Bijlage 2 Criteriatabel folderboekje
Tekst van het document
Criteriatabel Osse maatlat Bijlage
Groencriteria Vergroenen
Thema
Vergroenen Criterium 1: Groennorm per inwoner
Criterium 2: Minimaal oppervlakte groen
Criterium 3: Gelaagdheid in vegetatie
Minimaal niveau
Plus niveau
Voorkeursmaatregelen
Minimaal oppervlakte groen per inwoner.
Minimaal oppervlakte groen per inwoner.
Afhankelijk van deelgebied: Uitbreidingen: 60m² Centrum/Spoorzone: 30m² Woonwijk versteend: 30m² Woonwijk groen: 60m² Woonwijk zeer groen: 100m² Bedrijventerrein: n.v.t. Dorpen: 60m²
Afhankelijk van deelgebied: Uitbreidingen: 100m² Centrum/Spoorzone: 60m² Woonwijk versteend: 60m² Woonwijk groen: 100m² Woonwijk zeer groen: 140m² Bedrijventerrein: n.v.t. Dorpen: 140m²
Criteria gelden voor uitbreidingen binnen het plangebied. Dit is openbaar en particulier groen samen.
Minimaal % groene oppervlakte in het plangebied.
Minimaal % groene oppervlakte in het plangebied.
Afhankelijk van deelgebied: Uitbreidingen: 30% Centrum/Spoorzone: 20% Woonwijk versteend: 15% Woonwijk groen: 20% Woonwijk zeer groen: 45% Bedrijventerrein: 30% Dorpen: 20%
Afhankelijk van deelgebied: Uitbreidingen: 50% Centrum/Spoorzone: 40% Woonwijk versteend: 35% Woonwijk groen: 40% Woonwijk zeer groen: 65% Bedrijventerrein: 50% Dorpen: 40%
Minimaal % hoge vegetatie (bomen) en minimaal % middelhoge vegetatie (struiken, (ruigte)kruiden, vaste planten) in het gehele plangebied.
Minimaal % hoge vegetatie (bomen, houtsingels) en minimaal % middelhoge vegetatie (struiken, kruiden, vaste planten) in het gehele plangebied.
Afhankelijk van deelgebied (%hoog – %middelhoog groen in plangebied): Uitbreidingen: 10% - 10% Centrum/Spoorzone: 10% - 5% Woonwijk versteend: 5% - 5% Woonwijk groen: 15% - 5% Woonwijk zeer groen: 25%-10% Bedrijventerrein: 10% - 10% Dorpen: 10% - 5%
Criterium 4: Behoud bestaand groen
Bij uitbreidingen: Maximaal behoud bestaande waardevolle bomen Bij inbreidingen: aanwezig waardevol groen behouden. Bij aantasting geldt afwegingen compensatieregeling (zie hoofdstuk 5)
Afhankelijk van deelgebied (%hoog – %middelhoog groen in plangebied): Uitbreidingen: 20% - 20% Centrum/Spoorzone: 15% - 10% Woonwijk versteend: 5% - 5% Woonwijk groen: 20% - 10% Woonwijk zeer groen: 35%-15% Bedrijventerrein: 20% - 20% Dorpen: 15% - 10% Bij uitbreidingen: Behoud waardevolle bomen en ecologisch waardevol groen en verbeteren kwaliteit. Bij inbreidingen: Aanwezig waardevol groen behouden, uitbreiden en kwaliteit verbeteren. Bij aantasting geldt afweging- en compensatieregeling (hoofdstuk 5)
Normentabel Osse maatlat | Bijlage
Voor inbreidingen gelden de criteria op buurtniveau, als streefwaarde. Al het groen hoeft dus niet binnen het plangebied gerealiseerd worden.
Uitgangspunten: • Openbaar en particulier groen telt mee in de oppervlakte; • Oppervlakte groen onder bomen telt naast boomkroon mee in oppervlakte; • Halfverharding telt voor 50% mee als groen. Indien niet haalbaar op maaiveld, dan mogen ook groene daken en groene gevels meegeteld worden Streef naast bomen ook vooral een struiklaag, daarna naar andere middelhoge vegetatie en pas als laatste naar lage vegetatie. Breng gelaagdheid in beplanting aan met een boomlaag, struiklaag en kruidlaag. Geef bomen de ruimte (onder- en bovengronds) om oud te kunnen worden.
Boombeschermingsplan, boven en ondergronds. Groeiplaatsverbetering bomen Ecologisch waardevol groen zoals struweel, kruidenrijk grasland, ruigte.
Biodiversiteit Natuurinclusief bouwen (gebouwen)
Thema
Minimaal niveau
Plus niveau
Voorkeursmaatregelen
Natuurinclusief bouwen (gebouwen) Nestel- en verblijfsplekken voor Criterium 1: Elk gebouw of woonblok
Integreer faunavoorzieningen in andere soorten vogels, specifieke gevels en daken en in ontwerp en vleermuissoorten of andere inrichting van groene ruimte diersoorten. Grote verblijfplaatsen voor Sluit aan bij eigenschappen en vleermuizen doelsoorten van landschapszone en specifiek deelgebied
Faunavoorzieningen
faunavoorzieningen voor basissoorten (huismus, gierzwaluw, vleermuizen)
Criterium 2:
Geen minimaal niveau. Mogelijk toepassing bij compensatie
Groene daken
Geen eis voor uitbreidingen. Groene kruidenrijke daken, natuurdaken of bruine daken. Met waterbuffer en substraatdikte van minimaal 15 cm. Enkel indien niet mogelijk afschalen naar sedumdaken Minimaal 30% van bruikbaar dakoppervlakte**
Toepassen van inheemse planten. Waar mogelijk in lijn met landschapzone Toepassen faunavoorzieningen op daken (nestelplekken insecten en vogels en drinkvoorziening) Toepassen op zichtbare daken
Criterium 3: Groene gevels
Geen minimaal niveau. Mogelijk toepassing bij compensatie
Per gebouw of bouwblok Inheemse klimplanten en/ minimaal 20% groene gevels van of ecologische interessante geschikt geveloppervlak*** cultivars in volle grond
** Plat dak zonder dakramen en installaties, zonnepanelen zijn geen installaties *** Geveloppervlakte zonder puien deuren, ramen en zonnepanelen
Normentabel Osse maatlat | Bijlage
Biodiversiteit Groene hoofdstructuur
Thema
Minimaal niveau
Groene hoofdstructuur Criterium 1: Behoud van functionaliteit Groene hoofdstructuur
groene hoofdstructuur.
Plus niveau
Voorkeursmaatregelen
Versterken functionaliteit groene hoofdstructuur.
Bij voorkeur GHS fysiek vergroten Kwaliteit verbeteren door ecologische inrichting en beheer. In lijn met landschapszone Rekening houden met habitatseisen en levenscyclus aanwezige soorten.
Normentabel Osse maatlat | Bijlage
Biodiversiteit Natuurinclusief inrichten (groene ruimte)
Thema
Minimaal niveau
Plus niveau
Natuurinclusief inrichten (groene openbare ruimte) Criterium 1: Bij bomen en struiken rekening Landschapszone als Landschapszone
Criterium 2: Flora
houden met bodem en vocht (zand/klei, droog/vochtig)
uitgangspunt voor inrichting. Landschaps-elementen, vegetatietypen en plantensoorten in lijn met eigenschappen landschapszone, zie hoofdstuk 4.
Gemengd assortiment.
Gemengd assortiment.
In openbaar gebied dekking van 20-60% inheemse en cultuurhistorische soorten*
In openbaar gebied dekking van 50-80% inheemse en cultuurhistorische soorten* passend bij de landschapszone
Percentage afhankelijk van deelgebied: Centrum/Spoorzone: 20% Woonwijk versteend: 20% Woonwijk groen: 40% Woonwijk zeer groen: 50% Bedrijventerreinen: 60% Dorpen: 40%
Percentage afhankelijk van deelgebied: Uitbreidingen: 80% Centrum/Spoorzone: 50% Woonwijk versteend: 50% Woonwijk groen: 60% Woonwijk zeer groen: 70% Bedrijventerreinen: 80% Dorpen: 60%
Criterium 5:
Groene ruimte inrichten als leefgebied voor doelsoorten basis die in stedelijk gebied passen (vogels, vleermuizen, vlinders, wilde bijen)
Criterium 4:
Bodemverbetering bij aanplant of Bodemplan opnemen in project inzaaien (verdichting voorkomen, grond luchtig maken, bodemverbetering, toevoegen mineralen en bodemleven)
Fauna
Bodem
Groene ruimte inrichten als leefgebied voor specifieke doelsoorten deelgebied/ landschapszone en/of andere specifieke soorten of soortgroepen
Voorkeursmaatregelen
Trek waardevolle elementen uit de omgeving door in het plangebied Voor plusniveau: Afhankelijk van landschapstypen: Bosjes, houtwallen, struweel, poelen, fruitboomgaarden, vogelakkertjes
Plantgoed herkomst ecologische verantwoord geteeld Inheemse soorten zoveel mogelijk autochtone herkomst Toepassing van landschapselementen, gemengde bomenrijen, gemengde hagen, inheemse vaste planten in borders, bloemenweiden, kruidenrijk grasland, bloemrijk gazon
Toepassen 5V’s: Verbinding, Veiligheid, Voortplanting, Voedsel, Vocht
(blad)compost, microorganismen, turfvrije bodemverbetering Bij inzaaien kruiden, voedselrijke toplaag verwijderen Rijplaten gebruiken Boombeschermingsplan
Criterium 6: Beheer
Opstellen groenbeheerplan, rekening houden met flora en fauna
Ecologisch beheerplan. Passend beheer, specifiek toegespitst op flora en fauna
Een samenhangend inrichtingsen beheerplan voor gebouw en buitenruimte gericht op een natuurinclusieve inrichting en beheer van de gekozen soorten.
* Inheems, streekeigen, cultuurhistorisch: Inheemse bomen en planten zijn soorten die van nature voorkomen in Nederland en omliggende regio’s. Streekeigen planten en bomen zijn soorten die in de regio veel voorkomen. Streekeigen planten zijn ook veelal inheems, maar dan specifieker. Cultuurhistorische planten zijn ingeburgerde soorten die hier al eeuwen voorkomen, zoals fruitbomen en stinzenplanten.
Normentabel Osse maatlat | Bijlage
Klimaatadaptatie Wateroverlast
Thema
Minimaal niveau
Wateroverlast Criterium 1: De ontwikkeling bevat een beschermingsniveau extreme neerslag
‘Weging van het Waterbelang’ waarin wordt beschreven hoe voldoende rekening wordt gehouden met wateroverlast, het principe ‘water en bodem sturend’, en de water-gerelateerde eisen van het gemeentelijk WRP en het Waterschap Aa en Maas. Dit gaat onder andere om 60 mm berging per m2 nieuw verhard oppervlak (zie criterium 4).
Criterium 2: Nieuwe ontwerpen hebben een vloerpeil
minimaal verschil tussen weg- en vloerpeil van 30 cm. zie RIBOR 2.10 Vaststellen bouwpeil Gemeente Oss
Plus niveau
Voorkeursmaatregelen
De ontwikkeling wordt modelmatig getoetst op een bui van 70 mm per uur. Dit is een hydrodynamische berekening die aantoont dat er geen schade optreedt aan panden. Bij meer dan 5 cm water tegen meer dan 10% van het pand, is het een risicopand waar waarschijnlijk waterschade optreedt. Vitale en kwetsbare functies voldoen hieraan bij 90 mm per uur. individuele panden worden aan de stresstestkaart getoetst. Berging moet binnen het plangebied opgelost worden om afwenteling naar andere gebieden te voorkomen.
Bovengrondse afstroming naar wadi, verlaagd groen of oppervlaktewater. Niet afwentelen op het watersysteem van het waterschap.
Minimaal 40 cm tussen weg- en vloerpeil
Maaiveldinrichting aanpassen
Criterium 3: Wegen liggen wanneer mogelijk oppervlakkige afstroming en infiltratie
Criterium 4: Bij nieuwbouw binnen de berging op particulier terrein
Bovengrondse afstroming naar wadi, verlaagd groen of oppervlaktewater. Niet afwentelen op het watersysteem van het waterschap.
op-één-oor richting verlaagd groen of oppervlaktewater. Het toepassen van een infiltratievoorziening met bodempassage (zoals een wadi) heeft de voorkeur. Bij het toepassen van opsluitbanden van bestrating moeten uitsparingen worden gerealiseerd om oppervlakkige afstroming naar groen te faciliteren. bebouwde kom met een toename van 500 m² of meer verhard oppervlak moet minimaal 60 mm hemelwater op het eigen terrein kunnen worden verwerkt. Ontwikkelingen met een toename onder de 500 m2 verhard oppervlak moeten minimaal 25 mm op eigen terrein verwerken.
In zandige gebieden is infiltratie het uitgangspunt: liefst bovengronds in bijv. een wadi, of ondergronds in bijvoorbeeld een infiltratieriool of -put. Het aanbrengen van infiltratiekratten heeft nadrukkelijk niet de voorkeur. Minimaal 70 mm op eigen terrein bij >500m² en bij <500m²
Echter, als de ontwikkeling bestaat uit meerdere particuliere percelen, is het niet gewenst om op elk perceel berging op eigen terrein te realiseren. De gewenste waterberging moet dan in een robuust ingerichte openbare ruimte gezocht worden.
Waterberging op eigen terrein door zoveel mogelijk bovengrondse berging en maaiveldverlaging. Ruimte voor water in de openbare ruimte bij voorkeur bovengronds en groen. Halfverharding telt als 100% onverhard. Voor private kavels gaan we uit van de volgende percentages in het berekenen van benodigde ruimte voor water: • Perceel < 200 m²: 90% verharding • Perceel 200-400 m²: 75% verharding • Perceel 400-600 m²: 60% verharding • Perceel >600 m²: 40% verharding
Criterium 6: Bouw grondwaterbestendig en waterdicht. In gebieden met een hoge grondwaterstand (GHG <0,5 m-mv) bij grondwaterbestendig bouwen
voorkeur zonder kruipruimte of kelder bouwen of met grondwaterdichte laag. Zorg dat de inrichting van tuinen (beplanting, vlonders) tegen natte situaties kan.
Normentabel Osse maatlat | Bijlage
Klimaatadaptatie Hitte
Thema
Minimaal niveau
Hitte Criterium 1: Er moet binnen het plangebied 40% schaduw
Voorkeursmaatregelen
50% schaduw
Bomen aanplanten/ behouden met een grote boomkroonbedekking
Koele groene plek is > 300 m²
Koele groene verblijfsplekken creëren binnen het plangebied. Een koele groene verblijfsplek is een plek met meer dan 200 m2 aaneengesloten schaduw in openbaar groen, en waarbij naast goede toegankelijkheid en veiligheid ook uitnodigend is om te kunnen verblijven (bijv. door plaatsen van bankjes, picknicktafel of speelelementen).
schaduw zijn op verblijfsplekken, belangrijke loop- en fietsroutes en verblijfsplekken (Hiermee bedoelen wel plekken die zijn ontworpen om mensen te laten verblijven, recreëren en spelen, zoals pleinen en parken). Dit wordt getoetst met een schaduwberekening en schaduwkaart.
Criterium 2: Elk pand ligt binnen loopafstand koele plekken
Plus niveau
(300 m) van een koele groene verblijfsplek. Dit wordt getoetst met een looproutekaart met alle panden en koele groen plekken.
Criterium 3: Het ontwerp houdt rekening met de voorkeursvolgorde
ladder van koeling door OSKA: koele omgeving -> warmte weren -> passief koelen -> actief koelen. Bij actieve koeling, wordt de warme lucht via het dak geloosd of aan de zijde niet aangrenzend aan een buitenruimte met verblijfsfunctie (openbaar én privaat).
Normentabel Osse maatlat | Bijlage
Voldoende groene openbare verblijfsruimtes, schaduw creëren met bomen, panden zo inrichten dat warmte weren of passieve koeling mogelijk is, bijvoorbeeld door zonwering en overstekken.
Klimaatadaptatie Droogte
Thema
Minimaal niveau
Voorkeursmaatregelen
Droogte Criterium 1: Hemelwater infiltreert zoveel mogelijk lokaal. De voorkeursvolgorde is: voorkeursvolgorde
Bij nieuwbouw worden afval- en regenwater altijd gescheiden en bij voorkeur geleid naar een infiltratievoorziening met bodempassage (zoals een wadi). Indien water lokaal wordt geïnfiltreerd, wordt rekening gehouden met vervuiling van het afstromend oppervlak. Indien dit niet mogelijk is wordt afgekoppeld naar (verlaagd) groen, als dat niet mogelijk is wordt direct afgekoppeld op oppervlaktewater, als dat niet mogelijk is wordt er afgekoppeld naar een hemelwaterstelsel, als dat niet mogelijk is wordt aangesloten op het gemengde stelsel.
Meer infiltreren (bij zandige ondergrond), door wadi’s, (verlaagd) groen, of ondergrondse infiltratie-voorzieningen in de openbare ruimte (infiltratiekratten hebben nadrukkelijk niet de voorkeur!)
In kleiige gebieden wordt een constructie aangelegd die vertraagd afvoert, zoals een infiltratieriool met overstort, of sloot met stuw.
Criterium 2: In het ontwerp wordt ingezet op het opvangen en benutten van hemelwater drinkwaterbesparing
of andere vormen van drinkwaterbesparing in of rond het huis.
Criterium 3: In het ontwerp wordt niet onnodig grondwater afgevoerd. Drainage wordt grondwater
niet lager aangelegd dan het huidige grondwaterpeil (GHG).
Normentabel Osse maatlat | Bijlage
Opvang regen in (ondergrondse) watertank en hergebruik voor doorspoelen toilet en sproeien tuin
Klimaatadaptatie Overstromingen
Thema
Minimaal niveau
Voorkeursmaatregelen
Overstromingen Criterium 1: De lokale overstromingsrisico’s worden beoordeeld vanuit het waterveiligheid
Landelijk Informatiesysteem Water en Overstromingen (LIWO) en https://mijnwaterrisicoprofiel.nl/. Op basis van de verwachte overstromingsdieptes, overstromingsfrequenties en aankomsttijd wordt afgewogen of (doelmatige) maatregelen genomen dienen te worden.
Normentabel Osse maatlat | Bijlage
Waterbewustzijn vergroten, verhoogd aanleggen, waterdicht bouwen, herstelcapaciteit vergroten, adaptief bouwen.
Klimaatadaptatie Bodemdaling
Thema
Minimaal niveau
Bodemdaling Criterium 1: Bij ontwikkelingen op kleiige ondergrond wordt een geotechnische analyse uitgevoerd door de zettingsrisico
ontwikkelaar om zettingen in beeld te brengen. Hieruit volgen eventuele maatregelen (zoals voorbelasting en ophoging) waar de ontwikkeling rekening mee moet houden. Er wordt een gebiedsspecifieke restzettingseis en maatregelenset opgesteld. Dit zorgt voor een maatschappelijk kosteneffectieve investering over een levensduur van 60 jaar.
Normentabel Osse maatlat | Bijlage