Bijlage 2A Toelichting - bijlage 14 Mergental 1 Herpen
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Mergental 1, Herpen, pag. 26 van 51 Datum 28-06-2017
Het buitengebied heeft geen volkshuisvestelijke opgave. Uitgangspunt is dat nieuwe burgerwoningen in het buitengebied niet gewenst zijn. Wonen is in beginsel een stedelijke functie en hoort in de stad Oss en de andere kernen van de gemeente thuis. Door sterk te sturen op inbreiding en herstructurering wordt de stedelijke structuur versterkt en (onnodige) verstening van het buitengebied tegen gegaan. Bovendien kunnen (burger) woningen in het buitengebied een belemmering vormen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven. Aan de andere kant bestaat er nog steeds wel een behoefte aan écht landelijk wonen: vrijstaande woningen in het landelijk gebied. De voorraad bestaande burgerwoningen in het buitengebied lost die vraag grotendeels op. Nieuwbouw van woningen kan alleen binnen bebouwingsconcentraties. Hieraan zijn voorwaarden verbonden. De bouw van een woning moet bijdragen aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Ook moet de Ruimte-voorruimteregeling, of de regeling kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties (vroeger Buitengebied in Ontwikkeling) worden toegepast. Naast nieuwbouw, kunnen ook burgerwoningen ontstaan door omschakeling, bijvoorbeeld van een voormalige agrarische bedrijfswoning. In beginsel is deze omschakeling voorstelbaar, op voorwaarde dat omliggende bedrijven niet in hun mogelijkheden worden beperkt.
Wonen kan zo bijdragen aan de vitaliteit en de leefbaarheid van het buitengebied. Hetzelfde geldt voor cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Als het bijdraagt aan het behoud, zijn daar ook mogelijkheden voor gebruik als woning. Voor het behoud van grote karakteristieke woonboerderijen is woningsplitsing voorstelbaar. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de splitsing van een bestaand boerderijpand met een woonbestemming. De ontwikkeling draagt bij aan het behoud van een cultuurhistorisch waardevol pand. De ontwikkeling vormt geen belemmering voor de in de omgeving gelegen veehouderijbedrijven. Concluderend kan gesteld worden dat onderhavige ontwikkeling past binnen de kaders van de structuurvisie. 3.4.2 Toekomstvisie Oss op weg naar 2020 De toekomstvisie ‘Oss op weg naar 2020’ (2004) is richtinggevend voor de beleidsontwikkeling op de langere termijn. Eén van de potenties van Oss ligt volgens deze visie in het gevarieerde landelijk gebied waarin zich tal van kleine kernen bevinden. Uitgangspunt is het werken aan het behoud van het platteland met zijn rust en ruimte, aantrekkelijke kleinschalige toeristische voorzieningen en aan de ontplooiing van levenskrachtige dorpen. Een andere potentie ligt in het werken aan een duurzame gemeente. Duurzame ontwikkeling van natuur, landschap en ecologie draagt bij aan de leefkwaliteit.
De toekomstvisie stelt dat Oss vele ‘kostbare’ plekjes kent en een groots landschap, met ruimte voor landbouw en natuur. ‘Het bewaren van dat kostbare voor de toekomst is een opdracht die we onszelf stellen’. Onderhavige ontwikkeling, welke bijdraagt aan het behoud van een cultuurhistorisch waardevol pand, past binnen de ‘Toekomstvisie Oss op weg naar 2020’. 3.4.3 Nota Landschapsbeleid - 2015 Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid -2015 zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar.
In de Nota Landschapsbeleid - 2015 wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: - Uiterwaarden - Oeverwal - Komgebied
Ruimtelijke onderbouwing Mergental 1, Herpen, pag. 27 van 51 Datum 28-06-2017
- Dekzandrand - Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is. Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst. In onderhavige situatie is er geen sprake van het toevoegen of veranderen van bebouwing of landschapselementen. Er is slechts sprake van een interne verbouwing. De aanwezige groenelementen blijven gehandhaafd. 3.4.4 Archeologie en Cultuurhistorie Archeologie: wettelijk kader De gemeente is op basis van artikel 38a van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) verplicht om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Archeologie: gemeentelijk en provinciaal beleid Beleidsmatig heeft de gemeente Oss voornoemde wettelijke plicht vertaald in de nota ‘Archeologiebeleid gemeente Oss 2010’, vastgesteld door de gemeenteraad op 14 oktober 2010. Voor wat betreft het grondgebied van de voormalige gemeente Lith, is er nog geen vastgesteld archeologiebeleid maar wel een conceptversie die bruikbaar is als onderbouwing in bestemmingsplantoelichtingen. In de beleidsnota is het grondgebied van de gemeente onderverdeeld in gebieden met verschillende (archeologische) verwachtingswaarden. Er kan sprake zijn van een hoge, een middelhoge of een lage verwachtingswaarde. In het beleid is vastgelegd welke acties moeten worden ondernomen bij voorgenomen ontwikkelingen/werkzaamheden.
Een en ander is afhankelijk van de gebiedscategorie (laag, middelhoog, hoog: zie verderop) waarin de voorgenomen ontwikkeling is gelegen. Zo moet in gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde onderzoek uitgevoerd worden indien de oppervlakte van de ontwikkeling 18 m² of meer bedraagt en de bodem dieper dan 30 cm geroerd wordt. In gebied met een middelhoge verwachtingswaarde is het criterium een oppervlakte van 1000 m² of meer en dieper dan 30 cm roering. Voor bepaalde ook anderszins waardevolle gebieden, zoals historische stadskernen en beschermde stadsgezichten, gelden weer andere criteria. Het verdient aanbeveling om aan de ‘voorkant’, dat wil zeggen voordat de ruimtelijke onderbouwing of plantoelichting wordt opgesteld, onderzoek te doen. Afhankelijk van de verwachtingswaarde van het gebied waarin de ontwikkeling is voorgenomen, kan dat een bureauonderzoek, een booronderzoek, een proefsleuvenonderzoek of een daadwerkelijk opgravingsonderzoek zijn. In geval van onderzoek vooraf is wellicht, uiteraard afhankelijk van de uitkomst daarvan, geen bescherming nodig door het opnemen van een zogenaamde dubbelbestemming in de planregels. Daarover hieronder meer. Indien vooraf geen onderzoek is gedaan is het in elk geval noodzakelijk dat de archeologische (verwachtings)waarde beschermd wordt door borging in de planregels.
Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Verordening ruimte en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Overigens is het gemeentelijk beleid getoetst door de provincie en akkoord bevonden. Archeologie: bestemmingsplanregels en regels in provinciale Verordening ruimte Zoals hierboven ook al kort aangestipt vertaalt de gemeente Oss de wet (Wamz) en het archeologisch beleid ook door in standaard bestemmingsplanregels. Zo heeft de gemeente bestemmingsplanregels (dubbelbestemmingen: dat wil zeggen dat deze naast de hoofdbestemming gelden) voor bescherming van historische kernen, beschermde monumenten, monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend.
Ook de provinciale Verordening ruimte bevat regels ter bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen. Bescherming van deze laatste categorie geschiedt doordat de ‘vlakken’ met aanduiding archeologisch landschap overeenkomen met de aanduiding aardkundig waardevolle gebieden in de Verordening ruimte. Cultuurhistorie In 2004 heeft de gemeente het ‘Erfgoedplan gemeente Oss’ opgesteld. In dit Erfgoedplan wordt zo goed mogelijk in beeld gebracht welke monumentale, archeologische, cultuurhistorische en landschappelijke
Ruimtelijke onderbouwing Mergental 1, Herpen, pag. 28 van 51 Datum 28-06-2017
waarden de gemeente kent. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Een belangrijk aspect in dit beleid is een integrale aanpak van het erfgoed in de gemeente. Hieronder vallen monumentenzorg, archeologie en cultuurhistorische waarden in het landschap. Dat wil zeggen, het behoud en beheer van het monumentale gebouw of object blijft alle aandacht en zorg houden, maar de methoden om dit behoud te garanderen zijn in een groter verband geplaatst. Om deze reden is sprake van een ontwikkeling van zorg voor gebouwen naar integraal beheer van cultuurhistorisch erfgoed. De zorg en zorgvuldige omgang met archeologische en landschappelijke waarden speelt hierin mee. Door deze gewijzigde benadering is het van belang in een vroeg stadium van stadsontwikkeling of gebiedsverandering de positie van monumenten en van archeologische en cultuurhistorische landschappelijke waarden zo optimaal mogelijk te bepalen. Positief gevolg hiervan is dat monumenten, archeologische gegevens en landschap meewegen en zo mogelijk het uitgangspunt gaan vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen. De bescherming van rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten is geregeld in de Monumentenwet 1988 en in de Monumentenverordening Oss die in 2010 is vastgesteld.
In de verordening zijn verbodsbepalingen met betrekking tot beschermde monumenten opgenomen. De beschermde monumenten staan vermeld in de gemeentelijke monumentenlijst. De monumenten zijn tevens opgenomen in de Welstandsnota gemeente Oss. Ze vallen als specifieke objecten onder welstandsniveau 1. De bescherming van monumenten vindt aldus via twee sporen plaats. Voor het bouwen op, bij, aan of in een monument is altijd een omgevingsvergunning nodig. De welstandstoetsing maakt deel uit van de omgevingsvergunningsprocedure. Wanneer een te verbouwen bouwwerk onder de werking valt van de Monumentenwet 1988 of van een gemeentelijke verordening is, naast een omgevingsvergunning voor het bouwen tevens een ‘monumentenvergunning’ nodig. Beide toetsen verschillen inhoudelijk. De ‘monumentale’ toetsing vindt plaats aan de hand van de redengevende beschrijving die ten grondslag heeft gelegen aan de aanwijzing tot monument. De wijziging aan het bouwwerk wordt beoordeeld binnen het kader van de monumentale en historische waarde ervan zoals vastgelegd in de beschrijving. In de welstandstoetsing wordt het te wijzigen bouwwerk beoordeeld naar redelijke eisen van welstand van het bouwwerk op zichzelf (aan de hand van de in de welstandsnota vastgelegde welstandscriteria) en in relatie tot zijn omgeving.
Met betrekking tot dat laatste aspect is in de welstandsnota geregeld dat bij toetsing van een bouwplan aan omliggende panden, binnen een straal van 25 meter van een monument rekening dient te worden gehouden met de uitstraling van het monument. De bescherming van gemeentelijke stads- of dorpsgezichten is eveneens geregeld in de Monumentenverordening 2010. Hierin is opgenomen dat de gemeenteraad ter bescherming van een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vaststelt. Voorgenomen ontwikkeling gaat niet met een bodemverstoring gepaard. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan. Met betrekking tot het aspect cultuurhistorie kan vermeld worden dat onderhavige ontwikkeling bijdraagt aan het behoud van de cultuurhistorische waarden van het pand. 3.4.5 Verkeer Mobiliteitsvisie, Balans in beweging In de mobiliteitsvisie (2009) staan drie begrippen centraal; bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid. Het centrale doel van de mobiliteitsvisie is het in balans brengen van de bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid in de gemeente, nu en in de toekomst. Om deze balans te bereiken streeft de gemeente naar een verschuiving in het gebruik van vervoerswijzen. Een groter deel van de verplaatsingen moet plaats gaan vinden met de fiets of met het openbaar vervoer.
Dit is nodig om Oss bereikbaar en leefbaar te houden. Oss wil de verschuiving bereiken door het gebruik van fiets en openbaar vervoer te stimuleren. Deze vervoerswijzen moeten veilig en comfortabel zijn en men moet snel op de plaats van bestemming kunnen komen. De goede bereikbaarheid is met name gericht op de economisch belangrijke gebieden van Oss. De bedrijventerreinen vallen hieronder. De doorstroming op de wegen naar de bedrijventerreinen (i.c. N329) moet optimaal zijn. Hoewel de bereikbaarheid van de economisch belangrijke gebieden voor alle vervoerswijzen goed moet zijn, streeft de gemeente wel naar een verschuiving van vervoerswijze. Korte verplaatsingen moeten bij voorkeur per fiets of te voet
Ruimtelijke onderbouwing Mergental 1, Herpen, pag. 29 van 51 Datum 28-06-2017
afgelegd worden en niet per auto. Voor het vervoer van goederen zal het gebruik van water en spoor verder gestimuleerd worden. In de uitwerkingsfase zullen de doelstellingen uit de visie langs drie lijnen worden uitgewerkt: infrastructuur, gedrag en organisatie. Er heeft inmiddels een uitwerking plaatsgevonden in de deelplannen Wegen, Fiets, Openbaar Vervoer en Gedrag. Op basis van de CROW-publicatie nr. 256 'Verkeersgeneratie woon- en werkgebieden' kan gesteld worden dat er door de extra woning ca. 7 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal extra zijn te verwachten. Het aantal motorvoertuigbewegingen vanuit het plangebied neemt toe van 7 naar 14. Concluderend kan gesteld worden dat voorgenomen ontwikkeling leidt tot zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen. Parkeren Op 22 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders de nota “parkeernormen voor woonwijken” vastgesteld. In deze notitie staat beschreven welke parkeernormen gehanteerd moeten worden bij nieuwe projecten (zowel uitbreidingen als herstructurering). Uitgangspunt voor herontwikkeling is dat het parkeren op eigen terrein dient te worden opgelost. Volgens de nota geldt voor duurdere woning, waaronder deze twee woningen geschaard worden, een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning.
Dit betekent dat in de toekomstige situatie 4 parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn, ten behoeve van de twee woningen. In de huidige situatie is reeds voldoende ruimte om te parkeren aanwezig. De parkeerplaatsen worden op eigen terrein gerealiseerd. De ontsluiting van de parkeerplaatsen verloopt via de bestaande inritten, en zal niet verlopen via de gemeenteberm. Inritten De boerderij heeft in de huidige situatie 2 inritten. Perceel 1 kan daarom gemakkelijk bereikt worden via de bestaande inrit aan de westzijde van het perceel. Perceel 2 kan gemakkelijk bereikt worden vanaf de bestaande zuidelijke inrit. Het niet nodig meer doorsnijdingen door het groen te maken, waardoor er door de splitsing nagenoeg niets veranderd aan het ruimtelijk beeld.
Ruimtelijke onderbouwing Mergental 1, Herpen, pag. 30 van 51 Datum 28-06-2017
Ligging parkeerplaatsen Verkeer: ontsluitingswegen De wegen in de planomgeving kunnen deze geringe toename van het aantal verkeersbewegingen opvangen. Door het project zijn dan ook geen verkeerstechnische problemen te verwachten. 3.4.6 Beleid aan huis gebonden activiteiten Op 22 november 2012 heeft de gemeenteraad het Beleid aan huis gebonden activiteiten - Actualisatie 2012 vastgesteld. Het beleid voor aan huis gebonden activiteiten is opgesteld om mogelijkheden te bieden aan ondernemen vanuit de eigen woning. Door de jaren heen zijn de activiteiten die aan huis worden ondernomen steeds meer divers geworden. Het gaat allang niet meer alleen om een huisarts of accountant aan huis. Er is een breed scala dat aan huis uitgeoefend kan worden. Voorbeelden zijn een adviesbureau, pedicure of afslanksalon. Ook komen er steeds vaker vragen om kleinschalige cursussen te mogen geven, voor kleinschalige kinderopvang, ambachtelijke bedrijfjes of een bed en breakfast. Met het beleid wordt ingespeeld op de veranderende inzichten over aan huis gebonden activiteiten. Er wordt ruimte gegeven aan deze nieuwe vormen om vanuit de thuissituatie te werken. Het gaat dus altijd om een bewoner die de activiteit uitvoert. Een andere belangrijke voorwaarde is steeds dat de activiteit zich goed verhoudt met de woonomgeving.
Het beleid aan huis gebonden activiteiten is er op gericht om zoveel mogelijk rechtstreeks toe te staan. Er is een lijst opgesteld met een breed scala aan activiteiten die rechtstreeks mogen worden uitgeoefend in de woning. Deze lijst is als bijlage opgenomen in de toelichting van het bestemmingsplan. Bij het opstellen van de lijst van rechtstreeks toegestane activiteiten is de woonomgeving het uitgangspunt geweest. Dit houdt in dat er geen bedrijven op staan die veel verkeer aantrekken of activiteiten die milieuhinder veroorzaken, die niet past in een woonomgeving. Het oppervlak van de 2 rechtstreeks toegestane activiteiten is 35m . Maar niet alle activiteiten kunnen rechtstreeks in een woning worden uitgevoerd. Soms is een toetsing vooraf nodig. Als dit positief is, wordt toestemming verleend in de vorm van een ‘omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken’. Bij deze afweging spelen publieksaantrekkende werking en milieu- en verkeersaspecten altijd een rol. Voorbeelden van activiteiten waarbij een toetsing vooraf nodig is zijn: een groter oppervlak dan het 2 toegestane 35 m , andere activiteiten dan die in de lijst zijn opgenomen of groepsmatige activiteiten. In het nieuwe beleid worden de mogelijkheden voor dit afwijkend gebruik beschreven.
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik moet de aanvrager een concrete aanvraag om toestemming bij de gemeente indienen.
Ruimtelijke onderbouwing Mergental 1, Herpen, pag. 31 van 51 Datum 28-06-2017
Hoofdstuk 4
Verantwoording
4.1 Milieu- en omgevingsaspecten In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: - Bedrijven en milieuzonering (§ 4.1.1) - Bodem (§ 4.1.2) - Externe veiligheid (§ 4.1.3) - Geurhinder: agrarisch (§ 4.1.4) - Geur: industrieel (§ 4.1.5) - Luchtkwaliteit (§ 4.1.6) - Mobiliteit en parkeren (§ 4.1.7) - Straling (§ 4.1.8) - Water (§ 4.1.9) - Weg-, spoor-, en industrielawaai (§ 4.1.10) 4.1.1 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen.
In de onderstaande tabel zijn de in de omgeving voorkomende bedrijven opgenomen: Bedrijvigheid in de omgeving Adres Type bedrijvigheid
Milieucategorie
Buunderstraat 3 Buunderstraat 12 Broekstrat 31 Berghemseweg 2 Berghemseweg 1a Berghemsesweg 2a Heiweg 5 Heiweg 7
Veehouderij Veehouderij Hondenopleidingscentrum Betonboringen Tankstation Onderhoud caravans en campers Garagebedrijf Manege
3.2 3.2 3.1 2 4.1 2
Grootste Afstand 100 (geur) 100 (geur) 50 (geluid) 30 (geluid) 200 (gevaar) 30 (geluid)
Werkelijke afstand 200 135 110 305 330 380
2 3.1
30 (geluid) 50 (geur)
320 295
De twee veehouderijen zijn in de geurverordening opgenomen als bedrijven mat een vaste afstand. Deze bedraagt volgens bedrijven en milieuzonering 100 meter. Van deze afstand is in deze tabel uitgegaan.
Ruimtelijke onderbouwing Mergental 1, Herpen, pag. 32 van 51 Datum 28-06-2017
Zoals blijkt uit bovenstaande tabel wordt aan de richtafstand tot de omliggende bedrijven voldaan. Deze worden met de ontwikkeling niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Daarbij geldt ter plaatse van de te splitsen woning een acceptabel woon- en leefklimaat. Voor het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ zijn er geen belemmeringen voor het toestaan de splitsing van de bestaande boerderij welke op dit moment geheel als woning wordt benut. 4.1.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijzing. Beoordeling van het aspect bodemkwaliteit is in principe niet van toepassing, omdat er geen uitbreidingen/bouwactiviteiten plaatsvinden waarbij roering in de aarde/bodem plaatsvindt. Het gaat slechts en uitsluitend om een interne verbouwing.
Het bestaande pand was al geschikt voor menselijk verblijf (woning). In het kader van dit plan is een onderzoek conform NEN5725 uitgevoerd (zie bijlage). Op grond van dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen bodem technische bezwaren bestaan tegen de voorgenomen planontwikkeling. 4.1.3
Externe veiligheid
Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRNVGS) - het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven.
In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald
Ruimtelijke onderbouwing Mergental 1, Herpen, pag. 33 van 51 Datum 28-06-2017
binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. In dit geval is de locatie gelegen op een afstand van circa 55 meter van de snelweg. Vanuit de beleidsvisie is er sprake van een verantwoording ‘zwaarte 2’. Een toetsing zwaarte 2 betekend dat er sprake zal zijn van goede zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Met zelfredzaamheid wordt het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het pand zal gebruikt worden voor bewoning. De gebruikers zullen hierdoor zelfstandig kunnen vluchten dan wel schuilen. De zelfredzaamheid is hier als goed te beoordelen. Daarnaast geldt dat de bestrijdbaarheid van de locaties als goed beoordeeld wordt. Zo is de locatie is goed bereikbaar en zijn er twee vluchtroutes.
De woningen liggen niet in het invloedsgebied van de ten noorden gelegen buisleidingen. Om de gevolgen van een eventuele calamiteit te beperken, kan het gewenst zijn om bouwkundige maatregelen te nemen. Bijvoorbeeld door de schuilmogelijkheden te vergroten. In dit geval betreft het een reeds bestaand, cultuurhistorisch waardevol pand. Het nemen van bouwkundige maatregelen is hierdoor niet mogelijk. Het karakter van het pand zal te veel aangetast worden.
Uitsnede risicokaart -6
Volgens de risicokaart externe veiligheid is het projectgebied niet gelegen binnen de risicocontour 10 van inrichtingen, buisleidingen en transportroutes. De afstand tot aan de spoorlijn bedraagt ruim 1800 meter. 4.1.4
Geurhinder: agrarisch
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt
Ruimtelijke onderbouwing Mergental 1, Herpen, pag. 34 van 51 Datum 28-06-2017
in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2013”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder - de veehouderijen niet onnodig beperken - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woonen leefklimaat is. De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de geurverordening wordt uitgegaan van normen voor de maximale geurbelasting in de vorm van voorgrond- en achtergrondbelasting. Bij het stellen van deze normen worden verschillende gebiedstypen onderscheiden: stedelijke woonkern, landelijke woonkern, buitengebied, landbouwontwikkelingsgebied etc. Verder wordt bij het stellen van normen gekeken naar het aantal (intensieve) veehouderijen in de omgeving en hun omvang.
Geurnorm verordening 2013 Voor het plangebied geldt een geurnorm van 8 Ou voor de voorgrondbelasting. Voor de achtergrondbelasting worden de volgende streef- en toetswaarden gehanteerd:
Ruimtelijke onderbouwing Mergental 1, Herpen, pag. 35 van 51 Datum 28-06-2017
Op basis van de geurverordening geldt voor veehouderijen zonder vastgestelde emissiefactor een vaste afstand. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom 25 m bedraagt voor veehouderijen met een geringe omvang en 50 m voor overige veehouderijen. Bij de voorbereiding van het nieuwe geurbeleid, zoals vastgelegd in de “Geurgebiedsvisie 2013”, zijn berekeningen van de achtergrondbelasting gemaakt. Uit de beoordeling van de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder wordt geconcludeerd dat het leefklimaat in het plangebied als ‘redelijk goed’ kan worden beschouwd.
Agrarische geurgebiedsvisie Oss 2013 – Achtergrond geurbelasting
Ruimtelijke onderbouwing Mergental 1, Herpen, pag. 36 van 51 Datum 28-06-2017
Belangen veehouderij en derden De planlocatie ligt binnen de 8 Odeur geurcontour van de varkenshouderij aan de Beemdweg 2a. Het splitsen van de bestaande boerderij welke geheel benut wordt als woning in twee woningen is geen verandering van de geurgevoeligheid van het gebouw. In die zin is de splitsing van de woning geen belemmering voor de veehouderij. De omzetting kan doorgang vinden. Voor de veehouderij gelegen aan de Mergental 2 geldt dat dit een kleinschaligeitenhouderij betreft. Voor een dergelijke veehouderij geldt een afstand van 25 meter wordt voldaan. Ook voor dit bedrijf geldt dat de woning in zijn geheel een toets punt is. De te splitsen woning is geen belemmering voor de veehouderij. 4.1.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: - als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; - als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; - de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is.
Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing. In de omgeving van het plangebied zijn geen industriële bestemmingen gelegen welke geur uitstoten. Voorgenomen ontwikkeling wordt aldus niet belemmerd door de geur afkomstig van industrie in de omgeving van het plangebied. 4.1.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht.
In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken.
Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan.
Ruimtelijke onderbouwing Mergental 1, Herpen, pag. 37 van 51 Datum 28-06-2017
Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Blijkens de ‘Regeling niet in betekende mate’ is er geen onderzoek nodig voor woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 500 nieuwe woningen omvat. Het initiatief betreft het wijzigen van de huidige bestemming van het perceel in een twee in de plaant van één woonbestemming. Er worden vanwege het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen verwacht. Een specifiek luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
Goed woon en leefklimaat Het RIVM maakt jaarlijks kaarten met grootschalige concentraties (in vaktermen GCN) en deposities (GDN) in Nederland in het kader van natuur- en milieubeleid. De kaarten zijn gebaseerd op een combinatie van modelberekeningen en metingen en zijn bedoeld voor het geven van een grootschalig beeld van de luchtkwaliteit en depositie in Nederland zowel voor jaren in het verleden als in de toekomst. Ter hoogte van het plangebied gelden voor het jaar 2020 de volgende waarden: 3 Fijn stof ca. 22 µg/m (grenswaarde 40 µg/m3 jaargemiddelde) Stikstof ca. 18 µg/m3 (grenswaarde 40 µg/m3 jaargemiddelde) Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor de verblijfsfunctie. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er ter plaatse van de woning in het kader van het aspect luchtkwaliteit sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het thema 'luchtkwaliteit' leidt niet tot belemmeringen. 4.1.7 Mobiliteit en parkeren Voor onderhavig plan zullen geen nieuwe infrastructurele elementen worden aangelegd. De ontsluiting van het plangebied zal plaatsvinden via de Mergental. De locatie is, via de bestaande inritten, vanaf deze weg te bereiken. De verkeersaantrekkende werking van de te realiseren functie (wonen) is niet dermate groot dat de Mergental dit verkeer niet zou kunnen afwikkelen.
de parkeerplaatsen zullen geheel op eigenterrein gerealiseerd worden, en onsloten worden via de bestaande inritten. De ontsluiting verloopt niet via de gemeenteberm. Tabel 1 Benodigde aantal parkeerplaatsen Activiteit
Parkeerkencijfer per eenheid
Aantal eenheden
Parkeerplaatsen
Woning (duur)
2,0
2
4,0
Totaal
4,0
Ten aanzien van het aantal verkeersbewegingen (gebaseerd op CROW ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’) geldt het volgende:
Ruimtelijke onderbouwing Mergental 1, Herpen, pag. 38 van 51 Datum 28-06-2017
Tabel 1 Verkeersbewegingen Activiteit Woning Totaal
Verkeersbewegingen per eenheid 7,8
Aantal eenheden 2
Parkeerplaatsen 15,6 15,6
Dit zal in de toekomstige situatie maximaal 15,6 per dag geen bedragen. Dit aantal is dusdanig dat het niet tot belemmeringen zal leiden. Een deel van de verkeersbewegingen is immers ook al vergund. 4.1.8 Straling Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. De gemeente Oss heeft in het Milieubeleidsplan 2010-2014 het rijksadvies vastgelegd als beleidsuitgangspunt. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Onderhavige ontwikkeling is niet gelegen in de directe nabijheid van een bovengrondse hoogspanningslijn. Straling van bovengrondse hoogspanningslijnen is dan ook geen beperkende factor. 4.1.9 Water De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening.
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGPR een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets.
Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is de opstelling van een waterparagraaf verplicht gesteld, mede in relatie tot de watertoets. In deze paragraaf wordt verwoord hoe er in het plan met de aspecten water en ruimte rekening wordt gehouden, in relatie tot enerzijds het waterbeleid en anderzijds de waterhuishouding. In het kader hiervan is navolgende watertoets opgesteld. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. Waterschap Aa en Maas heeft op 9 oktober 2015 het Waterbeheerplan 2016 – 2021 ‘Werken met water. Voor nu en later’ vastgesteld. Dit waterbeheerplan beschrijft de doelen en inspanning van Waterschap Aa en Maas voor de periode 2016 – 2021. Aansluitend op het waterbeheerplan hebben de drie Brabantse waterschappen sinds 1 maart 2015 de beschikking over één gezamenlijke verordening. Dit betreft de zogenaamde Brabant Keur. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Voor onderhavig plan is de digitale watertoets ingevuld. Met het ruimtelijk plan is geen belang van het waterschap gemoeid. Onderhavig bouwplan heeft geen invloed op de waterhuishoudkundige situatie. Het
Ruimtelijke onderbouwing Mergental 1, Herpen, pag. 39 van 51 Datum 28-06-2017
betreft een splitsing van een bestaande boerderijwoning naar twee woningen met enkel een interne verbouwing. Als gevolg van de ontwikkeling zal er een lichte toename zijn in de hoeveelheid huishoudelijk afvalwater. Hiervoor zijn echter geen aanpassingen aan het rioolstelsel ter plaatse noodzakelijk 4.1.10 Weg-, spoor- en industrielawaai De Wet geluidhinder (Wgh) biedt bescherming tegen (spoor)weglawaai en tegen industrielawaai van inrichtingen voor zover gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh wordt een beperkt aantal typen objecten beschermd, de zogenoemde geluidgevoelige objecten. De Wet geluidhinder kent een stelsel van normen ter voorkoming van geluidhinder. Ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn grenswaarden opgenomen. Hierbij is een ondergrens (voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (maximaal toelaatbare grenswaarde) opgenomen. De Wgh biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht in te spelen op de lokale situatie door maatwerk te leveren. Burgemeester en wethouders kunnen een hogere waarde vaststellen dan de ondergrens, maar mogen daarbij de bovengrens niet overschrijden. In 2010 heeft de gemeenteraad van Oss de geluidsnota “Geluidskwaliteit in de leefomgeving” vastgesteld. De gemeente Oss maakt hierbij gebruik van gebiedsgericht geluidbeleid. Per gebied wordt een geluidskwaliteit nagestreefd.
Zo zijn er ‘rustige gebieden’, ‘dynamische gebieden’ en er zijn gebieden die ten aanzien van geluid onder druk staan. De geluidsnota gaat ook in op de realistische inzet van onderzoek, het stellen van eigen criteria voor het toestaan van een hogere waarde en bedrijfswoningen op industrieterreinen. De gemeente Oss streeft naar een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidsbelasting. Deze leefbaarheid wordt bereikt door terughoudend te zijn met hogere grenswaarden en door hieraan voorwaarden te verbinden. Deze voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen en het veroorzaken van een lawaaiige situatie. Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Ook in Oss is er een aantal gezoneerde industrieterreinen. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone.
Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. De planlocatie is gelegen op een afstand van 55 meter van de A50. Dit maakt dat door middel van een akoestisch onderzoek onderzocht moet worden, of het splitsen van de woning mogelijk is. Door G&O Consult is hiertoe een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage). De conclusie van dit onderzoek is als volgt: In opdracht de initiatiefnemer is een berekening wegverkeerslawaai uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplan-wijziging voor het splitsen van een woning ter hoogte van Mergental 1 te Herpen, gemeente Oss. De te splitsen woning is op basis van de Wet geluidhinder gelegen binnen de zone van de A50 en de Berghemseweg. Op basis van de beschikbaar gestelde verkeersgegevens is er een rekenmodel opgezet en is de gevelbelasting berekend. Ter plaatse van de te ontwikkelen woning voldoet de geluidbelasting (inclusief artikel 110g) ten gevolge van de Berghemseweg aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De geluidbelasting ten gevolge van de A50 voldoet niet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De hoogste geluidbelasting bedraagt 53 dB (incl. art. 110g). De maximale ontheffingswaarde welke voor dit gebied is vastgesteld wordt hierbij niet overschreden. Hiervoor is een hogere waarde benodigd.
Ruimtelijke onderbouwing Mergental 1, Herpen, pag. 40 van 51 Datum 28-06-2017
De hoogste cumulatieve geluidsbelasting exclusief artikel 110g van de Wet geluidhinder bedraagt 59 dB. Overweging maatregelen nav Beleid Oss Op de A50 zou een dubbellaags ZOAB toegepast kunnen worden. De reductie zal echter geen 7 dB bedragen (57-48 +2) waardoor ter hoogte van woning niet aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan. Daarnaast heeft de initiatiefnemer nauwelijks tot geen invloed op de maatregelen en verkeersstromen op Rijkswegen. Indien een scherm met een hoogte van 7 meter wordt aangelegd over een lengte van 100 meter ter hoogte van de oostelijke en zuidelijke perceelsgrens kan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A) worden voldaan (zie ook bijlage 3). De kosten van een dergelijk scherm bedragen circa € 140.000. De kosten voor een dergelijke wal of scherm staan niet in verhouding tot de splitsing van de bestaande woning. Daarnaast zal een scherm of wal van 7 meter hoogte het open karakter van het landelijk gebied verstoren. De onderzochte afschermende maatregelen zijn onvoldoende doelmatig en ondervinden bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard. Ontheffingscriteria gemeente Oss Met betrekking tot de ontheffingscriteria kan verder worden vermeld dat woningen een open ruimte tussen bestaande bebouwing opvullen maar ook dat hierbij sprake is van een positieve verandering. Elke woning heeft minimaal een geluidluw geveldeel.
De geluidbelasting op de achtergevel ligt lager dan 48 dB waarmee een geluidluwe gevel aanwezig is. Aan het criterium voor een geluidsluwe buitenruimte welke 5 dB hoger ligt dan een geluidluwe zijde kan eveneens worden voldaan gelet op Figuur 3 van dit rapport. Hierdoor kan een scherm conform Figuur 4 en 5 van dit rapport reeds achterwege blijven. Het betreft hier bestaande bouw waarbij op basis van de historie en het gestelde in het Bouwbesluit sprake is van een vrij woningindeling conform de vigerende wet- en regelgeving. Deze indeling blijft onveranderd. Bespreking geluidsbelasting in relatie tot het bouwbesluit. Conform het Bouwbesluit moet aan een binnenwaarde van 33 dB worden voldaan om een goed woon- en leefklimaat in de woning te garanderen daar waar het gaat om nieuwbouw. Hierbij wordt er met het Bouwbesluit ervan uitgegaan dat de specifieke gevelwering GA;k bij nieuw bouw ten minste 20 dB bedraagt ten opzichte van de vast te stellen hogere waarde. Vooralsnog worden geen bouwkundige aanpassingen voorzien waardoor voor onderhavige situatie geen sprake is van nieuw bouw. In onderhavige situatie gaat het derhalve om bestaande bouw.
Hierop is conform het bouwbesluit het van rechtens verkregen niveau van toepassing, waardoor geen aanvullende voorziening benodigd zijn en de wetgever heeft gemeend dat onder deze omstandigheden reeds sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daar komt bij dat op basis van artikel 122 van de Woningwet geen verdergaande eisen gesteld kunnen worden dan in het bouwbesluit zijn opgenomen. Hierom kan ervan worden uitgegaan dat met een gevelbelasting van 57 dB en een standaard gevelwering van 20 dB een binnengeluidniveau resteert van 37 dB en gezien wordt als een goed woon- en leefklimaat bij bestaande bouw. Door Rijkswaterstaat wordt bij saneringsprojecten uitgegaan van een binnen-geluidniveau van 41 dB. Op basis van dit gegeven kan eveneens worden verondersteld dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor onderhavige situatie. Hieruit blijkt eveneens dat ter hoogte van de te splitsen woning geen voorziening benodigd zijn en dat er geen aanleiding bestaat voor Rijkswaterstaat dit woning deel te saneren. Bespreking goede ruimtelijke ordening
Ruimtelijke onderbouwing Mergental 1, Herpen, pag. 41 van 51 Datum 28-06-2017
Ten aanzien van de buitenruimte en verblijf op het terras kan verondersteld worden dat ter hoogte van de te ontwikkelen woning een “Matige” tot “Redelijke” milieukwaliteit heerst ten aanzien van het aspect geluid. Binnen het perceel is verder voldoende ruimte om een of meerder geluidluwere plekken te creëren. Derhalve kan worden verondersteld dat het aspect geluid een goede ruimtelijke ordening niet in de weg staat. Concluderend kan gesteld worden dat er geen belemmeringen zijn voor op het akoestisch vlak. 4.1.11 Gezondheid In het kader van deze ontwikkeling is door de gemeente Oss een advies aan GGD om advies gevraag over het aspect gezondheid. In haar schrijven van 13 j uni met kenmerk UIT-17038752 heeft de GGD dit advies uitgebracht (zie ook bijlagen). De conclusie van dit onderzoek is als volgt: De woonsplitsing zelf leidt niet tot een extra belasting tav geur, fijnstof, endotoxinen of geluid. Concluderend kan gesteld worden dat de fijnstofbelasting en een verhoogde blootstelling aan geluid een nadelig gezondheidseffect kan hebben op de bewoners. Daarnaast zal de (mogelijk) verhoogde achtergrondbelasting met betrekking tot geur ook nadelige effecten hebben op het welzijn van de bewoners . Echter begrijpen wij ook dat er in de huidige situatie al bewoners worden blootgesteld. De splitsing van de woning zal niet leiden tot een blootstelling aan een veel grotere populatie.
Daarnaast geeft het dichtstbijzijnde geitenbedrijf in zijn huidige geringe omvang, geen extra risico op q-koorts. Om bovenstaande redeneringen beoordeelt de GGD, dat de verhoogde blootstelling aan fijnstof en geluid en mogelijk geur leidt tot een minder goed woon- en leefklimaat wat niet wenselijk is. Echter gezien de beperkte omvang van deze woonsplitsing van 1 naar 2 gevoelige bestemming de GGD geen reden ziet om over deze ontwikkeling negatief te adviseren. Het aspect gezondheid geeft geen belemmering voor de voortgang van het project, het splitsen van de woning. 4.2 Waarden Binnen het plangebied voorkomende waarden op het vlak van natuur, archeologie of cultuurhistorie dienen te worden gerespecteerd en beschermd, mogelijk zelfs bevorderd. Bij ontwikkelingen moet proactief rekening worden gehouden met de aanwezige waarden. Achtereenvolgens komen aan bod: - Archeologie en cultuurhistorie (§ 4.3.1) - Natuur (§ 4.3.2) - Kwaliteitsverbetering van het landschap (§ 4.3.3) 4.2.1
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Op de verbeelding van het bestemmingsplan Buitengebied is de archeologische verwachtingswaarden opgenomen doormiddel van de dubbelbestemming. Onderhavig plangebied is gelegen binnen de dubbelbestemming ‘Waarde archeologie – Archeologische verwachtingswaarde hoog’. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van op of in die gronden aanwezige archeologische waarden. Indien er werken en/of werkzaamheden uit worden gevoerd over een oppervlakte van 100 m² of meer en dieper dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld geldt een onderzoeksplicht. Voorgenomen ontwikkeling gaat niet met een bodemverstoring gepaard. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan. Cultuurhistorie
Ruimtelijke onderbouwing Mergental 1, Herpen, pag. 42 van 51 Datum 28-06-2017
Zoals eerder aangegeven bevinden zich belangrijke cultuurhistorische waarden in het plangebied. Het object heeft een waardevolle hoofdvorm en ook nog enkele monumentaal waardevolle elementen in het interieur, tevens wordt het boerenerf waarop waardevolle bomen aanwezig zijn als cultuurhistorisch waardevol beoordeeld. Zonder onderhavige ontwikkeling zal het onderhoud van het pand niet langer op te brengen zijn. Dit levert de kans op dat het pand zal verloederen. Door voorgenomen ontwikkeling kan een cultuurhistorisch waardevol pand behouden blijven. Onderhavige ontwikkeling heeft dan ook een positief effect op de cultuurhistorische waarden in en in de omgeving van het plangebied. 4.2.2 Natuur Bij de bescherming van natuurwaarden gaat het enerzijds om soortenbescherming en anderzijds om gebiedsbescherming. Beide beschermingsregimes zijn geregeld in de Wet Natuurbescherming. Wet Natuurbescherming Soortenbescherming De Wet Natuurbescherming beschermt in het wild levende planten- en diersoorten. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen leiden tot verstoring, aantasting van broedplaatsen en vernietiging van verblijfplaatsen van beschermde soorten. De mate van bescherming hangt samen met de zeldzaamheid en kwetsbaarheid van de soort. In de wet is een algemene zorgplicht in verankerd. Op basis hiervan worden ook niet beschermde soorten zoveel mogelijk ontzien.
De Wet Natuurbescherming hanteert het ‘nee, tenzij’ principe. Activiteiten die mogelijk leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten zijn in principe verboden, tenzij maatregelen kunnen worden genomen om dit te voorkomen. In sommige gevallen dient voor een ruimtelijke ontwikkeling een ontheffing bij het ministerie te worden aangevraagd. Deze ontheffing wordt alleen verleend, als aangetoond wordt dat de voorgenomen ruimtelijke ingreep geen afbreuk zal doen aan de gunstige staat van instandhouding van de beschermde soorten. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is sterk gerelateerd door de aanwezigheid van bepaalde kleine landschapselementen (bosjes, wielen/poelen, heggen/hagen e.d.). In onderhavige situatie is er sprake van een functieverandering van een kantoor naar een woonfunctie waarbij een aan huis gebonden beroep mogelijk is. Hierbij is er slechts sprake van een beperkte interne verbouwing van de bestaande verblijfsruimte, een deur tussen de twee delen van de woning zal worden dichtgemetseld. Verdere aanpassingen zijn niet noodzakelijk.. Er wordt geen wijzigingen in de gevels of in de dakconstructie (plaatsen dakkapel/dakraam of het dicht maken van bestaande openingen) doorgevoerd. Mogelijk aanwezige soorten die van gebouwen gebruik maken (vogels, vleermuizen) worden dan ook niet verstoord.
Een ecologisch onderzoek als bedoeld in de Flora- en Fauna wet kan dan ook achterwege blijven. Vanuit het aspect flora en fauna zijn er geen belemmeringen voor het uitvoeren van onderhavig initiatief Gebiedsbescherming De bescherming van specifieke natuurgebieden is geregeld in de Wet Natuurbescherming. Het gaat om de volgende gebieden: Natura 2000-gebieden Aangewezen gebieden ter uitvoering van verdragen of andere internationale verplichtingen zoals Wetlands De Natura 2000-gebieden zijn aangewezen op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn en genieten op basis daarvan wettelijke bescherming. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura 2000-gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. In de gemeente Oss zijn geen van de hiervoor genoemde gebieden aanwezig. Wel liggen dergelijke gebieden in de nabijheid van de gemeente Oss. Voor de Natura 2000-gebieden zijn aanwijzingsbesluiten opgesteld. In het aanwijzingsbesluit staat welke doelen worden nagestreefd voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld welke soorten en leefomgevingen bescherming verdienen. Dit zijn de zogenaamde kwalificerende soorten en habitats. Vervolgens komt er
Ruimtelijke onderbouwing Mergental 1, Herpen, pag. 43 van 51 Datum 28-06-2017
in nauw overleg met betrokken partijen een beheerplan, waarin onder andere staat beschreven welke maatregelen nodig zijn om de doelen te behalen. Voor plannen of projecten die een (significant) negatief effect hebben op de kwalificerende soorten of habitats van het betreffende gebied geldt een vergunningplicht. Dit is een Natuurbeschermingswetvergunning. Of een plan of project (significant) negatieve effecten heeft op kwalificerende soorten of habitats van een bepaald gebied moet op grond van de Natuurbeschermingswet worden getoetst aan de hand van een Habitattoets. Een Habitattoets kan de vorm hebben van een verslechteringstoets (wanneer op voorhand significant negatieve effecten uit te sluiten zijn, maar negatieve effecten niet) of van een passende beoordeling (wanneer significant negatieve effecten niet op voorhand uit te sluiten zijn). Op deze manier is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden. In de meeste situaties is de provincie het bevoegde gezag voor de vergunningverlening. In sommige situaties is dit het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I). Dit is geregeld in het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998.
Gezien de aard van de ontwikkeling (het toevoegen van 1 woning) en de ruime afstand tot aan de beschermende gebieden zijn er geen negatieve effecten te verwachten. Natuurnetwerk Nederland Natuurgebieden in Nederland zijn erg versnipperd waardoor de biodiversiteit afneemt. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) heeft als doel om natuurgebieden te vergroten en te verbinden. Door natuurgebieden te vergroten en te verbinden met hun omgeving, kunnen planten en dieren zich makkelijker verspreiden over meer gebieden. Hierdoor zijn deze gebieden beter bestand tegen negatieve milieu-invloeden. In grotere natuurgebieden kunnen bovendien meer soorten planten en dieren leven. Het NNN door het Rijk globaal begrensd, waarna de provincies de begrenzing gedetailleerd vastleggen. Ook in de gemeente Oss is NNN aanwezig. Het plangebied bevindt zich niet in of grenst niet aan delen van het NNN. Het plan vormt derhalve geen belemmering voor de aanleg of instandhouding van het NNN. 4.2.3
Kwaliteitsverbetering van het landschap
Regeling ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ In 2010 is de regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte (destijds art. 2.2, nu artikel 3.2) in werking getreden. In het RRO van januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. In 2014 – 2015 is de regeling geëvalueerd en zijn aanbevelingen opgesteld voor bijstelling van het afsprakenkader. Toepassingsbereik De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Voor planmatige ontwikkelingen in het buitengebied is art. 3.2. altijd van toepassing. Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die we regionaal hebben afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader. Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling ruimtelijk gewenst is. Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen. Afspraken toepassingsbereik 1.