Bijlage 2A Toelichting - Dorpenweg 39 Deursen-Dennenburg - 2022
Tekst van het document
BESTEMMINGPSLAN Dorpenweg 39 Deursen-Dennenburg - 2022 Toelichting
Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 1 van 48 Vastgesteld 2022
Bestemmingsplan Dorpenweg 39 te DeursenDennenburg – 2022 Vastgesteld Toelichting
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 2 van 48 Vastgesteld 2022
Gemeente Oss, augustus 2022
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 3 van 48 Vastgesteld 2022
INHOUDSOPGAVE TOELICHTING 1
Inleiding .................................................................................................................................................. 6 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 6 1.2 Plangebied ..................................................................................................................................... 6 1.3 Geldende bestemmingsplannen..................................................................................................... 7 2 Bestaande situatie .................................................................................................................................. 8 3 Beoogde situatie ..................................................................................................................................... 9 4 Ruimtelijk beleidskader ......................................................................................................................... 13 4.1 Wettelijk kader.............................................................................................................................. 13 4.2 Rijksbeleid ....................................................................................................................................
14 4.3 Provinciaal beleid ......................................................................................................................... 14 4.4 Gemeentelijk beleid...................................................................................................................... 17 5 Omgevingsaspecten ............................................................................................................................. 20 5.1 Landschap ................................................................................................................................... 20 5.2 Natuur .......................................................................................................................................... 23 5.3 Archeologie en Cultuurhistorie ..................................................................................................... 25 5.4 Mobiliteit en parkeren ................................................................................................................... 29 5.5 Water ........................................................................................................................................... 30 5.6 Milieuaspecten .............................................................................................................................
36 5.7 Milieueffectrapportage (M.e.r.) ..................................................................................................... 41 6 Toelichting op de regels ........................................................................................................................ 42 6.1 Algemeen ..................................................................................................................................... 42 6.2 Regels .......................................................................................................................................... 42 7 Handhaving........................................................................................................................................... 44 7.1 Beleidskader ................................................................................................................................ 44 7.2 Professionele handhaving en handhavingsprogramma ............................................................... 44 7.3 Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht ............................................................. 45 8 Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid .........................................................................................
46 9 Hoofdstuk 9 Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................. 47 9.1 Omgevingsdialoog ....................................................................................................................... 47 9.2 Vooroverleg .................................................................................................................................. 47 9.3 Inspraak ....................................................................................................................................... 47 9.4 Zienswijzen .................................................................................................................................. 47 10 Bijlagen ............................................................................................................................................ 48
REGELS VERBEELDING BIJLAGEN zie separaat bijlagenboek
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 4 van 48 Vastgesteld 2022
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 5 van 48 Vastgesteld 2022
TOELICHTING Bestemmingsplan Dorpenweg 39 te Deursen-Dennenburg – 2022
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 6 van 48 Vastgesteld 2022
1
Inleiding
1.1 Aanleiding De familie Rossen, hierna initiatiefnemer heeft een loon‐ en verhuurbedrijf welke in overwegende mate is gericht op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven, niet‐agrarische bedrijven en overheden d.m.v. het toepassen van land‐ bos of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking. Verder vinden op onderhavige locatie tevens akkerbouwactiviteiten plaats. De specifieke kennis, de professionaliteit, de mate van kwalitatieve dienstverlening en service hebben ertoe geleid dat het bedrijf zich heeft ontwikkeld qua activiteiten, materieel en personeel. De medewerkers zijn – hoofdzakelijk in vaste dienst – afkomstig uit directe omgeving. Zij komen met de auto (óf met fiets/brommer) naar de locatie aan Dorpenweg 39 te Deursen-Dennenburg, alwaar het materieel wordt meegenomen, welke op de locatie van opdrachtgever benodigd is. Initiatiefnemer is voornemens om een ontwikkelingsslag op het bedrijf te maken. De doelstellingen hierbij zijn o.a. het realiseren van een efficiënte bedrijfsvoering, waarbij onnodige vervoersbewegingen (en dus ook kosten) voorkomen worden en waarbij machines een langere levensduur hebben. Verder wil initiatiefnemer inspelen op een veranderende markt waarbij een circulaire economie een steeds belangrijkere rol gaat spelen in de samenleving.
Door de ontwikkelingen van het bedrijf is enerzijds voldoende geschikte inpandige stallingscapaciteit en anderzijds een efficiëntieslag t.b.v. een strategische werkvoorraad aan (circulaire) grond-, hulp-, afval- en bouwstoffen noodzakelijk. Verder is initiatiefnemer voornemens om de impact van diens bedrijfsactiviteiten naar de omgeving te verbeteren. Om dit te bewerkstelligen zijn een goede landschappelijke inpassing en beperking van onnodige bewegingen de speerpunten van onderhavig initiatief. Naast agrarisch loonwerk c.q. verhuur van materieel en personeel, is aanleg, beheer en onderhoud van ‘landschap/buitenruimte’ in brede zin, middels de inzet van gemechaniseerde en moderne apparatuur en vakbekwaam personeel – buiten de eigen inrichting – de kerntaak van het bedrijf. Uitgaande van ‘hard werken’ en een no-nonsense mentaliteit en het belang van direct en persoonlijk contact is gewerkt aan een robuust fundament van het bedrijf. Het beoogde initiatief is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Voor realisering van het initiatief is een vormverandering van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggende toelichting betreft een planologische verantwoording van het beoogde initiatief. 1.2 Plangebied Het plangebied ligt in de gemeente Oss, ten westen van de kern Deursen-Dennenburg. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Ravenstein, Sectie D, nummer 1929.
Het plangebied ligt aan de Dorpenweg, welke ten oosten direct aansluit op de A50. Rondom het plangebied liggen hoofdzakelijk agrarische percelen. Op grotere afstand zijn tevens agrarische bedrijven gelegen. De bedrijfslocatie is gelegen in een komgebied, welke primair een agrarische functie heeft. De komgronden betreffen kleiige, relatief laaggelegen gronden. Het landschap is grootschalig, open tot zeer open en wordt gekenmerkt door een zeer regelmatig, rationeel, rechtlijnig verkavelingspatroon. Dit verkavelingspatroon bestaat over het algemeen uit een slagenverkaveling. Voor een globale ligging wordt verwezen naar Afbeelding 1.
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 7 van 48 Vastgesteld 2022
Afbeelding 1: Uitsnede planlocatie 1.3
Geldende bestemmingsplannen
Het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van de bedrijfslocatie betreft het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’, welke is vastgesteld op 16 april 2020. Conform het bestemmingsplan zijn op onderhavige locatie de volgende bestemmingen en aanduidingen van toepassing: - Enkelbestemming ‘Bedrijf’ - Enkelbestemming ‘Agrarisch’ - Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog’ - Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – Dorpenweg 39’ - Functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – agrarisch-technisch hulpbedrijf en -of agrarisch verwant bedrijf; - Gebiedsaanduiding ‘overige zone – komgebied’; - Gebiedsaanduiding ‘overige zone – overig agrarisch gebied’. Conform de regels van het vigerend bestemmingsplan blijkt dat op onderhavige locatie een agrarischtechnisch hulpbedrijf gevestigd mag zijn waarvan de bedrijfsactiviteiten bestaan uit het tegen betaling ter beschikking stellen van gespecialiseerde machines, vakmensen en hulpmiddelen.
Afbeelding 2: Uitsnede vigerend bestemmingsplan Na de inwerkingtreding van voorliggend bestemmingsplan verliezen deze plannen, binnen het plangebied, hun rechtskracht.
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 8 van 48 Vastgesteld 2022
2
Bestaande situatie
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Oss en rondom begrensd door agrarische percelen. Op de bedrijfslocatie is sprake van onder andere stalling van (land-)bouwmachines, motorrijtuigen met beperkte snelheid, werktuigen en overige hulpmiddelen, kleinschalig onderhoud en reparatie aan eigen materieel, kantoorvoorzieningen en er is een tankinstallatie voor eigen materieel aanwezig. Verder is op onderhavige locatie één bedrijfswoning toegestaan. Het bedrijf wordt ontsloten door één bestaande inrit.
Afbeelding 3: Weergave bestaande situatie
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 9 van 48 Vastgesteld 2022
3
Beoogde situatie
Initiatiefnemer is voornemens om een ontwikkelingsslag op het bedrijf te maken. Om een juist beeld te scheppen van de sector zijn allereerst de autonome ontwikkelingen in de cumelasector van belang. Autonome ontwikkelingen cumelasector Het cumelabedrijf “Loon- en Verhuurbedrijf Rossen”, is aangesloten bij Cumela Nederland. Cumela Nederland is dé belangenorganisatie voor een gespecialiseerde groep ondernemingen (cumelasector). Deze ondernemingen, specialisten in groen, grond en infra, verrichten werkzaamheden met mens en materiaal voor derden. Het overgrote deel van alle loonbedrijven is aangesloten bij de branchevereniging Cumela. De cumelasector zijn bedrijven met vakkundige medewerkers en mobiel materieel welke o.a. actief zijn in de agrarische sector, groenvoorziening, grondverzet en infra. Naast agrarisch loonwerk c.q. verhuur van materieel en personeel, is aanleg, beheer en onderhoud van ‘landschap/buitenruimte’ in brede zin, middels de inzet van gemechaniseerde en moderne apparatuur en vakbekwaam personeel – buiten de eigen inrichting – de kerntaak van het bedrijf. Bij loonbedrijven heeft er de laatste jaren inherent aan de ontwikkelingen van het buitengebied in brede zin, een herverdeling van werkvelden plaatsgevonden. Niet enkel de agrariërs zijn beheerder van het buitengebied of opdrachtgever voor het uitvoeren van werken.
De feitelijke activiteiten in casu aard van de cumelabedrijven binnen en buiten de inrichting, zijn niet gewijzigd. Er is in alle gevallen (binnen de eigen inrichting) sprake van de stalling van landbouwmachines, motorrijtuigen, werktuigen en overige hulpmiddelen, onderhoud en reparatie aan eigen materieel en er is over het algemeen sprake van op- en overslag van (een strategische werkvoorraad aan) hulp-, bouw-, grond- en/of afvalstoffen. Het merendeel van de aanwezige machines is echter inzetbaar voor en dienstbaar aan de agrarische dienstverlening. Een aantal werktuigen (zoals mobiele kranen, vrachtauto’s, transportdumpers) kan zowel voor de agrarische dienstverlening als voor dienstverlening aan niet agrarische bedrijven en instanties worden ingezet. Een kraan wordt bijvoorbeeld gebruikt voor het maaien van sloten voor zowel het waterschap als voor boeren. Ook worden vrachtwagens, welke in het seizoen conserven, bieten, aardappels en champost transporteren, tevens gebruikt voor het vervoeren van bijv. grond. De gebruiksintensiteit van de specifieke landbouwwerktuigen is door het seizoenmatig karakter veelal relatief laag. De gebruiksintensiteit van met name de mobiele kranen is door de jaarrond benutting en het kunnen werken gedurende volledige werkdagen hoog.
Door het uitvoeren van verschillende werkzaamheden kan een ondernemer zorgen voor betere werkvoorzieningen voor zijn personeel met minder pieken en minder dalen. Een cumelabedrijf is derhalve een bedrijf welke in overwegende mate is gericht op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven en niet-agrarische bedrijven, d.m.v. het toepassen van land-, bos- of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking. Bovengenoemde activiteiten vallen zowel onder de definitie van agrarisch verwant bedrijf als agrarisch-technisch hulpbedrijf van de verordening van de provincie Noord-Brabant. Dit geeft – kortweg - aan hoe de cumelabedrijven zijn georganiseerd en ontwikkeld, alsmede het belang en noodzaak van de cumelabedrijven in én voor het ‘buitengebied in brede zin’. Kortom: Er is, naast de agrarische sector, geen andere sector welke in een dergelijke mate gevestigd is in het buitengebied als de cumelasector! Dit zegt veel over deze sector en de daarmee samenhangende ruimtelijke belangen.
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 10 van 48 Vastgesteld 2022
Ontwikkelingen initiatiefnemer Autonome ontwikkelingen in de aard van de werkzaamheden enerzijds maar ook de toegenomen mechanisatiegraad van machines en werktuigen nopen ertoe dat een adequaat bedrijfsterrein en afdoende bedrijfsbebouwing benodigd is en blijft. Het bedrijf heeft zich de afgelopen jaren, mede gezien de economische situatie, meer toegelegd op het breed georiënteerd en gespecialiseerd loonwerk. Door verdere specialisatie van de bedrijfsactiviteiten en o.a. precisielandbouw is voldoende ruimte noodzakelijk voor inpandige stallingsmogelijkheden voor machines en kleinschalig onderhoud van machines enerzijds en anderzijds is voldoende ruimte nodig voor een strategische werkvoorraad van grond-, hulp-, afval- en bouwstoffen. Uitgangspunt van onderhavige ontwikkeling, is dat er sprake is van zowel een ruimtelijk als milieukundig aanvaardbare situatie. Initiatiefnemer zal de nodige maatregelen nemen om dit te borgen. Hierbij wordt gedacht aan een landschappelijke inpassing en het gunstig positioneren van milieubelastende activiteiten. In onderstaande afbeelding is de gewenste situatie weergegeven. Hierbij is rekening gehouden met alle noodzakelijke activiteiten die uitgevoerd worden op de locatie van initiatiefnemer.
Afbeelding 4: beoogde situatie Bebouwing Initiatiefnemer beschikt verder over een omvangrijk machinepark. Het materieel is daarbij als ‘kwetsbaar’ materieel aan te merken, vanwege onder andere: - Materieel bevat hoge mate van technologie en elektronica (boardcomputers, gps, etc.); - Materieel bevat draaiende, onbeschermde (tegen weersinvloeden) onderdelen; bij stilstand c.q. indien materieel niet in gebruik is, leidt dit tot roestvorming, ‘vastlopende’ onderdelen en derhalve storingen en dergelijke met een toename aan onderhoud/reparaties tot gevolg; - Divers materieel is zeer ‘gewild’ bij het ‘dievengilde’ (extra bescherming - via bebouwing én daardoor ‘uit het zicht’ onttrekken - is noodzakelijk);
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 11 van 48 Vastgesteld 2022
-
Diverse machines/ werktuigen zijn maar een deel van het jaar inzetbaar. In de tijd dat het materieel niet gebruikt wordt, is inpandige stalling vereist.
Binnen de inrichting zijn reeds faciliteiten aanwezig en noodzakelijk ten behoeve van onder andere het stallen/parkeren van het materieel en machines (in bebouwing en op buitenterrein), repareren, reinigen en onderhouden van het materieel in eigen beheer (werkplaats). Ook initiatiefnemer heeft afgelopen jaar te maken gehad met de diefstal van gps-apparatuur op zijn locatie. Middels onderhavige ontwikkeling wil initiatiefnemer de locatie op een veilige wijze inrichten. In onderhavig bericht wordt de problematiek omtrent diefstallen van gps-apparatuur die gebruikt worden in precisielandbouw toegelicht: https://www.cumela.nl/nieuws/nieuws/dit-jaar-fors-meer-gps-diefstallen Als gevolg van een verdere specialisering van het materieel is het aantal werktuigen dat gebruikt wordt, sterk uitgebreid. Deze machines zijn kostbaar in aanschaf, maar halen betere rendementen in de vaak korte, weersafhankelijke periodes. Initiatiefnemer heeft derhalve relatief veel kostbaar seizoensgebonden materieel. Bij het materieel behoren ook de ‘minder gevoelige’ hulpstukken, hierbij wordt gedacht aan graafbakken voor bijv. kranen. Door de specialisatie enerzijds en anderzijds door beperkte groei van personeel van de afgelopen jaren heeft initiatiefnemer meer werktuigen, machines, hulpstukken en dergelijke dan dat er stallingsruimte beschikbaar is.
Initiatiefnemer heeft een tekort aan inpandige dan wel overdekte ruimte t.b.v. de stalling van machines en de opslag van materialen en gereedschappen die - langdurig (bijvoorbeeld vanwege seizoensinvloeden) niet worden gebruikt. In de periode dat machines intensief gebruikt worden zullen deze machines gestald worden op een zo kort mogelijke afstand van de ontsluitingsinrit. Dit om inefficiënte bewegingen te beperken en daardoor overlast naar de omgeving te voorkomen. In de beoogde situatie wordt een nieuwe loods / veldschuur gerealiseerd t.b.v. de opslag van machines en de opslag van materialen en gereedschappen die - langdurig (bijvoorbeeld vanwege seizoensinvloeden) - niet worden gebruikt. Deze loods heeft oppervlak van 873 m2. De minder gevoelige hulpstukken zullen in een opslag aan de achterzijde naast de bestaande, meest zuidelijke loods, gestald worden. Door het realiseren van deze extra opslag van hulpstukken zoals containers, kraanbakken etc. kan de buitenopslag van grond-, hulp-, afval en bouwstoffen efficiënter gebruikt worden. Extra manoeuvreerruimte en inrit t.b.v. efficiëntere vervoersbewegingen en minder overlast Op de bedrijfslocatie is in de toekomst meer ruimte noodzakelijk om te manoeuvreren. Door extra ruimte aan de achterzijde van het perceel te creëren zal de logistiek op het totale terrein effectiever en efficiënter kunnen plaatsvinden.
Met de gewenste inrichting beoogt initiatiefnemer rijbewegingen te optimaliseren en daardoor overlast te voorkomen. Er zullen namelijk minder onnodige rijbewegingen en manoeuvreersituaties plaatsvinden dan in de huidige situatie, wat direct zal leiden tot een ‘rustiger uitstraling’ naar de omgeving. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling is aanpassing van de bestaande inrit niet noodzakelijk en niet wenselijk.
Landschappelijke inpassing
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 12 van 48 Vastgesteld 2022
Om de vormverandering van het bouwperceel op een juiste wijze te compenseren is initiatiefnemer voornemens om de locatie op een robuuste wijze landschappelijk in te passen. Het doel van deze landschappelijke inpassing is een verdere versterking van het landschap met toepassing van gebiedseigen beplanting.
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 13 van 48 Vastgesteld 2022
4
Ruimtelijk beleidskader
4.1
Wettelijk kader
4.1.1 Wet ruimtelijke ordening De hoofdlijnen van de Wet ruimtelijke ordening zijn: -
Decentraal wat kan en centraal wat moet: rijk en provincie moeten en mogen niet meer regelen dan wat de taak van deze overheden direct met zich brengt;
-
Rijk, provincie en gemeente hebben gelijke instrumenten en kunnen die inzetten voor de eigen taken op het gebied van de ruimtelijke ordening: structuurvisie, bestemmingsplan en projectafwijkingsbesluit;
-
Rijk en provincie kunnen zaken voor gemeente dwingend voorschrijven via een verordening en via een aanwijzing;
-
Er is een strikte scheiding tussen beleid en bestemmingsplan; beleidsdocumenten hebben geen directe juridische werking meer;
-
De goedkeuring van de provincie op bestemmingsplannen is vervallen;
-
Voor de realisering van projecten kan een projectafwijkingsbesluit genomen worden;
-
Voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen spelen kan de gemeente kiezen om een beheersverordening te maken in plaats van een bestemmingsplan;
-
Er is een drempel voor planschade van 2%;
-
De mogelijkheid van kostenverhaal bij grondexploitatie is verbeterd;
-
Bestemmingsplannen moeten analoog en digitaal worden gemaakt.
Onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening is de Grondexploitatiewet (Grex-wet). De grondexploitatiewet is als paragraaf 6.4 in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening opgenomen. Doelstelling van de nieuwe wet is een goede regeling voor kostenverhaal, binnenplanse verevening en enkele locatie-eisen bij particuliere grondexploitatie. Onder de Grex-wet is kostenverhaal mogelijk via het privaatrechtelijke spoor (door middel van een vrijwillige samenwerkingsovereenkomst) en door middel van het publiekrechtelijke spoor. Het kostenverhaal heeft een verplichtend karakter. Privaatrechtelijke afspraken hebben de voorkeur. Maar als een gemeente er niet in geslaagd is met alle particuliere eigenaren in een gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie moet de gemeente publiekrechtelijk kosten verhalen bij partijen waarmee geen contract is gesloten. Dit publiekrechtelijke verhaal gaat door middel van een exploitatieplan, waarvan de totstandkoming gelijk op moet lopen met een bestemmingsplan. De verplichting tot een publiekrechtelijke regeling is gekoppeld aan twee voorwaarden: 1. In de eerste plaats is een ruimtelijk besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening nodig. Het publiekrechtelijk instrumentarium is alleen van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijziging van een bestemmingsplan, of een projectafwijkingsbesluit. 2.
De tweede voorwaarde is dat het ruimtelijk besluit voorziet in nieuwbouw of in belangrijke en omvangrijke verbouwplannen met functiewijzigingen. De bouwplannen waar het om gaat zijn in het Besluit ruimtelijke ordening aangewezen.
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 14 van 48 Vastgesteld 2022
4.2
Rijksbeleid
4.2.1 De Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De belangrijkste speerpunten uit de NOVI zijn: - Een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. - Het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen. Een van de belangrijkste ontwikkelingen op bedrijf betreft de omschakeling naar precisielandbouw. Bij precisielandbouw krijgen planten met behulp van technologie, heel nauwkeurig die behandeling die ze nodig hebben. Hiervoor worden verschillende technologieën ingezet zoals GPS, sensortechnologie, ICT en robotisering. Initiatiefnemer heeft zich hierin afgelopen jaren verder gespecialiseerd. Middels bodemscans wordt heel nauwkeurig gemeten wat de behoefte is van de planten. Hierdoor kan initiatiefnemer heel specifiek grondstoffen aanwenden, denk hierbij aan kalk, compost en andere mineralen die de bodemvruchtbaarheid stimuleert en uitspoeling voorkomt.
Dit alles om een optimum te verkrijgen voor het milieu en de opbrengsten van het gewas in kaart te brengen. Verder wordt de locatie op een robuuste wijze landschappelijk ingepast waardoor de impact op het landschap verkleind wordt. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de gewenste ontwikkeling in overeenstemming is met de nationale omgevingsvisie. 4.3
Provinciaal beleid
4.3.1 Brabantse Omgevingsvisie: De kwaliteit van Brabant, visie op de Brabantse leefomgeving Op 14 december 2018 hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De visie beschrijft de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn over klimaatverandering, energietransitie, verstedelijking en bereikbaarheid, concurrerende duurzame economie en de basis op orde. Voor deze opgaven wordt aangegeven wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de Omgevingsvisie de provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu- en waterplan en de natuurvisie vervangen.
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 15 van 48 Vastgesteld 2022
De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten, als een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Om deze basisopgave te verwezenlijken zijn er vier hoofdopgaven gesteld: Werken aan de Brabantse energietransitie Werken aan een ‘klimaatproof’ Brabant Werken aan de slimme netwerkstad Werken aan een concurrerende, duurzame economie 4.3.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening is in werking getreden op 25 oktober 2019. De verordening richt zich tot gemeenten doordat de verordening regels bevat die een gemeente moet betrekken bij hun besluitvorming over ruimtelijke ontwikkelingen. De regels zijn een doorvertaling van het provinciaal beleid zoals dat is opgenomen in de Omgevingsvisie Noord-Brabant. De kaarten 3 t/m 7 behorende bij de Omgevingsverordening bevatten instructieregels voor gemeenten. Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (art. 3.5 t/m 3.8) De provincie wil de omgevingskwaliteit bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving.
Deze zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit is opgenomen om een bijdrage te leveren aan een juiste balans tussen beschermen en benutten, zoals verwoord in de Omgevingswet. De wet kent als maatschappelijk doel het in onderlinge samenhang: 1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van natuur, en 2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Bij de zorgplicht gaat het zowel om het beschermen van waarden als het bijdragen aan de ontwikkeling van waarden en functies in een gebied. De zorgplicht omvat een aantal basisprincipes in combinatie met een diepe en ronde manier van kijken, die afkomstig zijn uit de Omgevingsvisie: Zorgvuldig ruimtegebruik Toepassing van de lagenbenadering Meerwaardecreatie Doel van het principe van zorgvuldig ruimtegebruik is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het voorkomen van nieuwvestiging in het landelijk gebied is hierbij een belangrijk uitgangspunt. Een ander uitgangspunt is dat de toedeling van functies in het landelijk gebied binnen een bestaand bouwperceel plaatsvindt. De toepassing van de lagenbenadering is een hulpmiddel om de effecten van een ontwikkeling in beeld te brengen.
Bij de afweging gaat het niet alleen om de effecten op de omliggende functies in het gebied maar ook op effecten van een ontwikkeling elders. En niet alleen de effecten nu maar ook de effecten naar de toekomst: past de ontwikkeling binnen de toekomstige ontwikkelingsrichting van een gebied? De intensiteit van de afweging hangt af van het gebied en de ontwikkeling. Naarmate een ontwikkeling minder inbreuk maakt op de leefomgeving of de omgevingskwaliteit, is ook de afweging minder indringend. Door ontwikkelingen niet enkel vanuit een economische, ecologische of sociale invalshoek te bekijken maar bij ontwikkelingen met een impact op de leefomgeving al deze aspecten te betrekken, ontstaat meerwaarde. Dit vraagt om een vernieuwende, gebiedsgerichte invulling van het streven naar een balans
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 16 van 48 Vastgesteld 2022
tussen people, planet en profit. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Het landelijk gebied omvat een onderverdeling in de volgende subzones: het Gemengd landelijk gebied; de Groenblauwe mantel. In veel gevallen bestaan er voor beide zones gelijke ontwikkelingsmogelijkheden. In die gevallen wordt gesproken over Landelijk gebied. Alleen als het nodig is onderscheid te maken, wordt in de betreffende regel gesproken over de subzone. Op basis van de plankaart van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, is de planlocatie gelegen in het Landelijk gebied in de subzone Gemengd landelijk gebied. Op basis van de formele bestaande activiteiten en beoogde activiteiten dient verantwoord te worden of de activiteiten passend zijn op basis van de Verordening.
Afbeelding 5: Uitsnede omgevingsverordening Agrarisch gerelateerde bedrijven In paragraaf 3.6.5. van de verordening zijn regels van agrarisch gerelateerde bedrijven opgenomen. Het gaat hierbij om bedrijven met een nauwe relatie met de agrarische sector. Agrarisch-technische hulpbedrijven / agrarisch-verwante bedrijven (art. 3.60 en 3.61) De artikelen 3.60 en 3.61 geven instructieregels aan gemeenten over agrarisch gerelateerde bedrijven. Het gaat hier om twee categorieën bedrijven: Een agrarisch technisch hulpbedrijf is een bedrijf dat diensten verleend aan de in het Landelijk gebied gevestigde agrarische bedrijven. Voor deze bedrijven wordt daarom niet vastgehouden aan het uitgangspunt van vestiging op een bedrijventerrein. Een agrarisch verwant bedrijf heeft een nauwe relatie met een agrarische functie maar levert diensten aan burgers. De vestiging op een bedrijventerrein is daarom lastig en bovendien zijn deze bedrijven vanuit hun aard vaak niet kleinschalig.
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 17 van 48 Vastgesteld 2022
Artikel 3.60 Bestaand agrarisch-technisch hulpbedrijf / agrarisch-verwant bedrijf in Landelijk gebied In het algemeen geldt dat een bestemmingsplan aan bestaande functies een redelijke uitbreidingsmogelijkheid kan bieden, behoudens in geval dat de maximaal toelaatbare omvang van de functie is bereikt. In geval een agrarisch technisch hulpbedrijf tevens mestbewerkende activiteiten verricht, gelden de voorwaarden uit artikel 3.74 Afwijkende regels niet-agrarisch bedrijf mestbewerking. Bestaand bedrijf Onderhavige bedrijfslocatie is gelegen in het landelijk gebied. In algemene zin geldt dat een bestemmingsplan aan bestaande loonbedrijven, in het landelijk gebied, een redelijke uitbreidingsmogelijkheid kan bieden, behoudens in het geval dat de maximaal toelaatbare omvang van 1,5 hectare is bereikt. De specifieke planologische gebruiksactiviteit dient te worden vastgelegd en een toename van de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking dient te worden uitgesloten. Er is in de beoogde situatie sprake van een bestaand bedrijf, waarbij geen sprake is van een uitbreiding maar een vormverandering. Van uitbreiding is derhalve geen sprake. Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Omgevingsverordening i.r.t. Agrarisch gerelateerde bedrijven.
Zorgvuldig ruimtegebruik In artikel 3.6 wordt gesteld dat bij ruimtelijke ontwikkelingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik wordt toegepast. Het doel hierbij is om bestaande bebouwing zo goed mogelijk te benutten. Het principe zorgvuldig ruimtegebruik bij ruimtelijke ontwikkelingen houdt in ieder geval in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen gebruik wordt gemaakt van een bestaand bouwperceel en dat een uitbreiding van het op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden. In de beoogde situatie neemt de ruimtelijke impact niet toe, er is enkel sprake van een optimalisatie van het bouwvlak in combinatie met een robuuste landschappelijke inpassing. De realisatie van bedrijfsbebouwing met de gevraagde loods en de optimalisatie van het bouwperceel t.b.v. de beschikbaarheid van een buitenterrein voor stalling en opslag is van meerwaarde voor de ontwikkeling van de bedrijfsvoering.
Ten behoeve van het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit dient voorliggende ruimtelijke onderbouwing een verantwoording te bevatten waaruit blijkt dat rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, waterhuishouding, archeologische en cultuurhistorische waarden, ecologische waarden, aardkundige waarden en landschappelijke waarden. Daarnaast dient, gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft, de omvang van de ruimtelijke ontwikkeling te passen in de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in voorliggende ruimtelijke onderbouwing. 4.4 Gemeentelijk beleid Op 2 februari 2021 heeft de gemeente Oss besloten medewerking te verlenen aan voorgenomen ontwikkeling, mits er wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. In dit hoofdstuk wordt getoetst of met onderhavige ontwikkeling kan worden voldaan aan deze voorwaarden. Daarnaast wordt de ontwikkeling getoetst aan het beleid conform de Structuurvisie 2020, de Toekomstvisie Oss, nota Landschapsbeleid 2015 en de Kwaliteitsverbetering van het landschap.
Voorwaarden medewerking gemeente: - Alle bedrijfsvoorzieningen én de tuin van de bedrijfswoning komen binnen het bouwvlak te liggen; - Een goede landschappelijke inpassing is noodzakelijk. De nu voorgestelde landschappelijke inpassing kan versterkt worden (met name aan de zuid- en westzijde van de nieuwe loods);
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 18 van 48 Vastgesteld 2022
-
De kapvorm, goot- en nokhoogte van de nieuwe loods wordt afgestemd op bestaande agrarische schuren.
In de beoogde situatie vallen alle bedrijfsvoorzieningen (incl. woning én tuin) binnen het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’. Verder wordt de locatie op een robuuste wijze landschappelijk ingepast. Tot slot zal de kapvorm, goot- en nokhoogte van de nieuwe loods afgestemd zijn op bestaande bebouwing. 4.4.1 Structuurvisie Buitengebied Oss – 2015 De gemeente Oss heeft een omvangrijk buitengebied. In de afgelopen jaren zijn de buitengebieden van Oss, Lith en Geffen samengevoegd. Voor de afzonderlijke buitengebieden waren al structuurvisies opgesteld. Het is belangrijk dat de gemeente een integrale visie heeft op het totale buitengebied van de gemeente Oss. Deze visie is samengekomen in de ‘Structuurvisie Buitengebied Oss – 2015’. Het plangebied van deze structuurvisie is het totale buitengebied van de gemeente Oss, met uitzondering van motorcrosscircuit Nieuw-Zevenbergen en vakantiepark Herperduin. De structuurvisie biedt de juridische basis voor financiële bijdragen bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de structuurvisie zijn doelstellingen opgenomen die moeten leiden tot een robuuste en duurzame ruimtelijke structuur voor een vitaal en multifunctioneel buitengebied. Dit moet resulteren in: - Een vitaal buitengebied, waar een goed evenwicht is tussen alle aanwezige functies zoals landbouw, toerisme, recreatie, natuur, water en wonen.
- Een versterking van de ruimtelijke identiteit met aandacht voor verscheidenheid, ruimte en landelijkheid. - Een versterking van de aanwezige landschapstypen: uiterwaarden, oeverwal, komgebied, dekzandrand en dekzandrug. - Behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische structuren en elementen. - Gebieden met blijvende ruimte en mogelijkheden voor (grondgebonden) landbouw, met name binnen het primaire agrarisch gebied. - Voldoende afstand tussen slecht verenigbare functies zoals wonen en intensieve veehouderij. - De instandhouding van de leefbaarheid door het zorgvuldig en afgewogen bieden van ruimte aan nieuwe economische dragers. - Nieuwe impulsen voor toerisme en recreatie, met bijzondere aandacht voor versterking van de recreatie in de Maashorst en het Maasgebied en het ontwikkelen van aantrekkelijke uitloopgebieden met natuur en recreatie nabij de stad Oss en toeristisch-recreatieve verbindingen tussen kernen op afstand van de Maas en de Maasdijk. - Het bieden van ruimte voor waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit. De bovenstaande doelstellingen worden doorvertaald naar een ontwikkelingsvisie per landschapstype.
We maken onderscheid tussen: - Uiterwaarden - Oeverwal - Komgebied - Dekzandrand - Dekzandrug - Primair agrarisch gebied Per landschapstype is een gebiedsbeschrijving, een ruimtelijke en een functionele visie opgenomen. Naast de visies per landschapstype zijn er ook ontwikkelingsvisies opgesteld per bebouwconcentratie. Per bebouwingsconcentratie is een beschrijving van de ruimtelijke situatie van het gebied gegeven,
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 19 van 48 Vastgesteld 2022
evenals een visie over landschappelijke kenmerken en de mogelijkheden voor ontwikkelingen en transformaties. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met het voorgeschreven beleid. Het beleid voor vrijkomende agrarische bebouwing gaat uit van het principe ‘voor wat hoort wat’. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kwaliteit van het landschap. Vrijkomende bebouwing mag niet onbeperkt voor alle denkbare functies gebruikt worden. Bij de agrarisch technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven is nog sprake van een zekere binding met het buitengebied. In de primair agrarische gebieden staat het behoud van de agrarische productiestructuur voorop. De agrarisch technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven leveren een meerwaarde aan het buitengebied en passen derhalve primair in het buitengebied. In de beoogde situatie is primair geen sprake van een vergroting van het bestemmingsvlak, waardoor zorgvuldig wordt omgegaan met het ruimtegebruik. 4.4.2 Welstandsbeleid Op 24 september 2020 is “Samen bouwen aan een mooi Oss, Nota uiterlijk van bouwwerken Oss 2020” vastgesteld. Dit welstandsbeleid legt meer verantwoordelijkheid bij de inwoners en bedrijven van de gemeente Oss. Met deze nota geldt in principe voor het gehele grondgebied van de gemeente een welstandsvrij beleid.
Nieuwe bouwaanvragen hoeven niet te worden voorgelegd aan het Adviesteam Architectuur om te worden getoetst aan ‘redelijke eisen van welstand’. Er gelden drie uitzonderingssituaties: -
bebouwing binnen beschermde stads- en dorpsgezichten;
-
monumenten en de panden in de directe omgeving van een monument (binnen een straal van 25 meter vanaf een monument);
-
bebouwing binnen gebieden waar een beeldkwaliteitsplan geldt.
In deze gevallen is voor bebouwing een welstandadvies wél verplicht. In het welstandsvrije deel van de gemeente blijft de mogelijkheid bestaan om bouwplannen voor te leggen aan het Adviesteam Architectuur voor een vrijblijvend welstandsadvies. Het plangebied ligt niet in een beschermd stads- en dorpsgezicht of in de nabijheid van een monument.
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 20 van 48 Vastgesteld 2022
5 5.1
Omgevingsaspecten Landschap
5.1.1 Nota Landschapsbeleid Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: Uiterwaarden Oeverwal Komgebied Dekzandrand Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst. Het plangebied vormt onderdeel van het komgebied.
De bedrijfslocatie is gelegen in een komgebied, welke primair een agrarische functie heeft. De komgronden betreffen kleiige, relatief laaggelegen gronden. Het landschap is grootschalig, open tot zeer open en wordt gekenmerkt door een zeer regelmatig, rationeel, rechtlijnig verkavelingspatroon. Dit verkavelingspatroon bestaat over het algemeen uit een slagenverkaveling. De ruimtelijke opbouw wordt bepaald door de openheid, waterlopen, enkele kades, boerderijen al dan niet met erfbeplanting, een aantal eendenkooien en laanbeplanting. In Bijlage 1 is de landschappelijke inpassing van de beoogde situatie weergegeven.
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 21 van 48 Vastgesteld 2022
Afbeelding 6: Uitsnede landschappelijke inpassing Openheid is de belangrijkste kwaliteit van het komgebied. Het behoud en versterken van een open karakter is dan ook uitgangspunt, evenals het behoud van zichtrelaties. 5.1.2
Kwaliteitsverbetering van het landschap
Regeling ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant eist, bij een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in het landelijk gebied, een fysieke kwaliteitsverbetering van de landschappelijke kwaliteit. Dit staat in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening. In januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. Dit regionale afsprakenkader is oorspronkelijk bedoeld als uitwerking van regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte. Het afsprakenkader geldt nog steeds. Toepassingsbereik De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die de gemeente Oss regionaal heeft afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader. Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling ruimtelijk gewenst is.
Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen.
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 22 van 48 Vastgesteld 2022
Afspraken toepassingsbereik 1. de notitie Toepassingsbereik en met name de verdeling van ruimtelijke ontwikkelingen over de verschillende categorieën is de basis voor het afsprakenkader over toepassingsbereik. 2. bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen is kwaliteitsverbetering altijd van toepassing; 3. bij niet-planmatige ontwikkelingen: tegenprestatie gerelateerd aan impact: • cat. 1 geen impact: geen tegenprestatie • cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing • cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap Afspraken kwaliteitsverbetering 1. Bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen: storting in een landschapsfonds of bijdrage in natura in landschapsversterkend project. 2. Bij niet-planmatige ontwikkelingen zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de toepassing: in natura (op of nabij de projectlocatie), financiële bijdrage in landschapsfonds of een combinatie van beide. 3. Bij kwaliteitsverbetering in natura (op of nabij de projectlocatie) bevat het ruimtelijk plan de verantwoording van de kwaliteitsverbetering. 4. De regio kiest niet voor een (sub)regionaal landschapsfonds. Indien gemeenten een grensoverschrijdend landschapsproject willen realiseren, weten zij elkaar te vinden.
In de bijlage ‘Categorie-indeling niet-planmatige ontwikkelingen uit de notitie Toepassingsbereik’ zijn opsommingen gegeven van activiteiten die bij verschillende categorieën behoren. Dit betreft echter een niet-limitatieve lijst. Onderhavige vormverandering van het bouwvlak, alsmede de realisatie van extra bebouwing is benaderd vanuit een categorie 3 ontwikkeling. De meerwaarde van de ontwikkeling is re Voor de beoogde ontwikkeling is een robuust landschappelijk inpassingsplan opgesteld door BNL Advies. In Bijlage 1 is het landschappelijk inpassingsplan weergegeven. Uit de waardeverandering blijkt dat de waarde van de bestemming toeneemt met €21.825,In relatie tot de gewenste ontwikkeling moet 20% geïnvesteerd worden in het landschap ten opzichte van de waardevermeerdering. Op onderhavige locatie moet derhalve € 4.365,- geïnvesteerd worden in het landschap. Initiatiefnemer is echter voornemens om € 5.936,71 te investeren in het landschap. Er wordt derhalve ruimschoots geïnvesteerd in de kwaliteitsverbetering. Binnen de planlocatie is al een grote verscheidenheid aan landschapselementen zoals houtwallen, singels, bomenrijen en heggen, welke meegenomen zijn binnen dit landschapsontwerp. Kenmerken en kwaliteiten van dit landschap worden waar mogelijk gebruikt als speerpunten voor de landschappelijke inpassing.
De hoofdkenmerken van het komgebied zijn hieronder opgesomd: - Behoud van grote openheid van het gebied; - Behoud van open relaties naar uiterwaarden en de dekzandrug; - Rietzones in verbrede oevers van sloten; - Voorzichtige omgang met hoogopgaande elementen; - Hagen op (kavel)grenzen; - Robuust, waar architectuur het toelaat boomrijen;
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 23 van 48 Vastgesteld 2022
5.2
Inrichting van slootoevers; Boomsoorten: elzen, wilgen, populieren en essen; Hagen: sleedoorn, meidoorn, kornoelje. Natuur
Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort. 5.2.1 Wet natuurbescherming Voor de gebiedsbescherming zijn in het kader van de Europese richtlijnen in Nederland speciale beschermingszones aangewezen met een hoge wettelijke bescherming. Hiervoor zijn Natura 2000gebieden en gebieden onderdeel uitmakend van het Natuurnetwerk Nederland opgenomen. Gebiedsbescherming Het Natura 2000 netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en aangemeld onder de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle Vogel- of Habitatrichtlijngebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. De overkoepelende naam voor deze gebieden is "Natura 2000-gebied". Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. In Bijlage 2 is een voortoets uitgevoerd om te onderzoeken of de beoogde activiteiten significant negatief zijn.
Om dit in beeld te brengen zijn voor de gewenste inrichting de te verwachten stikstofdeposities ter plaatse van Natura 2000-gebieden berekend. Uit de rekenresultaten blijkt dat de stikstofdepositie op geen van de Natura 2000-gebieden groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is derhalve geen sprake van een significant negatief effect op gevoelige habitattypen in omliggende Natura 2000-gebieden. Gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde gebied leidt de beoogde ontwikkeling verder niet tot andere voorkomende storende factoren zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Er is derhalve geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Soortenbescherming De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd.
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 24 van 48 Vastgesteld 2022
3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten planten en dieren voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden.
Gelet op de aard van het initiatief dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren uitbreiding beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen desondanks zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. Ter plaatse van onderhavige locatie is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze quickscan is weergegeven in Bijlage 4. Uit de scan volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten en een overtreding van hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming onwaarschijnlijk is. Geconcludeerd kan worden dat er geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming. 5.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruitgaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in het NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied.
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 25 van 48 Vastgesteld 2022
Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Omgevingsverordening de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant (NNB). Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Omgevingsverordening. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de themakaart ‘Natuur en Landschap’ is binnen het plangebied geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 7. De beoogde ontwikkelingen hebben derhalve geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.
Afbeelding 7: Uitsnede themakaart natuur en landschap
5.3
Archeologie en Cultuurhistorie
5.3.1 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: - vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. - verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. - bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 26 van 48 Vastgesteld 2022
Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro. 5.3.2 Archeologiebeleid Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel).
In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld. Tabel 1: overzicht verwachtingswaarden Verwachting/waarde Archeologisch beschermd rijksmonument
Vrijstellingsgrenzen 0 m2 / 30 cm -Mv
Archeologisch (AMK-) monument Beschermde stadsgezichten
35 m2 / 30 cm -Mv
Historische stads-/dorpskern
50 m2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde
100 m 2 / 30 cm -Mv
Hoge verwachtingswaarde – bedrijventerrein
1000 m2 / 30 cm -Mv
Middelhoge verwachtingswaarde Lage verwachtingswaarde
5 hectare / 30 cm -Mv
Reeds onderzocht
Afhankelijk van de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek.
Verstoord
Geen onderzoeksplicht
Volgens de archeologische beleidskaart heeft het plangebied een hoge verwachtingswaarde. Vanuit het archeologiebeleid geldt een archeologische onderzoeksplicht als de bodemingrepen dieper zijn dan 30 cm beneden het huidige maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². 5.3.3 Archeologietoets Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente is aan het bestemmingsplangebied een hoge verwachtingswaarde toegekend. Concreet betekent dit dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt indien de bodemingrepen dieper reiken dan 30 cm beneden huidig maaiveld én de omvang van het gebied groter is dan 100 m². Gezien de korte doorlooptijd van deze bestemmingsplanprocedure, zijn de plannen zoals omschreven in deze ruimtelijke onderbouwing nog niet getoetst op een archeologische onderzoeksverplichting. Ook is het reeds in 2007 uitgevoerde onderzoek in het gebied nog niet beoordeeld (ARC-Rapporten 2007-51). Deze toetsing zal bij de vergunningsprocedure plaatsvinden.
Dorpenweg 39 – 2022, pag. 27 van 48 Vastgesteld 2022
Op dat moment kan blijken dat er nog een archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd, of dat de vergunning kan worden verleend zonder nader archeologisch onderzoek. Ook zal op dat moment worden bepaald of aan de vergunning archeologische voorwaarden worden gekoppeld. 5.3.4 Borging in bestemmingsplanregels De gemeente Oss vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Om het archeologisch traject te borgen is aan het gebied een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie verwachtingswaarde hoog toegekend. Voor het gebied geldt dat bij bodemverstoringen groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm beneden huidig maaiveld archeologisch onderzoek nodig is. 5.3.5