Bijlage 2 - Rapport quickscan Wet natuurbescherming (18349.001) Looveltlaan 25 Saturnusstraat 280 te Oss
Tekst van het document
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING LOOVELTLAAN 25 / SATURNUSSTRAAT 280 TE OSS
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Looveltlaan 25 / Saturnusstraat 280 te Oss Opdrachtgever
Stichting BrabantWonen Postbus 151 5340 AD Oss
Rapportnummer Versienummer
18349.001 D1
Status
Eindrapportage
Datum
15 maart 2022
Vestiging
Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 088 - 5001600 boxmeer@econsultancy.nl
Opsteller
Mevrouw J.J.R.M. van den Berg, BSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
Mevrouw drs. L.E.L. Gijsen
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7
6
Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 11 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 13 Reptielen ......................................................................................................................... 14 Amfibieën ........................................................................................................................ 15 Ongewervelden............................................................................................................... 15 Planten ............................................................................................................................ 16
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 17 6.1 6.2 6.3 6.4
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedsbescherming ........................................................................................................ 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8
Broedvogels .................................................................................................................... 17 Vleermuizen .................................................................................................................... 18 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 19 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 19
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 20 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 20 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 21
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 22
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 23
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 18349.001
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Stichting BrabantWonen opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Looveltlaan 25 / Saturnusstraat 280 te Oss. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en herinrichting van de ondezoekslocatie en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 1 van 24
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 3.710 m²) ligt aan de Looveltlaan 25 / Saturnusstraat 280, te Oss. In figuur 1 is de ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie (rood omlijnd bij gele pijl).
De onderzoekslocatie betreft een verpleeghuis en naastgelegen wijkcentrum. Beide gebouwen zijn opgetrokken uit bakstenen met een dakpannen dak en een gedeelte met plat dak. Daarnaast bevinden zich op de onderzoekslocatie enkele parkeerplekken, verharding en begroeiing met bomen en struiken. De onderzoekslocatie is in alle windrichtingen omgeven door bomenlanen, verharding en bebouwing. Op circa 600 meter ten noordoosten is het buitengebied van Oss gelegen. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 11 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 2 van 24
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie (witte stippellijn) en directe omgeving.
Figuur 3. De westzijde van het verpleeghuis.
Figuur 4. De zuidzijde van het verpleeghuis.
Figuur 5. De oostzijde van het verpleeghuis.
Figuur 6. Het verpleeghuis gezien vanaf de binnenplaats ten oosten.
Figuur 7. De binnenplaats ten oosten.
Figuur 8. De westzijde van het wijkcentrum.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 3 van 24
Figuur 9. De noordwestelijke hoek van het wijkcentrum.
2.2
Figuur 10. De noordzijde van het wijkcentrum.
Figuur 11. De Looveltlaan, met aan de linkerzijde de onderzoekslocatie.
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens om de huidige bebouwing te slopen en vervolgens één nieuw gebouw te ontwikkelen waarin zowel het verpleeghuis als het wijkcentrum een plek krijgen. Hierbij wordt de begroeiing op de onderzoekslocatie zelf verwijderd, de bomenlanen rondom blijven wel behouden.
Figuur 12. De toekomstige situatie op de onderzoekslocatie (Bron: KAW).
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 4 van 24
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 2 maart 2022. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 5 van 24
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 6 van 24
4.3
Gebiedsbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 7 van 24
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 8 van 24
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen de bebouwde kom kunnen dit zijn: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk en sperwer. Huismus en gierzwaluw De huismus en gierzwaluw zijn typische gebouwbewonende koloniebroeders. De nesten van de gierzwaluw bevinden zich over het algemeen binnen de bebouwde kom. De nesten van de huismus worden zowel binnen als buiten de bebouwde kom waargenomen. Deze soorten nestelen onder de dakgoot, achter de regenpijp, dakkapel, dakpan, of in holtes en spleten. Zowel het verpleeghuis als het wijkcentrum bevatten dakpannen, waaronder huismussen kunnen nestelen (figuur 13). Daarnaast zijn er op sommige plekken ruimtes aanwezig onder de overhangende dakpannen, waar zowel gierzwaluw als huismus gebruik van kan maken (figuur 14). Het verpleeghuis bevat daarnaast openingen in de muur en de betimmering (figuur 15). Aan de noordzijde van het verpleeghuis zijn nestkasten voor gierzwaluw aanwezig (figuur 16). Negatieve effecten ten aanzien van huismus en gierzwaluw kunnen voor zowel het wijkcentrum als het verpleeghuis niet worden uitgesloten (paragraaf 6.1.1).
Figuur 13. Ruimte onder de dakpannen.
Rapport 18349.001 versie D1
Figuur 14. Ruimte onder de overhangende dakpannen
Pagina 9 van 24
Figuur 15. Opening in de muur en tussen de betimmering.
Figuur 16. Nestkasten voor gierzwaluwen.
Boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer Boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer zijn allen voor hun nesten afhankelijk van (hoge) boomopstanden. De (hoge) bomen op en binnen de invloedssfeer van de onderzoekslocatie, konden tijdens het veldbezoek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Hierbij zijn enkele eksternesten aangetroffen. Roofvogels kunnen gebruik maken van oude eksternesten, echter door de ligging in de bebouwde kom, vlakbij een winkelcentrum, is het onwaarschijnlijk dat deze nesten door roofvogels in gebruik zullen worden genomen. Negatieve effecten ten aanzien van potentieel jaarrond beschermde nesten van de boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer zijn uitgesloten. Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart broedt en foerageert voornamelijk aan oevers van (snelstromende) beken en rivieren, maar ook wel aan stilstaand water, bij voorkeur met loofbomen omzoomd. De soort broedt in een nis in een muur of onder een brug, bij boomwortels in oevers of in speciale nestkasten. Dergelijke wateren en elementen zijn niet waargenomen op of in de nabijheid van de onderzoekslocatie, waarmee een nestlocatie van grote gele kwikstaart kan worden uitgesloten. De grote gele kwikstaart zal zijn leefgebied eerder hebben in de omgeving van beken en rivieren.
Overtreding van de Wet natuurbescherming als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden, kan derhalve worden uitgesloten. Ooievaar Ooievaars bouwen grote nesten in bomen, op daken, kerktorens en speciaal gemaakte platforms op palen. Ze komen voornamelijk voor in open natte gebieden, graslanden en agrarische gebieden. Ooievaars broeden in sommige gevallen op platte daken, maar gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde foerageergebied (circa 600 m) en de ligging midden in de bebouwde kom met veel menselijke activiteit, is het niet aannemelijk dat een ooievaar de onderzoekslocatie als nestlocatie zal gebruiken. Verstoring ten aanzien van de ooievaar, als gevolg van de voorgenomen plannen, is dan ook uitgesloten. Roek De roek is een koloniebroeder met slordige nesten in de toppen van hoge bomen. In de bomen op en nabij de onderzoekslocatie zijn geen (grote) groepen nesten aangetroffen. Een roekenkolonie op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie is dan ook uitgesloten. Slechtvalk De slechtvalk broedt op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, kerken, torens en fabrieksschoorstenen. Nestlocaties van de slechtvalk zijn over het algemeen goed bekend en duidelijk weergegeven in de NDFF. Er zijn geen waarnemingen bekend van broedgevallen van slechtvalk binnen de invloedssfeer van de onderzoekslocatie. Bovendien broedt de slechtvalk op hogere gebouwen
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 10 van 24
dan die aanwezig zijn op de onderzoekslocatie, waardoor negatieve effecten ten aanzien van slechtvalk kunnen worden uitgesloten. 5.1.2
Overige broedvogels
De bebouwing en beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals kauw, houtduif en merel. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (paragraaf 6.1.2). De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (paragraaf 6.1.2). 5.2
Vleermuizen
Volgens het cursusdictaat 'Vleermuizen en Planologie (Limpens et al., 2010) en de verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwervleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, meervleermuis, franjestaart en baardvleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Zowel het wijkcentrum als het verpleeghuis zijn geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van ruimtes onder de dakpannen (figuur 13 en 14), ruimtes onder de loodflappen (figuur 17) en openingen in de muur die toegang verlenen tot de spouwmuren (figuur 15 en 18). Het verpleeghuis bevat daarnaast ruimtes tussen de betimmering (figuur 15), waar vleermuizen gebruik van kunnen maken. De bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomer-, kraam-, paar- en milde winterverblijfplaats. Het verpleeghuis kan daarnaast een functie hebben als massa winterverblijfplaats (paragraaf 6.2). De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen.
Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 11 van 24
Figuur 17. Ruimte onder de loodflap.
Figuur 18. Open stootvoegen.
In het verpleeghuis is een zolder aanwezig (figuur 19). Deze is intern geïnspecteerd tijdens het veldbezoek en hierbij zijn geen sporen waargenomen, waarmee een winterverblijfplaats van vleermuizen op de zolder kan worden uitgesloten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie De bebouwing grenzend aan het verpleeghuis ten zuidoosten (zorgwoningen) is geschikt voor vleermuizen vanwege de aanwezigheid van open stootvoegen, ruimtes langs de regenpijpen, dilatatievoegen, openingen langs de betimmering en ruimtes onder de dakpannen (figuur 20). Gezien Figuur 19. Zolder van het verpleeghuis. deze bebouwing vastzit aan het te slopen verpleeghuis, kunnen eventuele verblijfplaatsen in de deze aangrenzende bebouwing verstoord worden als gevolg van trillingen die ontstaan bij de sloop van het verpleeghuis. Hierdoor verdwijnt mogelijk de functionaliteit als verblijfplaats en vindt overtreding van de Wet natuurbescherming plaats (paragraaf 6.2). In een van de bomen in de bomenlaan ten zuiden van de onderzoekslocatie is een holte aangetroffen welke mogelijk geschikt is als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen (figuur 21). Daarnaast is de bebouwing ten oosten van de onderzoekslocatie geschikt voor vleermuizen.
Potentiële verblijfplaatsen ondervinden geen negatieve effecten door de voorgenomen ingreep, mits geen additionele (bouw)verlichting plaatsvindt richting deze boom en de bebouwing ten oosten, zowel tijdens de werkzaamheden als in de eindfase (paragraaf 6.2).
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 12 van 24
Figuur 20. Ruimtes voor vleermuizen in de aangrenzende bebouwing.
Figuur 21. Boomholte.
Foerageerhabitat De onderzoekslocatie bestaat voornamelijk uit bebouwing en verharding en is daarom weinig geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is beter geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft groenstructuren, tuinen en parken. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Rondom de onderzoekslocatie zijn bomenlanen aanwezig, welke kunnen fungeren als vliegroute voor vleermuizen. Deze vliegroutes ondervinden geen negatieve effecten door de voorgenomen ingreep, mits geen additionele (bouw)verlichting plaatsvindt richting deze bomenlanen, zowel tijdens de werkzaamheden als in de eindfase (paragraaf 6.2). 5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en licht beschermde soorten. 5.3.1
Streng beschermde soorten
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, bunzing, das, eekhoorn, hermelijn, steenmarter, wezel en wolf. Steenmarter Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Vanwege de beperkte aanwezigheid van schuilmogelijkheden op de onderzoekslocatie en het ontbreken van geschikt foerageergebied in de directe omgeving, is de onderzoekslocatie weinig geschikt voor de steenmarter. Daarnaast zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken ervan kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 13 van 24
Bunzing, hermelijn en wezel De kleine marterachtigen als bunzing, hermelijn en wezel zijn sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen en bosschages die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden. Gezien het ontbreken hiervan en gezien de onderzoekslocatie grotendeels bestaat uit verharding en bebouwing, zijn negatieve effecten ten aanzien van kleine marterachtigen uit te sluiten als gevolg van de voorgenomen ingreep. Eekhoorn De (hoge) bomen op en binnen de invloedssfeer van de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn kan worden uitgesloten. Das De onderzoekslocatie is door het stedelijk karakter met weinig groen en het ontbreken van reliëf en schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats of als foerageergebied voor dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das.
Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in het nabijgelegen natuurgebied Herperduin en de aansluitende weilanden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Overige soorten Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals de bever en de wolf, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. 5.3.2
Licht beschermde soorten
De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel en diverse muizensoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat deze soorten verstoord worden en kunnen holen en/of schuilplaatsen vernietigd worden (paragraaf 6.3). 5.4
Reptielen
Volgens gegevens van de NDFF en RAVON (Van Delft et al., 2015) is in de omgeving van de onderzoekslocatie de levendbarende hagedis waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren, waaronder de aanwezigheid van verschillende microklimaten. Het voorkeurshabitat van de levendbarende hagedis bestaat uit droge heide en hoogveen, bossen, bosranden en structuurrijke weg- en spoorbermen. De onderzoekslocatie bestaat grotendeels uit verharding en bebouwing en bevat geen geschikt habitat voor de levendbarende hagedis. De waarnemingen van levendbarende hagedis zullen eerder betrekking hebben op het nabijgelegen natuurgebied Herperduin. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de levendbarende hagedis kan op basis van de quickscan worden uitgesloten.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 14 van 24
5.5
Amfibieën
Volgens gegevens van de NDFF en RAVON (Van Delft et al., 2015) zijn in de omgeving van de onderzoekslocatie de volgende soorten waargenomen: Alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander, poelkikker, rugstreeppad, vinpootsalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. 5.5.1
Streng beschermde soorten
Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor de streng beschermde Alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander, poelkikker, rugstreeppad en vinpootsalamander uitgesloten. Daarnaast bevat de onderzoekslocatie geen geschikt landhabitat vanwege het stedelijk karakter en gezien de onderzoekslocatie grotendeels bestaat uit verharding. De waarnemingen van de streng beschermde amfibieënsoorten hebben eerder betrekking op het natuurgebied Herperduin. Negatieve effecten ten aanzien van deze soorten kunnen worden uitgesloten. 5.5.2
Licht beschermde soorten
De onderzoekslocatie vormt weinig geschikt habitat voor algemene amfibieënsoorten, gezien water ontbreekt en de onderzoekslocatie grotendeels bestaat uit bebouwing en verharding. Ook in de directe omgeving van de onderzoekslocatie is geen water aanwezig. Algemene soorten als bastaardkikker, bruine kikker, kleine watersalamander en gewone pad kunnen echter incidenteel beschutting vinden tussen de begroeiing op de onderzoekslocatie. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve gevolgen ontstaan voor algemene amfibieënsoorten (paragraaf 6.3). 5.5.3
Vissen
Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.6
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebieden zijn te vinden. Daarnaast zijn libellen voor de voortplanting afhankelijk van water, wat niet op de onderzoekslocatie aanwezig is. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Daarnaast zijn er geen waarnemingen bekend van beschermde libellen in de omgeving van de onderzoekslocatie. Negatieve effecten zijn uitgesloten. Vlinders Volgens de NDFF zijn in de omgeving van de onderzoekslocatie de streng beschermde grote vos en teunisbloempijlstaart waargenomen. Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als grote vos (iep, zoete kers en sommige wilgensoorten) en teunisbloempijlstaart (teunisbloem, basterdwederik, wilgenroosje en kattenstaart) zijn niet op de onderzoekslocatie waargenomen tijdens het veldbezoek. Daarnaast bestaat het voorkeurshabitat van bovengenoemde vlinders uit vochtige bossen en bosranden. Dit habitat is niet aanwezig op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Het is uitgesloten dat er binnen
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 15 van 24
de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.7
Planten
In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens de NDFF de kartuizer anjer, kluwenklokje en brave hendrik aangetroffen. De meeste beschermde soorten stellen specifieke eisen aan de groeiomstandigheden. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. De kartuizer anjer en het kluwenklokje komen voornamelijk voor in kalkgraslanden. De biotoopvoorkeur van brave hendrik bestaat uit humueze ruigten. Aangezien de onderzoekslocatie grotendeels bestaat uit bebouwing en verharding zijn beschermde vaatplanten niet te verwachten. Tijdens het veldbezoek zijn daarnaast geen beschermde plantensoorten waargenomen. Een negatief effect ten aanzien van beschermde plantensoorten als gevolg van de voorgenomen ingreep kan dan ook worden uitgesloten.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 16 van 24
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1
Broedvogels Huismus en gierzwaluw
De nesten van huismussen en gierzwaluwen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van huismussen of gierzwaluwen te storen, beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Om vast te stellen of er broedgevallen van de gierzwaluw en/of huismus op de onderzoekslocatie aanwezig zijn, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van deze soorten. Bij het aantreffen van nestlocaties van huismussen en/of gierzwaluwen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant, middels een ontheffingsaanvraag. 6.1.2
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen en/of vogels te storen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden door een ter zake kundige op het gebied van vogels. Met betrekking tot het verwijderen van groen buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 17 van 24
6.2
Vleermuizen
Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Protocollair onderzoek De bebouwing op de onderzoekslocatie is geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Aanvullend onderzoek is benodigd om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Aan de hand hiervan kan worden vastgesteld of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies (zomer-, kraam-, paar en milde winterverblijfplaats en voor het verpleeghuis ook massa winterverblijfplaats) er in de periode mei tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden.
Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant, middels een ontheffingsaanvraag. De bebouwing ten zuidoosten van de onderzoekslocatie is mede geschikt voor vleermuizen. Gezien deze bebouwing vastzit aan het te slopen verpleeghuis, kunnen eventuele verblijfplaatsen in deze aangrenzende bebouwing verstoord worden als gevolg van trillingen die ontstaan bij de sloop van het verpleeghuis. Om overtredingen van de Wet natuurbescherming te voorkomen, dient de bebouwing ten zuidoosten van de onderzoekslocatie meegenomen te worden in het aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen. Verlichting De woningen ten oosten van de onderzoekslocatie en een van de bomen in de bomenlaan ten zuiden bevatten potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen.
Daarnaast kunnen de bomenlanen rondom de onderzoekslocatie dienen als vliegroute voor vleermuizen. Potentiële verblijfplaatsen en vliegroutes ondervinden geen negatieve effecten door de voorgenomen ingreep, mits geen additionele (bouw)verlichting plaatsvindt richting deze elementen, zowel tijdens de werkzaamheden als in de eindfase. Indien een verlichtingstoename niet te voorkomen is, dienen maatregelen genomen te worden om de toename tot een minimum te beperken door gebruik te maken van aangepaste armaturen, waaronder een aangepaste lampenkap, amberkleurig licht en een naar beneden gerichte lichtpunt.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 18 van 24
6.3
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van werkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren die gedurende de werkzaamheden worden aangetroffen dienen de gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen. 6.4
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 19 van 24
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Rijntakken, bevindt zich op circa 9,8 kilometer afstand ten noordwesten van de onderzoekslocatie (figuur 22).
Figuur 22. Ligging onderzoekslocatie (wit omlijnd bij gele pijl) ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, trilling, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 9,8 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (sloop en nieuwbouw) niet te verwachten. Vervolgonderzoek met betrekking tot Natura 2000 gebieden wordt niet noodzakelijk geacht.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 20 van 24
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 1 kilometer ten noordwesten van de onderzoekslocatie. In figuur 23 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 23. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Noord-Brabant de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk te onderzoeken. Gezien de afstand van de onderzoekslocatie tot het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk (± 1 km) en gezien de aard van de voorgenomen ingreep (sloop en nieuwbouw) zullen de wezenlijke waarden en kenmerken ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 21 van 24
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Op de onderzoekslocatie zijn enkele bomen aanwezig. Gezien de ligging van de onderzoekslocatie binnen de bebouwde kom vallen deze bomen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. Er geldt geen meldingsplicht en herplantplicht.
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 22 van 24
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Stichting BrabantWonen een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Looveltlaan 25 / Saturnusstraat 280 te Oss. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens om de huidige bebouwing te slopen en vervolgens één nieuw gebouw te ontwikkelen waarin zowel het verpleeghuis als het wijkcentrum een plek krijgen. Hierbij wordt de begroeiing op de onderzoekslocatie zelf verwijderd, de bomenlanen rondom blijven wel behouden. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen**
algemeen
ja
mogelijk
nee
nee
werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren of broedvogelinspectie uitvoeren
jaarrond beschermd
ja
mogelijk
ja
mogelijk
aanvullend onderzoek naar huismus en gierzwaluw
verblijfplaatsen
ja
mogelijk
ja
mogelijk
- aanvullend onderzoek naar gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger - aandacht voor verlichting richting bebouwing ten oosten en boom ten zuiden
foerageergebied
minimaal
nee
nee
nee
vliegroutes
in directe omgeving
nee, mits*
nee, mits*
nee, mits*
*aandacht voor verlichting richting omliggende bomenlanen
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van soorten als egel en diverse muizensoorten
Amfibieën
minimaal
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van mogelijk sporadisch voorkomende bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en vlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Broedvogels
Vleermuizen
Grondgebonden zoogdieren
Rapport 18349.001 versie D1
-
Pagina 23 van 24
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Natura 2000
9,8 km
nee
nee
nee
-
Natuurnetwerk Nederland
1 km
nee
nee
nee
-
Houtopstanden
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
-
** Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Conclusie Op basis van de onderhavige quickscan Wet natuurbescherming dient voorafgaand aan de werkzaamheden middels aanvullend ecologisch onderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de functie van de onderzoekslocatie voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Wat betreft vleermuizen dient de bebouwing grenzend ten zuidoosten van de onderzoekslocatie mee te worden genomen in het onderzoek. Gelet op de bebouwing ten oosten en de bomenlanen rondom de onderzoekslocatie, zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen te vermijden als mogelijke verblijfplaatsen en vliegroutes functioneel en duurzaam behouden blijven. Additionele (bouw)verlichting richting deze elementen tijdens de werkzaamheden en eindfase dient te worden voorkomen. Indien een verlichtingstoename niet te voorkomen is, dienen maatregelen genomen te worden om de toename tot een minimum te beperken. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door te werken buiten het broedseizoen (globaal van maart tot half augustus). Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt, kan dit enkel nadat tijdens een broedvogelinspectie is bevestigd dat er geen broedgevallen aanwezig zijn. Daarnaast wordt geadviseerd het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen.
Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van de verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie.
Econsultancy Boxmeer, 15 maart 2022
Rapport 18349.001 versie D1
Pagina 24 van 24
GERAADPLEEGDE BRONNEN Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. BIJ12 (2017a). Kennisdocument huismus. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf. BIJ12 (2017b). Kennisdocument gierzwaluw. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-006Kennisdocument-Gierzwaluw-1.0.pdf. BIJ12 (2017c). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ122017-004-Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf. EIS-kenniscentrum insecten (z.d.). Soortenbeleid. Geraadpleegd op 30 december van https://www.eisnederland.nl/soortenbeleid/habitatrichtlijn. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 15 maart 2022 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Oss, periode 2012-2022. NDFF.
Geraadpleegd op 15 maart 2022 van https://ndff-ecogrid.nl. Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 15 maart 2022 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Van Delft, J., J. Kranenbarg, A. de Bruin & P. Frigge (2015). Waarnemingenoverzicht 2014. Bijlage bij RAVON 59 Jaargang 17 (4). Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 15 maart 2022 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Wet natuurbescherming (2022, 9 maart). Opgehaald van: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552.
Provinciale bronnen Noord-Brabant www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant)
Rapport 18349.001 versie D1
Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
2.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 18349.001 versie D1
Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
2. 3. 4. 5.
Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.