CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 E - Nota van zienswijzen Burgemeester van Erpstraat 70 Berghem.PDF

Gemeenteraad 7 juli 2022, gemeente OssBij agendapunt: (OUDE STUKKEN) A Vaststelling bestemmingsplannen Bredeweg 25 Geffen-2022, Burgemeester van Erpstraat 70 Berghem–2022’ en ‘Hamelspoelweg 4 Herpen – 2022’16.394 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hiervoor gelden (net als voor dit plan) voorwaarden zoals ook uitgewerkt in voorliggend plan en wegen wij diverse bij het buitengebied betrokken belangen tegen elkaar af. Punt q. Reclamant stelt dat door de bouw van de nieuwe woning er aantasting is van de bestaande structuur. Wij delen deze mening niet. De nieuwe woonbestemming is gesitueerd aan een landelijk bebouwingslint waar bebouwing wordt afgewisseld met onbebouwde delen die doorzichten bieden aansluitend op het agrarisch landschap. Door het toevoegen van een woning op deze plek, op enige afstand van de buren, wordt bij dit karakteristieke bebouwingslint aangesloten. Wij willen het hele buitengebied niet op slot doen voor alle nieuwe ontwikkelingen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wegen wij diverse bij het buitengebied betrokken belangen tegen elkaar af. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het beschermen van landschappelijke en ruimtelijke kwaliteiten, maar ook om het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden aan de bewoners en gebruikers van het buitengebied, inclusief de daarbij behorende bebouwingsmogelijkheden. Deze belangenafweging leidt ertoe dat wij, afhankelijk van de waarden van het betreffende deelgebied en afhankelijk van de betreffende functie, een bepaalde mate van (nieuwe) bebouwing willen toestaan.

Wij wijzen er verder op dat een groot aantal ontwikkelingen gepaard moet gaan met een berekende tegenprestatie en/of landschappelijke inpassing. Ons gemeentelijke woonbeleid sluit hierop aan. Volgens ons gemeentelijke woonbeleid is wonen geen kernfunctie voor het buitengebied. Het toevoegen van een woning is echter voorstelbaar als dat onderdeel is

van een ontwikkeling met een duidelijke ruimtelijke-functionele meerwaarde, zoals het saneren van een agrarisch bedrijf, waarvan in dit geval sprake is. Daarnaast merken wij op dat het voorliggende plan ruimtelijk is onderbouwd zoals uiteen is gezet in de ruimtelijke onderbouwing die als bijlage bij het bestemmingsplan is toegevoegd. Daarbij is divers beleid gebruikt van zowel de gemeente als het beleid van de provincie. Er wordt een tegenprestatie geleverd en alle milieu-hygiënische aspecten zijn onderzocht, daarbij is tevens gekeken naar de belangen van omwonenden. Uit deze ruimtelijke onderbouwing komt naar voren dat deze ontwikkeling passend is en geen belemmering vormt voor ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende agrarische bedrijven. Punt r. De landschappelijke inpassing is zowel bestuursrechtelijk gewaarborgd in artikel 20.3 van de planregels van het ontwerpbestemmingsplan (artikel 10.1 van de planregels van het vastgestelde bestemmingsplan) als privaatrechtelijk in een met initiatiefnemer gesloten anterieure overeenkomst. Wij zijn dan ook van mening dat hiermee voldoende is gewaarborgd dat de vereiste landschappelijke inpassing zal worden gerealiseerd en in stand gehouden. Er is naar onze mening dan ook geen sprake van strijdigheid met het zorgvuldigheidbeginsel.

Daarnaast willen wij nogmaals opmerken dat een zakelijke beschrijving van de inhoud van de gesloten anterieure overeenkomst reeds vanaf donderdag 8 april 2021 ter inzage ligt. Publicatie hiervan heeft plaatsgevonden op woensdag 7 april 2021 in Oss Actueel. Punt s. Onderstaande tekst komt uit pagina 147 van de Structuurvisie Buitengebied Oss -2015: ‘Op de dekzandrand kan het kleinschalige en halfopen (tot besloten) karakter van het landschap weer worden teruggebracht. Zo wordt in het gebied een afwisselend en groen beeld gerealiseerd. Het versterken van de kleinschaligheid kan door de aanplant van opgaand groen. In deze overgangszone moet er naar gestreefd worden om nabij de kernen onregelmatige blokverkaveling te behouden en versterken. In het overige gebied kan de structuur van de regelmatige slagenverkaveling worden benadrukt. Dit kan gebeuren door herstel en uitbreiding van kavelrandbeplanting in de vorm van houtwallen en (eiken of elzen)singels. Hierdoor zullen ook de natuurwaarden in dit gebied verhoogd worden. Het gebied ten noordoosten van Geffen en het gebied tussen Berghem en Herpen kan daarmee weer eigen identiteit krijgen.’ Het plangebied is gelegen aan de dorpsrand van de kern Berghem. Het inrichtingsplan zet in op het versterken van de onregelmatige blokverkaveling om hiermee de nieuwe bebouwing in te passen.

Hierdoor wordt de bebouwing voor een belangrijk deel aan het zicht onttrokken en blijft zicht op het landschap behouden vanaf de weg. Dit is passend binnen onze Structuurvisie Buitengebied Oss – 2015. Wij delen de mening van reclamant dat het plan onvoldoende is ingepast en dat het plan niet past binnen de huidige structuur van het landschap dan ook niet. Daarnaast stelt reclamant dat een landschapsplan moet ingaan op: Het realiseren van groen bij de woningen die passen in de bestaande structuur, geluid beperkende voorzieningen ten behoeve van omwonenden, het behouden van bomen en de bestaande groenstrook. Met betrekking tot het tweede aspect delen wij de mening van reclamant niet. Het is naar onze mening niet noodzakelijk dat een landschapsplan moet voorzien in geluid beperkende voorzieningen ten behoeve van omwonenden. Uit de onderliggende ruimtelijke onderbouwing blijkt dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor het plan. Voor wat betreft de overige twee genoemde aspecten zijn wij van mening dat het onderliggende landschapsplan hierin voorziet. Daarnaast willen wij nogmaals opmerken dat het landschapsplan is geborgd in het ontwerpbestemmingsplan in artikel 20.3 van de regels (artikel 10.0 van de planregels van het vastgestelde bestemmingsplan). Punt t. Het is zo dat niemand recht heeft op een ongewijzigde situatie.

Wanneer een ontwikkeling niet tot een verandering in de woonsituatie van omwonenden mag leiden, wordt een (elke) ontwikkeling feitelijk onmogelijk. Daarover merken wij het volgende op. Bij de herziening van een bestemmingsplan moet de gemeenteraad bestemmingsregels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit brengt met zich mee dat de gemeenteraad

steeds opnieuw moet bezien welke regels hij vanuit een goede ruimtelijke ordening wenselijk vindt. En dit brengt dan weer met zich mee dat men aan een geldend bestemmingsplan geen rechten kan ontlenen. De gemeenteraad kan het vanuit een goede ruimtelijke ordening immers wenselijk vinden om bestemmingsregels op te stellen die meer (of juist minder) beperkingen opleggen dan de regels in het tot dan toe geldende bestemmingsplan. Bij een goede ruimtelijke ordening hoort ook dat een plan op een goede manier landschappelijk is ingepast. De landschappelijke inpassing die bij voorliggend plan hoort, is ingepast op een manier die bij het gebied hoort. Wij verwijzen hierbij naar onze beantwoording onder punt s en punt u. Bovendien heeft reclamant in de huidige situatie dus al rekening moeten houden met een voorzienbare mogelijke beperking van het uitzicht door de bouw van agrarische bedrijfsbebouwing en uitoefening van agrarische bedrijfsactiviteiten. Het toevoegen van een woning, schuin tegenover de woning van reclamant, in ruil voor de sanering van het agrarisch bouwvlak recht tegenover reclamant zal het uitzicht niet onevenredig verminderen. Punt u. Onderstaande tekst komt uit pagina 147 van de Structuurvisie Buitengebied Oss -2015: ‘Op de dekzandrand kan het kleinschalige en halfopen (tot besloten) karakter van het landschap weer worden teruggebracht.

Zo wordt in het gebied een afwisselend en groen beeld gerealiseerd. Het versterken van de kleinschaligheid kan door de aanplant van opgaand groen. In deze overgangszone moet er naar gestreefd worden om nabij de kernen onregelmatige blokverkaveling te behouden en versterken. In het overige gebied kan de structuur van de regelmatige slagenverkaveling worden benadrukt. Dit kan gebeuren door herstel en uitbreiding van kavelrandbeplanting in de vorm van houtwallen en (eiken of elzen)singels. Hierdoor zullen ook de natuurwaarden in dit gebied verhoogd worden. Het gebied ten noordoosten van Geffen en het gebied tussen Berghem en Herpen kan daarmee weer eigen identiteit krijgen.’ Het plangebied is gelegen aan de dorpsrand van de kern Berghem. Op deze locatie moet conform de Structuurvisie Buitengebied Oss – 2015 gestreefd worden naar een landschap dat de onregelmatige blokverkaveling behoudt en versterkt. De landschappelijke inpassing voldoet hieraan. Het woonperceel wordt ingepast als blokverkaveling. Het betreft hier geen gebied waar de groene ‘bosvingers’ op zien. De groene bosvingers die zijn beschreven in de structuurvisie hebben vooral betrekking op de gebiedsdelen die aansluiten op de grootschalige bossen. Dit is niet van toepassing op de onderhavige planlocatie. Onderhavige planlocatie ligt te ver van grootschalige bossen af om van groene ‘bosvingers’ te kunnen spreken.

Wij zullen de onderbouwing hiervan op pagina 48 en 49 van de ruimtelijke onderbouwing hierop verduidelijken. Punt v. Een eventueel beroep over het aspect “archeologie” zal volgens ons voor reclamant stranden op het relativiteitsvereiste. Strikt genomen is dit voor het indienen van een zienswijze echter geen belemmering. Daarom behandelen wij de zienswijze inhoudelijk hieronder. Voor de bouw van de nieuwe woning zal waarschijnlijk te zijner tijd een omgevingsvergunning archeologie noodzakelijk zijn. Van het totaal oppervlak voor de nieuw te bouwen woning is nu nog niet duidelijk hoeveel ervan gevolgen heeft voor archeologie. Het moet namelijk gaan om bepaalde werkzaamheden die een oppervlakte van 1.000 m² of meer betreffen en dieper dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld gaan. In dit stadium hoeft dat ook nog niet duidelijk te zijn, omdat de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie verwachtingswaarde middelhoog’ op het perceel blijft. Hierdoor zijn de archeologische belangen gewaarborgd. Volgens uitspraak van de Raad van State (van 13 januari 2010 in zaak nr. 200901881/1/R2) is het doorschuiven van archeologisch onderzoek naar de fase dat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voorstelbaar indien eerder een meer globale inventarisatie van archeologische waarden heeft plaatsgevonden. Hiervan is in dit geval sprake.

Voor deze globale inventarisatie van archeologische waarden verwijzen wij naar ons archeologiebeleid.

Punt w. Het bodemonderzoek NEN 5740 is aangevuld, getoetst en akkoord bevonden. De bodemkwaliteit binnen het plangebied is in de ruimtelijke onderbouwing voldoende inzichtelijk gemaakt. Door het saneren van de aangetroffen sterke asbestverontreiniging in de toplaag van de inspoelzone aan de zuidzijde van de te slopen berging bij de bedrijfswoning vormt de bodemkwaliteit hierna geen belemmering meer voor de voorgenomen planontwikkeling. Punt x. In zijn algemeenheid kan geluid hinder veroorzaken en effect hebben op de gezondheid. Geluidsgevoelige objecten, waaronder woningen, worden beschermd tegen geluid. Voor een goede inpassing van nieuwe woningen moet sprake zijn van een aanvaardbaar geluidsniveau. Geluidbronnen in de omgeving bepalen dit geluidsniveau bij de woningen. Aan de andere kant trekken nieuwe woningen verkeer aan. Dit extra verkeer kan een relevante invloed hebben op het geluidsniveau bij bestaande geluidsgevoelige objecten (zoals woningen) in de omgeving. Bij het mogelijk maken van woningen kunnen de volgende situaties zich voordoen: a) de woning ligt in de geluidzone van een in de Wet geluidhinder aangewezen geluidbron. De situatie moet dan getoetst worden aan de Wet geluidhinder. Geluidbronnen zijn: wegen (niet 30 km/u wegen), spoorwegen en gezoneerde industrieterreinen.

In dit geval is de nieuwe woning gelegen binnen de geluidzone van een weg en binnen een geluidzone van een spoorweg. Er heeft akoestisch onderzoek plaatsgevonden. Hieruit is naar voren gekomen dat er een hogere grenswaarde nodig is van 57 dB voor het spoor. De maximaal toelaatbare waarde van 68 dB wordt echter niet overschreden. Daarnaast voldoet het plan aan het gemeentelijke geluidsbeleid en kunnen we dus concluderen dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. b) de woning ligt binnen de invloedsfeer van een ander geluidbron, bijvoorbeeld een bedrijf. Vanuit een goede ruimtelijke ordening moet de geluidsbelasting van deze geluidbronnen op de woningen worden beoordeeld, hierbij kan gebruikt gemaakt worden van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. In paragraaf 4.1.1 van de ruimtelijke onderbouwing voor dit initiatief wordt onderbouwd dat de nieuwe woning voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de nieuwe woning geen belemmeringen op voor de omliggende bedrijven. c) Het kan zijn dat een woning ligt binnen de invloedsfeer van een bedrijf. De geluidsituatie volgt uit de geluidemissie die door het Activiteitenbesluit is toegestaan (vergunning, algemene regels of maatwerk) en de planologische mogelijkheden. Het projectgebied is niet gelegen binnen een zone vanwege industrielawaai en niet binnen de geluidsinvloedssfeer van bedrijven.

Een nadere akoestische rapportage is derhalve niet uitgevoerd. Daarnaast is reeds op grond van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering aangetoond dat de nieuwe woning geen belemmeringen oplevert voor de omliggende bedrijven. d) vanuit een goede ruimtelijke ordening moet de geluidsbelasting van het verkeer dat de nieuwe woning genereert op geluidgevoelige functies in de omgeving worden beoordeeld. In dit geval is sprake van sanering van een agrarisch bedrijf, het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en de bouw van een extra woning. De nieuwe activiteit, wonen, heeft geen verkeersaantrekkende werking. In vergelijking met de huidige situatie, een agrarisch bedrijf, is eerder sprake van een afname van verkeersbewegingen. De nieuwe verkeersbewegingen leiden niet tot significante nadelige gevolgen voor het verkeer op de Burgemeester van Erpsstraat en de Hoessenboslaan alsmede voor de geluidsbelasting op omliggende geluidgevoelige objecten. Gezien vorenstaande zijn wij van mening dat onderhavige ontwikkeling voor wat betreft het aspect geluid voldoende bescherming geniet op grond van de Wet geluidhinder en er sprake is van een goede ruimtelijke ordening, zowel ten aanzien van de nieuw te bouwen woning aan de Hoessenboslaan als ten aanzien van reeds bestaande geluidsgevoelige objecten in de omgeving.

Een eventueel beroep over het aspect “geluid” met betrekking tot de aspecten a, b en c zal volgens ons voor reclamant stranden op het relativiteitsvereiste. Strikt genomen is dit voor het indienen van een zienswijze echter geen belemmering. Daarom hebben we de zienswijze inhoudelijk behandeld hierboven. Punt y. Een eventueel beroep over het aspect “geluid” zal volgens ons voor reclamant stranden op het relativiteitsvereiste. Strikt genomen is dit voor het indienen van een zienswijze echter geen belemmering. Daarom behandelen wij de zienswijze inhoudelijk hieronder. De voorkeurswaarde van 55 dB wordt overschreden met 2 dB, namelijk 57dB voor wat betreft railverkeerslawaai. Hiervoor is een besluit hogere waarde genomen. Het nemen van maatregelen om de geluidsbelasting terug te brengen tot aan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB zijn voor railverkeer niet haalbaar. Daarnaast voldoet het plan aan de maximale ontheffingswaarde van 68 dB. Ook voldoet het plan aan het gemeentelijke geluidsbeleid. De woning heeft tenminste 1 geluidluwe gevel en bij het ontwerp van de woning kan rekening worden gehouden met het realiseren van verblijfsruimtes aan de geluidluwe gevel en de situering van de buitenruimtes aan de geluidluwe gevel. Hiermee voldoet het plan aan een goede ruimtelijke ordening. Punt z.

In de planregels van het bestemmingsplan zijn geen regels opgenomen over geluidsluwe gevels of geluidsluwe buitenruimte. Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient initiatiefnemer aan te tonen dat de woning een geluidsluwe gevel en een geluidsluwe buitenruimte heeft. Hij zal dit met onderzoek moeten aantonen om aan het Bouwbesluit 2012 te kunnen voldoen. Punt aa. Wij verwijzen hierbij naar onze beantwoording onder punt x. Punt bb. Het is inderdaad zo dat de afstand tussen de nieuw te bouwen woning en het naastgelegen agrarische bedrijf geen 100 meter bedraagt maar 45 meter. Hierdoor wordt niet voldaan aan de richtlijnafstand voor wat betreft ‘geur’ uit de Handreiking Bedrijven en milieuzonering van de VNG. De afstanden in de handreiking zijn echter richtlijnen. Deze richtlijnen voor een gewenste afstand kunnen worden gecorrigeerd door dwingende normen in landelijke regelgeving. Voor rundveehouderijen geldt voor geur de landelijke regeling: Wet geurhinder en veehouderij. Op grond van artikel 4 van deze wet dient de afstand van een veehouderij tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom 50 meter te bedragen. De feitelijke afstand bedraagt 45 meter. Ondanks dat deze afstand van 50 meter niet gehaald wordt, is de nieuwe woning aan de Hoessenboslaan geen beperkende factor voor het bedrijf aan de Burgemeester van Erpstraat 72.

Dit bedrijf dient namelijk ten opzichte van de woning aan de Burgemeester van Erpstraat 68 te Berghem een afstand van 50 meter te hebben vanaf het bouwblok. Deze afstand is echter maar 25 meter. Ten opzichte van alle woningen aan de Burgemeester van Erpstraat, aan de overzijde van het rundveebedrijf, moet dit bedrijf een afstand hebben van 50 meter. Ten opzichte van diverse burgerwoningen wordt deze afstand van 50 meter niet gehaald. Bovendien wordt het rundveebedrijf niet enkel beperkt door omliggende woningen maar mede door wet- en regelgeling. Het bedrijf aan de Burgemeester van Erpstraat 72 te Berghem is gelegen in een zone die is aangeduid als beperking veehouderij in het bestemmingsplan Buitengebied Oss- 2020. De afstand tussen de naastgelegen veehouderij en de nieuw te bouwen woning bedraagt 45 meter en voldoet daarmee niet aan de afstand van 50 meter. Voor het aantonen van een goed woon-en leefklimaat is er een geuronderzoek uitgevoerd. Dit geuronderzoek toont aan dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft de woning aan de Burgemeester van Erpstraat 70 in Berghem. De nieuw te bouwen woning aan de Hoessenboslaan ligt verder van deze agrarische bedrijven af, vandaar dat uit bijlage 2 bij deze onderbouwing geconcludeerd kan worden dat op het niveau van deze woning zeker sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Punt cc.

Voor wat betreft de nieuw te bouwen woning verwijzen wij naar de beantwoording onder Punt bb. Voor wat betreft de huidige bedrijfswoning die wordt omgezet naar een burgerwoning merken wij het volgende op: Voor het aspect geur bedraagt de afstand tussen het bouwblok van de woning aan de Burgemeester van Erpstraat 70 en het agrarisch bouwblok aan de Burgemeester van Erpstraat 72 te Berghem geen 100 meter, welke afstand volgens de brochure Bedrijven en Milieuzonering gewenst zou zijn. Deze richtlijn voor een gewenste afstand kan worden gecorrigeerd door dwingende normen in landelijke regelgeving. Voor een voormalige bedrijfswoning geldt de Wet geurhinder en veehouderij. Volgens artikel 3 lid 2 van de Wet geurhinder en veehouderij, bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij buiten de bebouwde kom 50 meter. De bedrijfswoning die omgezet wordt naar een burgerwoning is tot op heden een bedrijfswoning op een locatie met de bestemming Agrarisch welke na 19 maart 2000 ophoudt deel uit te maken van een agrarisch bedrijf. Een dergelijke woning moet op 50 meter van een veehouderij zijn gelegen. Aan deze afstand wordt niet voldaan.

Echter, de bedrijfsontwikkeling aan de Burgemeester van Erpstraat 72 te Berghem wordt niet extra belemmerd door een woonbestemming aan de Burgemeester van Erpstraat 70 te Berghem. De woning aan de Burgemeester van Erpstraat 68 alsmede de woningen aan de overzijde van het bedrijf aan de Burgemeester van Erpstraat liggen allen binnen de afstandseis die noodzakelijk is voor de (uitbreiding van) bedrijfsvoering. Omdat niet wordt voldaan aan de richtlijnafstand van 50 meter is een geuronderzoek uitgevoerd waarin wordt aangetoond dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor de woning aan de Burgemeester van Erpstraat 70 te Berghem. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.1.4. uit de ruimtelijke onderbouwing van dit plan. Punt dd. Ten aanzien van de huidige bedrijfswoning die wordt omgezet in een burgerwoning: Voor de aspecten stof, geluid en gevaar en geur wordt niet aan de richtafstanden van de brochure Bedrijven en Milieuzonering voldaan. Echter voor de aspecten stof, geluid en gevaar wordt de bestaande bedrijfswoning reeds in zijn bestaande hoedanigheid beschermd omdat ook bij een bedrijfswoning sprake is van een gevoelig object in het kader van de regelgeving ten aanzien van stof, geluid en gevaar. Voor het aspect geur verwijzen wij naar onze beantwoording onder punt bb en punt cc.

Ten aanzien van de nieuw te bouwen woning: Aan de voorzijde van de nieuw te bouwen woning aan de Hoessenboslaan ligt een bestemming Bedrijf met een maximale milieucategorie 2. Ten opzichte van een bedrijf met een milieucategorie 2 bedraagt de afstand 30 meter ten opzichte van de nieuw te bouwen woning. De 30 meter ligt op de rand van de weg. Zelfs zonder in achtneming van een voortuin wordt te allen tijde aan de 30 meter afstand voldaan. Daarbij komt dat de nieuwe woning ten behoeve van de bescherming tegen het wegverkeer van de Hoessenboslaan in ieder geval 6 meter uit de voorgevelrooilijn gesitueerd moet worden. Dit betekent dat te allen tijde 36 meter afstand aanwezig is. Aangezien op grond van artikel 18.4 van de planregels van het ontwerpbestemmingsplan (artikel 8.4 van het vastgestelde bestemmingsplan) de afstand van bouwwerken tot de as van de weg minimaal 20 m dient te bedragen is gegarandeerd dat aan deze afstand wordt voldaan. Aan de voorzijde van de nieuwe woning ligt ook een locatie met de bestemming Gemengd 3. Op grond van het bestemmingsplan ‘Berghem Dorp– 2015’ mogen ter plaatse ook bedrijven tot maximaal categorie 2 aanwezig zijn. Ook hier geldt de afstand van 30 meter. Het bouwblok van deze bedrijfslocatie ligt iets naar achteren. De afstand ten opzichte van deze lijn tot de rand bouwblok woning bedraagt 25 meter.

De nieuw te bouwen woning dient ten minste 6 meter vanaf de westelijke kavelgrens worden gebouwd. Deze afstand is noodzakelijk om geen overlast van het wegverkeer te hebben nabij deze woning. Dit betekent dat te allen tijde de woning op 30 meter afstand van het bouwblok van het gemengd bedrijf aan de overzijde van de weg bedraagt.

Aangezien op grond van artikel 18.4 van de planregels van het ontwerpbestemmingsplan (artikel 8.4 van het vastgestelde bestemmingsplan) de afstand van bouwwerken tot de as van de weg minimaal 20 m dient te bedragen is gegarandeerd dat aan deze afstand wordt voldaan. Daarnaast merken wij op dat voor beide bedrijven aan de Hoesenboslaan de nieuwe woning niet de dichtstbijzijnde woning wordt, zodat de nieuwe woning geen belemmeringen oplevert voor de bedrijfsvoering aan de Hoessenboslaan. Voor wat betreft agrarische bedrijven verwijzen wij u naar onze beantwoording onder punt bb en punt cc. Punt ee. Indien reclamant van mening is dat hij schade gaat ondervinden door betreffende ontwikkeling, dan kan hij een verzoek om planschade indienen bij de gemeente, na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan. Voor verdere details wordt verwezen naar de geldende ‘Verordening advisering planschade’ van de gemeente Oss. Het voorliggende plan is ruimtelijke onderbouwd zoals uiteen is gezet in de ruimtelijke onderbouwing die als bijlage bij het bestemmingsplan is toegevoegd. Daarbij is divers beleid gebruikt van zowel de gemeente als het beleid van de provincie. Er wordt een tegenprestatie geleverd en alle milieu hygiënische aspecten zijn onderzocht en daarbij is tevens gekeken naar de belangen van omwonenden.

Hierdoor concluderen wij dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en ondervindt reclamant geen onevenredige (overlast) van het voorliggende plan.

Zienswijze 5 Samenvatting zienswijze Reclamant is woonachtig aan de Hoessenboslaan 14 te Berghem, waarbij de voortuin van reclamant grenst ten noorden en noordwesten van het plangebied aan de ontwikkeling van de Burgemeester van Erpstraat 70 in Berghem. Dit plan laat de sanering van een agrarisch bedrijf toe, de omschakeling van bedrijfswoning naar burgerwoning met een planologische nevenactiviteit van 256 m2 en de bouw van een extra woning aan de Hoessenboslaan. De bedrijfssanering aan de burgemeester van Erpstraat gaat gepaard met het slopen van de rundveestal en het bijbehorend bouwwerk bij de woning van 96 m2 alsmede de sleufsilo’s en de erfverharding. Reclamant heeft hiertegen bezwaar op de volgende onderdelen: a. Een bestemmingsplan moet op grond van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening in overeenstemming zijn met de wettelijke regels en met een goede ruimtelijke ordening. Een onderdeel van een goede ruimtelijke ordening betreft het woon- en leefklimaat van reclamant. Het bestemmingsplan mag volgens reclamant derhalve geen onevenredige inbreuk maken om zijn woon- en leefklimaat. In het ontwerpbestemmingsplan wordt volgens reclamant nauwelijks ingegaan op de belangen van reclamant als omwonende. Reclamant is derhalve van mening dat het ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplan in strijd is met de wet en in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. b.

Gezien de oppervlakte van de nieuwe woonbestemming aan de Hoessenboslaan bestaat de vrees bij reclamant dat (in de toekomst) meerdere woningen en/of bijgebouwen op het perceel worden gerealiseerd. c. Er is volgens reclamant geen behoefte aan een vrijstaande woning in het buitengebied. En zeker niet op deze plek, midden in een agrarisch gebied. d. Het buitengebied is volgens reclamant voorbehouden aan agrarische doeleinden en niet voor wonen. e. Reclamant kan zich niet verenigen met het behoud van het bijgebouw in zijn huidige omvang en de summiere uitleg hiervan in de toelichting. Uit de toelichting volgt dat er aanpassingen moeten komen bij een gedeeltelijke sloop aan de kap en/of constructie hetgeen niet verantwoord is. Reclamant is van mening dat het behoud van het bijgebouw storend is voor de openheid van het gebied. f. De bestaande woning, de nieuw te realiseren woning en de bijgebouwen mogen gebruikt worden een beroep aan huis, extensieve dagrecreatie of een bed and breakfast. In de toelichting is reeds opgenomen dat in het bijgebouw bij de bestaande woning een aan huis gebonden beroep in de vorm van een grafisch ontwerp (laser snijden) en een klusbedrijf in de vorm van hout versnipperen op locatie wordt gerealiseerd. Reclamant is van mening dat de gevolgen hiervan voor hem op geen enkele wijze inzichtelijk zijn gemaakt. g.

Reclamant kan zich niet verenigen met hetgeen is opgenomen op pagina 31 van bijlage 3 bij de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan over de ruimtelijke kwaliteit. Volgens reclamant wordt er met deze ontwikkeling geen bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit en doet het plan afbreuk aan het behoud en ontwikkeling van het landschap. h. In de motivering is niet opgenomen voor welke doelgroep wordt gebouwd. Er is geen exploitatieplan en geen anterieure overeenkomst ter visie gelegd. Reclamant kan niet nagaan op welke manier is voldaan aan de gemeentelijke beleidsregels en de financiële haalbaarheid van het plan. i. Reclamant is van mening dat gemotiveerd had moeten worden waarom deze intensivering van bebouwing en verstening van het plangebied ruimtelijk aanvaardbaar is gelet op de onder het huidige bestemmingsplan geldende beperkingen. Reclamant vindt dat zijn woon- en leefklimaat flink wordt benadeeld. Er verdwijnt volgens reclamant agrarisch landschap en hiermee verdwijnt volgens reclamant ook de groene uitstraling. Reclamant vindt deze ontwikkeling dan ook in strijd met de goede ruimtelijke ordening en verzoekt het ontwerpbestemmingsplan niet vast te stellen. j. Reclamant is van mening dat zijn woon- en leefklimaat op onaanvaardbare wijze wordt aangetast door deze ontwikkeling. Reclamant geniet momenteel van een vrij uitzicht over het grasland.

Het is reclamant niet duidelijk uit hoeveel woonlagen de te realiseren woning zal bestaan. k. Het ontwerpbestemmingsplan maakt het mogelijk om op basis van het rood voor roodprincipe een nieuwe woning te realiseren aan de Hoessenboslaan. Dit principe houdt in dat er meer oude stenen worden gesaneerd dan nieuwe stenen worden teruggebracht. Aan dit principe hangt de verplichting dat geïnvesteerd moet worden in ruimtelijke

kwaliteit. Reclamant merkt op dat de aanwezige bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. Er zullen geen grote aanpassingen aan deze woning volgen. Het aanleggen van het groen bij de nieuwe woning aan de Hoessenboslaan zal bestaan uit gebiedseigen landschapselementen die een natuurlijke omheining van de nieuwe woning vormen. Hier zullen de natuurwaarden in dit gebied verhoogd worden. Reclamant herkent zich hier onvoldoende in en kan zich hiermee niet verenigen. l. Het verdwijnen van het agrarisch bedrijf staat niet in verhouding met het rechtvaardigen van een nieuw te bouwen woning. Reclamant geeft namelijk aan dat op het agrarisch bedrijf alleen nevenactiviteiten worden uitgevoerd. En dat deze activiteiten niet in verhouding staan tot de vergunde situatie van het agrarisch bedrijf. Reclamant geeft aan dat hij weinig overlast hiervan ervaart en dat de komst van een nieuwe woning een slechter woon- en leefklimaat veroorzaakt voor reclamant dan het behouden van het agrarisch bedrijf. Reclamant is van mening dat er onvoldoende rekening wordt gehouden met de verschillende belangen, waaronder zijn eigen belang. Volgens reclamant heeft er geen integrale belangenafweging plaatsgevonden en is er hiermee sprake van strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening.

Het ontwerpbestemmingsplan is volgens reclamant ook in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel nu niet alle belangen deugdelijk zijn afgewogen. Reclamant is van mening dat gemotiveerd had moeten worden waarom een dergelijke intensivering van bebouwing en verstening volgens het rood voor rood-principe ruimtelijk aanvaardbaar is. Mede omdat er nooit een omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden. Er heeft volgens reclamant geen onderzoek plaatsgevonden naar de gevolgen voor de omwonenden. Hierdoor treden er volgens reclamant negatieve effecten op voor zijn woon- en leefklimaat. Reclamant is ermee bekend dat er geen recht bestaat op vrij uitzicht. Volgens reclamant is er in dit geval echter sprake van een zodanige beperking van het uitzicht dat dit in ieder geval op grond van artikel 3:4 Awb uitdrukkelijk moet worden betrokken in de belangenafweging. Dit is volgens reclamant niet gebeurd. Gelet hierop is het ontwerpbestemmingsplan volgens reclamant in strijd met de artikelen 3:2 en 3:4 Awb tot stand gekomen. Bovendien is het ontwerpbestemmingsplan volgens reclamant in strijd met het evenredigheidsbeginsel nu de nadelige gevolgen van het plan niet in verhouding staan tot het beoogde doel.

Reclamant is van mening dat door de realisering van de nieuwe woning aan de Hoessenboslaan hij geen vrij uitzicht meer heeft en door het verdwijnen van de agrarische bebouwing komt er meer zicht op het perceel van initiatiefnemer. Reclamant is van mening dat er door de realisering van de nieuwe woning aan de Hoessenboslaan sprake is van aantasting van privacy. Er ontstaat permanent zicht op de voortuin en de woning van reclamant. Ook hierbij is er volgens reclamant strijdigheid met artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb. Reclamant vreest dat er in de toekomst een aanzienlijke toename van de hoeveelheid bebouwing op het perceel van initiatiefnemers of in de directe omgeving zal plaatsvinden nu het gebied de aanduidingen ‘overige zone – bebouwingsconcentratie’ en ‘wetgevingszone – wijzigingsgebied 3’ heeft. t. Door bouwmogelijkheden die er nabij de woning en het perceel van reclamant worden gecreëerd ontstaat er volgens reclamant een aantasting van de bestaande structuur. Bovendien is er voor het buitengebied geen volkshuisvestelijke opgave vastgesteld. Het uitgangspunt is dat nieuwe burgerwoningen in het buitengebied niet gewenst zijn. Burgerwoningen vormen in het buitengebied een belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven. Het bestemmingsplan kan volgens reclamant om deze reden niet worden vastgesteld. u.

Reclamant betreurt het dat zij niet eerder betrokken is geweest in de planvorming. Dan had zij alternatieven kunnen aandragen. v. Reclamant is van mening dat het plan niet voldoende onderbouwt dat een woning ruimtelijke aanvaardbaar is in een overwegend agrarisch landschap. w. Reclamant stelt een alternatieve locatie voor de nieuw te bouwen woning voor. Reclamant stelt voor de woning meer noordelijker gesitueerd kan worden waar nu de oude rundveestallen staan. Reclamant behoudt dan het vrije uitzicht en dit zorgt voor een betere ruimtelijke inpassing. In het kader van een zorgvuldige voorbereiding en een zorgvuldige belangenafweging dient dit alternatief beoordeeld te worden. x. Volgens reclamant is de landschappelijke inpassing van de nieuwe woning aan de Hoessenboslaan niet in het ontwerpbestemmingsplan geborgd, maar in de anterieure

overeenkomst. Deze overeenkomst ligt niet ter inzage. Reclamant kan niet nagaan wat er opgenomen staat in de overeenkomst ten aanzien van de landschappelijk inpassing. Reclamant is van mening dat het ontwerpbestemmingsplan niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen omdat de landschappelijke inpassing niet als zodanig bestemd is in het ontwerpbestemmingsplan. Er is volgens reclamant dan sprake van strijdigheid met het zorgvuldigheidsbeginsel ex artikel 3:2 jo. 3:4 Awb. y. Reclamant is in algemene zin van mening dat het plan onvoldoende is ingepast. Reclamant is van mening dat er een deugdelijk landschapsplan moet worden opgesteld dat vertaald moet worden in de regels van het ontwerpbestemmingsplan. Reclamant is van mening dat de voorgenomen beplanting niet past binnen de huidige structuur van het landschap. Volgens reclamant moet een landschapsplan ingaan op: Het realiseren van groen bij de woningen die passen in de bestaande structuur, geluid beperkende voorzieningen ten behoeve van omwonenden, het behouden van bomen en de bestaande groenstrook. Reclamant verzoekt om ten aanzien hiervan een voorwaardelijke verplichting op te nemen. z. Rondom de nieuw te realiseren woning aan de Hoessenboslaan wordt een inheemse houtsingel aangelegd.

Omdat deze houtsingel uit veel grote bomen bestaat ontstaat er volgens reclamant geen doorzicht meer naar het vrije gebied met agrarische percelen. Volgens reclamant wordt het huidige vrije uitzicht hiermee beperkt. aa. Reclamant verwijst naar de pagina’s 47 en 49 van bijlage 3 bij de toelichting. Reclamant merkt op dat de randbeplanting in de vorm van een Groene vinger niet is geborgd en niet volgt uit de landschappelijke inpassing. bb. Reclamant is van mening dat de archeologische waarde van het plangebied zich verzet tegen de bouw van een nieuwe woning. Daarnaast is er geen archeologisch onderzoek verricht. Volgens reclamant worden de archeologische waarden van de bodem onvoldoende beschermd en is nader archeologisch onderzoek nodig. Reclamant is van mening dat het doorschuiven van nader archeologisch onderzoek naar de fase dat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. In het ontwerpbestemmingsplan wordt immers uitdrukkelijk de keuze gemaakt voor het realiseren van een woning. Het daadwerkelijk kunnen realiseren van een woning kan volgens reclamant niet afhankelijk worden gesteld van nog nader uit te voeren archeologisch onderzoek. cc. Reclamant is van mening dat niet kan worden vastgesteld dat er geen sprake is van bodemverontreiniging.

Bovendien wordt aanbevolen dat er een nieuw bodemonderzoek plaatsvindt conform de NEN 5740 voor het perceel van Burgemeester van Erpstraat 70. Betreffende ontwikkeling is volgens relamant in strijd met de goede ruimtelijke ordening en is onvoldoende gemotiveerd. dd. Volgens reclamant is het ontwerpbestemmingsplan voorbereid zonder de noodzakelijke zorgvuldigheid in acht te nemen en het plan te voorzien van een deugdelijke motivering. Er is volgens reclamant strijdigheid met de artikelen 3:2 jo 3:4 jo 3:46 Awb omdat het akoestisch onderzoek enkel ingaat op een beoordeling van wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. In het licht van een goede ruimtelijke ordening had de beoordeling van een geluidsmodel door de gemeente wel plaats moeten vinden. ee. Volgens reclamant is er geen sprake van een goede ruimtelijke ordening omdat de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. ff. Reclamant merkt op dat uit de regels van het bestemmingsplan niet volgt dat de geluidswerende voorzieningen moeten worden gerealiseerd (al dan niet in de vorm van een voorwaardelijke verplichting) voordat de ontwikkeling kan worden gerealiseerd c.q. in gebruik kan worden genomen. Dit terwijl in het geluidsrapport expliciet wordt geadviseerd om de afschermende voorzieningen bij woningen op te nemen, zoals een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte. gg.

Volgens reclamant is het ontwerpbestemmingsplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening omdat de negatieve gevolgen van het geluid en de effecten daarvan op het woon- en leefklimaat van reclamant niet zijn onderzocht. hh. Volgens reclamant wordt de richtafstand met betrekking tot het aspect geur uit de handreiking ‘Bedrijven en Mileuzonering’ niet gehaald. Volgens de handreiking dient de afstand tot een rundveehouderij 100 meter te bedragen. De afstand van bouwblok tot bouwblok bedraagt volgens reclamant ruim 45 meter. ii. Reclamant merkt op dat op grond van artikel 4 van de Wet geurhinder en veehouderij dient de afstand van een veehouderij tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom 50 meter te bedragen. Deze afstand wordt volgens reclamant voor zowel de te realiseren woning als de reeds bestaande woning niet gehaald.

jj. Volgens reclamant is in het ontwerpbestemmingsplan onvoldoende onderbouwd hoe op correcte wijze rekening wordt gehouden met de aanwezige bedrijfsactiviteiten in de omgeving van reclamant en de nieuwe ontwikkelingen. Om deze reden is een goed woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners, maar ook voor reclamant niet verzekerd. kk. Reclamant vreest als gevolg van betreffende ontwikkeling schade te lijden in de vorm van een waardedaling van zijn woning. Reclamant is van mening dat in het kader van een zorgvuldige belangenafweging de lasten voor bewoners, zoals voor reclamant, moeten worden betrokken. Besluit Wij vinden de zienswijze ongegrond. Wijzigingen in bestemmingsplan Wij zullen de ruimtelijke onderbouwing op een aantal punten verduidelijken. Toelichting van de gemeenteraad Ten eerste willen wij opmerken dat de door reclamant genoemde planomschrijving niet juist is. Het door initiatiefnemer uitgevoerde beroep aan huis in de vorm van een grafisch ontwerpbureau (laser snijden) en een klusbedrijf (in de vorm van hout versnipperen op locatie) voldoet aan onze regeling voor rechtstreeks toelaatbare aan-huis-gebonden activiteiten binnen woonbestemmingen met een maximale oppervlakte van 35 m2. Het betreft dus niet, zoals reclamant stelt, een planologische nevenactiviteit met een oppervlakte van 256 m2. De ruimtelijke onderbouwing wordt op dit punt verduidelijkt. Punt a.

Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt a. van zienswijze 7. Punt b. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt c. van zienswijze 7. Punt c. Het uitgangspunt is dat wonen geen kernfunctie is voor het buitengebied. Het toevoegen van een enkele woning is op zich voorstelbaar als dat onderdeel is van andere ontwikkelingen met een duidelijke ruimtelijke-functionele meerwaarde. Bijvoorbeeld sanering van agrarische bedrijvigheid of oplossen van andere belemmeringen. Dat is in het geval van de Burgemeester van Erpstraat 70 aan de orde. Over de situering van de woonbestemming geven wij het volgende aan. Bedrijven kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe woning bij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden. Zonering, afstand houden, is een belangrijk middel om te voorkomen dat er hinder ontstaat. Ook zorgt dit ervoor dat de bestaande bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Een belangrijk hulpmiddel hierbij is de Handreiking bedrijven en milieuzonering van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). In de handreiking is een lijst opgenomen die snel inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf ingedeeld zou kunnen worden.

Het voordeel van het instrument is, dat het een integrale benadering geeft. Er is per soort bedrijf in beeld gebracht welke richtafstand aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid. De milieucategorie wordt bepaald op de maatgevende (grootste) afstand. Van deze richtafstanden kan alleen gemotiveerd afgeweken worden. In de directe omgeving van de nieuwe woning aan de Hoessenboslaan liggen twee bedrijven. Aan de Burgemeester van Erpstraat 72 is een rundveehouderij gevestigd. Dit perceel is ook als zodanig bestemd (agrarisch). Het is niet duidelijk welk bedrijf er is gevestigd aan de Hoessenboslaan 4. Voorheen zat daar de gemeentewerf. Aan de voorzijde van de nieuwe woning ligt ook een locatie met de bestemming ‘Gemengd 3’. Op grond van het bestemmingsplan ‘Berghem Dorp– 2015’ mogen ter plaatse ook bedrijven tot maximaal categorie 2 aanwezig zijn. Voor de bepaling van de afstanden is uitgegaan van deze drie bedrijfstypen.

De grootste richtafstand voor de Burgemeester van Erpstraat 72 in Berghem geldt voor geur en bedraagt 100 meter. Voor wat betreft de veehouderij aan de Burgemeester van Erpstraat 72 verwijzen wij naar de toelichting op zienswijze 7 onder punt bb en cc. Voor de Hoessenboslaan 4 in Berghem (voormalige gemeentewerf) bedraagt de grootste richtafstand 30 meter vanwege geluid. Hier wordt aan voldaan. Voor de bestemming ‘Gemengd 3’ tegenover de nieuw te bouwen woning geldt de richtafstand van 30 meter. Het bouwblok van deze bedrijfslocatie ligt iets naar achteren. De afstand ten opzichte van deze lijn tot de rand bouwblok woning bedraagt 25 meter. De nieuw te bouwen woning dient ten minste 6 meter vanaf de westelijke kavelgrens te worden gebouwd. Deze afstand is noodzakelijk om geen overlast van het wegverkeer te hebben nabij deze woning. Dit betekent dat te allen tijde de woning op 30 meter afstand van het bouwblok van het gemengd bedrijf aan de overzijde van de weg moet liggen. Bij de bepaling van de positie van de nieuwe woning is rekening gehouden met de grootste richtafstand die uit de VNG richtlijn blijkt. Dit is voor de voormalige gemeentewerf 30 meter en voor de gemengde bestemming 30 meter. Door te voldoen aan deze richtafstanden is de woning zuidelijker komen te liggen.

Hierdoor worden de bedrijven niet beperkt en is er sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuw te bouwen woning. Bovendien is de nieuwe woonbestemming gesitueerd aan een landelijk bebouwingslint waar bebouwing wordt afgewisseld met onbebouwde delen die doorzichten bieden aansluitend op het agrarisch landschap. Door het toevoegen van een woning op deze plek, op enige afstand van de buren, wordt bij dit karakteristieke bebouwingslint aangesloten. Punt d. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt b. van zienswijze 3. Punt e. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt b. van zienswijze 7. Punt f. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt d. van zienswijze 7. Punt g. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt e. van zienswijze 7. Punt h. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt f. van zienswijze 7. Punt i. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt g. van zienswijze 7. Punt j. Reclamant woont schuin tegenover de nieuw te bouwen woning aan de Hoessenboslaan. Recht tegenover het perceel van reclamant komt de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ zonder bebouwingsmogelijkheden. Dit komt overeen met de huidige situatie. Het ontwerpbestemmingsplan garandeert onbebouwd agrarisch landschap door het opnemen van de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap’, zonder agrarisch bouwvlak.

Daarnaast is het zo dat niemand recht heeft op een ongewijzigde situatie. Wanneer een ontwikkeling niet tot een verandering in de woonsituatie van omwonenden mag leiden, wordt een (elke) ontwikkeling feitelijk onmogelijk. Daarover merken wij het volgende op. Bij de herziening van een bestemmingsplan moet de gemeenteraad bestemmingsregels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit brengt met zich mee dat de gemeenteraad steeds opnieuw moet bezien welke regels hij vanuit een goede ruimtelijke ordening wenselijk vindt. En dit brengt dan weer met zich mee dat men aan een geldend bestemmingsplan geen rechten kan ontlenen. De gemeenteraad kan het vanuit een goede ruimtelijke ordening immers wenselijk vinden om bestemmingsregels op te stellen die

meer (of juist minder) beperkingen opleggen dan de regels in het tot dan toe geldende bestemmingsplan. Volgens de regels van het bestemmingsplan mag de maximale goot- en nokhoogte van deze nieuwe woning 3 respectievelijk 8 meter bedragen. Dit betekent in de praktijk dat er een woning van 1 woonlaag met kap gerealiseerd kan worden. Punt k. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt i. van zienswijze 7. Punt l. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt d en f van zienswijze 3. Punt m. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt j. van zienswijze 7. Punt n. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt k. van zienswijze 7. Punt o. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt l. van zienswijze 7. Punt p. Wij verwijzen hierbij naar onze beantwoording onder punt j. De gemeenteraad dient bij de keuze van een bestemming of planregels een afweging te maken van alle betrokken belangen. Dat hebben wij gemotiveerd gedaan. Dat betekent dat deze belangenafweging ook anders kan uitvallen dan reclamant wellicht wenst. Punt q. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt j. en p. Hierdoor zijn wij van mening dat er geen sprake is van een onevenredige afbreuk van de privacy en het uitzicht. Door het slopen van de stallen komt er volgens reclamant meer zicht op het perceel van initiatiefnemer. Wij delen dit standpunt van reclamant niet.

Het inrichtingsplan zoals opgenomen in de regels van het ontwerpbestemmingsplan als ‘inrichtingsplan 3’ (‘inrichtingsplan’ in het vastgestelde bestemmingsplan) laat zien dat er erfbeplanting in de vorm van een houtwal wordt aangelegd om de woonbestemming af te bakenen. Door deze houtwal is er weinig zicht op het perceel van initiatiefnemer. Punt r. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt q. Punt s. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt p. van zienswijze 7. Punt t. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt q. van zienswijze 7. Punt u. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt k. van zienswijze 7. Punt v Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt q. van zienswijze 7. Punt w Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt c. Punt x. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt r. van zienswijze 7. Punt y. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt s. van zienswijze 7.

Punt z. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt t. van zienswijze 7. Punt aa. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt u. van zienswijze 7. Punt bb. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt v. van zienswijze 7. Punt cc. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt w. van zienswijze 7. Punt dd. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt x. van zienswijze 7. Punt ee. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt y. van zienswijze 7. Punt ff. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt z. van zienswijze 7. Punt gg. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt aa. van zienswijze 7. Punt hh. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt bb. van zienswijze 7. Punt ii. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt cc. van zienswijze 7. Punt jj. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt dd. van zienswijze 7. Punt kk. Hiervoor verwijzen wij naar de beantwoording van punt ee. van zienswijze 7. V. AMBTSHALVE WIJZIGINGEN Hiervóór hebben wij bij de behandeling van de zienswijzen al wijzigingen (al dan niet ambtshalve) ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan benoemd.

Daarnaast bevat het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan enkele ambtshalve wijzigingen, waarvan wij hieronder de belangrijkste noemen: De toelichting bij het bestemmingsplan hebben wij waar nodig aan het bovenstaande aangepast. Burgemeester van Erpstraat 70 in Berghem Het verkennend bodemonderzoek voor het plan aan de Burgemeester van Erpstraat 70 in Berghem is aangevuld. Hiervoor zijn extra boringen gemaakt. Deze resultaten zijn opgenomen in het bodemonderzoek en dit is verwerkt in de ruimtelijke onderbouwing van dit plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=898447de-8587-4d30-a8dc-b8c632c147c7