Bijlage 2A Toelichting - bijlage 15 Ossestraat 13 Macharen
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN Buitengebied Oss - 2020 Bijlagen bij toelichting
Bijlage 15 - ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13, Macharen
Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 1 van 44 28 februari 2018
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 2 van 44 28 februari 2018
Gemeente Oss, 19 februari 2018
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 3 van 44 28 februari 2018
INHOUDSOPGAVE Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1
Inleiding ............................................................................................................. 7
1.1
Aanleiding ............................................................................................................... 7
1.2
Begrenzing plangebied ............................................................................................ 7
1.3
Vigerend bestemmingsplan ............................................................................................... 7
Hoofdstuk 2
Bestaande situatie en programma ............................................................................ 9
2.1
Bestaande situatie ........................................................................................................... 9
2.2
Beoogde situatie ........................................................................................................... 11
2.3
Stedenbouwkundige karakteristiek .................................................................................... 12
2.4
Functionele karakteristiek ............................................................................................... 13
2.5
Groen en water ............................................................................................................. 13
2.6
Beeldkwaliteit ............................................................................................................... 14
Hoofdstuk 3
Beleidskader ..................................................................................................... 15
3.1
Wettelijk kader .............................................................................................................. 15
3.2
Rijksbeleid ................................................................................................................... 16
3.3
Provinciaal beleid .......................................................................................................... 18
3.4
Gemeentelijk beleid ....................................................................................................... 27
Hoofdstuk 4
Verantwoording ................................................................................................. 33
4.1
Milieu- en omgevingsaspecten ......................................................................................... 33
4.3
Waarden ...................................................................................................................... 39
4.3.4
Defensie .................................................................................................................. 43
4.3.5
Milieueffectrapportage (M.e.r.) ...................................................................................... 43
Hoofdstuk 5
Haalbaarheid ..................................................................................................... 44
5.1
Economische uitvoerbaarheid .......................................................................................... 44
5.2
Inspraak en vooroverleg ................................................................................................. 44
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 4 van 44 28 februari 2018
BIJLAGEN BIJLAGE 1: ONDERZOEK GEUR VEEHOUDERIJEN BIJLAGE 2: BEOORDELING GEUR INDUSTRIËEL BIJLAGE 3: ECOLOGISCHE QUICKSCAN
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 5 van 44 28 februari 2018
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 6 van 44 28 februari 2018
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 7 van 44 28 februari 2018
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Aan de Ossestraat 13-15 in Macharen is roeivereniging AROSS gevestigd. De roeivereniging is voornemens om het bestaande clubgebouw uit te breiden met een trainingsruimte. Deze trainingsruimte is nodig zodat ook bij slechts weeromstandigheden kan worden gesport. Het betreft een uitbreiding van 99 m² aan de westzijde van het clubgebouw. Om de uitbreiding mogelijk te maken dient aangetoond te worden dat met het plan sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing toont de goede ruimtelijke ordening aan. 1.2
Begrenzing plangebied
Het plangebied wordt gevormd door het perceel kadastraal bekend gemeente Oss, sectie O, nummers 78 en 79. In figuur 1 is links een luchtfoto met begrenzing van het plangebied weergegeven en rechts de kadastrale situatie ter plaatse van het plangebied.
Figuur 1. Luchtfoto en kadastrale situatie plangebied
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Voor onderhavig plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2010’. In dit plan zijn voor het plangebied de volgende relevante bestemmingen/aanduidingen opgenomen: Enkelbestemming: Sport Dubbelbestemming: Waterstaat - Waterkering Functieaanduiding: specifieke vorm van sport – kano en roeivereniging Gebiedsaanduiding: geluidzone - industrie Inmiddels is de gemeente bezig met een nieuwe bestemmingsplan voor het gehele buitengebied van Oss, namelijk ‘Buitengebied Oss – 2017’. Hiervan heeft het voorontwerp al ter inzage gelegen. In dit plan zijn voor het plangebied de volgende relevante bestemmingen/aanduidingen opgenomen: Enkelbestemming: Sport Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie verwachtingswaarde hoog Gebiedsaanduiding: overige zone – beperking veehouderij Gebiedsaanduiding: overige zone – oeverwal Gebiedsaanduiding: overige zone – komgebied Gebiedsaanduiding: geluidzone – industrie
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 8 van 44 28 februari 2018
In figuur 2 is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2010’ en voorontwerp-bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2017’ opgenomen.
Figuur 2. Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Oss - 2010' en voorontwerp-bestemmingsplan 'Buitengebied Oss - 2017'
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 9 van 44 28 februari 2018
Hoofdstuk 2
Bestaande situatie en programma
2.1 Bestaande situatie Het plangebied is gelegen aan de Ossestraat 13-15, op de grens van Oss- Macharen. Roeivereniging Aross vormt samen met de Maaslandse Kanovereniging al jaren de plek aan de Ossestraat voor liefhebbers van deze sport. De roeivereniging beschikt over een clubgebouw met een terras aan het water. Het clubgebouw ligt op een kunstmatig aangelegde verhoging van circa 1,2-1,5 meter. Daarnaast beschikt de roeivereniging over een gebouw waar de boten opgeslagen worden en een kleinschalige ruimte is ingericht als trainingsruimte. De roeivereniging is met haar steiger gelegen aan het kanaal, vanwaar in noordelijke richting de Maas bereikt kan worden. Ten zuiden van de roeivereniging is de kanovereniging gevestigd die voor het slalomparcour gebruikt maakt van de Hertogswetering.
fitnessruimte
clubgebouw clubgebouw terras terras
Botenloods Opslag materialen
kanovereniging Kanovereniging
Figuur 3. Luchtfoto bestaande situatie Figuur 3. Overzicht plangebied
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 10 van 44 28 februari 2018
Figuur 4. Plattegrond en aanzicht huidig clubgebouw
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 11 van 44 28 februari 2018
2.2
Beoogde situatie
De roeivereniging is voornemens om aan de westzijde van het clubgebouw een uitbreiding te realiseren. Het betreft een uitbreiding van 15 x 6,6 meter = 99 m². De nieuwe ruimte is onder andere nodig omdat de huidige fitnessruimte (die zich momenteel in de botenloods begeeft) te klein is. De nieuw te realiseren ruimte zal zo goed als geheel worden ingericht als nieuwe (ruimere) fitnessruimte voor eigen leden.
Figuur 5. Situering beoogde nieuwbouw
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 12 van 44 28 februari 2018
Figuur 6. Plattegrond en aanzicht clubgebouw inclusief beoogde aanbouw
2.3
Stedenbouwkundige karakteristiek
De uitbreiding zal ten westen van het clubgebouw plaats vinden. Voor deze locatie is gekozen omdat op deze manier de zichtlijn vanaf de Ossestraat richting het kanaal behouden blijft. Plaatsing van de uitbouw ten zuiden van het clubgebouw zou deze zichtlijn wegnemen, wat stedenbouwkundig en landschappelijk op weerstand stuit. Daarnaast is ten noorden van het clubgebouw een dichte groenstrook aanwezig, die de huidige bebouwing, komend vanaf het noorden van de Ossestraat, landschappelijk inpast. Deze groenstrook blijft
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 13 van 44 28 februari 2018
behouden na de beoogde uitbreiding aan de westzijde, waardoor de uitbreiding uit het zicht van de omgeving kan worden gerealiseerd. Qua bouwhoogte en materiaalgebruik zal de uitbreiding aansluiten bij het clubgebouw. De uitbreiding bestaat uit één bouwlaag met een lage kap (zie figuur 6). Daarnaast is op het voorterrein voldoende ruimte om te voorzien in de eigen parkeerbehoefte. 2.4
Functionele karakteristiek
Het initiatief bestaat uit een geringe uitbreiding ten behoeve van een trainingsruimte voor leden van de roeivereniging. Momenteel zit er in de loods een beperkte ruimte die is ingericht als trainingsruimte. De beoogde ontwikkeling heeft geen gevolgen voor omliggende functies en past bij de bestaande functies binnen het plangebied en haar omgeving.
2.5
Groen en water
De roeivereniging wil, als tegenprestatie voor de uitbreiding van het clubgebouw, een landschappelijke kwaliteitsbijdrage leveren. Op basis van de toegepaste meerwaardemethode, dient de kwaliteitsverbetering een bedrag van € 990,00 te vertegenwoordigen. Aangezien het terrein van de roeivereniging reeds behoorlijk landschappelijk ingepast is, is met gemeente gezocht naar alternatieve aanvullende maatregelen. Dit komt neer op het volgende (zie figuur 7): - aanleg van een ooievaarsnest; - een groene inpassing rondom de beoogde nieuwbouw. Hiervoor wordt aan de noordzijde van het clubgebouw enkele elzenbomen geplaatst, parallel aan de erfgrens. Verder naar het westen, in dezelfde lijn als de elzen, zullen enkele veldesdoorns worden geplaatst. De spar naast het clubhuis (niet inheems) wordt verwijderd; - uitbaggeren van de reeds op de terrein aanwezige kikkerpoel.
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 14 van 44 28 februari 2018
De volgende kostenberekening is gemaakt op basis van het beoogde plan voor kwaliteitsverbetering: Onderhoud bossingel 650 m2 x 71,90/100 Onderhoud kleine bosjes 250 m2 x 28,80/100 baggeren kikkerpoel 2 x 180 klein onderhoud kikkerpoel aanschaf ooievaarsnest nieuwe beplanting rond aanbouw 5 x 100 Totaal
= € 460 = € 70 = € 360 = € 40 = € 100 = € 500 + = € 1530
Er wordt hiermee ruimschoots voldaan aan de berekende investering in kwaliteitsverbetering van € 990.
2.6
Beeldkwaliteit
U hoeft niets te doen, de gemeente vult deze paragraaf in. .
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 15 van 44 28 februari 2018
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Wettelijk kader
3.1.1 Wet ruimtelijke ordening Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. De hoofdlijnen van de nieuwe wet zijn samengevat: - Decentraal wat kan en centraal wat moet: rijk en provincie moeten en mogen niet meer regelen dan wat de taak van deze overheden direct met zich brengt; - Rijk, provincie en gemeente hebben gelijke instrumenten en kunnen die inzetten voor de eigen taken op het gebied van de ruimtelijke ordening: structuurvisie, bestemmingsplan en projectafwijkingsbesluit; - Rijk en provincie kunnen zaken voor gemeente dwingend voorschrijven via een verordening en via een aanwijzing; - Er is een strikte scheiding tussen beleid en bestemmingsplan; beleidsdocumenten hebben geen directe juridische werking meer; - De goedkeuring van de provincie op bestemmingsplannen is vervallen; - De gemeente moet meer werk maken van de herziening van bestemmingsplannen: o Er komt een sanctie op verouderde bestemmingsplannen: geen legesheffing meer mogelijk; o Voor de realisering van projecten kan een projectafwijkingsbesluit genomen worden; - Voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen spelen kan de gemeente kiezen om een beheersverordening te maken in plaats van een bestemmingsplan; - Er is een drempel voor planschade van 2%; - De mogelijkheid van kostenverhaal bij grondexploitatie is verbeterd; - Bestemmingsplannen moeten analoog en digitaal worden gemaakt.
3.1.2 Grondexploitatiewet Tegelijk met de Wet ruimtelijke Ordening is de nieuwe Grondexploitatiewet (Grex-wet) in werking getreden. De grondexploitatiewet is als paragraaf 6.4 in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening opgenomen. De Grex-wet is noodzakelijk omdat eerdere wettelijke instrumenten voor kostenverhaal, te weten de exploitatieverordening en de baatbelasting, niet toereikend bleken. Doelstelling van de nieuwe wet is een goede regeling voor kostenverhaal, binnenplanse verevening en enkele locatie-eisen bij particuliere grondexploitatie. Onder de Grex-wet is kostenverhaal mogelijk via het privaatrechtelijke spoor (door middel van een vrijwillige samenwerkingsovereenkomst) en door middel van het publiekrechtelijke spoor. Eén van de belangrijkste vernieuwingen die de wet brengt, is het verplichtende karakter van kostenverhaal. Privaatrechtelijke afspraken hebben de voorkeur. Maar als een gemeente er niet in geslaagd is met alle particuliere eigenaren in een gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie moet de gemeente publiekrechtelijk kosten verhalen bij partijen waarmee geen contract is gesloten. Dit publiekrechtelijke verhaal gaat door middel van een exploitatieplan, waarvan de totstandkoming gelijk op moet lopen met een bestemmingsplan. De verplichting tot een publiekrechtelijke regeling is gekoppeld aan twee voorwaarden: 1.
In de eerste plaats is een ruimtelijk besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening nodig. Het publiekrechtelijk instrumentarium is alleen van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijziging van een bestemmingsplan, of een projectafwijkingsbesluit. 2. De tweede voorwaarde is dat het ruimtelijk besluit voorziet in nieuwbouw of in belangrijke en omvangrijke verbouwplannen met functiewijzigingen. De bouwplannen waar het om gaat zijn in het Besluit ruimtelijke ordening aangewezen. De uitbreiding van het clubgebouw met 99 m2 is geen bouwplan volgens de grondexploitatiewet. De grondexploitatiewet is dus niet van toepassing op dit initiatief. Wel zal er een overeenkomst tussen
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 16 van 44 28 februari 2018
gemeente en initiatiefnemers worden gesloten om de plankosten en andere eisen, voorwaarden en planschade te regelen. 3.1.3 Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg, aangenomen in 2006, is het doel van het in 1992 gesloten Verdrag van Valletta (Malta) verwerkt: bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Met de wet wordt het Verdrag van Valletta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk worden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de gemeente rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. 3.1.5 Wet natuurbescherming Ter bescherming van ecologische waarden moet er bij ruimtelijke ingrepen een afweging worden gemaakt in het kader van de Wet Natuurbescherming. Deze wet heeft de Boswet, de natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet vervangen. De wet geeft regels ten aanzien van beschermde natuurgebieden en dier- en plantensoorten. Het plangebied is niet in de buurt van een natuurgebied gelegen.
De beoogde ruimtelijke ontwikkeling is bovendien van dien aard en omvang dat dit geen negatieve gevolgen heeft voor beschermde natuurgebieden. 3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Ruimte de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De visie stelt het (integrale) kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau in Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: - Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland. (concurrerend) - Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. (bereikbaar) - Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke cultuurhistorische waarden behouden zijn. (leefbaar en veilig) De SVIR vervangt onder meer de volgende nota’s: - de Nota Ruimte; - de Structuurvisie Randstad 2040; - de Nota Mobiliteit; - de MobiliteitsAanpak; - de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Verder vervallen met de SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken uit de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta.
Oplossingsrichtingen Verstedelijkings- en landschapsbeleid wordt overgelaten aan gemeenten en provincies. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei geënt op het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol.
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 17 van 44 28 februari 2018
Bij gebiedsontwikkelingen moet de daadwerkelijke vraag van bewoners, bedrijven en organisaties leidend worden. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en, mocht nieuwbouw echt nodig zijn, altijd zorgen voor een optimale (multimodale) bereikbaarheid. Bij het verbeteren van de bereikbaarheid wordt sterk gelet op het samenspel tussen alle modaliteiten (weg, spoor, water) in samenhang met ruimtelijke ontwikkeling. Er moet innovatief worden omgegaan met de benutting van de infrastructuur. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op dertien nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaat boeken. Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De 13 nationale belangen zijn: Vergroten van de concurrentiekracht van Nederland 1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren. 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie. 3.
Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen. 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond. Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid. 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen. 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem. 7. Het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen. Waarborgen kwaliteit leefomgeving 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. 12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. Overkoepelend 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Indien nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening dat vergen, kan de minister regels stellen aan de inhoud van bestemmingsplannen. Dit heeft de minister, in de vorm van een algemene maatregel van bestuur, gedaan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 december 2011 is dit besluit in werking getreden. Het kabinet heeft in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld dat voor een aantal onderwerpen verdere regels gesteld moeten worden. In het Barro komen dertien nationale belangen als titels terug. De volgende kunnen relevant zijn voor ruimtelijke plannen in de gemeente Oss: - Rijksvaarwegen - Grote rivieren - Defensie - Hoofdwegen en hoofdspoorwegen - Elektriciteitsvoorziening - Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 18 van 44 28 februari 2018
-
Ecologische hoofdstructuur Primaire waterkeringen buiten het kustfundament
De regels in het besluit zijn concreet normstellend benoemd en moeten direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. De indirecte doorwerking komt enkel bij de Ecologische Hoofdstructuur en de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden voor. Het Barro voorziet verder in een hoofdstuk overige bepalingen en gaat gepaard met meerdere bijlagen. In deze bijlagen worden onder andere de belangen van de grote rivieren en defensie geografisch begrensd. Bij het opstellen van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van het Barro. Voor de gemeente Oss zijn met name de titels met betrekking tot de rijksvaarwegen, de grote rivieren, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en defensie (rechtstreeks) van belang. De regels in titel 2.4 Grote rivieren vormen feitelijk de doorwerking van de Beleidsregels Grote rivieren. Ten aanzien van titel 2.6 Defensie wordt de enige mogelijke beperking gevormd door de bescherming van het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd.
De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen (Bro, artikel 3.1.d). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van ruimte in stedelijke gebieden. Overheden dienen nieuwe stedelijke ontwikkeling te motiveren met de drie opeenvolgende stappen: a) er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte (trede 1); b) indien uit de beschrijving, bedoeld onder a, blijkt dat van een actuele regionale behoefte sprake is, dan wordt beschreven in hoeverre in die behoefte kan worden voorzien in bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins (trede 2); c) blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio plaats kan vinden, dan wordt beschreven in hoeverre in die behoefte wordt voorzien op locaties die, gebruik makend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld (trede 3) Voorliggende ruimtelijke onderbouwing richt zich niet op een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Derhalve is de toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde. 3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – partiële herziening 2014 Op 19 maart 2014 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 vastgesteld. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. Met deze structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijke beleid tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten die de Wet ruimtelijke ordening biedt inzet. Naast de Structuurvisie stelt de provincie een verordening ruimte op. In deze verordening vertaalt de provincie de kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Aanvullend zijn ook gebiedspaspoorten opgesteld. Deze vormen een uitwerking van de visie en bevatten de landschapskenmerken die bepalend zijn voor de kwaliteit van een gebied of een landschapstype en hoe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan het behoud en versterking daarvan.
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 19 van 44 28 februari 2018
De provincie kiest met de structuurvisie voor een duurzame ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie af komen. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. Provinciale belangen en ruimtelijke keuzes De provincie wil sturen op ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke keuzes geven inhoud aan het streven naar ruimtelijke kwaliteit en zijn van provinciaal belang. De belangrijkste keuzes voor de gemeente Oss zijn: - Regionale contrasten De provincie wil de contrasten tussen klei, zand en veenontginningen versterken. - Een multifunctioneel landelijk gebied De provincie kiest voor een integrale aanpak. Waar de landbouw de drager van het landschap is wordt ruimte gegeven aan optimale en duurzame ontwikkeling van de aanwezige landbouwsector. In de jonge rivierkleigebieden moet de agrarische functie (rundveehouderij) behouden blijven. Op de oeverwallen langs de rivieren wordt ruimte geboden voor menging van landbouw, natuur, landschap, recreatie, wonen, werken en zorg. Dit is van belang voor de plattelandseconomie. - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem Het patroon van beken en kreken moet beter beleefbaar worden. De ecologische hoofdstructuur wordt versterkt door het natuursysteem nog beter aan het watersysteem te koppelen.
- Een betere waterveiligheid door preventie Gestreefd wordt naar vergroting van de watervoerende capaciteit van het rivierbed in combinatie met het concept van de doorbraakvrije dijk. - Concentratie van verstedelijking Brabant heeft de ambitie zich te ontwikkelen tot een top kennis- en innovatieregio op Europees niveau. De provincie vindt het daarom belangrijk dat er verschil blijft tussen de steden en de kernen in het landelijk gebied, de zogenaamde mozaïekstructuur. - Sterk stedelijk netwerk De provincie wil een sterk stedelijk netwerk van Brabantse steden. Goede bereikbaarheid tussen de steden onderling en andere omliggende stedelijke netwerken is belangrijk. - Groene geledingszones tussen steden De provincie zet in op behoud en ontwikkeling van groene geledingszones tussen de stedelijke kernen. - Gedifferentieerd aanbod goed bereikbare vrijetijdsvoorzieningen Een kwalitatief goede vrijetijdsbesteding is een belangrijke voorwaarde voor het realiseren van een goed leef-, werk- en vestigingsklimaat. Belangrijk aandachtspunt daarbij is dat er een breed aanbod aan vrijetijdsvoorzieningen is met een goede toegankelijkheid en bereikbaarheid.
Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. De hoofdregel is dat ontwikkelruimte dient bij te dragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan vasthouden aan wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe kwaliteiten. De zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit bepaalt dat: - er zorgvuldig wordt omgegaan met het ruimtegebruik; - er rekening wordt houden met de omgeving; - de ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Dit principe is van toepassing op zowel het stedelijk als het landelijk gebied en wordt uitgewerkt in de Verordening ruimte 2014. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toepassen. Nieuw ruimtebeslag moet zoveel mogelijk voorkomen worden. In eerste instantie krijgen initiatieven een plek binnen bestaand bebouwd gebied. Pas als hier geen mogelijkheden zijn of de kwaliteiten van de geplande ontwikkeling hier niet bij passen, wordt er in de omgeving gezocht naar de best mogelijke plek. Naast zuinig ruimtegebruik richt de provincie zich ook op herstructurering en hergebruik van verouderde locaties in het stedelijk gebied en op sanering van ongewenste functies in het buitengebied.
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 20 van 44 28 februari 2018
Rekening houden met de omgeving Gebiedskenmerken en omliggende waarden, gebaseerd op de lagenbenadering, zijn leidend bij de vraag “waar” en “hoe” de nieuwe ruimte wordt aangesneden. De ruimtelijke onderbouwing van een ontwikkeling geeft aan hoe is omgegaan met de ambities zoals verwoord in de structuren en in de gebiedspaspoorten. Hierbij wordt een relatie gelegd tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de gebiedskenmerken van de plek. Kwaliteitsverbetering van het landschap Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken. Dit uitgangspunt geldt voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied én buiten de ecologische hoofdstructuur en maakt de principes van ontwikkelingsplanologie toepasbaar. Concreet betekent dit dat passende functies zich kunnen ontwikkelen als er ook een prestatie voor het landschap tegenover staat. Daardoor wordt aantasting van de basiskwaliteit (bodem, water) en verlies aan ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden voorkomen. Ontwikkelingen die passen bij de aard, schaal en functie van het landelijk gebied, zoals agrarische en recreatieve ontwikkelingen en kleinschalige dienstverlening zijn mogelijk. Ook de ontwikkeling van andere (rode) functies is onder voorwaarden mogelijk.
De ruimtelijke onderbouwing van een besluit geeft aan welke bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en hoe dit is geborgd. In principe gaat de provincie uit van de realisering van een fysieke prestatie op de projectlocatie en/of de directe projectomgeving. Indien dat niet mogelijk is, is de vorming van gemeentelijk of regionaal landschapsfonds een optie. Structuren: ambitie, beleid en uitvoering De structuren geven een hoofdkoers aan, een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De volgende vier structuren worden onderscheiden. - De groenblauwe structuur - Het landelijk gebied - De stedelijke structuur - De infrastructuur
Figuur 8: Structurenkaart
De groenblauwe structuur Deze omvat de samenhangende gebieden in Noord-Brabant waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. Niet alleen in, maar ook buiten de natuurgebieden. Er is ruimte voor de ontwikkeling van een natuurlijk en robuust watersysteem. Het vormt de groenblauwe ruggengraat van het landschap en is van belang voor een goede, aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving in Noord-Brabant. Binnen deze groenblauwe structuur wil de provincie het volgende bereiken: 1. Positieve ontwikkeling van de biodiversiteit, natuur- en watersystemen zijn beschermd en worden verbeterd door een goede onderlinge verbinding; 2. Een robuuste en veerkrachtige structuur. 3. De natuurlijke basis en landschappelijke contrasten versterken. Versterken van de identiteit van de landschappen;
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 21 van 44 28 februari 2018
4. Gebruikswaarde van natuur en water verbeteren. De gebieden in de groenblauwe structuur zijn belangrijk voor recreatie en toerisme. In de groenblauwe structuur worden drie perspectieven onderscheiden: - Het kerngebied groenblauw Natuurgebieden in de ecologische hoofdstructuur, robuuste ecologische verbindingszones en belangrijke waterstructuren horen in dit perspectief. De hoofdfunctie is behoud en ontwikkeling van het natuur- en watersysteem. - De groenblauwe mantel Overwegend gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfunctie voor natuur en water. Gebieden grenzend aan het kerngebied die bijdragen aan de bescherming van de waarden. Het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, water(-beheer) en landschap is in de groenblauwe mantel een belangrijke opgave. Vormen van grondgebonden agrarisch gebruik zijn van blijvend belang voor de ontwikkeling van groene en blauwe waarden. Verder liggen er kansen voor recreatie en toerisme. - De gebieden voor waterberging Deze gebieden zijn van belang voor hoogwaterbescherming (ruimte voor de rivier) en waterberging (regionale waterberging). Het landelijk gebied Het landelijk gebied omvat het gebied buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur zoals steden, dorpen en bedrijventerreinen. Het gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte. Naast landen tuinbouw is er ruimte voor niet-agrarische functies.
Binnen het landelijk gebied wil de provincie het volgende bereiken: 1. Ruimte voor een breed georiënteerde plattelandseconomie; 2. Ruimte voor duurzame agrarische ontwikkeling; 3. Versterking van het landschap. Er worden binnen het landelijk gebied twee perspectieven onderscheiden: Gemengd landelijk gebied De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. Binnen dit gebied wordt de agrarische functie vaak in samenhang met andere functies (in de omgeving) uitgeoefend. Hier kan worden voldaan aan de vraag naar kleinschalige stedelijke voorzieningen, recreatie en ondernemingen in een groene setting. Daarnaast wil de provincie ook dat er ruimte beschikbaar blijft om de agrarische productiestructuur te behouden en te versterken. Dat betekent dat (stedelijke) functies die ten koste gaan van de ruimte voor agrarisch gebruik of die strijdig zijn met de landbouw in die gebieden geweerd worden. Hierdoor blijft er ruimte gereserveerd voor agrarische ontwikkelingen. De provincie vraagt aan gemeenten om deze gebieden vast te leggen en te beschermen. De landbouwontwikkelingsgebieden en de vestigingsgebieden glastuinbouw beschouwt de provincie in ieder geval als primair agrarisch gebied. Ook delen van het verwevingsgebied richten zich vaak primair op agrarische ontwikkeling.
Accentgebied agrarische ontwikkeling Binnen deze gebieden ziet de provincie ruimte en kansen om de agrarische productiestructuur te verduurzamen en te versterken. Op de structurenkaart zijn vanuit een regionaal schaalniveau vier accentgebieden agrarische ontwikkeling aangeduid. De komgebieden van de gemeente Lith maken hiervan deel uit. Hier liggen mogelijkheden voor schaalvergroting en intensivering van de landbouw. Transitie naar een zorgvuldige veehouderij De wens tot verduurzaming van de agrarische sector heeft geleid tot de denklijn ‘Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd’. De denklijn bestaat uit drie uitgangspunten: - ontwikkelruimte is alleen mogelijk als dit op bedrijfsniveau bijdraagt aan een verdere verduurzaming door het treffen van extra maatregelen; - de som van het effect van alle bedrijven in een gebied kan de draagkracht van een gebied te boven gaan;
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 22 van 44 28 februari 2018
-
door het bieden van een economisch perspectief aan de landbouw en agrofood door meer toegevoegde waarde van het product, transparantie en nieuwe verdienmodellen. De ontwikkeling van de agrarische sector is gericht op inpassing in het landschap en een transitie naar duurzame en zorgvuldige veehouderij. De stedelijke structuur De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. Binnen de stedelijke structuur heeft de provincie de volgende doelen: 1. Concentratie van verstedelijking 2. Inspelen op demografische ontwikkelingen 3. Zorgvuldig ruimtegebruik 4. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit 5. Betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur 6. Versterking van de economische clusters Er worden binnen de stedelijke structuur twee perspectieven onderscheiden: - Stedelijk concentratiegebied In het stedelijk concentratiegebied met de bijhorende zoekgebieden voor verstedelijking wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgave opgevangen. De groene ruimten tussen de steden worden open gehouden. - Kernen in landelijk gebied De kernen in het landelijk gebied worden zo veel mogelijk ontzien van verdere verstedelijking doordat daar alleen de opvang van de eigen verstedelijkingsbehoefte wordt opgevangen (migratiesaldo-nul).
De beoogde ruimtelijke ontwikkeling betreft een geringe ruimtelijke ingreep gelieerd aan de reeds aanwezige en passende functie binnen de groenblauwe mantek. De structuurvisie richt zich niet op dergelijke kleine ingrepen. De Structuurvisie vindt zijn doorwerking in de Verordening ruimte 2014. Een toetsing aan de relevante regelingen vindt dan ook plaats in paragraaf 3.3.2. 3.3.2 Verordening ruimte 2014 In de Verordening ruimte 2014 vertaalt de provincie Noord-Brabant de kaderstellende elementen uit haar beleid en rijksbeleid, waaronder het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. De Verordening ruimte 2014 geldt als vervanging van de Verordening ruimte 2012. In artikel 3 van de regels in de Verordening ruimte 2014 worden de algemene regels ten aanzien van het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit gegeven. In het algemeen houdt ruimtelijke kwaliteit in dat gebruikers van een gebied rekening houden met het karakter, de grootte en de functie ervan. De bevordering van de ruimtelijke kwaliteit is uiteengezet in drie artikelen: - Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling moet bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit.
Er moet in ieder geval sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing en zorgvuldig ruimtegebruik. Zorgvuldig ruimtegebruik is het gebruik van bestaande ruimte. Dit betekent dat gebruik gemaakt wordt van bestaande bouwpercelen en dat ontwikkelingen worden verantwoord middels de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Er moet ook rekening worden gehouden met de maat en schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving. - Kwaliteitsverbetering van het landschap Een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het gebied of de omgeving. De verbetering moet zijn financieel, juridisch en feitelijk zijn geborgd en passen in het ruimtelijk beleid. Er moet ook verantwoord worden hoe de regionale afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap worden nagekomen. - Afwijking in verband met maatwerk Bij ontwikkelingen van een groot openbaar belang kan worden afgeweken van provinciaal beleid. Nieuwvestiging is echter alleen mogelijk als aangetoond kan worden dat er geen mogelijkheden zijn voor vestiging.
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 23 van 44 28 februari 2018
Deze algemene regels zijn van toepassing op zowel stedelijk, als landelijk gebied. Ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied: In de Verordening ruimte 2014 worden voor het buitengebied regels gesteld met betrekking tot ruimtelijke ontwikkeling binnen de volgende structuren: het Natuur Netwerk Brabant de groenblauwe mantel het gemengd landelijk gebied Het plangebied is gelegen binnen de structuur ‘groenblauwe mantel’ en de aanduiding ‘cultuurhistorisch vlak’.
Figuur 9. Uitsnede kaartlaag 'Natuur en landschap (links) en 'Cultuurhistorie' (rechts), Verordening ruimte 2014
De groenblauwe mantel De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw uit de Structuurvisie RO (in deze verordening: de ecologische hoofdstructuur) en het landelijk gebied, alsook het stedelijk gebied. De mantel beschermt het kerngebied groenblauw en zorgt voor verbinding met het omliggende gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Binnen de groenblauwe mantel hanteert de provincie een 'ja, mits' benadering. De 'mits' is daarbij vooral gericht op de voorwaarde dat een ontwikkeling een positieve bijdrage levert aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken in het gebied. Deze voorwaarde wordt in het algemeen aan ontwikkelingen binnen de groenblauwe mantel gesteld en geeft daarmee verplichte invulling van de verplichte verbetering van de kwaliteit van het landschap zoals opgenomen in artikel 3.2. Binnen de structuur groenblauwe mantel worden kaders gegeven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er worden regels gesteld voor: - bescherming groenblauwe mantel - teeltbedrijven - veehouderijen - afwijkende regels veehouderij - glastuinbouwbedrijven - overige agrarische bedrijven - wonen - ruimte-voor-ruimte
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 24 van 44 28 februari 2018
-
landgoederen niet-agrarische functies afwijkende regels recreatiebedrijven afwijkende regels voor horecabedrijven en maatschappelijke voorzieningen afwijkende regels voor tuincentra kleinschalige voorzieningen watergebonden voorzieningen lawaaisporten wegen
De mogelijkheden die in dit bestemmingsplan voor niet-agrarische ontwikkelingen geboden worden dienen te passen binnen de kaders van de verordening. Op basis van artikel 6.10 (Niet-agrarische functies) , tweede lid, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel voorzien in een uitbreiding van een bestaande niet-agrarische functie, mits blijkt dat voldaan wordt aan de bepalingen uit artikel 6.10, lid 1: a. de totale omvang van het bouwperceel van de beoogde ontwikkeling ten hoogste 5.000 2 m bedraagt; De omvang van het bouwperceel blijft ruimschoots onder 5.000m2; b. de ontwikkeling onder toepassing van artikel 6.1, eerste lid (bescherming groenblauwe mantel), gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken; Het gaat om een relatief geringe uitbreiding. Het terrein en de aanwezige bebouwing zijn reeds fors landschappelijk ingepast. De aanwezige landschapselementen worden met de uitbreiding ontzien. In ruil voor de beoogde uitbreiding zal een landschappelijke investering worden gerealiseerd welke een waarde vertegenwoordigt van € 999. c. is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt; Niet van toepassing, er is géén sprake van overtollige bebouwing; d.
de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger; Niet van toepassing; e. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot twee of meer zelfstandige bedrijven; Niet van toepassing; f. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie; Niet van toepassing; g. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot al dan niet zelfstandige detailhandelsvoorziening met een 2 verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200 m ; Niet van toepassing; h. is aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling ook op langere termijn past binnen de op grond van deze verordening toegestane omvang; De beoogde ontwikkeling stuit niet op bezwaren op basis van lange termijn visies; i. de beoogde activiteit niet leidt tot een grootschalige ontwikkeling. Niet van toepassing. Ecologische Hoofdstructuur Met betrekking tot de ecologische hoofdstructuur (EHS) zijn er, naast de ecologische hoofdstructuur zelf, twee aanduidingen opgenomen in de Verordening ruimte: - ecologische verbindingszones; - attentiegebieden ecologische hoofdstructuur.
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 25 van 44 28 februari 2018
Het initiatief raakt geen van deze onderdelen. Water Ten aanzien van water zijn in de Verordening ruimte wateraanduidingen opgenomen. Deze aanduidingen zijn: - Regionale waterberging - Reservering waterberging - Waterwingebied - Grondwaterbeschermingsgebied - Aansluiting primaire waterkering - Rivierbed - Boringsvrije zone - Behoud en herstel van watersystemen Het initiatief raakt geen van deze onderdelen.
Aardkunde en cultuurhistorie In de verordening stelt de provincie aanduidingen op ten aanzien van: - aardkundig waardevolle gebieden; - cultuurhistorische vlakken; - de Nieuwe Hollandse Waterlinie; - complexen van cultuurhistorisch belang. In het plangebied zijn geen onderdelen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie gelegen. De betreffende regels van de verordening vinden dan ook geen doorwerking in dit bestemmingsplan. Het plangebied is wel gelegen binnen een cultuurhistorisch vlak. Derhalve is artikel 22 van de Verordening ruimte 2014 van toepassing. Artikel 22 Cultuurhistorisch vlak 1. In aanvulling op hoofdstuk 3 'Structuren' geldt ter plaatse van de aanduiding 'Cultuurhistorische vlakken' dat een bestemmingsplan: a. mede is gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden; b. regels stelt ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. 2. Gedeputeerde Staten stellen een beschrijving vast van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de als cultuurhistorische vlakken aangewezen gebieden als onderdeel van de Cultuurhistorische Waardenkaart. Via de Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant 2010, herziening 2016 blijkt dat het hier gaat om het cultuurhistorische vlak ‘Beerse Overlaet’.
De volgende informatie is daarbij relevant voor onderhavig initiatief: De Beerse Maas is een overlaatsysteem dat eeuwenlang het landschap en het bodemgebruik heeft bepaald. Tal van dijken, kaden weteringen en sluizen herinneren aan de wateroverlast, die vrijwel ieder jaar plaatsvond. De Beerse Overlaat en de Baardwijkse Overlaat, die er deel van uitmaakte, was het grootste overlaatsysteem in ons land. De overlaat is pas gesloten in 1942. Onderhavige beoogde ruimtelijke ingreep is gering. De aanwezige cultuurhistorisch-landschappelijke waarden betreffen met name de grootschalig open graslanden en de waterstructuren. Deze structuur wordt door onderhavig initiatief niet aangetast. Integratie stad – land Onder specifieke voorwaarden is stedelijke ontwikkeling mogelijk in gebieden met bijzondere landschappelijke kwaliteiten, de zogenoemde ‘gebieden integratie stad-land’. In deze gebieden kan stedelijke ontwikkeling plaatsvinden in samenhang met een groene en blauwe landschapsontwikkeling. Ontwikkeling van een middelzwaar of zwaar bedrijventerrein is nadrukkelijk uitgesloten.
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 26 van 44 28 februari 2018
De voorwaarden waaronder stedelijke ontwikkeling mogelijk is, zijn: - de stedelijke ontwikkeling aansluit bij het bestaand stedelijk gebied of plaatsvindt in een nieuw cluster van stedelijke bebouwing - stedenbouwkundig en landschappelijk rekening houden met ruimtelijke kwaliteiten en structuren - de stedelijke ontwikkeling is in omvang en ruimtelijke kwaliteit evenredig met groene en blauwe landschapsontwikkeling Een bestemmingsplan dat ligt in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling kan voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen als het in een bebouwingsconcentratie ligt. Voorwaarden hiervoor zijn: - verzekeren van een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen - geen sprake van aanzet tot stedelijke ontwikkeling (zoals bedoeld in artikel 4) - geen inbreuk wordt gedaan aan de artikelen 6.8 en 7.8 (ruimte-voor-ruimte). Het initiatief raakt geen van deze onderdelen.
Agrarische gebieden Bestemmingsplannen kunnen gebieden aanduiden als: - Beperkingen veehouderij - Vestigingsgebied glastuinbouw - Doorgroeigebied glastuinbouw - Teeltondersteunende kassen - Teeltgebied Zundert - Maatwerk glastuinbouw - Sanerings- en verplaatsingslocaties - Zoekgebied voor windturbines Beperkingen veehouderij Voor de begrenzing van de gebieden met de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’ is aangesloten bij de grenzen van het extensiveringsgebied die op grond van de Reconstructiewet waren vastgesteld. De regels binnen het gebied Beperkingen veehouderij gelden in tegenstelling tot de extensiveringsgebieden voor alle veehouderijen. Ook binnen de melkrundveehouderij, die van oudsher als extensief werd aangemerkt, is een tendens waar te nemen naar toenemende intensivering. Doel van de aanduiding is om een verdere intensivering vanwege ontwikkelingen in de veehouderij in de aangeduide gebieden tegen te gaan. Binnen het gebied wordt een uitzondering gemaakt voor grondgebonden veehouderijen; de voorwaarden die hieraan worden gesteld zijn voor alle veehouderijen gelijk. Het plangebied kent de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’. Aangezien hier geen sprake is van een veehouderij of andere vormen van agrarische activiteiten is deze regeling niet van toepassing.
Zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling Ter plaatse van de aanduiding zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling kan worden voorzien in stedelijke ontwikkeling. Het geldende bestemmingsplan dient te verantwoorden dat: - de stedelijke ontwikkeling aansluit bij bestaand stedelijk gebied of plaatsvindt in een nieuw cluster van stedelijke bebouwing - bij stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting rekening wordt gehouden met de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten en structuren Een bestemmingsplan dat ligt in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling kan voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen als het in een bebouwingsconcentratie ligt. Voorwaarden hiervoor zijn: - verzekeren van een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen - geen sprake van aanzet tot stedelijke ontwikkeling (zoals bedoeld in artikel 4) - geen inbreuk wordt gedaan aan de artikelen 6.8 en 7.8 (ruimte-voor-ruimte). Het initiatief raakt geen van deze onderdelen.
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 27 van 44 28 februari 2018
Zoekgebied voor windturbines De ontwikkeling van windturbines is mogelijk binnen de aanduiding ‘zoekgebied voor windturbines’ als de ontwikkeling aansluit bij het karakter en de kwaliteit van het landschap in Noord-Brabant. Binnen de gemeente Oss zijn echter geen gebieden aangewezen als zoekgebieden voor windturbines. 3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015 De gemeente Oss heeft een omvangrijk buitengebied. In de afgelopen jaren zijn de buitengebieden van Oss, Lith en Geffen samengevoegd. Voor de afzonderlijke buitengebieden waren al structuurvisies opgesteld. Het is belangrijk dat de gemeente een integrale visie heeft op het totale buitengebied van de gemeente Oss. Deze visie is samengekomen in de ‘Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015’. Het plangebied van deze structuurvisie is het totale buitengebied van de gemeente Oss, met uitzondering van motorcrosscircuit Nieuw-Zevenbergen en vakantiepark Herperduin. De structuurvisie biedt de juridische basis voor financiële bijdragen bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de structuurvisie zijn doelstellingen opgenomen die moeten leiden tot een robuuste en duurzame ruimtelijke structuur voor een vitaal en multifunctioneel buitengebied.
Dit moet resulteren in: - Een vitaal buitengebied, waar een goed evenwicht is tussen alle aanwezige functies zoals landbouw, toerisme, recreatie, natuur, water en wonen - Een versterking van de ruimtelijke identiteit met aandacht voor verscheidenheid, ruimte en landelijkheid - Een versterking van de aanwezige landschapstypen: uiterwaarden, oeverwal, komgebied, dekzandrand en dekzandrug - Behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische structuren en elementen - Gebieden met blijvende ruimte en mogelijkheden voor (grondgebonden) landbouw, met name binnen het primaire agrarisch gebied - Voldoende afstand tussen slecht verenigbare functies zoals wonen en intensieve veehouderij - De instandhouding van de leefbaarheid door het zorgvuldig en afgewogen bieden van ruimte aan nieuwe economische dragers - Nieuwe impulsen voor toerisme en recreatie, met bijzondere aandacht voor versterking van de recreatie in de Maashorst en het Maasgebied en het ontwikkelen van aantrekkelijke uitloopgebieden met natuur en recreatie nabij de stad Oss en toeristisch-recreatieve verbindingen tussen kernen op afstand van de Maas en de Maasdijk - Het bieden van ruimte voor waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit De bovenstaande doelstellingen worden door vertaald naar een ontwikkelingsvisie per landschapstype.
We maken onderscheid tussen: - Uiterwaarden - Oeverwal - Komgebied - Dekzandrand - Dekzandrug - Primair agrarisch gebied
Conclusie Op basis van de structuurvisie wordt het buitengebied van Oss beschouwd als een vitaal en multifunctioneel buitengebied. Het buitengebied herbergt verschillende functies. Het gebied is al lang niet meer alleen bestemd voor agrariërs. Recreanten, nieuwe bewoners en ondernemers hebben hun weg naar het buitengebied gevonden. Deze diversiteit kenmerkt het multifunctionele karakter van het buitengebied.
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 28 van 44 28 februari 2018
Figuur 10. Uitsnede Structuurvisie Buitengebied Oss 2015
Oeverwal Onderhavige projectlocatie ligt op een uitloper van de oeverwal, op de overgang met het open komgebied De oeverwal is een hooggelegen rug, parallel aan de Maas. Van oorsprong worden de oeverwallen gekenmerkt door een relatief kleinschalig cultuurlandschap met een grote diversiteit. Door de aanwezigheid van veel landschapselementen heeft de oeverwal over het algemeen een groen en halfopen karakter. Het gewenste ruimtelijke beeld voor de oeverwal is een kleinschalig gebied met een halfopen karakter en een veelheid aan functies. Het functioneel gemengde karakter van de oeverwal kan verder ontwikkeld worden. Waterveiligheid, wonen, agrarische bedrijven, natuur, toerisme, recreatie en overige bedrijvigheid zullen meer verweven raken. Ruimtelijke ontwikkelingen mogen bestaande bedrijven en bewoners niet belemmeren. Onderhavig initiatief betreft een geringe ruimtelijke ingreep waarbij de kwaliteiten van het gebied behouden blijven. Daarnaast is een roeivereniging een zeer passende functie in het gemengde karakter van de oeverwal. 3.4.2 Toekomstvisie Oss op weg naar 2020 De toekomstvisie ‘Oss op weg naar 2020’ (2004) is richtinggevend voor de beleidsontwikkeling op de langere termijn. Eén van de potenties van Oss ligt volgens deze visie in het gevarieerde landelijk gebied waarin zich tal van kleine kernen bevinden.
Uitgangspunt is het werken aan het behoud van het platteland met zijn rust en ruimte, aantrekkelijke kleinschalige toeristische voorzieningen en aan de ontplooiing van levenskrachtige dorpen. Een andere potentie ligt in het werken aan een duurzame gemeente. Duurzame ontwikkeling van natuur, landschap en ecologie draagt bij aan de leefkwaliteit. De toekomstvisie stelt dat Oss vele ‘kostbare’ plekjes kent en een groots landschap, met ruimte voor landbouw en natuur. ‘Het bewaren van dat kostbare voor de toekomst is een opdracht die we onszelf stellen’. Sport is een belangrijke recreatievoorziening. Zowel voor bezoekers, bijvoorbeeld door te fietsen door een goed en veilig fietsnetwerk, als voor eigen inwoners als lid van een vereniging of als individu. Verenigingssport levert een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van de jeugd en de gezondheid van iedereen. Sportvoorzieningen passen goed in groene zones in en om de stad, waar ze behalve de kans om te sporten ook een bijdrage leveren aan een actieve beleving van het groen. Onderhavig initiatief sluit goed aan bij de visie van de gemeente met betrekking tot sport en het verenigingsleven. Het plan draagt bij aan de vitaliteit van zowel de mensen (leden van de roeivereniging) als van de vereniging zelf. Het bieden van betere faciliteiten zorgt voor meer toekomstbestendigheid.
Daarnaast is de roeivereniging een passende functie op deze locatie in het buitengebied van Oss.
Ruimtelijke onderbouwing Ossestraat 13-15, Macharen, pag. 29 van 44 28 februari 2018
3.4.3 Nota Landschapsbeleid - 2015 Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid -2015 zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid - 2015 wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: - Uiterwaarden - Oeverwal - Komgebied - Dekzandrand - Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst.
Het plangebied is gelegen op een uitloper van de oeverwal, op de overgang met het open komgebied. Derhalve is het plangebied gelegen binnen deelgebied ‘oeverwal’. Voor de oeverwal gelden de volgende algemene aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering - herstel landschapselementen als voorwaarde bij ontwikkelingen in bestemmingsplan opnemen - nieuwe ontwikkelingen landschappelijk inpassen - bij ruimtelijke ontwikkelingen landschappelijke eisen stellen Voorliggend plan is dermate kleinschalig dat het de bestaande landschappelijke karakteristieken van de oeverwal niet aantast. Daarnaast voorziet het plan in een passende landschappelijke inpassing.
3.4.6 Archeologie en Cultuurhistorie Archeologie: wettelijk kader De gemeente is op basis van artikel 38a van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) verplicht om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Archeologie: gemeentelijk en provinciaal beleid Beleidsmatig heeft de gemeente Oss voornoemde wettelijke plicht vertaald in de nota ‘Archeologiebeleid gemeente Oss 2010’, vastgesteld door de gemeenteraad op 14 oktober 2010. Voor wat betreft het grondgebied van de voormalige gemeente Lith, is er nog geen vastgesteld archeologiebeleid maar wel een conceptversie die bruikbaar is als onderbouwing in bestemmingsplantoelichtingen. In de beleidsnota is het grondgebied van de gemeente onderverdeeld in gebieden met verschillende (archeologische) verwachtingswaarden. Er kan sprake zijn van een hoge, een middelhoge of een lage verwachtingswaarde. In het beleid is vastgelegd welke acties moeten worden ondernomen bij voorgenomen ontwikkelingen/werkzaamheden. Een en ander is afhankelijk van de gebiedscategorie (laag, middelhoog, hoog: zie verderop) waarin de voorgenomen ontwikkeling is gelegen. Zo moet in gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde onderzoek uitgevoerd worden indien de oppervlakte van de ontwikkeling 18 m² of meer bedraagt en de bodem dieper dan 30 cm geroerd wordt.