CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2A Toelichting Molenstraat 30 Geffen

Gemeenteraad 11 april 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststelling bestemmingsplannen 'Langwijkstraat 27 Lithoijen - 2023' en 'Molenstraat 30 Geffen – 2023’14.924 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

BESTEMMINGPSLAN Molenstraat 30 Geffen - 2023 Toelichting

Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |

Bestemmingsplan Molenstraat 30 Geffen – 2023 vastgesteld Toelichting

Gemeente Oss April 2024 NL.IMRO.0828.BPmolenstr30gff-VA01

Molenstraat 30 Geffen – 2023, pag. 2 van 38 Vastgesteld 11 april 2024

INHOUDSOPGAVE TOELICHTING Hoofdstuk 1 Inleiding ................................................................................................................................. 4 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 4 1.2 Plangebied ..................................................................................................................................... 4 1.3 Geldende bestemmingsplannen .................................................................................................... 5 Hoofdstuk 2 Bestaande situatie................................................................................................................. 6 Hoofdstuk 3 Beoogde situatie ................................................................................................................... 8 Hoofdstuk 4 Ruimtelijk beleidskader ....................................................................................................... 10 4.1 Wettelijk kader ............................................................................................................................. 10 4.2 Rijksbeleid ....................................................................................................................................

11 4.3 Provinciaal beleid ......................................................................................................................... 12 4.4 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................................... 13 Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten ........................................................................................................... 15 5.1 Landschap ................................................................................................................................... 15 5.2 Natuur .......................................................................................................................................... 16 5.3 Archeologie en Cultuurhistorie ..................................................................................................... 18 5.4 Mobiliteit en parkeren................................................................................................................... 21 5.5 Water ........................................................................................................................................... 22 Defensie .......................................................................................................................................

23 5.6 5.7 Milieuaspecten ............................................................................................................................. 24 5.8 Milieueffectrapportage (M.e.r.) ..................................................................................................... 32 Hoofdstuk 6 Toelichting op de regels ...................................................................................................... 33 6.1 Algemeen ..................................................................................................................................... 33 6.2 Regels .......................................................................................................................................... 33 Hoofdstuk 7 Handhaving ......................................................................................................................... 35 7.1 Beleidskader ................................................................................................................................ 35 7.2 Professionele handhaving en handhavingsprogramma ............................................................... 35 7.3 Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht............................................................

36 Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................. 37 Hoofdstuk 9 Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................... 38 9.1 Omgevingsdialoog ....................................................................................................................... 38 9.2 Vooroverleg .................................................................................................................................. 38 9.3 Inspraak ....................................................................................................................................... 38 9.4 Zienswijzen .................................................................................................................................. 38

BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5.

Verkennend bodemonderzoek; Quickscan Flora en Fauna; Stikstofdepositieonderzoek; Watertoets; Brief omgevingsdialoog en verspreidingsgebied.

Molenstraat 30 Geffen – 2023, pag. 3 van 38 Vastgesteld 11 april 2024

TOELICHTING Bestemmingsplan Molenstraat 30 Geffen – 2023

Molenstraat 30 Geffen – 2023, pag. 4 van 38 Vastgesteld 11 april 2024

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Aanleiding Op het perceel Molenstraat 30 in Geffen was voorheen een agrarisch bedrijf gevestigd. De agrarische opstallen zijn nog aanwezig, maar niet meer als zodanig in gebruik. De huidige bewoners hebben geen agrarisch bedrijf en hebben daarom de gemeente verzocht de agrarische bestemming om te zetten naar een woonbestemming. Daarnaast hebben zij de gemeente verzocht een bedrijfsgebouw te mogen realiseren voor een kleinschalig metselbedrijf (eenmanszaak), na sloop van de aanwezige (voormalige) bedrijfsgebouwen. Op 6 februari 2023 besloot de gemeente principemedewerking te verlenen aan het initiatief. Om het initiatief mogelijk te maken is een bestemmingsplanprocedure noodzakelijk. Het voorliggende bestemmingsplan is de onderbouwing van het initiatief. 1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen aan de Molenstraat 30 in Geffen (gemeente Oss). Kadastraal staat het perceel bekend als de gemeente Geffen, sectie C, nummer 6399. Het plangebied heeft een oppervlakte van 9.975m². Op onderstaande afbeelding is de begrenzing van het plangebied weergegeven. Het bestemmingsplan ziet niet op het volledige kadastrale perceel. Het zuidelijke deel van het perceel wordt planologisch niet gewijzigd.

Afbeelding 1: Plangebied (rode kader)

Molenstraat 30 Geffen – 2023, pag. 5 van 38 Vastgesteld 11 april 2024

1.3 Geldende bestemmingsplannen Tot de inwerkingtreding van voorliggend bestemmingsplan “Molenstraat 30 Geffen – 2023” gelden binnen het plangebied verschillende bestemmingsplannen en herzieningen. Deze zijn opgenomen in onderstaande lijst. Naam bestemmingsplan

Datum vaststelling

Parapluplan Wonen - 2023

15 juni 2023

Kom Geffen - 2016

1 juni 2017

Parapluplan Geitenhouderijen - 2019

5 maart 2020

Voorbereidingsbesluit huisvesting arbeidsmigranten Oss

24 februari 2022

Parapluplan wonen – 2023

Ontwerp

Na de inwerkingtreding van voorliggend bestemmingsplan verliezen deze plannen, binnen het plangebied, hun rechtskracht. Op basis van het bestemmingsplan “Kom Geffen – 2016 geldt voor het perceel een agrarische bestemming (zie onderstaande uitsnede). De bebouwing is gelegen binnen het bouwvlak. Voor de woning is de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’ opgenomen en voor de kassen de functieaanduiding ‘kas’. Binnen de aanduiding ‘bedrijfswoning is de maximale goot- en bouwhoogte 4 en 7 meter en voor de kas geldt een maximale goot- en bouwhoogte van 4 en 6 meter.

Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan Kom Geffen – 2016 (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Molenstraat 30 Geffen – 2023, pag. 6 van 38 Vastgesteld 11 april 2024

Hoofdstuk 2

Bestaande situatie

Omgeving Het perceel Molenstraat 30, Geffen is gelegen ten westen van de kern Geffen. Het perceel ligt in een overgangsgebied van de kern naar het buitengebied. De bebouwingsdichtheid is daardoor laag, wel zijn er verschillende functies in de omgeving aanwezig, zoals tennisvelden aan de zuidzijde van het plangebied, voetbalvelden aan de westzijde en een spoorlijn aan de noordzijde van het plangebied. Aan de overzijde van de spoorlijn begint het buitengebied met een mix van bedrijvigheid (agrarisch en niet agrarisch) en burgerwoningen.

Afbeelding 3: Omgeving van het plangebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Huidige situatie Het perceel Molenstraat 30 in Geffen is in het verleden gebruikt voor agrarische bedrijfsvoering. De (vervallen) kas en kleinere bedrijfsgebouwen zijn nog aanwezig, maar niet meer als zodanig in gebruik. De voormalige bedrijfswoning is als burgerwoning in gebruik en de weides worden hobbymatig agrarisch gebruikt. Er is een extra inrit gerealiseerd voor het (kleinschalige) metselbedrijf, zodat de bedrijfsgebouwen gebruikt kunnen worden voor opslag van materieel. Op het perceel is veel groen, voornamelijk dennen, aanwezig waardoor de bestaande bebouwing voor de omgeving beperkt zichtbaar is.

Molenstraat 30 Geffen – 2023, pag. 7 van 38 Vastgesteld 11 april 2024

Afbeelding 4: Huidige situatie plangebied

Molenstraat 30 Geffen – 2023, pag. 8 van 38 Vastgesteld 11 april 2024

Hoofdstuk 3

Beoogde situatie

Op basis van het geldende bestemmingsplan heeft het perceel een agrarische bestemming (paragraaf 1.3). Het wijzigen van het gebruik van agrarisch naar wonen heeft gevolgen voor het gebruik van het perceel. Er is daarom een inrichtingsschets opgesteld, voor een zorgvuldige opzet en landschappelijke inpassing van het erf (onderstaande afbeelding).

Afbeelding 5: Inrichtingsschets beoogde situatie (bron: Rovalis)

Bijgebouwen De voormalig agrarische bedrijfsgebouwen (met uitzondering van de bedrijfswoning) worden gesloopt. Ter compensatie van de sloop van deze bedrijfsgebouwen circa 500 m² mag een nieuw bijgebouw worden opgericht. De totale oppervlakte voor bijgebouwen wordt begrensd op maximaal 300 m², waarvan maximaal 210 m² mag worden gebruikt voor de opslag van materieel voor het metselbedrijf. De bebouwingsmogelijkheden nemen daardoor aanzienlijk af ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Voor het nieuw te realiseren bijgebouw geldt een maximale goothoogte van 3,5 meter en een maximale bouwhoogte van 6 meter. De bouwmogelijkheden zijn juridisch verankerd op de verbeelding en de regels van het voorliggende bestemmingsplan. Het bijgebouw is zodanig gesitueerd dat één inrit volstaat. De recent aangelegde tweede inrit kan daarmee komen te vervallen. Woning De woning wordt alleen inpandig verbouwd. De geldende planologische mogelijkheden zijn overgenomen in het voorliggende bestemmingsplan zoals de maximale goot- en bouwhoogte van 4 en 7 meter en een maximale inhoudsmaat van 750 m³. Landschappelijke inpassing Het perceel wordt landschappelijk ingepast met inheemse soorten. Het inrichtingsplan is gebaseerd op de uitgangspunten van het Landschapsontwikkelingsplan van de gemeente, waardoor de beplanting goed aansluit op de omgeving.

Bovenstaande afbeelding geeft een impressie van zowel de (te behouden)

Molenstraat 30 Geffen – 2023, pag. 9 van 38 Vastgesteld 11 april 2024

bestaande als de nieuw aan te brengen beplanting. Door het aanplanten van de hagen en de houtwal wordt het perceel landschappelijk zorgvuldig ingepast, maar blijven er ook de gewenste zichtlijnen vanuit de woning over de landerijen. Hagen Voor de hagen kan worden gekozen uit beuk, haagbeuk of veldesdoorn. Er worden 4 planten per strekkende meter aangeplant in de maat 80/100 zodat de haag na het aanplanten meteen een volwassen aanblik heeft. Bomen De aan te planten bomen zijn inheemse soorten zoals de eik, beuk, esdoorn en de berk. Ook hier worden volwassen maten toegepast met een minimale maat van 18/20. Houtsingel In de houtsingel worden diverse soorten gebruikt, zoals eik, beuk, jeneverbes, esdoorn, berk, linde, kastanje, vuilboom, lijsterbes, sleedoorn en hulst waardoor de houtsingel niet alleen landschappelijk een meerwaarde is maar ook zorgt voor meer biodiversiteit. Voorwaardelijke verplichting In het bestemmingsplan is geborgd dat de landschappelijke inpassing daadwerkelijk gerealiseerd moet worden en vervolgens in stand moet worden gehouden. De landschappelijke inpassing dient te worden gerealiseerd binnen één jaar na het verlenen van de omgevingsvergunning voor het nieuw te realiseren bijgebouw. Dit is geborgd met een voorwaardelijke verplichting.

Molenstraat 30 Geffen – 2023, pag. 10 van 38 Vastgesteld 11 april 2024

Hoofdstuk 4 4.1

Ruimtelijk beleidskader

Wettelijk kader

4.1.1 Wet ruimtelijke ordening De hoofdlijnen van de Wet ruimtelijke ordening zijn: - Decentraal wat kan en centraal wat moet: rijk en provincie moeten en mogen niet meer regelen dan wat de taak van deze overheden direct met zich brengt; - Rijk, provincie en gemeente hebben gelijke instrumenten en kunnen die inzetten voor de eigen taken op het gebied van de ruimtelijke ordening: structuurvisie, bestemmingsplan en projectafwijkingsbesluit; - Rijk en provincie kunnen zaken voor gemeente dwingend voorschrijven via een verordening en via een aanwijzing; - Er is een strikte scheiding tussen beleid en bestemmingsplan; beleidsdocumenten hebben geen directe juridische werking meer; - De goedkeuring van de provincie op bestemmingsplannen is vervallen; - Voor de realisering van projecten kan een projectafwijkingsbesluit genomen worden; - Voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen spelen kan de gemeente kiezen om een beheersverordening te maken in plaats van een bestemmingsplan; - Er is een drempel voor planschade van 2%; - De mogelijkheid van kostenverhaal bij grondexploitatie is verbeterd; - Bestemmingsplannen moeten analoog en digitaal worden gemaakt. Onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening is de Grondexploitatiewet (Grex-wet). De grondexploitatiewet is als paragraaf 6.4 in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening opgenomen.

Doelstelling van de nieuwe wet is een goede regeling voor kostenverhaal, binnenplanse verevening en enkele locatie-eisen bij particuliere grondexploitatie. Onder de Grex-wet is kostenverhaal mogelijk via het privaatrechtelijke spoor (door middel van een vrijwillige samenwerkingsovereenkomst) en door middel van het publiekrechtelijke spoor. Het kostenverhaal heeft een verplichtend karakter. Privaatrechtelijke afspraken hebben de voorkeur. Maar als een gemeente er niet in geslaagd is met alle particuliere eigenaren in een gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie moet de gemeente publiekrechtelijk kosten verhalen bij partijen waarmee geen contract is gesloten. Dit publiekrechtelijke verhaal gaat door middel van een exploitatieplan, waarvan de totstandkoming gelijk op moet lopen met een bestemmingsplan. De verplichting tot een publiekrechtelijke regeling is gekoppeld aan twee voorwaarden: 1. In de eerste plaats is een ruimtelijk besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening nodig. Het publiekrechtelijk instrumentarium is alleen van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijziging van een bestemmingsplan, of een projectafwijkingsbesluit. 2. De tweede voorwaarde is dat het ruimtelijk besluit voorziet in nieuwbouw of in belangrijke en omvangrijke verbouwplannen met functiewijzigingen.

De bouwplannen waar het om gaat zijn in het Besluit ruimtelijke ordening aangewezen. 4.1.2 Besluit ruimtelijke ordening; “Ladder voor duurzame verstedelijking” Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de nadere uitwerking van de Wet ruimtelijke ontwikkeling. In het Bro staat onder meer dat gemeenten bij het opstellen van een bestemmingsplan rekening moeten houden met bijvoorbeeld cultuurhistorie of bodem. Verder staat in het Bro dat een plan moet voldoen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is een procesvereiste voor ruimtelijke plannen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken (Bro art. 3.1.6 lid 2). “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.

Molenstraat 30 Geffen – 2023, pag. 11 van 38 Vastgesteld 11 april 2024

Stedelijke ontwikkelingen zijn bijvoorbeeld een bedrijventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Nieuwe stedelijke ontwikkeling zijn ontwikkelingen, die nog niet eerder in een bestemmingsplan of ander juridisch verbindend ruimtelijk plan zijn opgenomen. Verantwoording Het plan “Molenstraat 30 Geffen - 2023” maakt geen nieuwe woningen mogelijk. Het betreft de wijziging van het gebruik van het perceel en de bestaande woning, inclusief de vestiging van een kleinschalig bedrijf aan huis (metselbedrijf). Het voorliggende plan is geen nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder en hoeft dus niet verantwoord te worden. De planlocatie ligt binnen het bestaand stedelijke gebied van de kern Geffen. Er is geen ladderverantwoording noodzakelijk. 4.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Indien nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening dat vergen, kan de minister regels stellen aan de inhoud van bestemmingsplannen. Dit heeft de minister, in de vorm van een algemene maatregel van bestuur, gedaan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 december 2011 is dit besluit in werking getreden. Het kabinet heeft in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld dat voor een aantal onderwerpen verdere regels gesteld moeten worden.

In het Barro komen dertien nationale belangen als titels terug. De volgende kunnen relevant zijn voor ruimtelijke plannen in de gemeente Oss: Rijksvaarwegen Grote rivieren Defensie Hoofdwegen en landelijke spoorwegen Elektriciteitsvoorziening Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen Natuurnetwerk Nederland Primaire waterkeringen buiten het kustfundament De regels in het besluit zijn concreet normstellend benoemd en moeten direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. De indirecte doorwerking komt enkel bij de Ecologische Hoofdstructuur en de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden voor. Het Barro voorziet verder in een hoofdstuk overige bepalingen en gaat gepaard met meerdere bijlagen. In deze bijlagen worden onder andere de belangen van de grote rivieren en defensie geografisch begrensd. Bij het opstellen van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van het Barro. Voor de gemeente Oss zijn met name de titels met betrekking tot de rijksvaarwegen, de grote rivieren, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en defensie (rechtstreeks) van belang. De regels in titel 2.4 Grote rivieren vormen feitelijk de doorwerking van de Beleidsregels Grote rivieren.

Ten aanzien van titel 2.6 Defensie wordt de enige mogelijke beperking gevormd door de bescherming van het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel. 4.2

Rijksbeleid

4.2.1

De Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De belangrijkste speerpunten uit de NOVI zijn: - Een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; - De verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsen;

Molenstraat 30 Geffen – 2023, pag. 12 van 38 Vastgesteld 11 april 2024

- De overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; - De ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland. Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; - Het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies; - Het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen. Verantwoording Het initiatief heeft betrekking op de wijziging van het gebruik (van agrarisch naar wonen) van het perceel Molenstraat 30 in Geffen met de mogelijkheid voor een kleinschalig bedrijf aan huis (metselbedrijf).

Hiermee wordt een passende combinatie van functies voorgesteld die aansluit op de kenmerken en identiteit van het gebied. De ontwikkeling past daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI. 4.3

Provinciaal beleid

4.3.1 Brabantse Omgevingsvisie: De kwaliteit van Brabant, visie op de Brabantse leefomgeving Op 14 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De visie beschrijft de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn over klimaatverandering, energietransitie, verstedelijking en bereikbaarheid, concurrerende duurzame economie en de basis op orde. Voor deze opgaven wordt aangegeven wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de Omgevingsvisie de provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu- en waterplan en de natuurvisie vervangen. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten, als een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Om deze basisopgave te verwezenlijken zijn er vier hoofdopgaven gesteld: Werken aan de Brabantse energietransitie Werken aan een ‘klimaatproof’ Brabant Werken aan de slimme netwerkstad Werken aan een concurrerende, duurzame economie

Molenstraat 30 Geffen – 2023, pag. 13 van 38 Vastgesteld 11 april 2024

Verantwoording Het initiatief heeft betrekking op de wijziging van het gebruik (van agrarisch naar wonen) van het perceel Molenstraat 30 in Geffen met de mogelijkheid voor een kleinschalig bedrijf aan huis (metselbedrijf), na sloop van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen. Het perceel wordt zorgvuldig landschappelijk ingepast. De afname van bebouwing en vergroting van de biodiversiteit dragen bij aan de doelstellingen van de provincie. Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen past binnen de Omgevingsvisie. 4.3.2

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

In oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. De verordening zorgt voor kaderstellende doorvertaling van de omgevingsvisie en het bestaande provinciaal beleid. In april 2022 is de Interim Verordening Noord-Brabant gewijzigd. Deze wijzigingen zijn al doorgevoerd als voorloper op de Omgevingsverordening van de provincie die inwerking treedt als de Omgevingswet inwerking treedt. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is een eerste stap in de implementatie van de Omgevingswet op provinciaal niveau. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vervangt de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant staan regels voor: Burgers en bedrijven: dit zijn rechtstreeks werkende regels voor activiteiten. Deze regels bevatten de voorwaarden om zo’n activiteit te mogen verrichten.

Deze regels geven ook aan of de start van een activiteit vooraf moet worden gegaan door een melding. Bestuursorganen van de overheid: dit zijn zogenaamde instructieregels. Met deze regels kan de provincie een opdracht geven aan gemeenten over onderwerpen die zij in het bestemmingsplan moeten opnemen of aan het waterschap over de manier waarop ze hun taken uitvoeren. Verantwoording Het perceel Molenstraat 30, Geffen ligt in een gebied dat volgens de Interim omgevingsverordening NoordBrabant de aanduiding ‘Stedelijk gebied’ heeft. Er is geen sprake van een toename van het aantal woningen, enkel de wijziging van het gebruik. Het initiatief zorgt voor een afname van bebouwingsmogelijkheden en een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. De landschappelijke inpassing zorgt voor een zorgvuldige inpassing en zorgt voor een verbetering van de biodiversiteit. Het plan past binnen de kaders van de Interim omgevingsverordening. 4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1 Structuurvisie Op 1 maart 2006 is de structuurvisie voor de gemeente Oss vastgesteld. De structuurvisie schetst de ruimtelijke koers van de gemeente op de langere termijn (tot 2020). Het is de opvolger van het Ruimtelijk Ontwikkelingsplan 1996 - 2015. In de visie zijn op het gebied van het wonen de volgende opgaven geformuleerd: - het versterken van de kwaliteit en de diversiteit van de woonmilieus; - het verhogen van de leefbaarheid in de wijken en de kernen; - het voorzien in de woningbehoefte, met name voor ouderen en jongeren; - het verhogen van de keuzemogelijkheden in het aanbod van woningen en woonmilieus; - het vasthouden van de huishoudens met de hogere inkomens.

Molenstraat 30 Geffen – 2023, pag. 14 van 38 Vastgesteld 11 april 2024

Ten aanzien van het voorzieningenniveau is in de visie neergelegd dat de gemeente Oss er naar zal streven een bereikbaar voorzieningenpakket voor de wijken en de kernen in stand te houden. Verantwoording Het plangebied is gelegen op een dekzandrug. Bij de totstandkoming van de inrichtingsschets is rekening gehouden met dit gebiedstype zodat de beplanting goed aansluit op de kenmerken van het gebied. Het initiatief is een ruimtelijke verbetering van zowel de locatie als voor de omgeving. Het initiatief past binnen de structuurvisie van de gemeente. 4.4.2 Welstandsbeleid Op 24 september 2020 is “Samen bouwen aan een mooi Oss, Nota uiterlijk van bouwwerken Oss 2020” vastgesteld. Dit welstandsbeleid legt meer verantwoordelijkheid bij de inwoners en bedrijven van de gemeente Oss. Met deze nota geldt in principe voor het gehele grondgebied van de gemeente een welstandsvrij beleid. Nieuwe bouwaanvragen hoeven niet te worden voorgelegd aan het Adviesteam Architectuur om te worden getoetst aan ‘redelijke eisen van welstand’. Er gelden drie uitzonderingssituaties: bebouwing binnen beschermde stads- en dorpsgezichten; monumenten en de panden in de directe omgeving van een monument (binnen een straal van 25 meter vanaf een monument); bebouwing binnen gebieden waar een beeldkwaliteitsplan geldt. In deze gevallen is voor bebouwing een welstandadvies wél verplicht.

In het welstandsvrije deel van de gemeente blijft de mogelijkheid bestaan om bouwplannen voor te leggen aan het Adviesteam Architectuur voor een vrijblijvend welstandsadvies. Verantwoording Het plangebied ligt niet in een beschermd stads- en dorpsgezicht of in de nabijheid van een monument. Voor het plan is geen beeldkwaliteitsplan opgesteld waaraan de bebouwing zal worden getoetst. De plannen zijn niet aan het Adviesteam Architectuur voorgelegd, omdat de plannen nog niet tot in detail zijn uitgewerkt.

Molenstraat 30 Geffen – 2023, pag. 15 van 38 Vastgesteld 11 april 2024

Hoofdstuk 5 5.1

Omgevingsaspecten

Landschap

5.1.1 Nota Landschapsbeleid Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid 2015 zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: Uiterwaarden Oeverwal Komgebied Dekzandrand Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst.

Verantwoording Het plangebied is gelegen op een dekzandrug zoals ook blijkt uit onderstaande afbeelding uit de Nota landschapsbeleid. Het plangebied is op onderstaande afbeelding aangegeven met een rode cirkel. Bij de totstandkoming van de inrichtingsplan is rekening gehouden met dit gebiedstype zodat de beplanting goed aansluit op de kenmerken van het gebied.

Afbeelding 6: Landschapstypen (bron: gemeente Oss)

Molenstraat 30 Geffen – 2023, pag. 16 van 38 Vastgesteld 11 april 2024

5.2

Natuur

5.2.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming. Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. 5.2.2 Natuurtoets Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van kwetsbare natuurgebieden. Soortenbescherming moet er toe leiden dat het voortbestaan van soorten niet in gevaar komt. Binnen Nederland zijn 166 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus.

Veel van deze gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante negatieve effecten’ op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Programma Aanpak Stikstof (PAS) Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in enkele beroepszaken tegen Natura 2000-vergunningen die zijn gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS) 2015-2021 (Kamerstuk 32 670, nr. 146). Het is een stevige uitspraak die per direct forse consequenties heeft voor individuele ondernemers, maar ook voor ambities van gemeenten, provincies en Rijksoverheid op het terrein van onder meer waterveiligheid, infrastructuur, woningbouw en klimaat. De uitspraak komt er op neer dat de PAS ‘gesneuveld’ is als aanpak en systeem voor vergunningverlening van stikstofvergunningen op basis van de Wet natuurbescherming. Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) Sinds 1 juli 2021 is de Wsn samen met het bijbehorende Besluit stikstofreductie en natuurverbetering van kracht. Deze regelgeving wijzigt de Wet en het Besluit natuurbescherming en moet voorzien in een nieuwe, structurele aanpak van de stikstofproblematiek. 5.2.2.1. Gebiedsbescherming Voor de Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld.

Activiteiten en ontwikkelingen die een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen hebben, zijn verboden. Voor een plan geldt op grond van artikel 2.7 lid 1 van de Wet natuurbescherming dat bepalend is of het significante gevolgen kan hebben voor een (of meer) Natura 2000-gebied(en). Is dat het geval, dan dient het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, bij de vaststelling van een plan met toepassing van artikel 2.7 Wnb, een passende beoordeling te maken, zoals bedoeld in artikel 2.8 Wnb. In een toetsing wordt bepaald of er negatieve effecten kunnen optreden. Een eerste toetsing (voortoets) geeft aan of er negatieve effecten kunnen optreden en zo ja of deze van dien aard kunnen zijn dat de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen komen. Indien dat het geval is, wordt een tweede toetsing verricht welke dieper ingaat op de mate van effect (passende beoordeling). Verantwoording De ligging van het plangebied en de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden met stikstof gevoelige habitattypen zijn weergegeven op onderstaande afbeelding. Het dichtstbijzijnde Natura 2000- gebieden

Molenstraat 30 Geffen – 2023, pag. 17 van 38 Vastgesteld 11 april 2024

met stikstofgevoelige habitats betreft ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ en is gelegen op een afstand van circa 12 kilometer van het plangebied.

Afbeelding 7: Ligging Natura 2000 gebied (bron: Stikstofdepositierapportage)

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten, kan een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied, niet op voorhand uitgesloten worden. Om een eventueel negatief effect, als gevolg van stikstofemissie vast te kunnen stellen, en de wettelijke consequenties te kunnen bepalen, is een onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie. De rapportage is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Uit de rekenresultaten van Aerius-calculator is gebleken dat als gevolg van onderhavig project gedurende de realisatie- en gebruiksfase geen sprake is van stikstofdeposities op de omliggende Natura 2000gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/j. Gezien de rekenresultaten in combinatie met de huidige staat van het natura 2000-gebied kan worden uitgesloten dat het onderhavige plan negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Nader onderzoek is niet noodzakelijk en het onderhavige plan is niet vergunning plichtig. Er kan daarom worden geconcludeerd dat het aspect stikstof niet voor belemmeringen zorgt voor de realisatie van het voorliggende initiatief. 5.2.2.2. Soortenbescherming De Wnb geeft kaders voor de bescherming van planten en dieren. Zo is het verboden om dieren te vangen of verwonden en om vaste rust- en verblijfplaatsen te vernielen. Dit is vastgelegd in drie vergelijkbare beschermingsregimes voor soorten.

Indien deze verbodsbepalingen overtreden worden, is er een ontheffing nodig. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen. Verantwoording Het plangebied is op 8 maart 2023 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. Op basis van het (bijgevoegde) uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen aanleiding is om een aanvullend flora- of faunaonderzoek uit te voeren. Er kan op dit moment zonder voorziene problemen begonnen worden de geplande werkzaamheden. Belangrijk is om binnen de ontwikkeling van het nieuwe bedrijfsgebouw, de adviezen uit hoofdstuk 5.4 (van de bijgevoegde quickscan) mee te nemen.

Molenstraat 30 Geffen – 2023, pag. 18 van 38 Vastgesteld 11 april 2024

Tijdens werkzaamheden blijft te allen tijde de zorgplicht van kracht en bij een veranderende situatie dient te allen tijde een ecoloog ingeschakeld te worden. Er kan daarom worden geconcludeerd dat het aspect flora en fauna niet voor belemmeringen zorgt voor de realisatie van het voorliggende initiatief. Schadelijke effecten op algemene broedvogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt dient men voorafgaand aan de werkzaamheden een extra controle op de aanwezigheid van nesten uit te voeren. Wanneer nesten aanwezig zijn, dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot de jonge vogels uitgevlogen zijn. Bij twijfel te allen tijde een ecoloog inschakelen. Het is belangrijk om eventuele (werk)verlichting (tijdens- en na de sloop) van bebouwingen en bestaande groenstructuren af te wenden. Dit om een eventuele foerageer- / vliegroute van vleermuizen niet te hinderen. 5.3

Archeologie en Cultuurhistorie

5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. De wet is op 1 juli 2016 in werking getreden en vervangt zes wetten en regelingen. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. De Erfgoedwet vervangt de volgende zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed: • Monumentenwet 1988 (deels); • Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten; • Wet tot behoud van cultuurbezit; • Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied; • Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 over onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen; • Regeling materieel beheer museale voorwerpen. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten.

• verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro. 5.3.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid.

Molenstraat 30 Geffen – 2023, pag. 19 van 38 Vastgesteld 11 april 2024

Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Verwachting/waarde

Vrijstellingsgrenzen

Archeologisch beschermd rijksmonument Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten Historische stads-/dorpskern Hoge verwachtingswaarde Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde Reeds onderzocht

0 m2 / 30 cm -Mv

Verstoord

35 m2 / 30 cm -Mv 50 m2 / 30 cm -Mv 100 m 2 / 30 cm -Mv 1000 m2 / 30 cm -Mv 5 hectare / 30 cm -Mv Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek. Geen onderzoeksplicht

Afbeelding 8: Beleidscategorieën (bron: gemeente Oss)

5.3.3 Archeologietoets Volgens de archeologische kaart maakt het plangebied deel uit van het gedeelte van Geffen dat is aangeduid als stedelijk gebied met een hoge verwachtingswaarde. Vanuit het archeologiebeleid geldt een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm beneden het huidige maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². Als nadere voorwaarde geeft het beleid mee dat er sprake moet zijn van een groter aaneengesloten onverstoord gebied waarvoor een archeologiebescherming gaat gelden. Binnen het huisperceel van Molenstraat 30 zijn bestaande verstoringen aanwezig. Deze bestaan uit bestaande bebouwing en bestaande bomensingels. Op onderstaande afbeelding is dit verstoorde gebied in rood aangegeven. Dit vlak komt overeen met de Topografische kaart (verstedelijking). Het blauwe gebied vormt samen met omliggende percelen een groter aaneengesloten meer onverstoord gebied.

Afbeelding 9: Archeologische verwachtingswaarde (bron: gemeente Oss)

Het verdient aanbeveling om aan de ‘voorkant’, dat wil zeggen voordat de ruimtelijke onderbouwing of plantoelichting wordt opgesteld, onderzoek te doen. Afhankelijk van de verwachtingswaarde van het gebied

Molenstraat 30 Geffen – 2023, pag. 20 van 38 Vastgesteld 11 april 2024

waarin de ontwikkeling is voorgenomen, kan dat een bureauonderzoek, een booronderzoek, een proefsleuvenonderzoek of een daadwerkelijk opgravingsonderzoek zijn. In geval van onderzoek vooraf is wellicht, uiteraard afhankelijk van de uitkomst daarvan, geen bescherming nodig door het opnemen van een zogenaamde dubbelbestemming in de planregels. Daarover hieronder meer. Indien vooraf geen onderzoek is gedaan is het in elk geval noodzakelijk dat de archeologische (verwachtings)waarde beschermd wordt door borging in de planregels. Borging archeologie middels bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Voor het rode gebied op voorgaand kaartje is geen dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ nodig.

Voor het blauwe gebied dient op de verbeelding en in de regels een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie hoog’ opgenomen te worden. Voor dat gebied geldt dat bij bodemverstoringen groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm beneden huidig maaiveld archeologisch in beginsel onderzoek nodig is. Verantwoording Op basis van de inrichtingsschets van 22 maart 2023 blijkt dat een gedeelte van de geplande nieuwbouw (bijgebouw westzijde) binnen het gebied ‘Waarde – Archeologie hoog’ komt. Dit gedeelte is ongeveer 125m². Bij de vergunningverlening zal daarom een nadere afweging worden gemaakt of archeologisch onderzoek nodig is. 5.3.4 Cultuurhistorie Wettelijk kader Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat wordt veranderd in: met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De regering wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald.

Doordat plannen nu nog pas na afloop van het planproces worden getoetst aan de regelgeving van de monumentenzorg, wordt monumentenzorg dikwijls ervaren als hindernis. Dit is door de regering erkend en daarbij is de ambitie uitgesproken om de positie van cultuurhistorie aan het begin van het ruimtelijk ordeningsproces juridisch te versterken. Door de verankering van cultuurhistorische waarden in de bestemmingsplannen vermindert tegelijkertijd de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat het belang van de cultuurhistorie wordt geborgd via het proces van de ruimtelijke ordening. In de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in verband met modernisering van de monumentenzorg is daarom al de mogelijkheid voor burgers en belangengroepen om een aanvraag in te dienen om een monument aan te wijzen als beschermd monument, geschrapt. Dit instrument werd door belangengroepen nogal eens ingezet om afgifte van bouwvergunningen te frustreren of te vertragen. Met de wijziging van het Bro wordt tevens de adviesrol van Gedeputeerde Staten beperkt. Tot nu toe moet bij alle ingrepen aan een beschermd monument buiten de bebouwde kom advies aan Gedeputeerde Staten worden gevraagd.

Met de wijziging van het besluit hoeft dat alleen nog, als het gaat om monumenten die door de minister op grond van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen. Daarnaast voorziet het besluit in een aantal versoepelingen van vergunningvrij wijzigen of bouwen in, aan of bij beschermde monumenten. Samengevat komen die versoepelingen er op neer, dat voor gewoon onderhoud of voor inpandige veranderingen aan beschermde monumenten geen monumentenvergunning meer nodig is, als de betreffende onderdelen geen monumentale waarde hebben. Bij twijfelgevallen zal men het bevoegd gezag moeten raadplegen. De bedoeling van het wijzigingsbesluit is om enerzijds cultuurhistorische waarden een duidelijke plaats te geven aan het begin van het planproces en anderzijds

Molenstraat 30 Geffen – 2023, pag. 21 van 38 Vastgesteld 11 april 2024

onnodige regeldruk, vooral wanneer het gaat om ondergeschikte wijzigingen aan een monument, weg te nemen. Cultuurhistorie: gemeentelijk en provinciaal beleid Het beleid van de gemeente Oss voor wat betreft cultuurhistorie is onder meer neergelegd in het Erfgoedplan Oss 2006 “Op gemengde bodem”. Hierin zijn onder andere opgenomen: historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen, de invloed van de Maas en Rijksmonumenten. Deze nota heeft (nog) geen betrekking op het grondgebied van de voormalige gemeente Lith. Daarnaast heeft de gemeente Oss een Monumentenlijst 2019. Hierin zijn de Rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen. Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang. Op de Cultuurhistorische waardenkaart 2010 is het plangebied niet aangeduid met bepaalde cultuurhistorische waarden. Er zijn daarmee geen cultuurhistorische waarden in het geding met dit initiatief.” Cultuurhistorie: bestemmingsplanregels en regels in de provinciale Interim omgevingsverordening NoordBrabant Met de onder het kopje ‘archeologie’ genoemde bestemmingsplanregels, is het ook mogelijk om cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen te beschermen.

Een en ander voor zo ver het terreinen betreft (inbouwen sloopvergunningstelsel voor bebouwing). Kortheidshalve wordt naar het kopje ‘archeologie: bestemmingsplanregels’ verwezen. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bindende regels opgenomen ter bescherming van cultuurhistorische waarden. 5.4

Mobiliteit en parkeren

5.4.1 Verkeer De Mobiliteitsvisie Oss uit 2009 heeft als doel het in balans brengen van bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. De mobiliteitsvisie is uitgewerkt in het Mobiliteitsplan 2020 Oss. Het deelplan Wegen werkt het gewenste netwerk voor het autoverkeer uit. Per weg is de gewenste functie vastgelegd. Van belang is de vraag of een initiatief leidt tot extra verkeersbewegingen en of de toename van verkeersbewegingen passen binnen de normen die voor ontsluitingswegen gelden. Verantwoording Het voorliggende bestemmingsplan ziet op de wijziging van de bestemming agrarisch naar wonen. Er worden geen nieuwe (extra) woningen mogelijk gemaakt. Wel wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning en wordt een kleinschalig bedrijf aan huis mogelijk gemaakt. Het plangebied is gelegen aan het eind van een doodlopende weg. Het initiatief zorgt niet voor extra verkeersbewegingen. In de huidige situatie zijn er twee inritten aanwezig, dat wordt teruggebracht naar één inrit. Er kan daarom worden geconcludeerd dat het aspect verkeer niet voor belemmeringen zorgt voor de realisatie van het voorliggende initiatief. 5.4.2 Parkeren De gemeente Oss heeft een gemeentelijk parkeerbeleidsplan vastgesteld. De nota ‘Parkeernormen 2023’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden.

Verantwoording Het voorliggende bestemmingsplan ziet op de wijziging van de bestemming agrarisch naar wonen. Er worden geen nieuwe (extra) woningen mogelijk gemaakt. Wel wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning en wordt een kleinschalig bedrijf aan huis mogelijk gemaakt. De parkeereis voor deze ontwikkeling bedraagt (afgerond) 6 pp. Dit is gebaseerd op: o vrijstaande woning, groter dan 150 m² gbo: 2,5 pp per woning; o 300 m² bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief: 1,05 pp per 100 m² bvo; Op het perceel is voldoende ruimte beschikbaar voor parkeren (voor zowel de bewoners als de bezoekers). Er kan daarom worden geconcludeerd dat het aspect parkeren niet voor belemmeringen zorgt voor de realisatie van het voorliggende initiatief.

Molenstraat 30 Geffen – 2023, pag. 22 van 38 Vastgesteld 11 april 2024

5.5

Water

5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in december 2022 een Water- en Rioleringsprogramma vastgesteld (WRP 20232029). Het programma biedt een kader voor de gemeentelijke watertaken en regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater, doelmatige verwerking van afvloeiend (overtollig) hemelwater en overtollig grondwater. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. In bebouwd gebied vraagt de zorg voor oppervlaktewater extra aandacht. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).

Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.

In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: • schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; • de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; • de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; • de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. ‘ Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de

Molenstraat 30 Geffen – 2023, pag. 23 van 38 Vastgesteld 11 april 2024

waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: • Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; • Voorkomen van vervuiling van water; • Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer • Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied.

Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. 5.5.2

Watertoets

Het voorliggende bestemmingsplan ziet op de wijziging van de bestemming agrarisch naar wonen. Door de sloop van de bestaande voormalig agrarische bedrijfsgebouwen neemt de oppervlakte bebouwing af. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Er worden daarnaast geen ingrepen in de bodem gedaan die het grondwatersysteem kunnen veranderen. De woning is aangesloten op het gemeentelijke riool. Afvalwater wordt via het gemeentelijk rioolstelsel getransporteerd. Negatieve effecten op oppervlaktewater of op de veiligheid van een waterkering zijn uitgesloten. Bij de uitwerking van het initiatief voor de bouw van het bijgebouw, wordt het hemelwater afgekoppeld en geïnfiltreerd in de bodem. Er kan daarom worden geconcludeerd dat het aspect water niet voor belemmeringen zorgt voor de realisatie van het voorliggende initiatief. Het resultaat van de digitale watertoets is als bijlage opgenomen. 5.6

Defensie

Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: - Radarverstoringsgebieden; - Obstakelbeheergebieden; - Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; - Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=4e8f5d27-3b41-46ac-8591-a08e19dc22f9