CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2A Toelichting - bijlage 20 Waatselaarstraat 3 Berghem

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente OssBij agendapunt: A Herstelbesluit vaststelling bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’19.119 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

BESTEMMINGSPLAN Buitengebied Oss - 2020 Bijlagen bij toelichting

Bijlage 20 - ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, Berghem

Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 1 van 51 Juni 2017

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3

Gemeente Oss, Datum juni 2017

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 2 van 51 Juni 2017

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 3 van 51 Juni 2017

INHOUDSOPGAVE Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1

Inleiding .......................................................................................................................... 5

1.1

Aanleiding ................................................................................................................................... 5

1.2

Begrenzing plangebied .............................................................................................................. 5

1.3

Vigerend bestemmingsplan....................................................................................................... 7

Hoofdstuk 2

Bestaande situatie en programma ............................................................................... 9

2.1

Ontstaansgeschiedenis ............................................................................................................. 9

2.2

Bestaande situatie ...................................................................................................................... 9

2.3

Beoogde situatie en functioneel karakteristiek ..................................................................... 13

2.4

Groen en water ......................................................................................................................... 15

Hoofdstuk 3

Beleidskader ................................................................................................................ 19

3.1

Wettelijk kader .......................................................................................................................... 19

3.2

Rijksbeleid ................................................................................................................................. 21

3.3

Provinciaal beleid ..................................................................................................................... 24

3.4

Gemeentelijk beleid .................................................................................................................. 30

Hoofdstuk 4

Verantwoording ........................................................................................................... 36

4.1

Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................... 36

4.2

Waarden..................................................................................................................................... 42

Hoofdstuk 5

Haalbaarheid ................................................................................................................ 45

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid .......................................................................................... 45

5.2

Financiële uitvoerbaarheid ...................................................................................................... 45

BIJLAGEN Bijlage 1: Globale indeling functies Bijlage 2: Interne routes Bijlage 3: Landschappelijke inpassing Bijlage 4: Brief Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen Bijlage 5: Stikstofdepositieberekening, Aerius Calculator

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 4 van 51 Juni 2017

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 5 van 51 Juni 2017

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Het bedrijf ’t Woatsler horses, hierna initiatiefnemer, is gespecialiseerd in de paardensport. Sinds 2012 worden aan de Waatselaarstraat 3 te Berghem paarden afgericht en getraind naar een hoger niveau. Het bedrijf beschikt over verschillende faciliteiten om dit doel te behalen. Naast training en africhting is ook de verkoop en het fokken van de paarden in een hoger segment een belangrijke activiteit. Uit een controle door gemeente Oss blijkt dat verschillende bouwwerken buiten het bouwvlak liggen. Onder andere de paardenbak, twee paddocks, de longeercirkel, mestopslag, verharding en de parkeerplaats liggen buiten het bouwvlak. Gemeente Oss heeft in een brief van 6 oktober jl. laten weten dat zij medewerking willen verlenen aan de geconstateerde strijdigheden, behalve de parkeerplaats vanwege de situering en de grootte niet gewenst is. Medio oktober heeft hierover overleg plaatsgevonden tussen de gemeente en initiatiefnemer over de planlocatie. De noodzaak van de parkeerplaats is nader gemotiveerd in een zogenoemde planonderbouwing. Op basis hiervan heeft gemeente Oss in januari 2017 medewerking verleend aan het gehele plan voor Waatselaarstraat 3 te Berghem. Onderhavige rapportage voorziet in een ruimtelijke onderbouwing om de planologisch-juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie voor Waatselaarstraat 3.

Deze ruimtelijke onderbouwing wordt meegenomen met de herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2017.

1.2

Begrenzing plangebied

De planlocatie Waatselaarstraat 3 ligt in het buitengebied ten oosten van de kern Berghem. Berghem is bijna tegen de kern Oss aangegroeid. Het landschap rondom Waatselaarstraat 3 kenmerkt zich door de overgang van het halfopen coulissenlandschap naar het open landschap getypeerd door voornamelijk agrarische weilanden (zie figuur 1.1). Ten westen van Waatselaarstraat 3 ligt op ruim 140 meter het buurtschap ‘Duurendseind’. Ten zuiden ligt op ruim 160 meter de spoorverbinding ’s-Hertogenbosch – Nijmegen. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Oss, sectie S, perceelnummer 186.

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 6 van 51 Juni 2017

Duurendseind

Berghem

Figuur 1.1: (Globale) ligging plangebied (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 7 van 51 Juni 2017

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Voor onderhavig plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss 2010’. Dit plan is op 1 juli 2010 vastgesteld door de gemeenteraad van Oss en in werking getreden. Het plangebied heeft de bestemming ‘Agrarisch’ en is gedeeltelijk voorzien van een bouwvlak (zie figuur 1.2). Verder hebben de percelen de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie monument 2’ en ‘Waarde – Archeologie 2’ .

Figuur 1.2: Ligging plangebied in vigerend bestemmingsplan (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 8 van 51 Juni 2017

Gronden met de bestemming ‘Agrarisch’ zijn onder meer bedoeld voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf en het wonen in een bedrijfswoning inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen ten behoeve van woonfunctie met bijbehorende voorzieningen. De voor 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie Monument 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van op of in die gronden aanwezige archeologische waarden. Om de verschillende bouwwerken zoals onder andere de paardenbak, twee paddocks en stapmolen planologisch-juridisch mogelijk te maken is een bouwvlakvergroting noodzakelijk. Middels de herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss -2017’ wordt het initiatief mogelijk gemaakt.

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 9 van 51 Juni 2017

Hoofdstuk 2 2.1

Bestaande situatie en programma

Ontstaansgeschiedenis

De planlocatie is onderdeel van een gebied dat wordt gekenmerkt door de overgang van een zandgebied naar een rivierengebied (zie figuur 2.1). Deze overgang is duidelijk zichtbaar op de geomorfologische-, bodem- en historische kaarten. Vanuit het noorden heeft de rivier de Maas het landschap gevormd. Het gebied is relatief vroeg voor de landbouw ontgonnen. Al in het begin van de twintigste eeuw was het gehele gebied ontgonnen. In de zuidelijke zone op de zandgrond waren de percelen relatief klein en langgerekt van vorm. Onder invloed van de landbouw heeft zich hier een enkeerdgrond (zEZ21) gevormd. Veel perceelgrenzen werden destijds afgebakend met elzensingels. In het noordelijker gelegen gebied waren de kavels van oudsher veel groter. Het grote contrast tussen deze beide landschappen was lange tijd een scherpe lijn die in oost-west richting door het landschap liep. In de loop van de twintigste eeuw is de verkaveling op de zandgrond langzaam grootschaliger geworden en is het verschil tussen beide landschapstypen vervaagd. Qua perceelgrootte zijn beide landschappen nu vergelijkbaar. Een belangrijk verschil is echter dat het noordelijke landschap weinig landschapselementen kent en daardoor een erg open karakter heeft.

Het zandlandschap wordt gekenmerkt door landschapselementen als bomenlanen, bomenrijen, bosjes en houtsingels, waardoor dit landschap toch een kleinschaliger karakter heeft. De vele elzensingels die het historische landschap kenmerken zijn echter veelal verdwenen. Met grondwatertrap VI kent het zandlandschap een relatief lage grondwaterstand terwijl het rivierenlandschap met grondwatertrap III relatief nat is.

2.2

Bestaande situatie

Functioneel In de twee stallen van ’t Woatsler Horses worden paarden onder andere gefokt, afgericht en getraind. Voor deze activiteiten wordt gebruik gemaakt van een binnen- en buitenrijbaan, longeercirkel (met eb en vloed bodem), stapmolen, hoefsmederij en (was)boxen. Aanliggende gronden worden gebruikt voor twee paddocks en weiland voor de paarden om in te grazen, zie figuur 2.2 voor de huidige situatie. Het bedrijf kenmerkt zich door een multi-gedisciplineerde aanpak middels, eigen hoefsmederij, verzorgers, opleiders en instructeurs. Om de visie van het bedrijf, het fokken, africhten, trainen van paarden naar een hoger niveau, waar te kunnen maken zijn verschillende faciliteiten noodzakelijk. De westzijde van het plangebied is ingekleed met een groenzone waardoor de bebouwing vanaf deze zijde minder prominent in het landschap aanwezig. Daarnaast is er op de noordelijke erfgrens een bomenrij en bosje aanwezig en wordt de paardenrijbak omringd door een houtwal met een bomenrij. Aan de oostzijde van het bouwvlak zijn geen landschapselementen aanwezig (zie figuur 2.3 voor foto’s huidige situatie).

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 10 van 51 Juni 2017

Uitsnede

Geomorfologische kaart (bron: Stichting Bodemkartering Wageningen Rijk Geologische Dienst, Haarlem 1977)

voor

Uitsnede Bodemkaart (bron: Stichting voor Bodemkartering Wageningen / Rijk Geologische Dienst, Haarlem 1977)

Situatie rond 1910 (bron: topotijdreis.nl)

Situatie rond 1940 (bron: topotijdreis.nl)

Situatie rond 1960 (bron: topotijdreis.nl)

Situatie rond 2015 (bron: topotijdreis.nl)

Figuur 2.1: Geschiedenis plangebied (Bron: www.topotijdreis.nl)

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 11 van 51 Juni 2017

Figuur 2.2: Bestaande situatie plangebied

Bebouwing aan oostzijde, prominent in landschap aanwezig

Bebouwing momenteel zonder landschappelijke inpassing aan

Parkeerplaats in halfverharding tegen de visvijver

Bomen in weiland, recent aangeplant

de oostzijde

Figuur 2.3: Bestaande situatie (omgeving) Waatselaarstraat 3

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 12 van 51 Juni 2017

Sportpaarden De sportpaarden welke getraind worden bij ’t Woatsler Horses moeten vergeleken worden met topsporters. Het zijn sportpaarden uit het hoge segment. Dit houdt in dat de training, maar ook de voeding, zo is afgestemd dat uiterste concentratie nodig is om zo maximale presentaties te leveren. De paarden zijn door deze intensieve training feller en elastischer dan een regulier paard. Het lopen van sportpaarden langs lopende auto’s hoort niet bij de training van sportpaarden van dit niveau. Zowel geluid, licht en beweging van startende/stationair lopende/rijdende auto’s schrikt en leidt de paarden af. Door deze afleiding kunnen de paarden vluchtend en bokkend gedrag vertonen. De concentratie van een paard neemt af en heeft invloed op het sportniveau van het paard. De afleiding is ook onveilig voor de amazones als de autobestuurder die op dit moment in de buurt is bij het paard. De sportpaarden wegen 600 kilogram, waardoor zij niet zomaar tegen te houden zijn. Om de prestaties van de paarden een constant hoog niveau te houden en veiligheid van mens en paard te waarborgen, is gezorgd voor geen confrontatie tussen auto en paard. Interne routering In de bijlagen zijn de belangrijkste interne routes op het perceel van Waatselaarstraat 3 aangegeven.

Er is niet zozeer sprake van een schone en vuile route, wel wordt ervoor zorggedragen dat de mestafvoer plaatsvindt buiten de training (en daarmee verplaatsing) van de sportpaarden om. Het is niet mogelijk om de paarden voorlangs via de stallen naar de buitenbak te brengen, dit is inzichtelijk gemaakt in de bijlagen. In de meest westelijke stal is een permanente scheidingswand aanwezig. Deze wand scheidt de paardenstal van het kantoor- en werkplaatsgedeelte. Het kantoor en de werkplaats zijn in het meest zuidelijk gedeelte aanwezig. Het is niet mogelijk om door de scheidingswand, via het kantoor en de werkplaats paarden richting de buitenbak te leiden. In het middelste gedeelte tussen de twee stallen in is de kantine aanwezig. Ook hier bestaat de mogelijkheid niet om paarden naar o.a. de buitenbak te leiden. In de meest oostelijke stal is een binnenrijbak aanwezig en in de meest zuidoostelijke punt overlegruimtes om besprekingen voor te bereiden. Het is niet mogelijk om de paarden via de overlegruimte naar andere faciliteiten te leiden. Het is eveneens niet mogelijk om de binnenbak op te breken om zo de paarden naar de buitenbak te leiden. Daarmee wordt ook de training van andere paarden verstoord en een belangrijke trainingsfaciliteit opgebroken.

Intern zijn beide stallen middels scheidingwanden in diverse ruimten verdeeld, waardoor het niet zomaar mogelijk is om door de stallen de sportpaarden naar plaats van bestemming te brengen. Verkeer en parkeren Het is niet wenselijk en onveilig als trailers en vrachtwagens op de voorgestelde locatie manoevreeracties uithalen. Om de veiligheid van mens en paard te waarborgen, wordt deze confrontatie tussen auto en paard voorkomen. Hier is ook rekening mee gehouden bij de aanleg van de buitenbak. Om deze buitenbak is een wal gelegd, zodat deze faciliteit zoveel mogelijk wordt afgesloten van haar omgeving. De paarden worden op deze manier niet afgeleid. Daarnaast loopt parallel aan de Waatselaarstraat een wal met bijna geheel een beukenhaag aangeplant voor deze wal. Enerzijds, worden de functies van elkaar gescheiden. Anderzijds, wordt zoveel mogelijk door middel van beplanting getracht het perceel op te nemen in haar omgeving.

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 13 van 51 Juni 2017

2.3

Beoogde situatie en functioneel karakteristiek

De voorzieningen twee paddocks, een longeercirkel, mestopslag, een gedeelte van een paardenbak, verharding, de inrit en de parkeerplaats zijn reeds aanwezig, maar buiten het bestaande bouwvlak gesitueerd (zie figuur 2.3 op de vorige bladzijde). Middels een bouwvlakvergroting van 0,9 hectare naar 1,37 hectare worden de voorzieningen binnen het bouwvlak geplaatst en gelegaliseerd. De inrit is vergund, maar planologisch-juridisch nog niet geborgd. Zoals reeds aangegeven zijn deze faciliteiten noodzakelijk om de paarden te trainen en af te richten. Paarden zijn van nature bewegers. Om een gezond paard te houden is het belangrijk om op verschillende manieren in deze behoefte voorzien. Dit wordt enerzijds bereikt door training, maar training alleen is ontoereikend. Anderzijds is het dus noodzakelijk om een paard te laten lopen in een paddock of weiland. Longeercirkel De longeercirkel is een cirkelvormig element dat noodzakelijk is om een jong paard te longeren, ofwel trainen, voordat hier professioneel mee gereden kan worden. Buitenbak Zowel buiten als binnen wordt professioneel gereden met de paarden. Doordat de buitenbak over een eb en vloedbodem beschikt kan in drogere en nattere perioden altijd getraind worden met de paarden. Paddocks In de paddocks, een niet-begroeide uitloop, wordt gezorgd voor extra beweging van de paarden, in tegenstelling tot een weiland.

Door de indeling wordt een paard meer gemotiveerd om rond te lopen, waardoor ze meer bewegen en dit resulteert in een gezonder paard. Mestopslag Het bedrijf, Woatsler Horses, is verplicht om op een goede manier mest af te voeren. Sinds 2006 vallen

paarden namelijk onder de meststoffenwet. Dit betekent dat de mestafvoer aantoonbaar moet zijn voor bedrijfsmatige paardenhouders. De mestopslag is daarom ten noorden van de (paarden)stallen aangelegd. Zo wordt op een hygiënische manier de mest opgeslagen binnen het bedrijf en kan ook op een hygiënische manier mest afgevoerd worden van het bedrijf. Erfverharding De verharding is om verscheidene redenen aangelegd. Ten eerste om de verschillende voorzieningen met elkaar te verbinden. Ten tweede om de schone en vuile routes op het bedrijf van elkaar te kunnen onderscheiden. Ten derde is, wanneer het nodig is mogelijk om via de uiterste oostelijke zijde het terrein te betreden met bijv. een tractor om de mest op te halen, zonder de paarden te laten schrikken. Om als volwaardige bedrijf te kunnen fungeren en te voorzien in de behoefte van het paard zijn de genoemde voorzieningen noodzakelijk. De gemeente heeft ook reeds aangegeven dat, omdat sprake is van bedrijfsmatig gebruik, de paddocks, longeercirkel, mestopslag, de erfverharding en paardenbak ruimtelijk acceptabel zijn, omdat sprake is van bedrijfsmatig gebruik. Met de situering van de parkeerplaats gaat de gemeente niet direct akkoord. De gemeente is van mening dat deze fors van omvang is en dat hiermee het front van het bouwvlak aan de Waatselaarstraat te breed wordt.

Medio oktober heeft overleg plaatsgevonden tussen de gemeente en initiatiefnemer waarbij de gemeente Oss heeft aangegeven dat enkel bij een sterke ruimtelijke onderbouwing medewerking kan worden verleend aan het legaliseren van de parkeerplaats op de huidige locatie.

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 14 van 51 Juni 2017

Inrit en hekwerk Na verlening van een vergunning voor een inrit is deze gerealiseerd en is leidingwerk gelegd om de poorten, het hekwerk, bewakingscamera’s en de slagboom te voorzien van elektriciteit. Hierdoor kan alleen personeel en bezoekers op afspraak het terrein betreden en wordt bijgedragen aan de veiligheid van het bedrijf en de training van de sportpaarden. Vanuit de verzekeringsmaatschappij wordt het hekwerk op het terrein verplicht om meerdere redenen. Om de veiligheid van hem en zijn bedrijf te waarborgen is het hek noodzakelijk. Daarbij dient het terrein compleet omsloten te worden met hekwerk zodat de paarden niet ontsnappen naar de naastgelegen weg of blootgesteld worden aan inbraak. Dit hekwerk kan niet verlaagd worden, omdat de paarden hier anders overheen springen en het voor onbevoegden vergemakkelijkt wordt om het terrein te betreden. Wanneer het hek verlaagd wordt of achter het walletje geplaatst, is het gemakkelijker om via het walletje het terrein te betreden. Dit is niet gewenst, daarom blijft het hekwerk ongewijzigd in de beoogde situatie. Parkeerplaats Het perceel aan de Waatselaarstraat 3 kent twee inritten, één nabij het woonhuis en één nabij de visvijver buiten het plangebied ten zuidoosten van het perceel. Initiatiefnemer heeft een verhard pad aangelegd vanaf deze inrit naar het bedrijf.

Hierover is destijds contact geweest met de gemeente Oss en de aanleg van deze verharding is destijds vergund. Initiatiefnemer heeft daarna een parkeerplaats in halfverharding aangelegd bij deze tweede inrit en de parkeerplaats ingepast met een beplantingsstrook. Deze parkeerplaats ligt op een ideale locatie voor het bedrijf. Door de voertuigen aan de rand van het perceel te parkeren, kruist het verkeer de paarden niet en andersom. Paarden zijn van nature vluchtdieren, waardoor zij gemakkelijk schrikken van vreemde objecten in hun omgeving. Door deze scheiding aan te brengen, wordt dit voorkomen. Op de parkeerplaats is ook een slagboom aangebracht waardoor voertuigen niet verder het terrein op kunnen. Andersom kunnen paarden wel het terrein op lopen, maar is de parkeerplaats niet toegankelijk voor de paarden. Confrontatie tussen voertuigen en paarden wordt dus voorkomen. Ook is de gewenste vorm van de parkeerplaats zeer geschikt voor de vaak lange combinaties van voertuigen en paardentrailers die op de huidige parkeerplaats eenvoudig kunnen keren, terwijl dit elders op het terrein lastiger is. Het eventueel verplaatsen van de parkeerplaats zal ruimtelijk weinig meerwaarde opleveren doordat het vergunde verharde pad en inrit zal en daarmee het brede front blijft bestaan.

Door de parkeerplaats te ontkoppelen van de inrit ontstaat versnippering van functies en verharding en leidt dit tot een toename van verharding in het plangebied. Om te voorkomen dat ter plaatse van de parkeerplaats (ongewenste) bouwwerken gebouwd worden, kan middels een aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – parkeerplaats’ de functie vastgelegd worden in het bestemmingsplan. Ter plaatse van deze aanduiding is uitsluitend een parkeerplaats met bijbehorende verkeerskundige voorzieningen (de inrit) toegestaan. Hierdoor blijft sprake van een strakke vorm van het bouwvlak zoals de gemeente Oss dit wenst en is in feite sprake van een uitsterfconstructie. Ook wordt versnippering van functies en toename van verharding tegengegaan en wordt het geheel landschappelijk ingepast zodat het geheel als één groene ruimte beschouwd wordt. De uitwerking van de landschappelijke inpassing van de parkeerplaats is opgenomen in paragraaf 2.4 ‘Groen en Water’.

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 15 van 51 Juni 2017

2.4

Groen en water

Bij de landschappelijke inpassing van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied wordt er vaak (een diffuus) onderscheid gemaakt tussen de landschappelijke inpassing van een initiatief waaronder hoofdzakelijk de aanleg van (opgaande) erfbeplanting wordt verstaan en de zogenaamde ‘kwaliteitsverbetering’. De landschappelijke inpassing richt zich op de overgang van de nieuwe ontwikkeling naar het omliggende landschap en de presentatie naar de weg in de vorm van erfbeplanting. De kwaliteitsverbetering houdt in dat de ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving. Het bouwblok zal in noordelijke en oostelijke richting uitgebreid worden. Vooral aan de oostelijke zijde is de bebouwing prominent in het landschap aanwezig. Daarnaast is ook de parkeerplaats zichtbaar vanaf de Waatselaarstraat. Hier wordt een landschappelijke inpassing voorgesteld waarmee de bebouwing en parkeerplaats ingekleed wordt en de ruimte ten noorden van de parkeerplaats weer als één groene ruimte ervaren wordt. Deze ruimte sluit aan bij het zeer open noordelijker gelegen landschap.

Naast de binnenrijbak, op de grens van het nieuwe bouwvlak, wordt een bomenrij voorgesteld met daaronder een knip-/scheerheg van circa 1 meter hoog. Deze zal ervoor zorgen dat de bebouwing grotendeels uit het zicht genomen wordt, maar vanaf het perceel zal men over de haag nog steeds het open groene landschap in kunnen kijken. Om aan te sluiten bij het landschappelijke karakter wordt een gemengde haag voorgesteld. De knip-/scheerheg loopt door tot aan de parkeerplaats waar deze overgaat in een struweelbosje. Dit bosje zal de parkeerplaats aan het zicht onttrekken en sluit qua uitstraling goed aan bij de beplanting van de naastgelegen visvijver. Om de parkeerplaats verder in te kleden gezien vanaf de Waatselaarstraat zal ook het deel van de bestaande wal naast de parkeerplaats opnieuw aangeplant worden met inheems sortiment, In overleg met de gemeente Oss wordt bij de landschappelijke inpassing niet enkel gekeken naar de zijden van het agrarisch bouwvlak waar de uitbreiding plaatsvindt, maar naar de inpassing van het bouwvlak als geheel. Hierdoor zal ook aan de westzijde aan landschappelijke inpassing gedaan worden. Gezien vanaf de Waatselaarstraat kan de zone nabij de stapmolen als storend ervaren worden. Om ook dit gedeelte van het bouwvlak in te passen zal in de ruimte tussen de bestaande functies een houtsingel aangeplant worden die varieert in breedte van 1 tot 3,5 meter.

Tot slot heeft de initiatiefnemer reeds vier bomen in het weiland aan de Waatselaarstraat 3 geplaatst welke ook als kwaliteitsverbetering voor het landschap gezien worden. Het betreft hier drie rode Beuken en één treurwilg. Deze bomen zijn aangeplant in een zware maat zodat direct een landschapselement van formaat gerealiseerd is. Aanvullende inpassing ten behoeve van het hekwerk Gedurende het proces van de uitbreiding van het agrarisch bouwvlak heeft de gemeente geconstateerd dat zich rond het perceel een hekwerk bevindt waarvoor geen vergunning is afgegeven. De gemeente stelt voor dit hekwerk nu alsnog te vergunnen op voorwaarde dat aan de zijden waar het hekwerk aan de Waatselaarstraat grenst een knip-/scheerheg aan te planten. Dit voorstel wordt overgenomen in de landschappelijke inpassing. Waar het hekwerk naast het weiland staat zal een gemengde lage haag aangeplant worden en waar het hekwerk aan het bouwvlak grenst zal een hoge haag aangeplant worden.

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 16 van 51 Juni 2017

Concreet bestaan de inrichtingsmaatregelen voor de inpassing uit: - Aanplant bomenrij; - Aanplant knip-/scheerheg; - Aanplant struweelbosje; - Aanplant houtsingel; - Reeds aangeplante solitaire bomen - Aanplant knip-/scheerheg bij hekwerk.

Figuur 2.4: Schets landschappelijke inpassing (zie de bijlagen voor tekening op schaal)

Beplantingsplan De soortensamenstelling van de toe te voegen beplanting is toegespitst op inheemse soorten die passen bij het karakter van het gebied. Gekozen is voor inheemse bladverliezende soorten. De Els speelt een belangrijke rol in het beplantingsplan. Ook voor de bomenrij naast de binnenrijbak wordt Els gebruikt, maar hier wordt een variëteit voorgesteld die beter geschikt is als laanboom en niet schadelijk is voor de paarden. De gekozen beplanting krijgt de mogelijkheid uit te groeien tot een behoorlijke omvang. Dit zal een vrij natuurlijk beeld geven. Heesters zullen worden aangeplant in groepen van 3-6. Ook in de overige plantvakken wordt voor inheems sortiment gekozen. In onderstaande tabel zijn de verschillende vakken, maatvoering, voorgesteld sortiment, plantverband en het aantal aan te schaffen stuks opgenomen.

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 17 van 51 Juni 2017

Plantvak (1) Houtsingel

Omvang 157 m²

Voorgesteld sortiment  60% Els  20% Gele kornoelje  10% Kardinaalsmuts  20% Wilde liguster Plantmaat aanplant: 80-100, Eindhoogte: 4m

3 st.

Boomvormer  Linde

(2) Bomenrij

10 st.

(2) Knip-/scheerheg

95 m²

(3) Struweelbosje

494 m²

(4) Knip/scheerheg

92 m²

Plantmaat aanplant: 12-14, Eindhoogte: 10m.  Els – (Alnus spaethii ‘Spaeth’) Plantmaat aanplant: 12-14, Eindhoogte: 10m.  Haagbeuk  Liguster  Veldesdoorn Plantmaat aanplant: 60-80, Eindhoogte: 1,0 m.  60% Els  20% Gele kornoelje  10% Kardinaalsmuts  20% Wilde liguster Plantmaat aanplant: 80-100, Eindhoogte: 3m  Haagbeuk  Liguster  Veldesdoorn

Plantverband Driehoeksverband (1x1m), in groepen van 3 – 6 per soort.

Enkele rij, afstand 9 m.

Dubbele rij, 8 stuks per m¹, driehoeksverband.

Driehoeksverband (1x1m), in groepen van 3 – 6 per soort.

Dubbele rij, 8 stuks per m¹, driehoeksverband.

100 m²

Plantmaat aanplant: 60-80, Eindhoogte: 1,0 m.  Haagbeuk  Liguster  Veldesdoorn

(6) Bomen in weiland

4 st.

Reeds aangeplant

(7) Knip/scheerheg

150 m²

Plantmaat aanplant: 60-80, Eindhoogte: 1,0 m. Rode Beuk (3 st.) Treurwilg (1 st.)  Beuk Plantmaat aanplant: 100-120 Eindhoogte: 1,5 m.  60% Els  20% Gele kornoelje  10% Kardinaalsmuts  20% Wilde liguster Plantmaat aanplant: 80-100, Eindhoogte: 3m

Driehoeksverband (1x1m), in groepen van 3 – 6 per soort.

(5) Knip/scheerheg

(8) Herplant bestaande wal

263 m²

Dubbele rij, 8 stuks per m¹, driehoeksverband.

Dubbele rij, 8 stuks per m¹, driehoeksverband.

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 18 van 51 Juni 2017

Het beheer van de landschappelijke beplanting is afhankelijk van het type: -

-

Het (struweel)bosje en de houtingel mogen vrij uitgroeien. Eens per zes jaar zullen de struikvormers gedeeltelijk afgezet worden. Overhangende takken worden 1 maal per 3 jaar teruggesnoeid. Knip-/scheerhaag minimaal 1x per jaar snoeien in najaar. Het snoeien begint al bij het aanplanten van de haag. Hoe vaker de haag geknipt wordt des te dichter hij wordt. Snoei de bovenkant van de haag pas als deze de juiste hoogte heeft bereikt De bomen worden periodiek gesnoeid, hierbij zal ten alle tijden rekening gehouden worden dat de kroon (onderste takken tot de top) na het snoeien altijd meer dan 50% van de lengte van de takvrije stam bedraagt.

Conclusie Met deze voorgestelde inrichtingsmaatregelen kan worden voldaan aan de gevraagde landschappelijke inpassing van het bouwvlak als geheel en het hoge hekwerk. De landschappelijke inpassing van de ontwikkeling zorgt ervoor dat het initiatief op een natuurlijke en verzorgde wijze wordt ingepast en aansluit op de aanwezige landschapsstructuren. Ook de parkeerplaats kan met de voorgestelde inrichtingsmaatregelen op een geschikte wijze gehandhaafd blijven op de huidige locatie. Door de robuuste inpassing en de verschillende maatregelen draagt de ontwikkeling zelfs bij aan de versterking van de huidige landschapskwaliteit in de omgeving van de Waatselaarstraat.

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 19 van 51 Juni 2017

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Wettelijk kader

3.1.1 Wet ruimtelijke ordening Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. De hoofdlijnen van de nieuwe wet zijn samengevat:  Decentraal wat kan en centraal wat moet: rijk en provincie moeten en mogen niet meer regelen dan wat de taak van deze overheden direct met zich brengt;  Rijk, provincie en gemeente hebben gelijke instrumenten en kunnen die inzetten voor de eigen taken op het gebied van de ruimtelijke ordening: structuurvisie, bestemmingsplan en projectafwijkingsbesluit;  Rijk en provincie kunnen zaken voor gemeente dwingend voorschrijven via een verordening en via een aanwijzing;  Er is een strikte scheiding tussen beleid en bestemmingsplan; beleidsdocumenten hebben geen directe juridische werking meer;  De goedkeuring van de provincie op bestemmingsplannen is vervallen;  De gemeente moet meer werk maken van de herziening van bestemmingsplannen:  Er komt een sanctie op verouderde bestemmingsplannen: geen legesheffing meer mogelijk;  Voor de realisering van projecten kan een projectafwijkingsbesluit genomen worden;  Voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen spelen kan de gemeente kiezen om een beheersverordening te maken in plaats van een bestemmingsplan;  Er is een drempel voor planschade van 2%;  De mogelijkheid van kostenverhaal bij grondexploitatie is verbeterd;  Bestemmingsplannen moeten analoog en digitaal worden gemaakt.

3.1.2 Grondexploitatiewet Tegelijk met de Wet ruimtelijke Ordening is de nieuwe Grondexploitatiewet (Grex-wet) in werking getreden. De grondexploitatiewet is als paragraaf 6.4 in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening opgenomen. De Grex-wet is noodzakelijk omdat eerdere wettelijke instrumenten voor kostenverhaal, te weten de exploitatieverordening en de baatbelasting, niet toereikend bleken. Doelstelling van de nieuwe wet is een goede regeling voor kostenverhaal, binnenplanse verevening en enkele locatie-eisen bij particuliere grondexploitatie. Onder de Grex-wet is kostenverhaal mogelijk via het privaatrechtelijke spoor (door middel van een vrijwillige samenwerkingsovereenkomst) en door middel van het publiekrechtelijke spoor. Eén van de belangrijkste vernieuwingen die de wet brengt, is het verplichtende karakter van kostenverhaal. Privaatrechtelijke afspraken hebben de voorkeur. Maar als een gemeente er niet in geslaagd is met alle particuliere eigenaren in een gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie moet de gemeente publiekrechtelijk kosten verhalen bij partijen waarmee geen contract is gesloten. Dit publiekrechtelijke verhaal gaat door middel van een exploitatieplan, waarvan de totstandkoming gelijk op moet lopen met een bestemmingsplan. De verplichting tot een publiekrechtelijke regeling is gekoppeld aan twee voorwaarden: 1.

In de eerste plaats is een ruimtelijk besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening nodig. Het publiekrechtelijk instrumentarium is alleen van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijziging van een bestemmingsplan, of een projectafwijkingsbesluit.

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 20 van 51 Juni 2017

2. De tweede voorwaarde is dat het ruimtelijk besluit voorziet in nieuwbouw of in belangrijke en omvangrijke verbouwplannen met functiewijzigingen. De bouwplannen waar het om gaat zijn in het Besluit ruimtelijke ordening aangewezen. Doorwerking plangebied Dit initiatief voorziet niet in nieuwe bouwmogelijkheden. De Grondexploitatie-wetgeving is dan ook niet van toepassing. 3.1.3 Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg, aangenomen in 2006, is het doel van het in 1992 gesloten Verdrag van Valletta (Malta) verwerkt: bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Met de wet wordt het Verdrag van Valletta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk worden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de gemeente rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden.

3.1.4 Flora- en faunawet Met het inwerking treden van de Flora- en faunawet is het soortenbeleid uit de Vogelrichtlijn van 1979 en de Habitatrichtlijn van 1992 van de Europese Unie in de nationale wetgeving verwerkt. Achter de Floraen faunawet staat het idee van de zorgplicht voor in het wild levende dieren en planten (zowel beschermde als onbeschermde) en hun leefomgeving. Die zorgplicht houdt in ieder geval in dat iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen nadelige gevolgen heeft voor flora of fauna, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten. Diegene moet alle maatregelen nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verwacht om die nadelige gevolgen te voorkomen, zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 2). Volgens de Flora- en faunawet is het verboden om beschermde planten te verwijderen of te beschadigen (artikel 8), beschermde dieren te doden, te verwonden, te vangen (artikel 9) of opzettelijk te verontrusten (artikel 10) en voortplantings- of vaste rusten verblijfplaatsen te beschadigen (artikel 1). Ook het rapen of beschadigen van eieren van beschermde dieren is verboden (artikel 12). Voor een goede instandhouding van een diersoort is echter ook behoud van foerageergebied en migratieroutes nodig. Aan soorten van de Rode lijst dient ook aandacht te worden geschonken.

Hierop staan Nederlandse soorten die bijzondere aandacht nodig hebben. Deze soorten worden bedreigd, zijn zeldzaam of erg kwetsbaar of nemen sterk in aantal af. De Rode lijsten zijn officieel door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit vastgesteld (Besluit Rode lijsten flora en fauna, november 2004). 3.1.5 Natuurbeschermingswet 1998 De Natuurbeschermingswet 1998 regelt de bescherming van natuurgebieden in Nederland. Daarnaast regelt deze wet de aanwijzing van natuurgebieden die van nationaal of internationaal belang zijn: Beschermde Natuurmonumenten en Natura 2000-gebieden. De natuurbeschermingswet 1998 bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in deze beschermde natuurgebieden. Activiteiten die negatieve gevolgen voor de natuurwaarden kunnen hebben (zoals uitbreiding van een camping of bouwactiviteiten in of nabij een beschermd gebied), mogen bijvoorbeeld niet plaatsvinden zonder vergunning. Verder is iedereen verplicht om zorgvuldig om te gaan met natuurgebieden (zorgplicht). Handelingen die een natuurgebied kunnen beschadigen moeten achterwege worden gelaten. Doorwerking plangebied

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 21 van 51 Juni 2017

Het plangebied is op circa 12,3 kilometer van het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ gelegen. Met onderhavig initiatief worden geen nieuwe (stikstof)activiteiten mogelijk gemaakt die van invloed kunnen zijn op het natuurgebied de Rijntakken. Geconcludeerd wordt dat het initiatief niet voor belemmeringen zorgt op basis van de Wet Natuurbescherming. 3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Ruimte de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De visie stelt het (integrale) kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau in Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: -

Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland. (concurrerend)

-

Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. (bereikbaar)

-

Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke cultuurhistorische waarden behouden zijn. (leefbaar en veilig)

De SVIR vervangt onder meer de volgende nota’s: -

de Nota Ruimte;

-

de Structuurvisie Randstad 2040;

-

de Nota Mobiliteit;

-

de MobiliteitsAanpak;

- de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Verder vervallen met de SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken uit de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Oplossingsrichtingen Verstedelijkings- en landschapsbeleid wordt overgelaten aan gemeenten en provincies. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei geënt op het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. Bij gebiedsontwikkelingen moet de daadwerkelijke vraag van bewoners, bedrijven en organisaties leidend worden. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en, mocht nieuwbouw echt nodig zijn, altijd zorgen voor een optimale (multimodale) bereikbaarheid. Bij het verbeteren van de bereikbaarheid wordt sterk gelet op het samenspel tussen alle modaliteiten (weg, spoor, water) in samenhang met ruimtelijke ontwikkeling. Er moet innovatief worden omgegaan met de benutting van de infrastructuur. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op dertien nationale belangen.

Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaat boeken. Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De 13 nationale belangen zijn:

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 22 van 51 Juni 2017

Vergroten van de concurrentiekracht van Nederland 1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren. 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie. 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen. 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond. Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid. 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen. 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem. 7. Het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen. Waarborgen kwaliteit leefomgeving 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. 11.

Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. 12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. Overkoepelend 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Indien nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening dat vergen, kan de minister regels stellen aan de inhoud van bestemmingsplannen. Dit heeft de minister, in de vorm van een algemene maatregel van bestuur, gedaan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 december 2011 is dit besluit in werking getreden. Het kabinet heeft in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld dat voor een aantal onderwerpen verdere regels gesteld moeten worden. In het Barro komen dertien nationale belangen als titels terug. De volgende kunnen relevant zijn voor ruimtelijke plannen in de gemeente Oss: -

Rijksvaarwegen

-

Grote rivieren

-

Defensie

-

Hoofdwegen en hoofdspoorwegen

-

Elektriciteitsvoorziening

-

Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen

-

Ecologische hoofdstructuur

-

Primaire waterkeringen buiten het kustfundament

De regels in het besluit zijn concreet normstellend benoemd en moeten direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. De indirecte doorwerking komt enkel bij de Ecologische Hoofdstructuur en de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden voor. Het Barro voorziet verder in een hoofdstuk overige bepalingen en gaat gepaard met meerdere bijlagen. In deze bijlagen worden onder andere de belangen van de grote rivieren en defensie geografisch begrensd.

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 23 van 51 Juni 2017

Bij het opstellen van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van het Barro. Voor de gemeente Oss zijn met name de titels met betrekking tot de rijksvaarwegen, de grote rivieren, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en defensie (rechtstreeks) van belang. De regels in titel 2.4 Grote rivieren vormen feitelijk de doorwerking van de Beleidsregels Grote rivieren. Ten aanzien van titel 2.6 Defensie wordt de enige mogelijke beperking gevormd door de bescherming van het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen (Bro, artikel 3.1.d). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van ruimte in stedelijke gebieden.

Overheden dienen nieuwe stedelijke ontwikkeling te motiveren met de drie opeenvolgende stappen: a) er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte (trede 1); b) indien uit de beschrijving, bedoeld onder a, blijkt dat van een actuele regionale behoefte sprake is, dan wordt beschreven in hoeverre in die behoefte kan worden voorzien in bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins (trede 2); c) blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio plaats kan vinden, dan wordt beschreven in hoeverre in die behoefte wordt voorzien op locaties die, gebruik makend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld (trede 3) Doorwerking plangebied Het plan maakt geen ruimtelijke ontwikkeling mogelijk van nationaal belang. Het beleid inzake het juridisch-planologisch vastleggen van het initiatief ter plaatse van Waatselaarstraat 3 wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is noodzakelijk voor stedelijke ontwikkelingen, zoals aangegeven bij de eerste trede.

In het Bro (artikel 1.1.1, lid 1, onder i) is voor stedelijke ontwikkeling de volgende definitie opgenomen: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. In artikel 3.1.6, lid 2 wordt een stedelijke ontwikkeling verder gedefinieerd als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Van een nieuwe ontwikkeling is in dit geval geen sprake aangezien sprake is van een bestaand agrarisch bouwperceel. Indien sprake is van extra bouwmogelijkheden kan echter wel sprake zijn van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In dit geval is sprake van een bouwvlakvergroting. Dit is noodzakelijk om de juridisch-planologische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt met onderhavig initiatief. Voor de parkeerplaats is een passende regeling opgenomen dat de bouwmogelijkheden beperkt blijven tot hetgeen in de bestaande situatie aanwezig is op het perceel, namelijk enkel de parkeerplaatsen. Geconcludeerd wordt dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals gesteld in artikel 1.1.1 van het Bro.

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 24 van 51 Juni 2017

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – partiële herziening 2014 Op 19 maart 2014 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 vastgesteld. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. Met deze structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijke beleid tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten die de Wet ruimtelijke ordening biedt inzet. Naast de Structuurvisie stelt de provincie een verordening ruimte op. In deze verordening vertaalt de provincie de kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Aanvullend zijn ook gebiedspaspoorten opgesteld. Deze vormen een uitwerking van de visie en bevatten de landschapskenmerken die bepalend zijn voor de kwaliteit van een gebied of een landschapstype en hoe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan het behoud en versterking daarvan. De provincie kiest met de structuurvisie voor een duurzame ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie af komen.

Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. Provinciale belangen en ruimtelijke keuzes De provincie wil sturen op ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke keuzes geven inhoud aan het streven naar ruimtelijke kwaliteit en zijn van provinciaal belang. De belangrijkste keuzes voor de gemeente Oss zijn: - Regionale contrasten De provincie wil de contrasten tussen klei, zand en veenontginningen versterken. - Een multifunctioneel landelijk gebied De provincie kiest voor een integrale aanpak. Waar de landbouw de drager van het landschap is wordt ruimte gegeven aan optimale en duurzame ontwikkeling van de aanwezige landbouwsector. In de jonge rivierkleigebieden moet de agrarische functie (rundveehouderij) behouden blijven. Op de oeverwallen langs de rivieren wordt ruimte geboden voor menging van landbouw, natuur, landschap, recreatie, wonen, werken en zorg. Dit is van belang voor de plattelandseconomie. - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem Het patroon van beken en kreken moet beter beleefbaar worden. De ecologische hoofdstructuur wordt versterkt door het natuursysteem nog beter aan het watersysteem te koppelen. - Een betere waterveiligheid door preventie Gestreefd wordt naar vergroting van de watervoerende capaciteit van het rivierbed in combinatie met het concept van de doorbraakvrije dijk.

- Concentratie van verstedelijking Brabant heeft de ambitie zich te ontwikkelen tot een top kennis- en innovatieregio op Europees niveau. De provincie vindt het daarom belangrijk dat er verschil blijft tussen de steden en de kernen in het landelijk gebied, de zogenaamde mozaïekstructuur. - Sterk stedelijk netwerk De provincie wil een sterk stedelijk netwerk van Brabantse steden. Goede bereikbaarheid tussen de steden onderling en andere omliggende stedelijke netwerken is belangrijk. - Groene geledingszones tussen steden De provincie zet in op behoud en ontwikkeling van groene geledingszones tussen de stedelijke kernen. - Gedifferentieerd aanbod goed bereikbare vrijetijdsvoorzieningen Een kwalitatief goede vrijetijdsbesteding is een belangrijke voorwaarde voor het realiseren van een goed leef-, werk- en vestigingsklimaat. Belangrijk aandachtspunt daarbij is dat er een breed aanbod aan vrijetijdsvoorzieningen is met een goede toegankelijkheid en bereikbaarheid.

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 25 van 51 Juni 2017

Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. De hoofdregel is dat ontwikkelruimte dient bij te dragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan vasthouden aan wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe kwaliteiten. De zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit bepaalt dat:  er zorgvuldig wordt omgegaan met het ruimtegebruik;  er rekening wordt houden met de omgeving;  de ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Dit principe is van toepassing op zowel het stedelijk als het landelijk gebied en wordt uitgewerkt in de Verordening ruimte 2014. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toepassen. Nieuw ruimtebeslag moet zoveel mogelijk voorkomen worden. In eerste instantie krijgen initiatieven een plek binnen bestaand bebouwd gebied. Pas als hier geen mogelijkheden zijn of de kwaliteiten van de geplande ontwikkeling hier niet bij passen, wordt er in de omgeving gezocht naar de best mogelijke plek. Naast zuinig ruimtegebruik richt de provincie zich ook op herstructurering en hergebruik van verouderde locaties in het stedelijk gebied en op sanering van ongewenste functies in het buitengebied.

Rekening houden met de omgeving Gebiedskenmerken en omliggende waarden, gebaseerd op de lagenbenadering, zijn leidend bij de vraag “waar” en “hoe” de nieuwe ruimte wordt aangesneden. De ruimtelijke onderbouwing van een ontwikkeling geeft aan hoe is omgegaan met de ambities zoals verwoord in de structuren en in de gebiedspaspoorten. Hierbij wordt een relatie gelegd tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de gebiedskenmerken van de plek. Kwaliteitsverbetering van het landschap Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken. Dit uitgangspunt geldt voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied én buiten de ecologische hoofdstructuur en maakt de principes van ontwikkelingsplanologie toepasbaar. Concreet betekent dit dat passende functies zich kunnen ontwikkelen als er ook een prestatie voor het landschap tegenover staat. Daardoor wordt aantasting van de basiskwaliteit (bodem, water) en verlies aan ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden voorkomen. Ontwikkelingen die passen bij de aard, schaal en functie van het landelijk gebied, zoals agrarische en recreatieve ontwikkelingen en kleinschalige dienstverlening zijn mogelijk. Ook de ontwikkeling van andere (rode) functies is onder voorwaarden mogelijk.

De ruimtelijke onderbouwing van een besluit geeft aan welke bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en hoe dit is geborgd. In principe gaat de provincie uit van de realisering van een fysieke prestatie op de projectlocatie en/of de directe projectomgeving. Indien dat niet mogelijk is, is de vorming van gemeentelijk of regionaal landschapsfonds een optie. Structuren: ambitie, beleid en uitvoering De structuren geven een hoofdkoers aan, een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk.

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 26 van 51 Juni 2017

De volgende vier structuren worden onderscheiden: 1. De groenblauwe structuur 2. Het landelijk gebied 3. De stedelijke structuur 4. De infrastructuur

Structurenkaart

De groenblauwe structuur Deze omvat de samenhangende gebieden in Noord-Brabant waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. Niet alleen in, maar ook buiten de natuurgebieden. Er is ruimte voor de ontwikkeling van een natuurlijk en robuust watersysteem. Het vormt de groenblauwe ruggengraat van het landschap en is van belang voor een goede, aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving in Noord-Brabant. Binnen deze groenblauwe structuur wil de provincie het volgende bereiken:  Positieve ontwikkeling van de biodiversiteit, natuur- en watersystemen zijn beschermd en worden verbeterd door een goede onderlinge verbinding;  Een robuuste en veerkrachtige structuur.  De natuurlijke basis en landschappelijke contrasten versterken. Versterken van de identiteit van de landschappen;  Gebruikswaarde van natuur en water verbeteren. De gebieden in de groenblauwe structuur zijn belangrijk voor recreatie en toerisme. In de groenblauwe structuur worden drie perspectieven onderscheiden: -

Het kerngebied groenblauw Natuurgebieden in de ecologische hoofdstructuur, robuuste ecologische verbindingszones en belangrijke waterstructuren horen in dit perspectief. De hoofdfunctie is behoud en ontwikkeling van het natuur- en watersysteem.

-

De groenblauwe mantel Overwegend gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfunctie voor natuur en water. Gebieden grenzend aan het kerngebied die bijdragen aan de bescherming van de waarden. Het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, water(-beheer) en landschap is in de groenblauwe mantel een belangrijke opgave. Vormen van grondgebonden agrarisch gebruik zijn van blijvend belang voor de ontwikkeling van groene en blauwe waarden. Verder liggen er kansen voor recreatie en toerisme.

-

De gebieden voor waterberging Deze gebieden zijn van belang voor hoogwaterbescherming (ruimte voor de rivier) en waterberging (regionale waterberging).

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 27 van 51 Juni 2017

Het landelijk gebied Het landelijk gebied omvat het gebied buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur zoals steden, dorpen en bedrijventerreinen. Het gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte. Naast landen tuinbouw is er ruimte voor niet-agrarische functies. Binnen het landelijk gebied wil de provincie het volgende bereiken: 1. Ruimte voor een breed georiënteerde plattelandseconomie; 2. Ruimte voor duurzame agrarische ontwikkeling; 3. Versterking van het landschap. Er worden binnen het landelijk gebied twee perspectieven onderscheiden: -

Gemengd landelijk gebied De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. Binnen dit gebied wordt de agrarische functie vaak in samenhang met andere functies (in de omgeving) uitgeoefend. Hier kan worden voldaan aan de vraag naar kleinschalige stedelijke voorzieningen, recreatie en ondernemingen in een groene setting. Daarnaast wil de provincie ook dat er ruimte beschikbaar blijft om de agrarische productiestructuur te behouden en te versterken. Dat betekent dat (stedelijke) functies die ten koste gaan van de ruimte voor agrarisch gebruik of die strijdig zijn met de landbouw in die gebieden geweerd worden. Hierdoor blijft er ruimte gereserveerd voor agrarische ontwikkelingen. De provincie vraagt aan gemeenten om deze gebieden vast te leggen en te beschermen. De landbouwontwikkelingsgebieden en de vestigingsgebieden glastuinbouw beschouwt de provincie in ieder geval als primair agrarisch gebied. Ook delen van het verwevingsgebied richten zich vaak primair op agrarische ontwikkeling.

-

Accentgebied agrarische ontwikkeling Binnen deze gebieden ziet de provincie ruimte en kansen om de agrarische productiestructuur te verduurzamen en te versterken. Op de structurenkaart zijn vanuit een regionaal schaalniveau vier accentgebieden agrarische ontwikkeling aangeduid. De komgebieden van de gemeente Lith maken hiervan deel uit. Hier liggen mogelijkheden voor schaalvergroting en intensivering van de landbouw.

Transitie naar een zorgvuldige veehouderij De wens tot verduurzaming van de agrarische sector heeft geleid tot de denklijn ‘Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd’. De denklijn bestaat uit drie uitgangspunten: -

ontwikkelruimte is alleen mogelijk als dit op bedrijfsniveau bijdraagt aan een verdere verduurzaming door het treffen van extra maatregelen;

-

de som van het effect van alle bedrijven in een gebied kan de draagkracht van een gebied te boven gaan;

-

door het bieden van een economisch perspectief aan de landbouw en agrofood door meer toegevoegde waarde van het product, transparantie en nieuwe verdienmodellen. De ontwikkeling van de agrarische sector is gericht op inpassing in het landschap en een transitie naar duurzame en zorgvuldige veehouderij. De stedelijke structuur De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. Binnen de stedelijke structuur heeft de provincie de volgende doelen: 1. Concentratie van verstedelijking 2. Inspelen op demografische ontwikkelingen 3. Zorgvuldig ruimtegebruik 4. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit 5. Betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur 6. Versterking van de economische clusters

Ruimtelijke onderbouwing Waatselaarstraat 3, pag. 28 van 51 Juni 2017

Er worden binnen de stedelijke structuur twee perspectieven onderscheiden: 1. Stedelijk concentratiegebied In het stedelijk concentratiegebied met de bijhorende zoekgebieden voor verstedelijking wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgave opgevangen. De groene ruimten tussen de steden worden open gehouden. 2. Kernen in landelijk gebied De kernen in het landelijk gebied worden zo veel mogelijk ontzien van verdere verstedelijking doordat daar alleen de opvang van de eigen verstedelijkingsbehoefte wordt opgevangen (migratiesaldo-nul). Doorwerking plangebied Het plangebied is gelegen in verschillende gebieden in de structuurvisie. Voor het initiatief zijn de volgende aanduidingen van belang; ‘Gemengd landelijk gebied’, ‘Accentgebied agrarische ontwikkeling’, ‘Mozaïeklandschap en ‘cultuurhistorisch landschap’. De Structuurvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven in de Verordening ruimte . Deze bevat concrete regels, waaraan de voorliggende initiatieven worden getoetst. Geconcludeerd wordt dat het initiatief voldoet aan de Verordening ruimte en daarmee de provinciale Structuurvisie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=815adfce-9727-4183-a907-34badef477f5