Bijlage 2A Toelichting - bijlage 01 Dorpenweg 2 Macharen
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN Buitengebied Oss - 2020 Bijlagen bij toelichting
Bijlage 1 - ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, Macharen
Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |
BESTEMMINGSPLAN Buitengebied Oss - 2019 Bijlagen bij toelichting
Bijlage 1 - ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, Macharen
Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 1 van 37 29-12-2017
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2
Gemeente Oss, 29-12-2017
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 2 van 37 29-12-2017
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 3 van 37 29-12-2017
INHOUDSOPGAVE Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1
Inleiding ............................................................................................................. 6
1.1
Aanleiding ..................................................................................................................... 6
1.2
Begrenzing plangebied ..................................................................................................... 6
1.3
Vigerend bestemmingsplan ............................................................................................... 7
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving .................................................................................................. 9
2.1
Bestaande situatie ........................................................................................................... 9
2.2
Beoogde situatie ............................................................................................................. 9
2.3
Stedenbouwkundige karakteristiek.................................................................................... 10
2.4
Functionele karakteristiek ............................................................................................... 11
2.5
Groen en water ............................................................................................................. 11
Hoofdstuk 3
Beleidskader ..................................................................................................... 12
3.1
Wettelijk kader .............................................................................................................. 12
3.2
Rijksbeleid ................................................................................................................... 14
3.3
Provinciaal beleid .......................................................................................................... 16
3.4
Gemeentelijk beleid ....................................................................................................... 24
Hoofdstuk 4
Verantwoording ................................................................................................. 30
4.1
Milieu- en omgevingsaspecten ......................................................................................... 30
4.2
Waarden ...................................................................................................................... 34
Hoofdstuk 5
Haalbaarheid ..................................................................................................... 37
5.1
Economische uitvoerbaarheid .......................................................................................... 37
5.2
Inspraak ...................................................................................................................... 37
Bijlagen 1. Bestaande landschappelijke inpassing 2. Beoogde landschappelijke inpassing
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 4 van 37 29-12-2017
Ruimtelijke onderbouwing Bestemmingsplan Dorpenweg 2
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 5 van 37 29-12-2017
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 6 van 37 29-12-2017
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Op het perceel plaatselijk bekend als Dorpenweg 2 (hierna: plangebied) staat een boerderij (bedrijfswoning) met loods en veldschuur. Het plangebied was voorheen in gebruik als bedrijf. Er wordt momenteel alleen nog gewoond. Dit gebruik is binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan niet rechtstreeks mogelijk. Om het gebruik mogelijk te maken is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Het College van burgemeester en wethouders geeft aan dat de ontwikkeling meegenomen kan worden in de algehele herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2010’. Het is daarvoor noodzakelijk dat de ontwikkeling ruimtelijk wordt gemotiveerd, vandaar dat onderhavige ruimtelijke onderbouwing is opgesteld. 1.2
Begrenzing plangebied
Het plangebied ligt ten zuiden van Macharen aan de Dorpenweg (kadastraal bekend als gemeente Oss, sectie O, nr. 113). De ligging en begrenzing van het plangebied zijn te zien op de navolgende afbeeldingen.
Afbeelding 1: Ligging plangebied
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 7 van 37 29-12-2017
Afbeelding 2: Begrenzing plangebied
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2010’. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 21 juli 2010 door de gemeenteraad van Oss. Het plangebied heeft hierin deels de bestemming ‘Bedrijf’ ten behoeve van een agrarisch-technisch hulpbedrijf en/of een agrarisch verwant bedrijf en deels de bestemming ‘Agrarisch’. Navolgende afbeelding geeft een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan.
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 8 van 37 29-12-2017
Afbeelding 3: Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2010’
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 9 van 37 29-12-2017
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Bestaande situatie
Het plangebied ligt aan de Dorpenweg op de overgang van de bebouwde kom van Macharen naar het open buitengebied. In het plangebied, binnen het bestemmingsvlak van een voormalig agrarisch verwant bedrijf, staat momenteel een vrijstaande boerderij (bedrijfswoning), een loods en een veldschuur. Zie navolgende afbeelding ter verduidelijking.
Woonboerderij Veldschuur Loods
Afbeelding 4: Bestaande situatie
2.2
Beoogde situatie
Op dit moment is het plangebied niet meer in gebruik als agrarisch verwant bedrijf. De vrijstaande boerderij (voormalige bedrijfswoning) wordt gebruikt als burgerwoning. De loods en de veldschuur fungeren als bijgebouwen bij de woning. Daarmee bestemt het vigerende bestemmingsplan niet het feitelijke gebruik. Als het plangebied de bestemming ‘Wonen’ krijgt, wordt deze situatie opgelost. Zodoende vraagt de eigenaar dan ook de vigerende bestemming ‘Bedrijf’ te wijzigen in de bestemming ‘Wonen’ conform de gele arcering op de onderstaande afbeelding. Hierbij wordt ook een deel van de vigerende bestemming ‘Bedrijf’ omgezet naar ‘Agrarisch’. Dit betreft de groene en blauw arcering op de onderstaande afbeelding.
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 10 van 37 29-12-2017
Afbeelding 5: Beoogde planologische situatie
In de beoogde situatie blijven de loods en de veldschuur behouden. Alleen de kleine bijgebouwen die buiten het bestemmingsvlak ‘Wonen’ liggen worden verwijderd. In totaliteit blijft een oppervlakte van 270 m² behouden. De veldschuur is noodzakelijk voor het hobbymatig kunnen houden van pony’s en paarden. Voorheen stond er voor de dieren een grote stalen container. De loods wordt naast de stalling van auto’s en fietsen ook gebruikt voor de stalling van de paardentrailer en een tractor voor de bewerking van de omliggende agrarische grond. De eigenaar is voornemens om naast de loods en de veldschuur, direct aansluitend op het bijbehorende bestemmingsvlak ‘Wonen’ (zie blauwe arcering op bovenstaande afbeelding) een paardenbak aan te leggen. Zie afbeelding 6 voor de exacte situering. De paardenbak is voor hobbymatig gebruik en wordt conform de binnenplanse afwijkingsregeling niet groter dan 825 m². Voor de landschappelijke inpassing van de paardenbak zijn aan de west- en zuidkant in totaal 15 knotwilgen voorzien. Daarnaast komt tussen de Dorpenweg en de paardenbak inheemse struweelbeplanting, passend op de oeverwal, zoals hazelaar, kornoelje, liguster, lijsterbes, sleedoorn, hondsroos, egelantier en/of gelderse roos (minimaal 4 van deze soorten). 2.3
Stedenbouwkundige karakteristiek
Het onderhavige plan voorziet niet in een nieuwbouwactiviteit. De bestaande stedenbouwkundige karakteristiek blijft behouden.
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 11 van 37 29-12-2017
2.4
Functionele karakteristiek
Het plangebied ligt aan de Dorpenweg. De bebouwing aan de Dorpenweg heeft in hoofdzaak een woonfunctie. Het plangebied zal in de voorgenomen situatie eveneens een woonfunctie krijgen. In ruil voor de woonbestemming verdwijnt een bedrijfsbestemming in de kernrandzone van Macharen. Gezien de ligging van het perceel sluit een woonbestemming beter aan op de functionele karakteristiek van de directe omgeving. Daarnaast wordt met de omzetting voorkomen dat er in de toekomst extra bedrijfsbebouwing in de directe nabijheid van de kern Macharen kan worden gebouwd. Meer van de Dorpenweg af bevinden zich enkele agrarische bedrijven. Het dichtstbij gelegen agrarisch bedrijf ligt op ca. 180 meter. 2.5
Groen en water
In onderhavig plan gaat het enkel om een gebruikswijziging. Qua bebouwing en erfverharding zijn er geen veranderingen. Er zijn dan ook geen waterhuishoudkundige gevolgen. Het bestaande groen zal behouden blijven en waar mogelijk worden versterkt. Er wordt o.a. voorzien in de aanplant van 15 knotwilgen. Daarnaast wordt aan de noordwestzijde van het plangebied voorzien in de aanplant van inheemse struweelbeplanting, passend op de oeverwal, zoals hazelaar, kornoelje, liguster, lijsterbes, sleedoorn, hondsroos, egelantier en/of gelderse roos (minimaal 4 van deze soorten). Onderstaande afbeelding geeft een goed beeld van de bestaande en beoogde landschappelijke inpassing.
Afbeelding 6: Bestaande en beoogde landschappelijke inpassing – bron: Hoveniersbedrijf De Groene Hoeve
.
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 12 van 37 29-12-2017
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Wettelijk kader
3.1.1 Wet ruimtelijke ordening Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. De hoofdlijnen van de nieuwe wet zijn samengevat: - Decentraal wat kan en centraal wat moet: rijk en provincie moeten en mogen niet meer regelen dan wat de taak van deze overheden direct met zich brengt; - Rijk, provincie en gemeente hebben gelijke instrumenten en kunnen die inzetten voor de eigen taken op het gebied van de ruimtelijke ordening: structuurvisie, bestemmingsplan en projectafwijkingsbesluit; - Rijk en provincie kunnen zaken voor gemeente dwingend voorschrijven via een verordening en via een aanwijzing; - Er is een strikte scheiding tussen beleid en bestemmingsplan; beleidsdocumenten hebben geen directe juridische werking meer; - De goedkeuring van de provincie op bestemmingsplannen is vervallen; - De gemeente moet meer werk maken van de herziening van bestemmingsplannen: o Er komt een sanctie op verouderde bestemmingsplannen: geen legesheffing meer mogelijk; o Voor de realisering van projecten kan een projectafwijkingsbesluit genomen worden; - Voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen spelen kan de gemeente kiezen om een beheersverordening te maken in plaats van een bestemmingsplan; - Er is een drempel voor planschade van 2%; - De mogelijkheid van kostenverhaal bij grondexploitatie is verbeterd; - Bestemmingsplannen moeten analoog en digitaal worden gemaakt.
3.1.2 Grondexploitatiewet Tegelijk met de Wet ruimtelijke Ordening is de nieuwe Grondexploitatiewet (Grex-wet) in werking getreden. De grondexploitatiewet is als paragraaf 6.4 in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening opgenomen. De Grex-wet is noodzakelijk omdat eerdere wettelijke instrumenten voor kostenverhaal, te weten de exploitatieverordening en de baatbelasting, niet toereikend bleken. Doelstelling van de nieuwe wet is een goede regeling voor kostenverhaal, binnenplanse verevening en enkele locatie-eisen bij particuliere grondexploitatie. Onder de Grex-wet is kostenverhaal mogelijk via het privaatrechtelijke spoor (door middel van een vrijwillige samenwerkingsovereenkomst) en door middel van het publiekrechtelijke spoor. Eén van de belangrijkste vernieuwingen die de wet brengt, is het verplichtende karakter van kostenverhaal. Privaatrechtelijke afspraken hebben de voorkeur. Maar als een gemeente er niet in geslaagd is met alle particuliere eigenaren in een gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie moet de gemeente publiekrechtelijk kosten verhalen bij partijen waarmee geen contract is gesloten. Dit publiekrechtelijke verhaal gaat door middel van een exploitatieplan, waarvan de totstandkoming gelijk op moet lopen met een bestemmingsplan. De verplichting tot een publiekrechtelijke regeling is gekoppeld aan twee voorwaarden: 1.
In de eerste plaats is een ruimtelijk besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening nodig. Het publiekrechtelijk instrumentarium is alleen van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijziging van een bestemmingsplan, of een projectafwijkingsbesluit. 2. De tweede voorwaarde is dat het ruimtelijk besluit voorziet in nieuwbouw of in belangrijke en omvangrijke verbouwplannen met functiewijzigingen. De bouwplannen waar het om gaat zijn in het Besluit ruimtelijke ordening aangewezen. Dit bestemmingsplan voorziet in nieuwe bouwmogelijkheden. De Grondexploitatie-wetgeving is dan ook van toepassing. Dat betekent dat meerkosten voor de planologische procedure als gevolg van particuliere
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 13 van 37 29-12-2017
ontwikkelingen dienen te worden verhaald op de initiatiefnemer(s). De verhaal van deze kosten kan op twee manieren worden geregeld, namelijk via een anterieure overeenkomst of via een exploitatieplan. De gemeente Oss heeft nadrukkelijk de voorkeur om dit via een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer te regelen omdat het opstellen van een exploitatieplan aanzienlijke meerkosten voor gemeente én initiatiefnemer tot gevolg heeft. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in nieuwe bouwmogelijkheden. De Grondexploitatie-wetgeving is ook niet van toepassing. 3.1.3 Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg, aangenomen in 2006, is het doel van het in 1992 gesloten Verdrag van Valletta (Malta) verwerkt: bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Om dat doel te bereiken moet de wetgever het archeologisch erfgoed betrekken bij de ruimtelijke ordening. Met de wet wordt het Verdrag van Valletta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De kern van de wet is dat gemeenten verantwoordelijk worden voor de archeologische monumentenzorg binnen de gemeentegrenzen. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de gemeente rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden.
3.1.4 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. De Wet natuurbescherming vervangt 3 wetten die tot 1 januari 2017 golden: • De Natuurbeschermingswet 1998. Deze wet regelde de natuurbescherming van gebieden. • De Flora- en faunawet. Deze wet beschermde in het wild voorkomende diersoorten en plantensoorten. • De Boswet. Deze wet beschermde de Nederlandse bossen. Met één wet en minder regels wordt de regelgeving voor natuurbescherming overzichtelijker. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000).
Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming, Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. Meer informatie over vergunningen en ontheffingen Wet natuurbescherming staat op de site van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. 3.1.5 Erfgoedwet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. De wet is op 1 juli 2016 in werking getreden en vervangt zes wetten en regelingen. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. De Erfgoedwet vervangt de volgende zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed: • Monumentenwet 1988; • Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten; • Wet tot behoud van cultuurbezit; • Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied; • Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 over onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen;
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 14 van 37 29-12-2017
•
Regeling materieel beheer museale voorwerpen.
In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor archeologische rijksmonumenten net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen zoals de Wabo en het Bro. 3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Ruimte de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De visie stelt het (integrale) kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau in Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: - Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland. (concurrerend) - Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. (bereikbaar) - Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke cultuurhistorische waarden behouden zijn. (leefbaar en veilig) De SVIR vervangt onder meer de volgende nota’s: - de Nota Ruimte; - de Structuurvisie Randstad 2040; - de Nota Mobiliteit; - de MobiliteitsAanpak; - de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Verder vervallen met de SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken uit de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Oplossingsrichtingen Verstedelijkings- en landschapsbeleid wordt overgelaten aan gemeenten en provincies.
Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei geënt op het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. Bij gebiedsontwikkelingen moet de daadwerkelijke vraag van bewoners, bedrijven en organisaties leidend worden. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 15 van 37 29-12-2017
het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en, mocht nieuwbouw echt nodig zijn, altijd zorgen voor een optimale (multimodale) bereikbaarheid. Bij het verbeteren van de bereikbaarheid wordt sterk gelet op het samenspel tussen alle modaliteiten (weg, spoor, water) in samenhang met ruimtelijke ontwikkeling. Er moet innovatief worden omgegaan met de benutting van de infrastructuur. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op dertien nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaat boeken. Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De 13 nationale belangen zijn: Vergroten van de concurrentiekracht van Nederland 1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren. 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie. 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen. 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond. Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid. 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen. 6.
Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem. 7. Het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen. Waarborgen kwaliteit leefomgeving 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. 12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. Overkoepelend 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Indien nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening dat vergen, kan de minister regels stellen aan de inhoud van bestemmingsplannen. Dit heeft de minister, in de vorm van een algemene maatregel van bestuur, gedaan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 december 2011 is dit besluit in werking getreden.
Het kabinet heeft in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld dat voor een aantal onderwerpen verdere regels gesteld moeten worden. In het Barro komen dertien nationale belangen als titels terug. De volgende kunnen relevant zijn voor ruimtelijke plannen in de gemeente Oss: - Rijksvaarwegen - Grote rivieren - Defensie - Hoofdwegen en hoofdspoorwegen - Elektriciteitsvoorziening - Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen - Ecologische hoofdstructuur - Primaire waterkeringen buiten het kustfundament
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 16 van 37 29-12-2017
De regels in het besluit zijn concreet normstellend benoemd en moeten direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. De indirecte doorwerking komt enkel bij de Ecologische Hoofdstructuur en de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden voor. Het Barro voorziet verder in een hoofdstuk overige bepalingen en gaat gepaard met meerdere bijlagen. In deze bijlagen worden onder andere de belangen van de grote rivieren en defensie geografisch begrensd. Bij het opstellen van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van het Barro. Voor de gemeente Oss zijn met name de titels met betrekking tot de rijksvaarwegen, de grote rivieren, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en defensie (rechtstreeks) van belang. De regels in titel 2.4 Grote rivieren vormen feitelijk de doorwerking van de Beleidsregels Grote rivieren. Ten aanzien van titel 2.6 Defensie wordt de enige mogelijke beperking gevormd door de bescherming van het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd.
De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen (Bro, artikel 3.1.d). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van ruimte in stedelijke gebieden. Overheden dienen nieuwe stedelijke ontwikkeling te motiveren met de drie opeenvolgende stappen: a) er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte (trede 1); b) indien uit de beschrijving, bedoeld onder a, blijkt dat van een actuele regionale behoefte sprake is, dan wordt beschreven in hoeverre in die behoefte kan worden voorzien in bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins (trede 2); c) blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio plaats kan vinden, dan wordt beschreven in hoeverre in die behoefte wordt voorzien op locaties die, gebruik makend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld (trede 3)
Uit jurisprudentie over de duurzame ladder is gebleken dat wanneer er sprake is van een ontwikkeling die geen of beperkte toename aan bouwmogelijkheden met zich mee brengt, deze niet gezien wordt als een stedelijke ontwikkeling die ladder plichtig is. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in bouwmogelijkheden. Er is derhalve geen sprake van een ontwikkeling waarvoor de duurzame ladder van toepassing is. 3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – partiële herziening 2014 Op 19 maart 2014 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 vastgesteld. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. Met deze structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijke beleid tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten die de Wet ruimtelijke ordening biedt inzet. Naast de Structuurvisie stelt de provincie een verordening ruimte op. In deze verordening vertaalt de provincie de kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Aanvullend zijn ook gebiedspaspoorten opgesteld. Deze vormen een uitwerking van de visie en bevatten de landschapskenmerken die bepalend zijn voor de kwaliteit van een gebied of een landschapstype en hoe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan het behoud en versterking daarvan.
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 17 van 37 29-12-2017
De provincie kiest met de structuurvisie voor een duurzame ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie af komen. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. Provinciale belangen en ruimtelijke keuzes De provincie wil sturen op ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke keuzes geven inhoud aan het streven naar ruimtelijke kwaliteit en zijn van provinciaal belang. De belangrijkste keuzes voor de gemeente Oss zijn: - Regionale contrasten De provincie wil de contrasten tussen klei, zand en veenontginningen versterken. - Een multifunctioneel landelijk gebied De provincie kiest voor een integrale aanpak. Waar de landbouw de drager van het landschap is wordt ruimte gegeven aan optimale en duurzame ontwikkeling van de aanwezige landbouwsector. In de jonge rivierkleigebieden moet de agrarische functie (rundveehouderij) behouden blijven. Op de oeverwallen langs de rivieren wordt ruimte geboden voor menging van landbouw, natuur, landschap, recreatie, wonen, werken en zorg. Dit is van belang voor de plattelandseconomie. - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem Het patroon van beken en kreken moet beter beleefbaar worden. De ecologische hoofdstructuur wordt versterkt door het natuursysteem nog beter aan het watersysteem te koppelen.
- Een betere waterveiligheid door preventie Gestreefd wordt naar vergroting van de watervoerende capaciteit van het rivierbed in combinatie met het concept van de doorbraakvrije dijk. - Concentratie van verstedelijking Brabant heeft de ambitie zich te ontwikkelen tot een top kennis- en innovatieregio op Europees niveau. De provincie vindt het daarom belangrijk dat er verschil blijft tussen de steden en de kernen in het landelijk gebied, de zogenaamde mozaïekstructuur. - Sterk stedelijk netwerk De provincie wil een sterk stedelijk netwerk van Brabantse steden. Goede bereikbaarheid tussen de steden onderling en andere omliggende stedelijke netwerken is belangrijk. - Groene geledingszones tussen steden De provincie zet in op behoud en ontwikkeling van groene geledingszones tussen de stedelijke kernen. - Gedifferentieerd aanbod goed bereikbare vrijetijdsvoorzieningen Een kwalitatief goede vrijetijdsbesteding is een belangrijke voorwaarde voor het realiseren van een goed leef-, werk- en vestigingsklimaat. Belangrijk aandachtspunt daarbij is dat er een breed aanbod aan vrijetijdsvoorzieningen is met een goede toegankelijkheid en bereikbaarheid. Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. De hoofdregel is dat ontwikkelruimte dient bij te dragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit.
Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan vasthouden aan wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe kwaliteiten. De zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit bepaalt dat: - er zorgvuldig wordt omgegaan met het ruimtegebruik; - er rekening wordt houden met de omgeving; - de ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Dit principe is van toepassing op zowel het stedelijk als het landelijk gebied en wordt uitgewerkt in de Verordening ruimte 2012. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toepassen. Nieuw ruimtebeslag moet zoveel mogelijk voorkomen worden. In eerste instantie krijgen initiatieven een plek binnen bestaand bebouwd gebied. Pas als hier geen mogelijkheden zijn of de kwaliteiten van de geplande ontwikkeling hier niet bij passen, wordt er in de omgeving gezocht naar de best mogelijke plek. Naast zuinig ruimtegebruik richt de provincie zich ook op herstructurering en hergebruik van verouderde locaties in het stedelijk gebied en op sanering van ongewenste functies in het buitengebied.
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 18 van 37 29-12-2017
Rekening houden met de omgeving Gebiedskenmerken en omliggende waarden, gebaseerd op de lagenbenadering, zijn leidend bij de vraag “waar” en “hoe” de nieuwe ruimte wordt aangesneden. De ruimtelijke onderbouwing van een ontwikkeling geeft aan hoe is omgegaan met de ambities zoals verwoord in de structuren en in de gebiedspaspoorten. Hierbij wordt een relatie gelegd tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de gebiedskenmerken van de plek. Kwaliteitsverbetering van het landschap Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken. Dit uitgangspunt geldt voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied én buiten de ecologische hoofdstructuur en maakt de principes van ontwikkelingsplanologie toepasbaar. Concreet betekent dit dat passende functies zich kunnen ontwikkelen als er ook een prestatie voor het landschap tegenover staat. Daardoor wordt aantasting van de basiskwaliteit (bodem, water) en verlies aan ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden voorkomen. Ontwikkelingen die passen bij de aard, schaal en functie van het landelijk gebied, zoals agrarische en recreatieve ontwikkelingen en kleinschalige dienstverlening zijn mogelijk. Ook de ontwikkeling van andere (rode) functies is onder voorwaarden mogelijk.
De ruimtelijke onderbouwing van een besluit geeft aan welke bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en hoe dit is geborgd. In principe gaat de provincie uit van de realisering van een fysieke prestatie op de projectlocatie en/of de directe projectomgeving. Indien dat niet mogelijk is, is de vorming van gemeentelijk of regionaal landschapsfonds een optie. Structuren: ambitie, beleid en uitvoering De structuren geven een hoofdkoers aan, een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De volgende vier structuren worden onderscheiden. - De groenblauwe structuur - Het landelijk gebied - De stedelijke structuur - De infrastructuur
Structurenkaart
De groenblauwe structuur Deze omvat de samenhangende gebieden in Noord-Brabant waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. Niet alleen in, maar ook buiten de natuurgebieden. Er is ruimte voor de ontwikkeling van een natuurlijk en robuust watersysteem. Het vormt de groenblauwe ruggengraat van het landschap en is van belang voor een goede, aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving in Noord-Brabant. Binnen deze groenblauwe structuur wil de provincie het volgende bereiken: 1. Positieve ontwikkeling van de biodiversiteit, natuur- en watersystemen zijn beschermd en worden verbeterd door een goede onderlinge verbinding; 2. Een robuuste en veerkrachtige structuur. 3. De natuurlijke basis en landschappelijke contrasten versterken. Versterken van de identiteit van de landschappen; 4. Gebruikswaarde van natuur en water verbeteren. De gebieden in de groenblauwe structuur zijn belangrijk voor recreatie en toerisme.
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 19 van 37 29-12-2017
In de groenblauwe structuur worden drie perspectieven onderscheiden: - Het kerngebied groenblauw Natuurgebieden in de ecologische hoofdstructuur, robuuste ecologische verbindingszones en belangrijke waterstructuren horen in dit perspectief. De hoofdfunctie is behoud en ontwikkeling van het natuur- en watersysteem. - De groenblauwe mantel Overwegend gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfunctie voor natuur en water. Gebieden grenzend aan het kerngebied die bijdragen aan de bescherming van de waarden. Het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, water(-beheer) en landschap is in de groenblauwe mantel een belangrijke opgave. Vormen van grondgebonden agrarisch gebruik zijn van blijvend belang voor de ontwikkeling van groene en blauwe waarden. Verder liggen er kansen voor recreatie en toerisme. - De gebieden voor waterberging Deze gebieden zijn van belang voor hoogwaterbescherming (ruimte voor de rivier) en waterberging (regionale waterberging). Het landelijk gebied Het landelijk gebied omvat het gebied buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur zoals steden, dorpen en bedrijventerreinen. Het gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte. Naast landen tuinbouw is er ruimte voor niet-agrarische functies. Binnen het landelijk gebied wil de provincie het volgende bereiken: 1. Ruimte voor een breed georiënteerde plattelandseconomie; 2.
Ruimte voor duurzame agrarische ontwikkeling; 3. Versterking van het landschap. Er worden binnen het landelijk gebied twee perspectieven onderscheiden: Gemengd landelijk gebied De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. Binnen dit gebied wordt de agrarische functie vaak in samenhang met andere functies (in de omgeving) uitgeoefend. Hier kan worden voldaan aan de vraag naar kleinschalige stedelijke voorzieningen, recreatie en ondernemingen in een groene setting. Daarnaast wil de provincie ook dat er ruimte beschikbaar blijft om de agrarische productiestructuur te behouden en te versterken. Dat betekent dat (stedelijke) functies die ten koste gaan van de ruimte voor agrarisch gebruik of die strijdig zijn met de landbouw in die gebieden geweerd worden. Hierdoor blijft er ruimte gereserveerd voor agrarische ontwikkelingen. De provincie vraagt aan gemeenten om deze gebieden vast te leggen en te beschermen. De landbouwontwikkelingsgebieden en de vestigingsgebieden glastuinbouw beschouwt de provincie in ieder geval als primair agrarisch gebied. Ook delen van het verwevingsgebied richten zich vaak primair op agrarische ontwikkeling.
Accentgebied agrarische ontwikkeling Binnen deze gebieden ziet de provincie ruimte en kansen om de agrarische productiestructuur te verduurzamen en te versterken. Op de structurenkaart zijn vanuit een regionaal schaalniveau vier accentgebieden agrarische ontwikkeling aangeduid. De komgebieden van de gemeente Lith maken hiervan deel uit. Hier liggen mogelijkheden voor schaalvergroting en intensivering van de landbouw. Transitie naar een zorgvuldige veehouderij De wens tot verduurzaming van de agrarische sector heeft geleid tot de denklijn ‘Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd’. De denklijn bestaat uit drie uitgangspunten: - ontwikkelruimte is alleen mogelijk als dit op bedrijfsniveau bijdraagt aan een verdere verduurzaming door het treffen van extra maatregelen; - de som van het effect van alle bedrijven in een gebied kan de draagkracht van een gebied te boven gaan; - door het bieden van een economisch perspectief aan de landbouw en agrofood door meer toegevoegde waarde van het product, transparantie en nieuwe verdienmodellen.
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 20 van 37 29-12-2017
De ontwikkeling van de agrarische sector is gericht op inpassing in het landschap en een transitie naar duurzame en zorgvuldige veehouderij. De stedelijke structuur De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. Binnen de stedelijke structuur heeft de provincie de volgende doelen: 1. Concentratie van verstedelijking 2. Inspelen op demografische ontwikkelingen 3. Zorgvuldig ruimtegebruik 4. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit 5. Betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur 6. Versterking van de economische clusters Er worden binnen de stedelijke structuur twee perspectieven onderscheiden: - Stedelijk concentratiegebied In het stedelijk concentratiegebied met de bijhorende zoekgebieden voor verstedelijking wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgave opgevangen. De groene ruimten tussen de steden worden open gehouden. - Kernen in landelijk gebied De kernen in het landelijk gebied worden zo veel mogelijk ontzien van verdere verstedelijking doordat daar alleen de opvang van de eigen verstedelijkingsbehoefte wordt opgevangen (migratiesaldo-nul). Het plangebied ligt in het gemengd landelijk gebied. De omzetting van een bestemming ‘Bedrijf’ naar een bestemming ‘Wonen’ sluit aan op de visie voor dit gebied.
3.3.2 Verordening ruimte 2014 In de Verordening ruimte 2014 vertaalt de provincie Noord-Brabant de kaderstellende elementen uit haar beleid en rijksbeleid, waaronder het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. De Verordening ruimte 2014 geldt als vervanging van de Verordening ruimte 2012. In artikel 3 van de regels in de Verordening ruimte 2014 worden de algemene regels ten aanzien van het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit gegeven. In het algemeen houdt ruimtelijke kwaliteit in dat gebruikers van een gebied rekening houden met het karakter, de grootte en de functie ervan. De bevordering van de ruimtelijke kwaliteit is uiteengezet in drie artikelen: - Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling moet bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Er moet in ieder geval sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing en zorgvuldig ruimtegebruik. Zorgvuldig ruimtegebruik is het gebruik van bestaande ruimte. Dit betekent dat gebruik gemaakt wordt van bestaande bouwpercelen en dat ontwikkelingen worden verantwoord middels de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Er moet ook rekening worden gehouden met de maat en schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving.
-
-
Kwaliteitsverbetering van het landschap Een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het gebied of de omgeving. De verbetering moet zijn financieel, juridisch en feitelijk zijn geborgd en passen in het ruimtelijk beleid. Er moet ook verantwoord worden hoe de regionale afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap worden nagekomen. Afwijking in verband met maatwerk Bij ontwikkelingen van een groot openbaar belang kan worden afgeweken van provinciaal beleid. Nieuwvestiging is echter alleen mogelijk als aangetoond kan worden dat er geen mogelijkheden zijn voor vestiging.
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 21 van 37 29-12-2017
Deze algemene regels zijn van toepassing op zowel stedelijk, als landelijk gebied. Ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied: In de Verordening ruimte 2014 worden voor het buitengebied regels gesteld met betrekking tot ruimtelijke ontwikkeling binnen de volgende structuren: de ecologische hoofdstructuur de groenblauwe mantel het gemengd landelijk gebied Het plangebied ligt binnen het gemengd landelijk gebied. Gemengd landelijk gebied Dit artikel geeft twee mogelijke ontwikkellijnen aan om op te nemen in een bestemmingsplan in agrarisch gebied: een gemengde plattelandseconomie en een agrarische economie. Gemeenten houden bij het bepalen van het lokale beleid rekening met de aard van de economieën die in een bepaald gebied aanwezig zijn. Het artikel veronderstelt dat het bedoelde lokale beleid een ruimtelijke ontwikkelvisie op het agrarische gebied bevat, bij voorkeur gebaseerd op de gemeentelijke structuurvisie. De aanduiding van een gebied als gemengde plattelandseconomie impliceert meer ruimte voor niet-agrarische functies. Het gaat daarbij onder andere om het zoeken naar nieuwe economische dragers voor een vitaal platteland. Op delen van het gemengd landelijk gebied is een aanduiding zoekgebied stedelijke ontwikkeling of integratie stad-land gelegd. Indien toepassing wordt gegeven aan de mogelijkheden voor stedelijke ontwikkeling geldt deze bepaling niet.
Binnen de structuur gemengd landelijk gebied worden kaders gegeven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er worden regels gesteld voor: - beschrijving gemengd landelijk gebied - (vollegronds)teeltbedrijven - veehouderijen - afwijkende regels veehouderij - glastuinbouwbedrijven - overige agrarische bedrijven - wonen - ruimte-voor-ruimte - landgoederen - niet-agrarische functies - afwijkende regels voor agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch-verwante bedrijven - afwijkende regels voor mestbewerking - afwijkende regels recreatieve bedrijven - afwijkende regels voor horecabedrijven en maatschappelijke voorzieningen - afwijkende regels voor tuincentra - kleinschalige voorzieningen - watergebonden voorzieningen - lawaaisporten - wegen De omzetting van een voormalige bedrijfswoning naar een burgerwoning is op grond van de Verordening ruimte mogelijk, mits is verzekerd dat: • er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; • overtollige bebouwing wordt gesloopt; • de vestiging van andere functies is uitgesloten in het geval er sprake is van afsplitsing van een voormalige bedrijfswoning. De beoogde ontwikkeling voldoet aan deze voorwaarden. Er vindt geen afsplitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt, de overtollige bebouwing wordt gesloopt en er worden geen andere functies toegestaan. De aanwezige bebouwing is nodig voor het hobbymatig kunnen houden van pony’s en
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 22 van 37 29-12-2017
paarden. Daarnaast is er ook extra ruimte nodig voor het bewerken van de omliggende agrarische gronden. De Verordening ruimte 2014 kent verder meerdere gebiedsaanduidingen en/of aandachtsvelden die doorwerking dienen te krijgen in bestemmingsplannen. Hieronder wordt aangegeven hoe aan de voorwaarden van de aanduidingen wordt voldaan. Ecologische Hoofdstructuur Met betrekking tot de ecologische hoofdstructuur (EHS) zijn er, naast de ecologische hoofdstructuur zelf, twee aanduidingen opgenomen in de Verordening ruimte: - ecologische verbindingszones; - attentiegebieden ecologische hoofdstructuur. Het plangebied ligt niet binnen een van de bovenstaande aanduidingen. Water Ten aanzien van water zijn in de Verordening ruimte wateraanduidingen opgenomen. Deze aanduidingen zijn: - Regionale waterberging - Reservering waterberging - Waterwingebied - Grondwaterbeschermingsgebied - Aansluiting primaire waterkering - Rivierbed - Boringsvrije zone - Behoud en herstel van watersystemen . Het plangebied ligt niet binnen een van de bovenstaande aanduidingen. Aardkunde en cultuurhistorie In de verordening stelt de provincie aanduidingen op ten aanzien van: - aardkundig waardevolle gebieden; - cultuurhistorische vlakken; - de Nieuwe Hollandse Waterlinie; - complexen van cultuurhistorisch belang. In het plangebied zijn geen onderdelen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie gelegen.
De betreffende regels van de verordening vinden dan ook geen doorwerking in dit bestemmingsplan. In de Verordening ruimte worden slechts de cultuurhistorische vlakken aangegeven. De beschrijving van de cultuurhistorische waarden en kenmerken binnen die vlakken is te vinden in de Cultuurhistorische Waardenkaart (2010) van de provincie Noord-Brabant. Integratie stad – land Onder specifieke voorwaarden is stedelijke ontwikkeling mogelijk in gebieden met bijzondere landschappelijke kwaliteiten, de zogenoemde ‘gebieden integratie stad-land’. In deze gebieden kan stedelijke ontwikkeling plaatsvinden in samenhang met een groene en blauwe landschapsontwikkeling. Ontwikkeling van een middelzwaar of zwaar bedrijventerrein is nadrukkelijk uitgesloten. De voorwaarden waaronder stedelijke ontwikkeling mogelijk is, zijn: - de stedelijke ontwikkeling aansluit bij het bestaand stedelijk gebied of plaatsvindt in een nieuw cluster van stedelijke bebouwing - stedenbouwkundig en landschappelijk rekening houden met ruimtelijke kwaliteiten en structuren - de stedelijke ontwikkeling is in omvang en ruimtelijke kwaliteit evenredig met groene en blauwe landschapsontwikkeling Een bestemmingsplan dat ligt in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling kan voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen als het in een bebouwingsconcentratie ligt.
Voorwaarden hiervoor zijn: - verzekeren van een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen - geen sprake van aanzet tot stedelijke ontwikkeling (zoals bedoeld in artikel 4)
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 23 van 37 29-12-2017
-
geen inbreuk wordt gedaan aan de artikelen 6.8 en 7.8 (ruimte-voor-ruimte).
Het plangebied ligt niet binnen de aanduiding ‘gebieden integratie stad-land’. Regionaal bedrijventerrein Bestemmingsplannen kunnen ter plaatse van de aanduiding regionaal bedrijventerrein voorzien in bedrijfspercelen met een omvang groter dan 5000 m2. Dit is niet van toepassing op onderhavig initiatief. Agrarische gebieden Bestemmingsplannen kunnen gebieden aanduiden als: - Beperkingen veehouderij - Vestigingsgebied glastuinbouw - Doorgroeigebied glastuinbouw - Teel ondersteunende kassen - Teeltgebied Zundert - Maatwerk glastuinbouw Beperkingen veehouderij Voor de begrenzing van de gebieden met de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’ is aangesloten bij de grenzen van het extensiveringsgebied die op grond van de Reconstructiewet waren vastgesteld. De regels binnen het gebied Beperkingen veehouderij gelden in tegenstelling tot de extensiveringsgebieden voor alle veehouderijen. Ook binnen de melkrundveehouderij, die van oudsher als extensief werd aangemerkt, is een tendens waar te nemen naar toenemende intensivering. Doel van de aanduiding is om een verdere intensivering vanwege ontwikkelingen in de veehouderij in de aangeduide gebieden tegen te gaan. Binnen het gebied wordt een uitzondering gemaakt voor grondgebonden veehouderijen; de voorwaarden die hieraan worden gesteld zijn voor alle veehouderijen gelijk.
Onderhavige locatie voorziet niet in de vestiging, omschakeling of uitbreiding van een veehouderijbedrijf. Sanerings- en verplaatsingslocatie Een bestemmingsplan kan in gebieden ter plaatse van de aanduiding sanerings- en verplaatsingslocatie voorzien in een passende herbestemming op locaties waar de volgende regelingen zijn toegepast: - Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV) - Subsidieregeling Beëindiging Intensieve Veehouderijen (BIV) - Subsidieregeling sanering glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden (GTB) - Verplaatsingsregeling Intensieve veehouderij (VIV) Dit is niet van toepassing op onderhavig initiatief. Zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling Ter plaatse van de aanduiding zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling kan worden voorzien in stedelijke ontwikkeling. Het geldende bestemmingsplan dient te verantwoorden dat: - de stedelijke ontwikkeling aansluit bij bestaand stedelijk gebied of plaatsvindt in een nieuw cluster van stedelijke bebouwing - bij stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting rekening wordt gehouden met de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten en structuren Een bestemmingsplan dat ligt in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling kan voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen als het in een bebouwingsconcentratie ligt.
Voorwaarden hiervoor zijn: - verzekeren van een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen - geen sprake van aanzet tot stedelijke ontwikkeling (zoals bedoeld in artikel 4) - geen inbreuk wordt gedaan aan de artikelen 6.8 en 7.8 (ruimte-voor-ruimte). Het plangebied ligt niet in een zoekgebied voor een stedelijke ontwikkeling. Zoekgebied voor windturbines
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 24 van 37 29-12-2017
De ontwikkeling van windturbines is mogelijk binnen de aanduiding ‘zoekgebied voor windturbines’ als de ontwikkeling aansluit bij het karakter en de kwaliteit van het landschap in Noord-Brabant. Binnen de gemeente Oss zijn echter geen gebieden aangewezen als zoekgebieden voor windturbines. 3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015 De gemeente Oss heeft een omvangrijk buitengebied. In de afgelopen jaren zijn de buitengebieden van Oss, Lith en Geffen samengevoegd. Voor de afzonderlijke buitengebieden waren al structuurvisies opgesteld. Het is belangrijk dat de gemeente een integrale visie heeft op het totale buitengebied van de gemeente Oss. Deze visie is samengekomen in de ‘Structuurvisie Buitengebied Oss - 2015’. Het plangebied van deze structuurvisie is het totale buitengebied van de gemeente Oss, met uitzondering van motorcrosscircuit Nieuw-Zevenbergen en vakantiepark Herperduin. De structuurvisie biedt de juridische basis voor financiële bijdragen bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de structuurvisie zijn doelstellingen opgenomen die moeten leiden tot een robuuste en duurzame ruimtelijke structuur voor een vitaal en multifunctioneel buitengebied.
Dit moet resulteren in: - Een vitaal buitengebied, waar een goed evenwicht is tussen alle aanwezige functies zoals landbouw, toerisme, recreatie, natuur, water en wonen - Een versterking van de ruimtelijke identiteit met aandacht voor verscheidenheid, ruimte en landelijkheid - Een versterking van de aanwezige landschapstypen: uiterwaarden, oeverwal, komgebied, dekzandrand en dekzandrug - Behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische structuren en elementen - Gebieden met blijvende ruimte en mogelijkheden voor (grondgebonden) landbouw, met name binnen het primaire agrarisch gebied - Voldoende afstand tussen slecht verenigbare functies zoals wonen en intensieve veehouderij - De instandhouding van de leefbaarheid door het zorgvuldig en afgewogen bieden van ruimte aan nieuwe economische dragers - Nieuwe impulsen voor toerisme en recreatie, met bijzondere aandacht voor versterking van de recreatie in de Maashorst en het Maasgebied en het ontwikkelen van aantrekkelijke uitloopgebieden met natuur en recreatie nabij de stad Oss en toeristisch-recreatieve verbindingen tussen kernen op afstand van de Maas en de Maasdijk - Het bieden van ruimte voor waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit De bovenstaande doelstellingen worden door vertaald naar een ontwikkelingsvisie per landschapstype.
We maken onderscheid tussen: - Uiterwaarden - Oeverwal - Komgebied - Dekzandrand - Dekzandrug - Primair agrarisch gebied Per landschapstype is een gebiedsbeschrijving, een ruimtelijke en een functionele visie opgenomen. Naast de visies per landschapstype zijn er ook ontwikkelingsvisies opgesteld per bebouwconcentratie. Per bebouwingsconcentratie is een beschrijving van de ruimtelijke situatie van het gebied gegeven, evenals een visie over landschappelijke kenmerken en de mogelijkheden voor ontwikkelingen en transformaties. We beschrijven in welke bebouwingsconcentraties de realisatie van nieuwe woningen ruimtelijk voorstelbaar is. Daarnaast geven we aan welke andere functies eventueel mogelijk zijn. Uitgangspunt is nieuwe burgerwoningen in het buitengebied niet gewenst zijn. In hoofdlijn zijn de mogelijkheden voor het bouwen van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied beperkt tot drie mogelijkheden: in de vorm van een stedelijke ontwikkeling binnen zoekgebied verstedelijking, in de vorm van een ruimte-voor-ruimte woning binnen een bebouwingsconcentratie, of met de regeling kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties binnen zoekgebied verstedelijking.
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 25 van 37 29-12-2017
Onderhavig initiatief betreft de omzetting van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning, binnen het landschapstype ‘Oeverwal’. Er wordt geen nieuwe woning gebouwd. Deze omzetting past binnen de ruimtelijke en functionele visie van het landschapstype ‘Oeverwal’. Daarnaast wordt met deze omzetting voorkomen dat er in de toekomst extra bedrijfsbebouwing kan worden gebouwd. Op grond van het vigerende bestemmingsplan is op deze locatie een bedrijf toegestaan met een maximaal bebouwingsoppervlak van 1.150 m2. 3.4.2 Toekomstvisie Oss op weg naar 2020 De toekomstvisie ‘Oss op weg naar 2020’ (2004) is richtinggevend voor de beleidsontwikkeling op de langere termijn. Eén van de potenties van Oss ligt volgens deze visie in het gevarieerde landelijk gebied waarin zich tal van kleine kernen bevinden. Uitgangspunt is het werken aan het behoud van het platteland met zijn rust en ruimte, aantrekkelijke kleinschalige toeristische voorzieningen en aan de ontplooiing van levenskrachtige dorpen. Een andere potentie ligt in het werken aan een duurzame gemeente. Duurzame ontwikkeling van natuur, landschap en ecologie draagt bij aan de leefkwaliteit. De toekomstvisie stelt dat Oss vele ‘kostbare’ plekjes kent en een groots landschap, met ruimte voor landbouw en natuur. ‘Het bewaren van dat kostbare voor de toekomst is een opdracht die we onszelf stellen’.
Onderhavig initiatief past binnen het beleid van de Toekomstvisie. 3.4.3 Nota Landschapsbeleid - 2015 Binnen de gemeente Oss bestaat grote aandacht voor het landschap en het landelijke gebied. De Nota Landschapsbeleid -2015 zorgt voor een beleidskader welke een sturende werking heeft bij ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Ruimtelijke ingrepen en nieuwe functies in het buitengebied hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Dit betekent dat bij deze ingrepen (bijvoorbeeld de bouw van agrarische bedrijfsgebouwen) eisen aan de landschappelijke inpassing van objecten moeten worden gesteld. De gemeente wordt verder geconfronteerd met de aanleg (of juist verwijdering) van (landschaps)elementen door particulieren op agrarische percelen in het buitengebied. Dergelijke initiatieven komen vaak niet overeen met de ter plaatse aanwezige en te behouden landschappelijke kwaliteit (bijvoorbeeld behoud van openheid of gebruik van niet-inheemse boomsoorten). Goede toetsingskaders en sturingsinstrumenten zijn voor bescherming maar ook voor ontwikkeling van het landschap onmisbaar. In de Nota Landschapsbeleid - 2015 wordt per deelgebied beschreven wat de landschappelijke visie is. De verschillende deelgebieden zijn: - Uiterwaarden - Oeverwal - Komgebied - Dekzandrand - Dekzandrug Per deelgebied wordt aangegeven wat de ontwikkelingsvisie is.
Daarbij worden aandachtspunten voor uitwerking en uitvoering geschetst. Onderhavig initiatief betreft de omzetting van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning, binnen het deelgebied ‘Oeverwal’. Er wordt geen nieuwe woning gebouwd. Bij de landschappelijke inpassing worden inheemse soorten, passend op de oeverwal, toegepast. 3.4.4 Volkshuisvesting In de Woonvisie Oss 2013, ‘Een passend, geschikt en duurzaam (t)huis voor iedereen’, staan de belangrijkste doelen en ambities voor het wonen in Oss voor de komende jaren. Achtergronden van de keuzes en doelen staan in een aparte notitie ‘Analyse van het wonen in de gemeente Oss’. In deze analyse wordt aansluiting gezocht bij de recente prognoses voor de bevolkingsontwikkeling en woningbouw van de provincie. De huidige veranderlijkheid van de woningmarkt vraagt mogelijk om bijstelling van de ambities en doelen uit de woonvisie. De woonvisie biedt daarom ruimte voor jaarlijkse evaluatie en bijstelling. Dit vraagt om flexibele plannen waarbij maatwerk mogelijk moet zijn. Met de woonvisie wil de gemeente Oss aan drie ambities uitvoering geven: • Complete woongemeente. Aandacht voor de woonomgeving bestaande wijken en kernen. Een flexibel en gedifferentieerd woningbouwprogramma.
Ruimtelijke onderbouwing Dorpenweg 2, pag. 26 van 37 29-12-2017
Comfortabele woningvoorraad. Een woningvoorraad die aansluit bij de behoeften en wensen van de bewoners. De woningen zijn duurzaam en toekomstbestendig. • Een (t)huis van alle groepen inwoners. Aandacht voor de groep kwetsbare inwoners met een zorgbehoefte die in de toekomst in een reguliere woning moeten blijven wonen. Ook aandacht voor de inwoners met een middeninkomen en jongeren die in de koop- en huursector buiten de boot dreigen te vallen en aandacht voor goede huisvesting van arbeidsmigranten. •
Voor het buitengebied is geen volkshuisvestelijke opgave vastgesteld. Het uitgangspunt is dat nieuwe burgerwoningen in het buitengebied niet gewenst zijn. Wonen is in beginsel een stedelijke functie en hoort in de stad Oss en de andere kernen van de gemeente thuis. Door sterk te sturen op inbreiding en herstructurering wordt de stedelijke structuur versterkt en (onnodige) verstening van het buitengebied tegen gegaan. Bovendien kunnen (burger)woningen in het buitengebied een belemmering vormen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven. Onderhavig initiatief betreft de omzetting van een bedrijfswoning naar een reguliere (burger)woning. Er wordt geen extra woning gecreëerd. Daarbij wordt met de omzetting voorkomen dat er in toekomst extra bedrijfsbebouwing kan worden gebouwd. Op grond van het vigerende bestemmingsplan is op deze locatie een bedrijf toegestaan met een maximaal bebouwingsoppervlak van 1.150 m2. Ook vormt de omzetting geen belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven. 3.4.5 Archeologie en Cultuurhistorie Archeologie: wettelijk kader De gemeente is op basis van artikel 38a van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) verplicht om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.