Bijlage 2A Toelichting - bijlage 16 Oude Molenweg 31 Herpen
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN Buitengebied Oss - 2020 Bijlagen bij toelichting
Bijlage 16 - ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 , Herpen
Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 1 van 46 21 december 2016
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen
Gemeente Oss, 21 december 2016
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 2 van 46 21 december 2016
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 3 van 46 21 december 2016
INHOUDSOPGAVE Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1
Inleiding ............................................................................................................. 7
1.1
Aanleiding ..................................................................................................................... 7
1.2
Begrenzing plangebied ..................................................................................................... 7
1.3
Vigerend bestemmingsplan ............................................................................................... 8
Hoofdstuk 2
Bestaande situatie en programma .......................................................................... 10
2.1
Ontstaansgeschiedenis .................................................................................................. 10
2.2
Bestaande situatie ......................................................................................................... 11
2.3
Beoogde situatie ........................................................................................................... 11
2.4
Stedenbouwkundige karakteristiek.................................................................................... 12
2.5
Functionele karakteristiek ............................................................................................... 13
2.6
Groen en water ............................................................................................................. 13
2.7
Beeldkwaliteit ............................................................................................................... 13
Hoofdstuk 3
Beleidskader ..................................................................................................... 14
3.1
Wettelijk kader .............................................................................................................. 14
3.2
Rijksbeleid ................................................................................................................... 15
3.3
Provinciaal beleid .......................................................................................................... 18
3.4
Gemeentelijk beleid ....................................................................................................... 26
Hoofdstuk 4
Verantwoording ................................................................................................. 32
4.1
Milieu- en omgevingsaspecten ......................................................................................... 32
4.2
Waarden ...................................................................................................................... 38
4.3
Defensie .................................................................................................................. 44
4.4
Milieueffectrapportage (M.e.r.) ...................................................................................... 45
Hoofdstuk 5
Haalbaarheid ..................................................................................................... 46
5.1
Economische uitvoerbaarheid .......................................................................................... 46
5.2
Inspraak ...................................................................................................................... 46
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2
Situatieschets Bodemonderzoek NEN5725
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 4 van 46 21 december 2016
Bijlage 3
Watertoets
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 5 van 46 21 december 2016
Ruimtelijke onderbouwing Bestemmingsplan Oude Molenweg 31 Herpen
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 6 van 46 21 december 2016
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 7 van 46 21 december 2016
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is opgesteld voor het wijzigen van de bestemming op het perceel Oude Molenweg 31 te Herpen. Op de locatie is al langere tijd een burgerwoning aanwezig. Hiertoe beschikt de locatie ook over een woonbestemming. Echter wordt ook het achterliggende gebied met een agrarische bestemming deels benut als tuin. Hierin zijn ook gebouwen en bouwwerken aanwezig. Het is de wens dat dit deel binnen de woonbestemming wordt gebracht. De bestemming Wonen dient daartoe vergroot te worden. De gemeente Oss stelt in reactie op het verzoek dat uitbreiding van het bestemmingsvlak Wonen tot 2 1.500 m in principe ruimtelijk aanvaardbaar is. Dit gelet op de ligging van het perceel dat ligt ingeklemd tussen twee andere bestemmingsvlakken Wonen. Hierdoor is onderhavig perceel nauwelijks zichtbaar vanaf de openbare weg. Op dit punt en de verdere landschappelijke aanvaardbaarheid wordt nader ingegaan in navolgende onderbouwing. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is opgesteld om aan te tonen dat er ruimtelijk en milieuhygiënisch geen belemmeringen zijn voor het vergroten van de woonbestemming op het perceel. 1.2
Begrenzing plangebied
Het plangebied beslaat de gronden zoals weergegeven in navolgende figuur. Het plangebied omvat het perceel aan de Oude Molenweg 31 te Herpen, meer specifiek de gebouwen en ondergrond op het perceel kadastraal bekend als gemeente Ravenstein, sectie G, nummer 452 gedeeltelijk.
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 8 van 46 21 december 2016
Ligging plangebied (met pijl aangeduid)
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Voor de locatie aan de Oude Molenweg 31 te Herpen vigeert het bestemmingsplan “Buitengebied Oss – 2010”, vastgesteld op 21 januari 2011, en de Partiële herziening 1 Buitengebied Oss – 2010. De locatie heeft in voornoemd bestemmingsplan de enkelbestemming ‘Wonen’ met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en de gebiedsaanduiding ‘other: overig – schuilgelegenheden’. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn uitsluitend bestemd voor wonen in woningen inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen. De woning inclusief uit- en aanbouwen en aangebouwde 3 bijgebouwen mag een inhoud hebben van 600 m . Aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen is 2 toegestaan een oppervlakte van 100 m . Zie voor de omvang van het bestemmingsvlak de situatieschets in de bijlagen en navolgend figuur. De 2 huidige bestemming ‘Wonen’ heeft een oppervlak 949 m .
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 9 van 46 21 december 2016
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan (planlocatie is geel vlak met blauw vinkje)
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 10 van 46 21 december 2016
Hoofdstuk 2 2.1
Bestaande situatie en programma
Ontstaansgeschiedenis
Onderhavig plangebied is gelegen in het uitloopgebied van Herpen. Het landschap kan getypeerd worden als dekzandrand. De dekzandrand is een overgangszone van het lagergelegen kleigebied naar de hogergelegen dekzandrug. De dekzandgebieden zijn van oudsher de meest geschikte bewoningsplaatsen. Er zijn daarom ook veel archeologische waardevolle nederzettingsresten gevonden (en nog te verwachten), evenals oude verkavelingspatronen, (hout)walstructuren en oude boerderijen, met name in de noordelijke rand van de stad Oss. In en rond de kernen en buurtschappen bevinden zich oude ontginningen en ontginningspatronen. Op grotere afstand van deze kernen en buurtschappen zijn later ontstane nieuwere, grootschaliger ontginningen te vinden. De dekzandranden kenmerken zich van oorsprong door een kleinschalige opbouw, met een half-open tot besloten karakter en met nabij de kernen een onregelmatig verkavelingspatroon. Het contrast tussen de historisch gegroeide patronen van de oude verbindingswegen en rafelige dorpsranden en de rationele lineaire elementen van de grootschalige ontginningen geven dit gebied een eigen ruimtelijke karakteristiek.
Omgeving plangebied (rood omcirkeld) 1950
Op onderhavige locatie is al langere tijd een woning aanwezig. De woning is in de loop der tijd vergroot en er zijn bijgebouwen bij gerealiseerd. Achter de woonbestemming was voorheen een rijbak gelegen. Deze is verwijderd en dit deel van het perceel is eveneens als tuin in gebruik genomen. Voordien betrof het agrarische grond met aan weerszijden reeds woningen. Het dichtstbij gelegen bedrijf is gelegen op een afstand van circa 80 meter.
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 11 van 46 21 december 2016
2.2
Bestaande situatie
Als gesteld bevindt zich op de locatie een woning en bijgebouwen, betreffende een grotere schuur met aanbouw, een garage en een gebouw voor de opslag van hout. Het als tuin in gebruik zijnde deel van het perceel wordt afgescheiden door een beukhaag. Hier net achter, halverwege het perceel, is een schuilstal aanwezig. Hierin ligt nu haardhout opgeslagen. Hier rondom liggen verder ook nog materialen opgeslagen. Achterop het perceel is een weide gelegen. Hier lopen op het moment een aantal koeien van derden. Hier en midden op het perceel is verder een lichtmast aanwezig.
Luchtfoto planlocatie
2.3
Beoogde situatie
Het deel van de agrarische grond tot genoemde haag is in gebruik als tuin. In dit deel van het perceel is ook een bouwwerk gerealiseerd waarin opslag van materialen plaats vindt en staan zaken als een 2 speeltoestel en trampoline. Dit terrein met een oppervlak van 495 m zal binnen de bestemming ‘Wonen’ 2 komen te liggen dat daarmee een totale omvang van 1.444 m verkrijgt. Voor de toekomstige bestemming Wonen wordt verwezen naar de situatieschets in de bijlagen. Dit vlak omvat wel de beukenhaag ter afscheiding van de tuin, maar niet eerdergenoemde net buiten de haag gelegen 2 voormalige schuilstal in gebruik voor de opslag van hout. Dit gebouw met een oppervlak van circa 5 m zal worden verwijderd. Het achterste deel van het perceel blijft de agrarische bestemming houden. Dit betekent dat de hier aanwezige opslag van materialen verdwijnt. Ook wordt de achterop het perceel aanwezige lichtmast verwijderd. De in de positief te bestemmen tuin aanwezige lichtmast wordt eveneens verwijderd. Het totaal aan bijgebouwen zal in de toekomstige situatie inclusief genoemde schuilstal minder dan 150 2 m zijn en blijven, welk oppervlak is toegestaan op grond van vergunningsvrij bouwen uit het Bor. Op 2 2 basis van het Bor is, gelet op de grootte van het erf van meer dan 900 m , maximaal 150 m aan bijbehorende bouwwerken bij de woning mogelijk.
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 12 van 46 21 december 2016
Foto te verwijderen voormalige schuilstal (stal en paarden op foto staan op buurperceel)
2.4
Stedenbouwkundige karakteristiek
De Oude Molenweg ligt in het buitengebied van Herpen, in het uitloopgebied ten zuidwesten van de kern Herpen. Het is een doodlopende weg. De weg eindigt bij het terrein van de ponyclub. De locatie ligt ingeklemd tussen de andere woningen aan de Oude Molenweg. Via de oprit heb je zicht op het achterliggende terrein. Aan de overzijde is vrij zicht over een weiland. Het deel van het perceel waarop de bestemming Wonen wordt aangevraagd is vanuit de openbare wegen niet zichtbaar. Hooguit vanuit de zuidelijk deel van de Aaltvoortsestraat, welke op grote afstand (ruim 400 meter) ligt. Ook dit deel van het perceel ligt ingeklemd tussen de bestemmingsvlakken Wonen van Oude Molenweg 29 en 32a. De grens van het bestemmingsvlak Wonen op onderhavige locatie komt vrijwel gelijk te liggen met de begrenzing van voornoemde naastgelegen bestemmingsvlakken. Achterop het onbebouwde perceel tussen Aaltvoortsestraat 8 en 10 staat dichte, opgaande beplanting. Hierdoor is het achterliggende terrein van onderhavig perceel (het weiland) niet of nauwelijks te zien. Ook als deze beplantingsstrook verwijderd zou worden, komt de toekomstige uitbreiding van het bestemmingsvlak Wonen niet in het zicht te liggen, omdat deze in de lijn komt te liggen met de naastgelegen bestemmingsvlakken. De op deze lijn aanwezige haag blijft behouden.
Op basis van bovenstaande is de uitbreiding van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ in principe landschappelijk aanvaardbaar.
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 13 van 46 21 december 2016
Motivering 2 Het toekomstige bestemmingsvlak ‘Wonen’ verkrijgt een omvang van 1.444 m . Deze omvang wordt bepaald door de opname van de tuin aan de achterzijde van de bebouwing, inclusief de te behouden haag, in het bestemmingsvlak. In het huidige bestemmingsvlak is vrijwel geen tuin gelegen. Dit door de breedte van het vlak en de situering van de woning die scheef op het perceel staat. Hierdoor en door de realisatie in het verleden van een schuur direct achter de woning, is er naast de woning, schuur en inrit, thans in het bestemmingsvlak geen ruimte voor een als zodanig te benutten (achter)tuin. Dit terwijl dit wel passend en gewenst is bij een woning in het buitengebied. Deze tuin is dan ook ontstaan direct achter de bebouwing, aan het einde van de inrit. De noodzaak van de vergroting is dus gelegen in de inefficiënte indeling van het perceel en om in ieder geval de beschikking te hebben over een (achter)tuin. De vergroting omvat ook niet meer ruimte dan strikt noodzakelijk en landschappelijk passend. En blijft 2 zodoende onder de maximaal toelaatbare 1.500 m .
2.5
Functionele karakteristiek
In de omgeving is sprake van woonfuncties. Enkel op een afstand van circa 80 en 120 meter bevinden zich niet-agrarische bedrijven. Dit betreft op circa 80 meter een nieuw te bestemmen garagebedrijf aan de Heiweg 5. Op de locatie Oude Molenweg 30, op een afstand van circa 120 meter, is een hondenschool gelegen. Verder ten oosten ligt de bebouwde kom van Herpen. De vergroting van de woonbestemming is goed passend in deze omgeving.
2.6
Groen en water
Op het perceel is veel opgaand groen aanwezig dat behouden zal blijven. Dit betreft ondermeer een haag ter scheiding van de tuin en het achterliggende weiland dat gelegen blijft buiten de woonbestemming. Dit is ook een wens van de gemeente. Op het perceel is geen open water aanwezig. De oppervlakte bebouwing zal verder niet toenemen. Er zijn dus geen waterhuishoudkundige gevolgen. 2.7
Beeldkwaliteit
U hoeft niets te doen, de gemeente vult deze paragraaf in. .
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 14 van 46 21 december 2016
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Wettelijk kader
3.1.1 Wet ruimtelijke ordening Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. De hoofdlijnen van de nieuwe wet zijn samengevat: -
Decentraal wat kan en centraal wat moet: rijk en provincie moeten en mogen niet meer regelen dan wat de taak van deze overheden direct met zich brengt;
-
Rijk, provincie en gemeente hebben gelijke instrumenten en kunnen die inzetten voor de eigen taken op het gebied van de ruimtelijke ordening: structuurvisie, bestemmingsplan en projectafwijkingsbesluit;
-
Rijk en provincie kunnen zaken voor gemeente dwingend voorschrijven via een verordening en via een aanwijzing;
-
Er is een strikte scheiding tussen beleid en bestemmingsplan; beleidsdocumenten hebben geen directe juridische werking meer;
-
De goedkeuring van de provincie op bestemmingsplannen is vervallen;
-
De gemeente moet meer werk maken van de herziening van bestemmingsplannen: o Er komt een sanctie op verouderde bestemmingsplannen: geen legesheffing meer mogelijk; o Voor de realisering van projecten kan een projectafwijkingsbesluit genomen worden;
-
Voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen spelen kan de gemeente kiezen om een beheersverordening te maken in plaats van een bestemmingsplan;
-
Er is een drempel voor planschade van 2%;
-
De mogelijkheid van kostenverhaal bij grondexploitatie is verbeterd;
-
Bestemmingsplannen moeten analoog en digitaal worden gemaakt.
3.1.2 Grondexploitatiewet Tegelijk met de Wet ruimtelijke Ordening is de nieuwe Grondexploitatiewet (Grex-wet) in werking getreden. De grondexploitatiewet is als paragraaf 6.4 in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening opgenomen. De Grex-wet is noodzakelijk omdat eerdere wettelijke instrumenten voor kostenverhaal, te weten de exploitatieverordening en de baatbelasting, niet toereikend bleken. Doelstelling van de nieuwe wet is een goede regeling voor kostenverhaal, binnenplanse verevening en enkele locatie-eisen bij particuliere grondexploitatie. Onder de Grex-wet is kostenverhaal mogelijk via het privaatrechtelijke spoor (door middel van een vrijwillige samenwerkingsovereenkomst) en door middel van het publiekrechtelijke spoor. Eén van de belangrijkste vernieuwingen die de wet brengt, is het verplichtende karakter van kostenverhaal. Privaatrechtelijke afspraken hebben de voorkeur. Maar als een gemeente er niet in geslaagd is met alle particuliere eigenaren in een gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie moet de gemeente publiekrechtelijk kosten verhalen bij partijen waarmee geen contract is gesloten. Dit publiekrechtelijke verhaal gaat door middel van een exploitatieplan, waarvan de totstandkoming gelijk op moet lopen met een bestemmingsplan. De verplichting tot een publiekrechtelijke regeling is gekoppeld aan twee voorwaarden: 1.
In de eerste plaats is een ruimtelijk besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening nodig. Het publiekrechtelijk instrumentarium is alleen van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijziging van een bestemmingsplan, of een projectafwijkingsbesluit. 2. De tweede voorwaarde is dat het ruimtelijk besluit voorziet in nieuwbouw of in belangrijke en omvangrijke verbouwplannen met functiewijzigingen. De bouwplannen waar het om gaat zijn in het Besluit ruimtelijke ordening aangewezen.
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 15 van 46 21 december 2016
Dit bestemmingsplan voorziet in niet nieuwe bouwmogelijkheden. De Grondexploitatie-wetgeving is dan ook niet van toepassing. Wel zullen de kosten voor de planologische procedure worden verhaald op de initiatiefnemer(s) via een anterieure overeenkomst.
3.1.3 Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg, aangenomen in 2006, is het doel van het in 1992 gesloten Verdrag van Valletta (Malta) verwerkt: bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Met de wet wordt het Verdrag van Valletta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk worden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de gemeente rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. 3.1.4 Flora- en faunawet Met het inwerking treden van de Flora- en faunawet is het soortenbeleid uit de Vogelrichtlijn van 1979 en de Habitatrichtlijn van 1992 van de Europese Unie in de nationale wetgeving verwerkt. Achter de Flora- en faunawet staat het idee van de zorgplicht voor in het wild levende dieren en planten (zowel beschermde als onbeschermde) en hun leefomgeving.
Die zorgplicht houdt in ieder geval in dat iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen nadelige gevolgen heeft voor flora of fauna, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten. Diegene moet alle maatregelen nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verwacht om die nadelige gevolgen te voorkomen, zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 2). Volgens de Flora- en faunawet is het verboden om beschermde planten te verwijderen of te beschadigen (artikel 8), beschermde dieren te doden, te verwonden, te vangen (artikel 9) of opzettelijk te verontrusten (artikel 10) en voortplantings- of vaste rusten verblijfplaatsen te beschadigen (artikel 1). Ook het rapen of beschadigen van eieren van beschermde dieren is verboden (artikel 12). Voor een goede instandhouding van een diersoort is echter ook behoud van foerageergebied en migratieroutes nodig. Aan soorten van de Rode lijst dient ook aandacht te worden geschonken. Hierop staan Nederlandse soorten die bijzondere aandacht nodig hebben. Deze soorten worden bedreigd, zijn zeldzaam of erg kwetsbaar of nemen sterk in aantal af. De Rode lijsten zijn officieel door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit vastgesteld (Besluit Rode lijsten flora en fauna, november 2004). 3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Ruimte de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De visie stelt het (integrale) kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau in Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: -
Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland. (concurrerend)
-
Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. (bereikbaar)
-
Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke cultuurhistorische waarden behouden zijn. (leefbaar en veilig)
De SVIR vervangt onder meer de volgende nota’s: -
de Nota Ruimte;
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 16 van 46 21 december 2016
-
de Structuurvisie Randstad 2040;
-
de Nota Mobiliteit;
-
de MobiliteitsAanpak;
de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Verder vervallen met de SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken uit de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta.
Oplossingsrichtingen Verstedelijkings- en landschapsbeleid wordt overgelaten aan gemeenten en provincies. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei geënt op het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. Bij gebiedsontwikkelingen moet de daadwerkelijke vraag van bewoners, bedrijven en organisaties leidend worden. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en, mocht nieuwbouw echt nodig zijn, altijd zorgen voor een optimale (multimodale) bereikbaarheid. Bij het verbeteren van de bereikbaarheid wordt sterk gelet op het samenspel tussen alle modaliteiten (weg, spoor, water) in samenhang met ruimtelijke ontwikkeling. Er moet innovatief worden omgegaan met de benutting van de infrastructuur. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op dertien nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaat boeken. Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De 13 nationale belangen zijn: Vergroten van de concurrentiekracht van Nederland 1.
Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren. 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie. 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen. 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond. Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid. 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen. 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem. 7. Het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen. Waarborgen kwaliteit leefomgeving 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. 12.
Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. Overkoepelend 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 17 van 46 21 december 2016
3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Indien nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening dat vergen, kan de minister regels stellen aan de inhoud van bestemmingsplannen. Dit heeft de minister, in de vorm van een algemene maatregel van bestuur, gedaan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 december 2011 is dit besluit in werking getreden. Het kabinet heeft in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld dat voor een aantal onderwerpen verdere regels gesteld moeten worden. In het Barro komen dertien nationale belangen als titels terug. De volgende kunnen relevant zijn voor ruimtelijke plannen in de gemeente Oss: -
Rijksvaarwegen
-
Grote rivieren
-
Defensie
-
Hoofdwegen en hoofdspoorwegen
-
Elektriciteitsvoorziening
-
Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen
-
Ecologische hoofdstructuur
-
Primaire waterkeringen buiten het kustfundament
De regels in het besluit zijn concreet normstellend benoemd en moeten direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. De indirecte doorwerking komt enkel bij de Ecologische Hoofdstructuur en de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden voor. Het Barro voorziet verder in een hoofdstuk overige bepalingen en gaat gepaard met meerdere bijlagen. In deze bijlagen worden onder andere de belangen van de grote rivieren en defensie geografisch begrensd. Bij het opstellen van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van het Barro. Voor de gemeente Oss zijn met name de titels met betrekking tot de rijksvaarwegen, de grote rivieren, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en defensie (rechtstreeks) van belang. De regels in titel 2.4 Grote rivieren vormen feitelijk de doorwerking van de Beleidsregels Grote rivieren. Ten aanzien van titel 2.6 Defensie wordt de enige mogelijke beperking gevormd door de bescherming van het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd.
De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen (Bro, artikel 3.1.d). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van ruimte in stedelijke gebieden. Overheden dienen nieuwe stedelijke ontwikkeling te motiveren met de drie opeenvolgende stappen: a) er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte (trede 1); b) indien uit de beschrijving, bedoeld onder a, blijkt dat van een actuele regionale behoefte sprake is, dan wordt beschreven in hoeverre in die behoefte kan worden voorzien in bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins (trede 2); c) blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio plaats kan vinden, dan wordt beschreven in hoeverre in die behoefte wordt voorzien op locaties die, gebruik makend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld (trede 3)
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 18 van 46 21 december 2016
Initiatief Voorliggende ontwikkeling gaat niet gepaard met nieuwe bebouwingsmogelijkheden. Er is geen sprake van een ‘stedelijke ontwikkeling’ als bedoeld in artikel 1.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – partiële herziening 2014 Op 19 maart 2014 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 vastgesteld. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. Met deze structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijke beleid tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten die de Wet ruimtelijke ordening biedt inzet. Naast de Structuurvisie stelt de provincie een verordening ruimte op. In deze verordening vertaalt de provincie de kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Aanvullend zijn ook gebiedspaspoorten opgesteld. Deze vormen een uitwerking van de visie en bevatten de landschapskenmerken die bepalend zijn voor de kwaliteit van een gebied of een landschapstype en hoe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan het behoud en versterking daarvan. De provincie kiest met de structuurvisie voor een duurzame ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie af komen.
Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. Provinciale belangen en ruimtelijke keuzes De provincie wil sturen op ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke keuzes geven inhoud aan het streven naar ruimtelijke kwaliteit en zijn van provinciaal belang. De belangrijkste keuzes voor de gemeente Oss zijn: Regionale contrasten De provincie wil de contrasten tussen klei, zand en veenontginningen versterken. Een multifunctioneel landelijk gebied De provincie kiest voor een integrale aanpak. Waar de landbouw de drager van het landschap is wordt ruimte gegeven aan optimale en duurzame ontwikkeling van de aanwezige landbouwsector. In de jonge rivierkleigebieden moet de agrarische functie (rundveehouderij) behouden blijven. Op de oeverwallen langs de rivieren wordt ruimte geboden voor menging van landbouw, natuur, landschap, recreatie, wonen, werken en zorg. Dit is van belang voor de plattelandseconomie. Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem Het patroon van beken en kreken moet beter beleefbaar worden. De ecologische hoofdstructuur wordt versterkt door het natuursysteem nog beter aan het watersysteem te koppelen. Een betere waterveiligheid door preventie Gestreefd wordt naar vergroting van de watervoerende capaciteit van het rivierbed in combinatie met het concept van de doorbraakvrije dijk.
- Concentratie van verstedelijking Brabant heeft de ambitie zich te ontwikkelen tot een top kennis- en innovatieregio op Europees niveau. De provincie vindt het daarom belangrijk dat er verschil blijft tussen de steden en de kernen in het landelijk gebied, de zogenaamde mozaïekstructuur. - Sterk stedelijk netwerk De provincie wil een sterk stedelijk netwerk van Brabantse steden. Goede bereikbaarheid tussen de steden onderling en andere omliggende stedelijke netwerken is belangrijk. - Groene geledingszones tussen steden De provincie zet in op behoud en ontwikkeling van groene geledingszones tussen de stedelijke kernen. - Gedifferentieerd aanbod goed bereikbare vrijetijdsvoorzieningen Een kwalitatief goede vrijetijdsbesteding is een belangrijke voorwaarde voor het realiseren van
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 19 van 46 21 december 2016
een goed leef-, werk- en vestigingsklimaat. Belangrijk aandachtspunt daarbij is dat er een breed aanbod aan vrijetijdsvoorzieningen is met een goede toegankelijkheid en bereikbaarheid.
Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. De hoofdregel is dat ontwikkelruimte dient bij te dragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan vasthouden aan wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe kwaliteiten. De zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit bepaalt dat: -
er zorgvuldig wordt omgegaan met het ruimtegebruik;
-
er rekening wordt houden met de omgeving;
-
de ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Dit principe is van toepassing op zowel het stedelijk als het landelijk gebied en wordt uitgewerkt in de Verordening ruimte 2012. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toepassen. Nieuw ruimtebeslag moet zoveel mogelijk voorkomen worden. In eerste instantie krijgen initiatieven een plek binnen bestaand bebouwd gebied. Pas als hier geen mogelijkheden zijn of de kwaliteiten van de geplande ontwikkeling hier niet bij passen, wordt er in de omgeving gezocht naar de best mogelijke plek. Naast zuinig ruimtegebruik richt de provincie zich ook op herstructurering en hergebruik van verouderde locaties in het stedelijk gebied en op sanering van ongewenste functies in het buitengebied. Rekening houden met de omgeving Gebiedskenmerken en omliggende waarden, gebaseerd op de lagenbenadering, zijn leidend bij de vraag “waar” en “hoe” de nieuwe ruimte wordt aangesneden. De ruimtelijke onderbouwing van een ontwikkeling geeft aan hoe is omgegaan met de ambities zoals verwoord in de structuren en in de gebiedspaspoorten. Hierbij wordt een relatie gelegd tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de gebiedskenmerken van de plek.
Kwaliteitsverbetering van het landschap Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken. Dit uitgangspunt geldt voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied én buiten de ecologische hoofdstructuur en maakt de principes van ontwikkelingsplanologie toepasbaar. Concreet betekent dit dat passende functies zich kunnen ontwikkelen als er ook een prestatie voor het landschap tegenover staat. Daardoor wordt aantasting van de basiskwaliteit (bodem, water) en verlies aan ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden voorkomen. Ontwikkelingen die passen bij de aard, schaal en functie van het landelijk gebied, zoals agrarische en recreatieve ontwikkelingen en kleinschalige dienstverlening zijn mogelijk. Ook de ontwikkeling van andere (rode) functies is onder voorwaarden mogelijk. De ruimtelijke onderbouwing van een besluit geeft aan welke bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en hoe dit is geborgd. In principe gaat de provincie uit van de realisering van een fysieke prestatie op de projectlocatie en/of de directe projectomgeving. Indien dat niet mogelijk is, is de vorming van gemeentelijk of regionaal landschapsfonds een optie.
Structuren: ambitie, beleid en uitvoering De structuren geven een hoofdkoers aan, een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De volgende vier structuren worden onderscheiden. -
De groenblauwe structuur
-
Het landelijk gebied
-
De stedelijke structuur
-
De infrastructuur
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 20 van 46 21 december 2016
Structurenkaart
De groenblauwe structuur Deze omvat de samenhangende gebieden in Noord-Brabant waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. Niet alleen in, maar ook buiten de natuurgebieden. Er is ruimte voor de ontwikkeling van een natuurlijk en robuust watersysteem. Het vormt de groenblauwe ruggengraat van het landschap en is van belang voor een goede, aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving in Noord-Brabant. Binnen deze groenblauwe structuur wil de provincie het volgende bereiken: 1. Positieve ontwikkeling van de biodiversiteit, natuur- en watersystemen zijn beschermd en worden verbeterd door een goede onderlinge verbinding; 2. Een robuuste en veerkrachtige structuur. 3. De natuurlijke basis en landschappelijke contrasten versterken. Versterken van de identiteit van de landschappen; 4. Gebruikswaarde van natuur en water verbeteren. De gebieden in de groenblauwe structuur zijn belangrijk voor recreatie en toerisme. In de groenblauwe structuur worden drie perspectieven onderscheiden: -
Het kerngebied groenblauw Natuurgebieden in de ecologische hoofdstructuur, robuuste ecologische verbindingszones en belangrijke waterstructuren horen in dit perspectief. De hoofdfunctie is behoud en ontwikkeling van het natuur- en watersysteem.
-
De groenblauwe mantel Overwegend gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfunctie voor natuur en water. Gebieden grenzend aan het kerngebied die bijdragen aan de bescherming van de waarden. Het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, water(-beheer) en landschap is in de groenblauwe mantel een belangrijke opgave. Vormen van grondgebonden agrarisch gebruik zijn van blijvend belang voor de ontwikkeling van groene en blauwe waarden. Verder liggen er kansen voor recreatie en toerisme.
-
De gebieden voor waterberging Deze gebieden zijn van belang voor hoogwaterbescherming (ruimte voor de rivier) en waterberging (regionale waterberging).
Het landelijk gebied Het landelijk gebied omvat het gebied buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur zoals steden, dorpen en bedrijventerreinen. Het gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte. Naast landen tuinbouw is er ruimte voor niet-agrarische functies. Binnen het landelijk gebied wil de provincie het volgende bereiken: 1. Ruimte voor een breed georiënteerde plattelandseconomie; 2. Ruimte voor duurzame agrarische ontwikkeling; 3. Versterking van het landschap. Er worden binnen het landelijk gebied twee perspectieven onderscheiden: -
Gemengd landelijk gebied De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. Binnen dit gebied wordt de agrarische
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 21 van 46 21 december 2016
functie vaak in samenhang met andere functies (in de omgeving) uitgeoefend. Hier kan worden voldaan aan de vraag naar kleinschalige stedelijke voorzieningen, recreatie en ondernemingen in een groene setting. Daarnaast wil de provincie ook dat er ruimte beschikbaar blijft om de agrarische productiestructuur te behouden en te versterken. Dat betekent dat (stedelijke) functies die ten koste gaan van de ruimte voor agrarisch gebruik of die strijdig zijn met de landbouw in die gebieden geweerd worden. Hierdoor blijft er ruimte gereserveerd voor agrarische ontwikkelingen. De provincie vraagt aan gemeenten om deze gebieden vast te leggen en te beschermen. De landbouwontwikkelingsgebieden en de vestigingsgebieden glastuinbouw beschouwt de provincie in ieder geval als primair agrarisch gebied. Ook delen van het verwevingsgebied richten zich vaak primair op agrarische ontwikkeling. -
Accentgebied agrarische ontwikkeling Binnen deze gebieden ziet de provincie ruimte en kansen om de agrarische productiestructuur te verduurzamen en te versterken. Op de structurenkaart zijn vanuit een regionaal schaalniveau vier accentgebieden agrarische ontwikkeling aangeduid. De komgebieden van de gemeente Lith maken hiervan deel uit. Hier liggen mogelijkheden voor schaalvergroting en intensivering van de landbouw.
Transitie naar een zorgvuldige veehouderij De wens tot verduurzaming van de agrarische sector heeft geleid tot de denklijn ‘Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd’. De denklijn bestaat uit drie uitgangspunten: -
ontwikkelruimte is alleen mogelijk als dit op bedrijfsniveau bijdraagt aan een verdere verduurzaming door het treffen van extra maatregelen;
-
de som van het effect van alle bedrijven in een gebied kan de draagkracht van een gebied te boven gaan;
-
door het bieden van een economisch perspectief aan de landbouw en agrofood door meer toegevoegde waarde van het product, transparantie en nieuwe verdienmodellen. De ontwikkeling van de agrarische sector is gericht op inpassing in het landschap en een transitie naar duurzame en zorgvuldige veehouderij. De stedelijke structuur De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. Binnen de stedelijke structuur heeft de provincie de volgende doelen: 1. Concentratie van verstedelijking 2. Inspelen op demografische ontwikkelingen 3. Zorgvuldig ruimtegebruik 4. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit 5. Betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur 6. Versterking van de economische clusters Er worden binnen de stedelijke structuur twee perspectieven onderscheiden: - Stedelijk concentratiegebied In het stedelijk concentratiegebied met de bijhorende zoekgebieden voor verstedelijking wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgave opgevangen. De groene ruimten tussen de steden worden open gehouden. - Kernen in landelijk gebied De kernen in het landelijk gebied worden zo veel mogelijk ontzien van verdere verstedelijking doordat daar alleen de opvang van de eigen verstedelijkingsbehoefte wordt opgevangen (migratiesaldo-nul).
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 22 van 46 21 december 2016
Initiatief De planlocatie is in de structuurvisie op de structurenkaart gelegen in ‘Zoekgebied verstedelijking’ en ‘Gemengd landelijk gebied’. Beleid zoekgebied verstedelijking Binnen de zoekgebieden verstedelijking geldt het beleid als binnen het gemengd landelijk gebied. Extra aandacht wordt gevraagd voor (het beperken van) de ontwikkelingsmogelijkheden van functies die een toekomstige stedelijke ontwikkeling kunnen bemoeilijken. Beleid gemengd landelijk gebied Binnen het gemengd landelijk gebied is multifunctioneel gebruik uitgangspunt. Uitzondering hierop zijn de primair agrarische gebieden, die door de gemeente zijn vastgelegd. Binnen die gebieden, waartoe in ieder geval de vestigingsgebieden glastuinbouw behoren, worden (stedelijke) functies die de ruimte voor agrarische ontwikkeling beperken of functies die strijdig zijn met de landbouwfunctie geweerd. Buiten de primair agrarische gebieden ontwikkelen functies zich in evenwicht met elkaar en de omgeving. In de kernrandzones is een toenemende menging van wonen, voorzieningen en kleinschalige bedrijvigheid mogelijk. Rondom natuurgebieden vinden ontwikkelingen plaats op vrijkomende locaties die passen in een groene omgeving. Bestaande ontwikkelingsmogelijkheden van in het gebied voorkomende functies worden gerespecteerd.
Ontwikkelingen houden rekening met hun omgeving en dragen bij aan een versterking van de gebiedskwaliteiten. Dit geldt in het bijzonder voor ontwikkelingen binnen de Landschappen van Allure of cultuurhistorisch waardevol landschap. De planlocatie is gelegen in de kernrandzone van de kern Herpen. Er vindt een ontwikkeling plaats die enkel de vergroting van de bestemming betreft. Qua aard, schaal en functie blijft het passend in het landschap en de omgeving. 3.3.2 Verordening ruimte 2014 In de Verordening ruimte 2014 vertaalt de provincie Noord-Brabant de kaderstellende elementen uit haar beleid en rijksbeleid, waaronder het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. De Verordening ruimte 2014 geldt als vervanging van de Verordening ruimte 2012. In artikel 3 van de regels in de Verordening ruimte 2014 worden de algemene regels ten aanzien van het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit gegeven. In het algemeen houdt ruimtelijke kwaliteit in dat gebruikers van een gebied rekening houden met het karakter, de grootte en de functie ervan. De bevordering van de ruimtelijke kwaliteit is uiteengezet in drie artikelen: - Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling moet bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit.
Er moet in ieder geval sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing en zorgvuldig ruimtegebruik. Zorgvuldig ruimtegebruik is het gebruik van bestaande ruimte. Dit betekent dat gebruik gemaakt wordt van bestaande bouwpercelen en dat ontwikkelingen worden verantwoord middels de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Er moet ook rekening worden gehouden met de maat en schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving. - Kwaliteitsverbetering van het landschap Een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het gebied of de omgeving. De verbetering moet zijn financieel, juridisch en feitelijk zijn geborgd en passen in het ruimtelijk beleid. Er moet ook verantwoord worden hoe de regionale afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap worden nagekomen. - Afwijking in verband met maatwerk Bij ontwikkelingen van een groot openbaar belang kan worden afgeweken van provinciaal beleid. Nieuwvestiging is echter alleen mogelijk als aangetoond kan worden dat er geen mogelijkheden zijn voor vestiging. Deze algemene regels zijn van toepassing op zowel stedelijk, als landelijk gebied.
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 23 van 46 21 december 2016
De planlocatie is in de Verordening ruimte 2014 (geconsolideerde versie 01-01-2016) gelegen in ‘Gemengd landelijk gebied’ en ‘Zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, kern in landelijk gebied’. De gewenste ontwikkeling is mogelijk in dit gebied. In paragraaf 4.2.3 wordt ingegaan op hoe het initiatief bijdraagt aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. Ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied: In de Verordening ruimte 2014 worden voor het buitengebied regels gesteld met betrekking tot ruimtelijke ontwikkeling binnen de volgende structuren: -
de ecologische hoofdstructuur
-
de groenblauwe mantel
-
het gemengd landelijk gebied
Ten aanzien van voornoemde structuren is de locatie enkel gelegen in gemengd landelijk gebied. Gemengd landelijk gebied Dit artikel geeft twee mogelijke ontwikkellijnen aan om op te nemen in een bestemmingsplan in agrarisch gebied: een gemengde plattelandseconomie en een agrarische economie. Gemeenten houden bij het bepalen van het lokale beleid rekening met de aard van de economieën die in een bepaald gebied aanwezig zijn. Het artikel veronderstelt dat het bedoelde lokale beleid een ruimtelijke ontwikkelvisie op het agrarische gebied bevat, bij voorkeur gebaseerd op de gemeentelijke structuurvisie. De aanduiding van een gebied als gemengde plattelandseconomie impliceert meer ruimte voor niet-agrarische functies. Het gaat daarbij onder andere om het zoeken naar nieuwe economische dragers voor een vitaal platteland. Op delen van het gemengd landelijk gebied is een aanduiding zoekgebied stedelijke ontwikkeling of integratie stad-land gelegd. Indien toepassing wordt gegeven aan de mogelijkheden voor stedelijke ontwikkeling geldt deze bepaling niet. Binnen de structuur gemengd landelijk gebied worden kaders gegeven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er worden regels gesteld voor: -
beschrijving gemengd landelijk gebied
-
(vollegronds)teeltbedrijven
-
veehouderijen
-
afwijkende regels veehouderij
-
glastuinbouwbedrijven
-
overige agrarische bedrijven
-
wonen
-
ruimte-voor-ruimte
-
landgoederen
-
niet-agrarische functies
-
afwijkende regels voor agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch-verwante bedrijven
-
afwijkende regels voor mestbewerking
-
afwijkende regels recreatieve bedrijven
-
afwijkende regels voor horecabedrijven en maatschappelijke voorzieningen
-
afwijkende regels voor tuincentra
-
kleinschalige voorzieningen
-
watergebonden voorzieningen
-
lawaaisporten
-
wegen
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 24 van 46 21 december 2016
Naast de ligging in gemengd landelijk gebied, is de locatie ook gelegen in zoekgebied verstedelijking en een bebouwingsconcentratie. Het gaat daarbij om een bestaande woning waarvan enkel het bestemmingsvlak wordt vergroot. Hier zijn in de Verordening geen regels over gesteld. De Verordening ruimte 2014 kent verder meerdere gebiedsaanduidingen en/of aandachtsvelden die doorwerking dienen te krijgen in bestemmingsplannen. Hieronder wordt aangegeven hoe aan de voorwaarden van de aanduidingen wordt voldaan. Ecologische Hoofdstructuur Met betrekking tot de ecologische hoofdstructuur (EHS) zijn er, naast de ecologische hoofdstructuur zelf, twee aanduidingen opgenomen in de Verordening ruimte: -
ecologische verbindingszones;
-
attentiegebieden ecologische hoofdstructuur.
Onderhavige locatie is niet gelegen in de EHS en grenst niet aan delen van de EHS. Water Ten aanzien van water zijn in de Verordening ruimte wateraanduidingen opgenomen. Deze aanduidingen zijn: -
Regionale waterberging
-
Reservering waterberging
-
Waterwingebied
-
Grondwaterbeschermingsgebied
-
Aansluiting primaire waterkering
-
Rivierbed
-
Boringsvrije zone
-
Behoud en herstel van watersystemen
Onderhavige locatie is niet gelegen in en grenst niet aan de hierboven genoemde wateraanduidingen. Aardkunde en cultuurhistorie In de verordening stelt de provincie aanduidingen op ten aanzien van: -
aardkundig waardevolle gebieden;
-
cultuurhistorische vlakken;
-
de Nieuwe Hollandse Waterlinie;
-
complexen van cultuurhistorisch belang.
In het plangebied zijn geen onderdelen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie gelegen. De betreffende regels van de verordening vinden dan ook geen doorwerking in dit bestemmingsplan. Onderhavige locatie is niet gelegen in en grenst niet aan de hierboven genoemde gebieden. In de Verordening ruimte worden slechts de cultuurhistorische vlakken aangegeven. De beschrijving van de cultuurhistorische waarden en kenmerken binnen die vlakken is te vinden in de Cultuurhistorische Waardenkaart (2010) van de provincie Noord-Brabant. In de cultuurhistorische waardenkaart is de planlocatie gelegen in de regio Peelrand. Integratie stad – land Onder specifieke voorwaarden is stedelijke ontwikkeling mogelijk in gebieden met bijzondere landschappelijke kwaliteiten, de zogenoemde ‘gebieden integratie stad-land’. In deze gebieden kan stedelijke ontwikkeling plaatsvinden in samenhang met een groene en blauwe landschapsontwikkeling. Ontwikkeling van een middelzwaar of zwaar bedrijventerrein is nadrukkelijk uitgesloten.
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 25 van 46 21 december 2016
De voorwaarden waaronder stedelijke ontwikkeling mogelijk is, zijn: - de stedelijke ontwikkeling aansluit bij het bestaand stedelijk gebied of plaatsvindt in een nieuw cluster van stedelijke bebouwing - stedenbouwkundig en landschappelijk rekening houden met ruimtelijke kwaliteiten en structuren - de stedelijke ontwikkeling is in omvang en ruimtelijke kwaliteit evenredig met groene en blauwe landschapsontwikkeling Een bestemmingsplan dat ligt in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling kan voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen als het in een bebouwingsconcentratie ligt. Voorwaarden hiervoor zijn: - verzekeren van een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen - geen sprake van aanzet tot stedelijke ontwikkeling (zoals bedoeld in artikel 4) - geen inbreuk wordt gedaan aan de artikelen 6.8 en 7.8 (ruimte-voor-ruimte). De locatie is gelegen in zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling en een bebouwingsconcentratie. Het gaat daarbij enkel om het vergroten van het bestemmingsvlak en niet om de nieuwbouw van een woning. Hier zijn in de Verordening geen regels over gesteld. Regionaal bedrijventerrein Bestemmingsplannen kunnen ter plaatse van de aanduiding regionaal bedrijventerrein voorzien in bedrijfspercelen met een omvang groter dan 5000 m2. Dit is niet van toepassing op onderhavig initiatief.
Agrarische gebieden Bestemmingsplannen kunnen gebieden aanduiden als: - Beperkingen veehouderij - Vestigingsgebied glastuinbouw - Doorgroeigebied glastuinbouw - Teelt ondersteunende kassen - Teeltgebied Zundert - Maatwerk glastuinbouw Beperkingen veehouderij Voor de begrenzing van de gebieden met de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’ is aangesloten bij de grenzen van het extensiveringsgebied die op grond van de Reconstructiewet waren vastgesteld. De regels binnen het gebied Beperkingen veehouderij gelden in tegenstelling tot de extensiveringsgebieden voor alle veehouderijen. Ook binnen de melkrundveehouderij, die van oudsher als extensief werd aangemerkt, is een tendens waar te nemen naar toenemende intensivering. Doel van de aanduiding is om een verdere intensivering vanwege ontwikkelingen in de veehouderij in de aangeduide gebieden tegen te gaan. Binnen het gebied wordt een uitzondering gemaakt voor grondgebonden veehouderijen; de voorwaarden die hieraan worden gesteld zijn voor alle veehouderijen gelijk. Onderhavige locatie voorziet niet in de vestiging, omschakeling of uitbreiding van een veehouderij. Het betreft een burgerwoning.
Sanerings- en verplaatsingslocatie Een bestemmingsplan kan in gebieden ter plaatse van de aanduiding sanerings- en verplaatsingslocatie voorzien in een passende herbestemming op locaties waar de volgende regelingen zijn toegepast: - Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV) - Subsidieregeling Beëindiging Intensieve Veehouderijen (BIV) - Subsidieregeling sanering glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden (GTB) - Verplaatsingsregeling Intensieve veehouderij (VIV) Dit is niet van toepassing op onderhavig initiatief. Zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling Ter plaatse van de aanduiding zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling kan worden voorzien in stedelijke ontwikkeling. Het geldende bestemmingsplan dient te verantwoorden dat:
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 26 van 46 21 december 2016
-
de stedelijke ontwikkeling aansluit bij bestaand stedelijk gebied of plaatsvindt in een nieuw cluster van stedelijke bebouwing
-
bij stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting rekening wordt gehouden met de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten en structuren Een bestemmingsplan dat ligt in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling kan voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen als het in een bebouwingsconcentratie ligt. Voorwaarden hiervoor zijn: - verzekeren van een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen - geen sprake van aanzet tot stedelijke ontwikkeling (zoals bedoeld in artikel 4) - geen inbreuk wordt gedaan aan de artikelen 6.8 en 7.8 (ruimte-voor-ruimte). De locatie is gelegen in zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling en een bebouwingsconcentratie. Het gaat daarbij enkel om het vergroten van het bestemmingsvlak en niet om de nieuwbouw van een woning. Hier zijn in de Verordening geen regels over gesteld. Zoekgebied voor windturbines De ontwikkeling van windturbines is mogelijk binnen de aanduiding ‘zoekgebied voor windturbines’ als de ontwikkeling aansluit bij het karakter en de kwaliteit van het landschap in Noord-Brabant. Binnen de gemeente Oss zijn echter geen gebieden aangewezen als zoekgebieden voor windturbines. 3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015 De gemeente Oss heeft een omvangrijk buitengebied. In de afgelopen jaren zijn de buitengebieden van Oss, Lith en Geffen samengevoegd. Voor de afzonderlijke buitengebieden waren al structuurvisies opgesteld. Het is belangrijk dat de gemeente een integrale visie heeft op het totale buitengebied van de gemeente Oss. Deze visie is samengekomen in de ‘Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015’. Het plangebied van deze structuurvisie is het totale buitengebied van de gemeente Oss, met uitzondering van motorcrosscircuit Nieuw-Zevenbergen en vakantiepark Herperduin. De structuurvisie biedt de juridische basis voor financiële bijdragen bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de structuurvisie zijn doelstellingen opgenomen die moeten leiden tot een robuuste en duurzame ruimtelijke structuur voor een vitaal en multifunctioneel buitengebied.
Dit moet resulteren in: - Een vitaal buitengebied, waar een goed evenwicht is tussen alle aanwezige functies zoals landbouw, toerisme, recreatie, natuur, water en wonen - Een versterking van de ruimtelijke identiteit met aandacht voor verscheidenheid, ruimte en landelijkheid - Een versterking van de aanwezige landschapstypen: uiterwaarden, oeverwal, komgebied, dekzandrand en dekzandrug - Behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische structuren en elementen - Gebieden met blijvende ruimte en mogelijkheden voor (grondgebonden) landbouw, met name binnen het primaire agrarisch gebied - Voldoende afstand tussen slecht verenigbare functies zoals wonen en intensieve veehouderij - De instandhouding van de leefbaarheid door het zorgvuldig en afgewogen bieden van ruimte aan nieuwe economische dragers - Nieuwe impulsen voor toerisme en recreatie, met bijzondere aandacht voor versterking van de recreatie in de Maashorst en het Maasgebied en het ontwikkelen van aantrekkelijke uitloopgebieden met natuur en recreatie nabij de stad Oss en toeristisch-recreatieve verbindingen tussen kernen op afstand van de Maas en de Maasdijk - Het bieden van ruimte voor waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit De bovenstaande doelstellingen worden door vertaald naar een ontwikkelingsvisie per landschapstype.
We maken onderscheid tussen: - Uiterwaarden - Oeverwal - Komgebied
Ruimtelijke onderbouwing Oude Molenweg 31 Herpen, pag. 27 van 46 21 december 2016
-
Dekzandrand Dekzandrug Primair agrarisch gebied
Per landschapstype is een gebiedsbeschrijving, een ruimtelijke en een functionele visie opgenomen. Naast de visies per landschapstype zijn er ook ontwikkelingsvisies opgesteld per bebouwconcentratie. Per bebouwingsconcentratie is een beschrijving van de ruimtelijke situatie van het gebied gegeven, evenals een visie over landschappelijke kenmerken en de mogelijkheden voor ontwikkelingen en transformaties. We beschrijven in welke bebouwingsconcentraties de realisatie van nieuwe woningen ruimtelijk voorstelbaar is. Daarnaast geven we aan welke andere functies eventueel mogelijk zijn. Uitgangspunt is nieuwe burgerwoningen in het buitengebied niet gewenst zijn. In hoofdlijn zijn de mogelijkheden voor het bouwen van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied beperkt tot drie mogelijkheden: in de vorm van een stedelijke ontwikkeling binnen zoekgebied verstedelijking, in de vorm van een ruimte-voor-ruimte woning binnen een bebouwingsconcentratie, of met de regeling kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties binnen zoekgebied verstedelijking. Onderhavige locatie is gelegen binnen het landschapstype ‘Dekzandrand’. De dekzandrand is een intensief bewoond gebied; de kernen Oss, Berghem en Herpen liggen allen op de dekzandrand, net als de bebouwingsconcentraties Koolwijk, Gement en Duurenseind.
De dekzandranden kenmerken zich van oorsprong door een kleinschalige opbouw, met een half-open karakter. Rond de kernen en bebouwingsconcentraties liggen oude ontginningen met een onregelmatig verkavelingspatroon. De locatie is gelegen in de bebouwingsconcentratie Kernrand Herpen. Deze ligt als een schil om de kern Herpen heen en vormt de overgang tussen de bebouwde kom van Herpen en het buitengebied. Het gebied kent hierdoor ook meerdere soorten functies. In de Kernrand Herpen bevinden zich agrarische bedrijven, enkele niet-agrarische bedrijven en vooral woningen. De bebouwingsconcentratie kernrand Herpen ligt in het kampenlandschap op een dekzandrug. Dit landschap heeft een halfopen karakter. De akkers die ontgonnen werden vanuit de kern, werden begrensd met houtsingels. Tegenwoordig is nog goed zichtbaar hoe vanuit de kern Herpen diverse wegen het buitengebied in lopen en de akkercomplexen begrenzen. Op sommige plekken is er sprake van een rommelig landschap. De visie in het gebied is dan ook het tegengaan van verrommeling en het versterken van de zichtlijnen om de functie van overgangsgebied tussen buitengebied en kern op een kwalitatieve manier te handhaven. De nog zichtbare elementen van de oude historische verkavelingsstructuur kunnen behouden worden, door de oude akkercomplexen open te laten en de oude wegen- en padenstructuur vanuit het dorp in stand te houden.