemeente Oss wordt in hoofdstuk 5 nader toegelicht. Ruimtelijke besluiten die van invloed zijn op het groepsrisico binnen een invloedsgebied moeten in het kader van een goede ruimtelijke ordening verantwoord worden. In deze verantwoording moet de gemeente op een juiste wijze de toename en ligging van het rekenkundige groepsrisico onderbouwen en hierbij aangeven of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht.

De verantwoordingsplicht omvat naast de rekenkundige hoogte van het groepsrisico (zie figuur 2.1), dat berekend wordt door middel van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA), tevens een aantal kwalitatieve aspecten, zoals weergegeven in figuur 3.1. Met de rode en groene vlakken wordt aangegeven dat er bij de verantwoording sprake is van het toekennen van waarden aan de verschillende aspecten. Hiermee wordt een afweging mogelijk van keuzes in het beperken of accepteren van de gevolgen van het groepsrisico.

Figuur 3.1 Verplichte onderdelen van de verantwoordingsplicht van het groepsrisico.

Ook het te volgen proces voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt in de landelijke wetgeving voorgeschreven. Dit proces moet bestaan uit de volgende stappen: 1. Berekenen toename groepsrisico 2. Advies vragen aan de Regionale Brandweer omtrent: blad 8 van 29

Milieumanagement en Omgevingsbeleid

projectnr.143448 Maart 2011, revisie 6.4

Beleidsvisie externe veiligheid Oss Ambities en aanpak externe veiligheid in gemeente Oss

 mogelijkheden zelfredzaamheid  mogelijkheden van hulpverlening  mogelijke risicoreducerende maatregelen 3. Onderbouwing van de gemeente, welke risicoreducerende maatregelen er wel zullen worden genomen en welke niet, en dus welk restrisico er wordt geaccepteerd

Beleid in relatie tot het vervoer van gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Knelpunt hierbij is dat er geen plafond bestaat voor de omvang en samenstelling van dit vervoer. Theoretisch kan het vervoer ongelimiteerd toenemen, met dan eveneens ongelimiteerde gevolgen voor de risico’s en dus voor de ruimtelijke ordening. Het beleid achter het landelijke Basisnet is dat er een beperkte routering voor gevaarlijke stoffen wordt vastgesteld en een plafond voor de hoeveelheid vervoerde gevaarlijke stoffen wordt vastgesteld. Ook worden randvoorwaarden aan de ruimtelijke ordening gesteld. Uiteindelijk zal het Basisnet worden geïntegreerd in het nog vast te stellen ‘Besluit transportroutes externe veiligheid’ en de dan aangepaste ‘Wet vervoer gevaarlijke stoffen’. Omdat het ontwikkelen van instrumenten voor dit beleid bijzonder complex is, en de gevolgen voor vervoerders en de ruimtelijke ordening ingrijpend kunnen zijn, vindt nog veel discussie plaats en loopt de vaststelling van het Basisnet achter op schema. Binnen deze Beleidsvisie Externe Veiligheid wordt voor zover mogelijk geanticipeerd op de komst van het Basisnet. Met de komst van het Basisnet en het 'Besluit transportroutes externe veiligheid' wordt ook een nieuw toetsingselement toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied.

Dit is het gebied dat kan worden bestreken door brandende vloeistoffen. Binnen dit gebied moet onderzocht worden hoe schade en letsel ten gevolge van de warmte van een plasbrand beheerst kunnen worden. Uit de concepten valt (voor Oss) de volgende hoofdlijn af te leiden:  Mogelijk een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter, gemeten vanaf de buitenzijde van het buitenste spoor (van de spoorlijn ’s Hertogenbosch-Nijmegen).  Een strook van 30 meter, gemeten vanaf de 'rand van het asfalt' van de A50, beginnend bij het knooppunt Paalgraven, richting Arnhem,  Binnen 200 meter van het spoor, de rijksweg of de Maas moet er extra aandacht aan de verantwoording van het groepsrisico moet worden besteedt.  Binnen 200 meter van een transportroute (spoor, rijks- en waterweg) moet er extra aandacht aan de verantwoording van het groepsrisico worden besteedt.

3.2

Eerder vastgesteld gemeentelijk beleid Op 8 april 2010 is het 'Milieubeleidsplan Oss, 2010-2014' vastgesteld. Dit plan geeft aan hoe het milieu een positieve bijdrage kan leveren aan de blad 9 van 29

Milieumanagement en Omgevingsbeleid

projectnr.143448 Maart 2011, revisie 6.4

Beleidsvisie externe veiligheid Oss Ambities en aanpak externe veiligheid in gemeente Oss

thema's gezondheid, leefomgeving, veiligheid en ruimtelijke kwaliteit. Het Milieubeleidsplan vormt de verbinding tussen een groot aantal sectorale milieuplannen en notities. In de beleidsvisie wordt onder meer nadruk gelegd op de goede interactie tussen ruimtelijke ordening en de diverse milieucompartimenten. Ook wordt gewezen op het belang van samenwerking met de hulpdiensten. Met deze beleidsvisie Externe Veiligheid is het milieucompartiment externe veiligheid uitgewerkt.

3.3

Plaats van deze beleidsvisie in het gemeentelijk beleid Het milieubeleidsplan legt een relatie tussen de diverse milieuaspecten en het overige gemeentelijke beleid. De beleidsvisie externe veiligheid is een segment van dit integrale beleid. Het volgende schema geeft de samenhang van externe veiligheid met de andere beleidsvelden. De beleidsvisie van de gemeente Oss beoogt hierbij een totale integratie van het externe veiligheidsbeleid. integraal

Beleidsvisie externe veiligheid

strategisch beleidsniveau

Sectorplan-

Milieu

R.O.

niveau

Brandweer

Verkeer

E.Z.

Gebiedskwaliteiten

Strategisch integraal kader

Inhoudelijke afweging

Sectorkwaliteitskaarten

Sectorale doelstellingen

Interne samenhang (inhoudelijk)

Samenhang met ander beleid

operationeel planniveau

Milieuuitvoeringsplan

operationele besluitvorming

Bestemmingsplan

Ramp (bestr.) plan

Verkeers CirculatiePlan

Projecten, beschikkingen, milieuvergunning, gebruiksvergunning etc.; integraal karakter

(geen afweging of randvoorwaarde)

Concrete besluiten

Procedurele integratie / samenhang

Toetsing aan integraal kader

Figuur 3.3, Positionering van het externe veiligheidsbeleid op gemeentelijk niveau

blad 10 van 29

Milieumanagement en Omgevingsbeleid

projectnr.143448 Maart 2011, revisie 6.4

4

Beleidsvisie externe veiligheid Oss Ambities en aanpak externe veiligheid in gemeente Oss

Uitgangssituatie externe veiligheid Oss Voor deze Beleidsvisie is de uitgangssituatie op het gebied van risicobronnen en hun risicocontouren geïnventariseerd. Een lijst met risicobronnen is opgenomen in bijlage 3. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de ruimtelijke weerslag van deze risicobronnen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=066a2e52-06a9-421a-870b-9269fba23950