Bijlage 1D Bijlagen bij toelichting Dorpsstraat 15 Lithoijen
Tekst van het document
BESTEMMINGPSLAN Dorpsstraat 15 Lithoijen - 2022 Bijlagen bij toelichting
Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |
Dorpsstraat 15 Lithoijen - 2022
Dorpsstraat 15 Lithoijen - 2022 pag 2 van 162 vastgesteld
Inhoudsopgave
Bijlagen bij de toelichting
3
Bijlage 1
Schetsplan
4
Bijlage 2
Beplantingsplan
20
Bijlage 3
Quickscan flora en fauna
24
Bijlage 4
Watertoets
41
Bijlage 5
Bodemonderzoek
43
Bijlage 6
Geuronderzoek
110
Bijlage 7
Aerius-berekening
143
Dorpsstraat 15 Lithoijen - 2022 pag 3 van 162 vastgesteld
Bijlagen bij de toelichting
Dorpsstraat 15 Lithoijen - 2022 pag 4 van 162 vastgesteld
Bijlage 1 Schetsplan
s c h e t s o n t w e r p
datum: projectnummer:
schetsboek voor het verbouwen van een woning te Lithoijen voor familie Brekelmans 20-07-2020 2444
1037
spad
dorp
2786
10631
P P
14600
P
s c h e t s o n t w e r p
bestaande situatie bestaande situatie
10000
9910
datum: projectnummer:
20-07-2020 2444
0
5
10
15
Schaal: Sectie: Nummer: Gemeente:
Situatie
25
1:500
20
1:500 A 2786 Lithoijen
1037
spad
dorp
2786
10631
P P
14600
P
s c h e t s o n t w e r p
= te slopen gedeelte
bestaande situatie bestaande situatie
10000
9910
datum: projectnummer:
20-07-2020 2444
0
5
10
15
Schaal: Sectie: Nummer: Gemeente:
Situatie
25
1:500
20
1:500 A 2786 Lithoijen
1750
2215
Peil
b.k. goot
3444+
b.k. nok
4975+
1750
3000
1570
1750
895
1750
1536
1034
25230
1405
rechter zijgevel (bestaand)
1630
voorgevel (bestaand)
1770
19690
730
1750
3590
1370
1750
1385
s c h e t s o n t w e r p
Peil
b.k. nok
4975+
930
datum: projectnummer:
6100
1750
510
20-07-2020 2444
3000
2835+
Peil
b.k. dakrand
2000
2400
1030
650 400 770
linker zijgevel (bestaand)
1330
achtergevel (bestaand)
14600
1330
19910
1075
25230
2000
2065
2000
s c h e t s o n t w e r p
Peil
b.k. goot
2720+
b.k. nok
4000+
2860
datum: projectnummer:
10630
20-07-2020 2444
Peil
b.k. goot
3444+
b.k. nok
4975+
9910
5230
4960
kantoor
kantine
880
portaal
270
berging
Begane grond (bestaand)
270
toilet
archief
880
kantoor
lichte scheidingswand
vervallen spantbeen
20000
19460
s c h e t s o n t w e r p
10000
datum: projectnummer:
20-07-2020 2444
vervallen spantbeen
270
6100 3590 270 9460 270
9690 10000
9910
5230
4960
kantoor
kantine
880
portaal
270
berging
= te slopen gedeelte
Begane grond (bestaand)
270
toilet
archief
880
kantoor
lichte scheidingswand
20000
19460
s c h e t s o n t w e r p
10000
datum: projectnummer:
20-07-2020 2444
270
6100 3590 270 9460 270
9690 10000
Doorsnede A-A (bestaand)
10000
3590
s c h e t s o n t w e r p
Peil
b.k. goot
3444+
b.k. nok
4975+
6100
datum: projectnummer:
20-07-2020 2444
Peil
b.k. goot
2720+
b.k. nok
4000+
11650
4057
spad
dorp
2786
P
patio
25330
P
P
s c h e t s o n t w e r p
nieuwe situatie nieuwe situatie
3257 7690
datum: projectnummer:
20-07-2020 2444
0
5
10
15
Schaal: Sectie: Nummer: Gemeente:
Situatie
25
1:500
20
1:500 A 2786 Lithoijen
Peil
b.k. goot
2607+
Peil
b.k. goot
3444+
b.k. nok
4975+
1450
rechter zijgevel (nieuw)
voorgevel (nieuw)
17690
25230
s c h e t s o n t w e r p
3980
datum: projectnummer:
2835+
20-07-2020 2444
Peil
b.k. dakrand
b.k. nok
b.k. nok
Peil
b.k. goot
3444+
4975+
4975+
2835+
Peil
b.k. dakrand
2835+
linker zijgevel (nieuw)
achtergevel (nieuw)
17690
25230
s c h e t s o n t w e r p
Peil
b.k. dakrand
datum: projectnummer:
1450
20-07-2020 2444
Peil
b.k. goot
2607+
b.k. nok
4975+
3980
7690
veranda
glasdeuren
daklicht
studie
kind 3
begane grond (nieuw)
woonkamer
kind 1
kind 2
vast glas
raam in bestaande muuropening
badk. 2
25230
woonkeuken
kast
toilet
gang
kind 4
bijkeuken
entree
mk.
vliering
gard.
gang
patio
s c h e t s o n t w e r p
11650
berging was
BUFFERVAT MV
techniek datum: projectnummer:
toilet
CV
badk. 2
20-07-2020 2444
garage
gard.
ouders
3090 2100 1900 270 9460 270
7690 10000
Doorsnede A-A (nieuw)
s c h e t s o n t w e r p
Peil
b.k. goot
3444+
b.k. nok
4975+
datum: projectnummer:
20-07-2020 2444
Peil
b.k. dakrand
2835+
Baksteen, schilderwerk Baksteen, schilderwerk Houten delen Aluminium/Kunststof Sectionaaldeur Kunststof DTS Belgisch hardsteen Onderhoudsvrije plaat Damwandplaten dakpanprofilering EPDM / Kunststof Aluminium gemoffeld Eikenhout, v.v UV-filter Zink Black glass
Gevel, metselwerk
Gevel, plint
Gevel
Kozijnen, ramen, deuren
Garagedeur (bestaand)
Onderdorpels en neuten
Waterslagen
Dakranden
Dak, hellend
Dak, plat
Daktrim
Kolommen, balken
Hemelwaterafvoer
Zonnepanelen
Antraciet
Naturel
Naturel
Grijs
Grijs/antraciet
Antraciet
Grijs/antraciet
Naturel
datum: projectnummer:
Antraciet/Zwart
Grijs
Grijs/antraciet
Antractiet/zwart
Grijs
Wit/lichtgrijs
Kleur
s c h e t s o n t w e r p
Materiaal
Bouwdeel
20-07-2020 2444
materialen- en kleurenstaat
datum: projectnummer:
Copyright Sloven Architectuur BV Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de coyrighthouders. No parts of this edition may be reproduced in any form by print, photoprint, microfilm or any other means without written permission of the Publisher.
s c h e t s o n t w e r p
C
mevr. H. Brekelmans Dorpsstraat 17 5396 PG Lithoijen heidy.brekelmans@gmail.com 06 28342778
Sloven Architectuur BV Paul Sloven Architect BNA Sonniusstraat 1G 5212 AJ 's-Hertogenbosch T: 085 06 45 747 E: paul@sloven.nl I: www.slovenarchitectuur.nl
Ontwerp:
E: T:
naam: adres:
Initiatief:
20-07-2020 2444
Dorpsstraat 15 Lithoijen - 2022 pag 20 van 162 vastgesteld
Bijlage 2 Beplantingsplan
Dorpsstraat 15 Lithoijen - 2022 pag 24 van 162 vastgesteld
Bijlage 3 Quickscan flora en fauna
broed
PLAN W t.a.v. M.W. Zwanenberg Kievitsham 62 5333 GE Hoenzadriel Datum
30 maart 2021
Kenmerk
BE/2021/215/r
Uw kenmerk
Email d.d. 18 februari 2021
Auteur(s)
ing. G. Fairhurst
Collegiale toets
ir. ing. K.J. Rebergen
Revisie
ing. G. Fairhurst (22-4-2021)
Quickscan Wet natuurbescherming Dorpsstraat 15 te Lithoijen Aan de Dorpsstraat 5 te Lithoijen is een perceel met een voormalig bedrijfspand met inpandig een woning. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing te transformeren tot een woning. Hierbij zijn zowel inpandige als uitpandige werkzaamheden beoogd. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Plan W begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Brabant? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Dorpsstraat 15 te Lithoijen (figuur 1). Het betreft een voormalige bedrijfsschuur welke voor een deel inpandig is omgebouwd tot een woning. Het gebouw is opgetrokken uit gemetselde muren en betonnen blokken. De west- en zuid gevels bevatten een volledig geïsoleerde spouwmuur. Het dak is opgebouwd uit golfplanten, damwandplaten en platbitumen. Het omliggende terrein is voornamelijk verhard met aan de noordzijde naast de planlocatie een groenstrook. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door een landelijke omgeving. Op circa 430 m ten oosten ligt een inham van de Maas de ‘Oude Maas’ en op circa 900 m ten noorden stroomt de Maas.
2
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Dorpsstraat 15 te Lithoijen (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en effecten Het bestemmingsplan dient gewijzigd te worden ten behoeve de beoogde ingrepen. Deze zijn permanent van karakter en zullen zowel inpandig als uitpandig plaatsvinden. Hierbij zal een deel van het pand ten noorden en oosten gesaneerd worden. Teven zullen de gevels aan de zuiden westzijde gerenoveerd worden en het dak zal op enkele plaatsen gerenoveerd worden. Inpandig zal het gebouw volledig getransformeerd worden tot woonhuis. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • •
saneren delen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; renovatie bebouwing: algemene renovatie- en bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 3
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Sloven Architectuur).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 23 maart 2021 en is uitgevoerd door ing. G. Fairhurst. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 7/8 bewolkt, 8 Celsius en windkracht 2-3 (Bft).
3
Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de Omgevingsverordening Provincie Noord-Brabant is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. Aardmuis Gewone pad Ree Bastaardkikker
Haas
Rosse woelmuis
Bosmuis
Huisspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis
Kleine watersalamander Konijn Meerkikker
Egel Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Veldmuis Vos Wildzwijn Woelrat
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Brabant. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Natura-2000 gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaals beleid Binnen het Natuurnetwerk Brabant geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden die onder provinciaals beleid valt dient tevens een vergunning voorhanden te zijn.
4
(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare
per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2011-2021). De planlocatie is volledig verhard en bestaat uit bebouwing met een bijna volledig betegelde tuin. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante vaatplanten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: beuk, conifeer, gewone vlier en populier. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden.
Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bruine rat, das, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, rode eekhoorn, steenmarter, vos en wezel (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, das, rode eekhoorn, steenmarter en wezel. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren.
5
Gezien de mate van verharding, ligging van de planlocatie en door de aanwezigheid van omheining kan aanwezigheid van de das en bever per definitie uitgesloten worden. De rode eekhoorn is sterk gebonden aan boomrijke gebieden als bossen, parken en houtsingels. Ten noorden van de planlocatie ligt een groenstrook bestaande uit bomen en struiken, deze wordt binnen de beoogde ontwikkeling niet aangetast, tevens zijn hier geen waarnemingen bekend van de rode eekhoorn. Door vorengenoemde en doordat deze bomenrij niet in verbinding staat met een belangrijk foerageer- of voortplantingsgebied, kunnen negatieve effecten op de rode eekhoorn uitgesloten. De steenmarter en wezel zijn marterachtigen welke gebonden zijn aan kleinschalige landschappen met voldoende groenstructuren welke functioneren als dekking en voor voedsel. De wezel geeft voorkeur aan droge plaatsen als houtstapels en (oude) holen als rust- en voortplantingsplaats, wegens het ontbreken hiervan en de hoge mate van verharding is een voortplantingsplaats van de wezel op de planlocatie uitgesloten. De steenmarter geeft de voorkeur aan stenige biotopen en gebruikt oude schuren, stallen en soms ook zolder- en kelderruimtes als rust- en voortplantingsplaats. In de bebouwing zijn geen openingen van voldoende formaat aanwezig welke de steenmarter toegang kunnen bieden.
Daarnaast ontbreekt het aan sporen als prooiresten, uitwerpselen en prenten, welke veelal aanwezig zullen zijn bij aanwezigheid van een voortplantingsplaats. Aanwezigheid van de steenmarter en wezel zijn derhalve uitgesloten. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie bevat voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name huismuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 3 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (NDFF 20112021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd.
Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn geen bomen aanwezig, welke gekapt zullen worden binnen de beoogde ontwikkeling. Negatieve effecten op boombewonende vleermuizen is uitgesloten. De te slopen en renoveren bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De bebouwing is opgetrokken uit gemetselde muren met gevels aan de noord- en oostzijde zonder spouw en gevels aan de west- en zuidzijde met spouwmuur. De bebouwing heeft een dak bestaande uit golfplaten en bitumen.
Door de bouwstijl en het type materiaal is een geschikte rust- en verblijfplaats in het dakruimte uitgesloten. Aan de zuid- en westgevels zijn de spouwmuren volledig geïsoleerd en hierdoor ontoegankelijk voor vleermuizen. Derhalve worden negatieve effecten op gebouwbewonende vleermuizen uitgesloten. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute.
6
Mogelijk maakt de groenstrook ten noorden deel uit van een belangrijke vliegroute, deze wordt in de beoogde ontwikkeling niet aangetast. Echter in de luwte van deze opgaande vegetatie kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd, waarbij uitstraling richting de groenstrook voorkomen wordt.
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en poelkikker (NDFF 20112021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: poelkikker. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De planlocatie is verhard, wordt intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden en er is geen oppervlaktewater aanwezig. Aanwezigheid van voortplantingswater is uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van .. km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 20112021). Daarnaast zijn reptielen over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers.
Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: rivierrombout, teunisbloempijlstaart en veldparelmoervlinder (NDFF 20112021). Voorgenoemde soorten hebben een specifieke habitatvoorkeur, gezien de hoge mate verharding kan aanwezigheid van deze soorten uitgesloten worden. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif, huismus, koolmees, merel en bonte specht. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies.
Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van
7
insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Gedurende het veldbezoek zijn circa 100m buiten de planlocatie huismussen waargenomen. Deze bevonden zich in de groene tuinen van de woningen met pannendaken. De bebouwing op de planlocatie heeft platte bitumen daken en een golfplaten of damwandplaten dak, welke door isolatie materiaal ontoegankelijk zijn. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. In de bebouwing zijn geen openingen aanwezig welke van voldoende formaat zijn om uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) toegang te verlenen. Er zijn tevens geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen rondom de planlocatie.
De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van uilen- en roofvogelsoorten gezien de ligging van de planlocatie en mate van verharding. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
8
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Brabant. Op een afstand van circa 5,6 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 4). Op een afstand van circa 400 m ligt het Natuurnetwerk Brabant (figuur 5).
Figuur 4
De planlocatie ligt op een afstand van circa 5,6 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: kaartbank.brabant).
Figuur 5
De planlocatie ligt op een afstand van circa 400 m tot het Natuurnetwerk Brabant (bron: kaartbank.brabant).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Brabant geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
9
Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de renovatie van de huidige bebouwing en transformatie tot woning. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ingreep niet tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Gezien er sprake is van een grote afstand (5,6 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Het maken van een melding in het kader van Wet natuurbescherming is derhalve niet noodzakelijk.
10
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Brabant. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Aeriusberekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Tabel 2
Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. soortenbescherming soortgroep beschermingssoortspecifiek mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied vaatplanten grondgebonden zoogdieren vleermuizen amfibieën reptielen vissen insecten en andere ongewervelden vogels
Tabel 3
n.v.t. n.v.t n.v.t. n.v.t n.v.t. n.v.t. n.v.t.
nee nee nee nee nee nee nee
-
n.v.t.
nee
-
Overzicht van de Gebiedsbescherming.
gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek
Natura 2000
5,6 km
geen
n.v.t.
Natuurnetwerk Brabant
400 m
geen
n.v.t.
Tabel 4
Overzicht van de Houtopstanden.
houtopstanden
aanwezig
kap
melding
struiken
ja
nee
n.v.t.
bomen
ja
nee
n.v.t.
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Conclusie De beoogde renovatie en transformatie aan de Dorpsstraat 15 te Lithoijen is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
Vervolgstappen De beoogde ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurwaarde (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden) Aanvullend onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
11
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
12
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Bever Castor fiber, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Das Meles meles, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997.
Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.kaartbank.brabant.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
13
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ing. G. Fairhurst Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
14
Bijlage 1 Fotografische impressie
15
Figuur 1
De zuidgevel.
Figuur 2
De noordgevel ligt tegen de groenstrook aan.
16
Figuur 3
De westgevel.
Figuur 4
De planlocatie is volledig verhard.
Dorpsstraat 15 Lithoijen - 2022 pag 41 van 162 vastgesteld
Bijlage 4 Watertoets
datum 10-5-2021 dossiercode 20210510-38-26411 Bedankt voor het invullen van de Digitale Watertoets! Uit de door u ingevoerde gegevens blijkt dat de verhardingstoename en/of -afkoppeling maximaal 500 m2 is en het plangebied buiten de ruimtelijk begrensde waterbelangen valt. Onze verwachting is dat wij daarom geen of weinig inhoudelijke opmerkingen zullen hebben. Wel verzoeken wij u alvast om bij de bouw af te zien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Hiermee worden bijvoorbeeld zink en koper in daken, gevels, goten en leidingen bedoeld. Hoewel het waterbelang in dit project klein lijkt ontvangen wij toch graag het voorontwerpplan. U kunt contact met ons opnemen via watertoets@aaenmaas.nl Hier kunt u ook terecht met eventuele vragen of opmerkingen. Met vriendelijke groet, Team Planadvies van Waterschap Aa en Maas
Let op! De Digitale Watertoets is een hulpmiddel om inzichtelijk te maken welke waterbelangen mogelijk spelen in het plangebied. Vandaar dat dit automatisch gegenereerde toetsresultaat niet gezien kan worden als vervanging van het watertoetsproces of vrijstelling van een eventuele vergunnings- of meldingsplicht op basis van de Keur. Voor meer informatie m.b.t het vergunningverleningsproces kunt u contact opnemen met ons Waterwetloket via 073 615 83 33 of info@aaenmaas.nl Waterschap Aa en Maas streeft ernaar om correcte en actuele informatie in deze applicatie aan te bieden. Aan het beschikbaar gestelde kaartinformatie kunnen geen rechten worden ontleend. Waterschap Aa en Maas aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enige vorm van schade naar aanleiding van het gebruik of de informatie die via deze applicatie beschikbaar wordt gesteld.
www.dewatertoets.nl
Dorpsstraat 15 Lithoijen - 2022 pag 43 van 162 vastgesteld
Bijlage 5 Bodemonderzoek
Verkennend bodemonderzoek Dorpstraat 15/GED Lithoijen
Verkennend bodemonderzoek Dorpstraat 15/GED Lithoijen Aeres Milieu Projectnummer Status rapport Datum
: AM21105 : Definitief (versie 2) : 3 maart 2022
Opdrachtgever
: Bevo Hondenvoeding Dorpsstraat 17 5396 PG Lithoijen
Opgesteld door Paraaf
: M. Vrolix, bc :
Gecontroleerd door Paraaf
: BEd L. Koomen :
Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl
2001 + 2002
Disclaimer Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden (opzet conform NEN 5740 en interpretatie aan de hand van de Leidraad Bodembescherming). Opgemerkt wordt dat bij een verkennend bodemonderzoek sprake is van een steekproefsgewijze bemonstering en het nemen van een beperkt aantal monsters. De mogelijkheid blijft daarom bestaan dat puntverontreinigingen, welke niet voortkomen uit het historisch onderzoek, niet door het onderzoek worden aangetoond. Daarnaast blijft het mogelijk dat lokale afwijkingen in de samenstelling van het bodemmateriaal voorkomen. Tot slot wordt erop gewezen dat het uitgevoerde bodemonderzoek een momentopname is. Het bovenstaande betekent dat Aeres Milieu op voorhand geen aansprakelijkheid accepteert voor maatregelen of mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Aeres Milieu uitgevoerde bodemonderzoek neemt. Tevens wordt opgemerkt dat Aeres Milieu voor het verkrijgen van de voor het historisch onderzoek noodzakelijke informatie (mede) afhankelijk is van externe bronnen. Voor Aeres Milieu is niet te verifiëren of deze bronnen altijd volledig en zonder fouten zijn. Hierdoor kan Aeres Milieu niet instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie.
Pagina | 2 AM21105
INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING ........................................................................................................................................................................................................................4 2.
VOORONDERZOEK .............................................................................................................................................................................................5 2.1
Inleiding ............................................................................................................................................................................................................5
2.2
Topografische beschrijving ........................................................................................................................................................................5
2.3
Historisch overzicht en omgeving ...........................................................................................................................................................6
2.4
Dossieronderzoek ..........................................................................................................................................................................................6
2.5
Bodemopbouw en geo(hydro)logie .........................................................................................................................................................9
2.6
Beschrijving van de onderzoekslocatie .................................................................................................................................................9
2.7
Asbest ................................................................................................................................................................................................................9
2.8
Onderzoekshypothese .............................................................................................................................................................................. 10
3.
ONDERZOEKSSTRATEGIE ............................................................................................................................................................................. 11 3.1
Inleiding ......................................................................................................................................................................................................... 11
3.2
Onderzoeksstrategie ................................................................................................................................................................................. 11
4.
VELDWERKZAAMHEDEN ............................................................................................................................................................................... 12 4.1
Algemeen ...................................................................................................................................................................................................... 12
4.2
Grondbemonstering ................................................................................................................................................................................... 12
4.3
Grondwatermonstername ........................................................................................................................................................................ 13
5.
LABORATORIUMONDERZOEK..................................................................................................................................................................... 14 5.1
Algemeen ...................................................................................................................................................................................................... 14
5.2
Grond(meng)monsters .............................................................................................................................................................................. 14
5.3
Grondwatermonster ................................................................................................................................................................................... 15
5.4
Toetsing van de gestelde hypothese .................................................................................................................................................. 16
6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...................................................................................................................................................................... 17
Bijlagen: 1 2 3 4 5 6 7 8
Topografische en kadastrale overzichtskaart Foto’s onderzoekslocatie Situatietekening onderzoekslocatie met boorpunten Boorprofielen en zintuiglijke waarnemingen Verklaring veldmedewerker Toetsingstabellen en analyserapport grond(meng)monsters Toetsingstabellen en analyserapport grondwatermonster Omgevingsrapportage Noord-Brabant
Pagina | 3 AM21105
1. INLEIDING In opdracht van Bevo hondenvoeding heeft Aeres Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie
: Dorpstraat 15/GED te Lithoijen
Gemeente
: Oss
Kadastrale registratie
: Lithoijen, sectie A, nr. 2786
Oppervlakte
: circa 1.338 m2
Huidig gebruik van de locatie
: loods en klinkerverharding
Toekomstig gebruik
: wonen
Dit bodemonderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de NEN 5740. Het verkennend bodemonderzoek bestaat uit een vooronderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie en aanvullend hierop een bodemonderzoek op het perceel.
Aanleiding De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is een voorgenomen herontwikkeling op het perceel. Een schuur wordt verbouwd tot woning.
Doel Het doel van het verkennend onderzoek is, middels een steekproef, het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit ter plaatse. Het onderzoek is niet bedoeld om een exacte aard en omvang van een eventuele verontreiniging aan te geven.
Onderzoek Aeres Milieu B.V. heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als onafhankelijk onderzoeksbureau. In hoofdstuk 2 is het vooronderzoek en de daaruit volgende onderzoekshypothese beschreven. Naar aanleiding van de opgestelde hypothese wordt in hoofdstuk 3 de onderzoeksstrategie opgesteld. In hoofdstuk 4 worden de veldwerkzaamheden (grond-
en
grondwateronderzoek)
beschreven.
Hoofdstuk
5
beschrijft
de
laboratoriumwerkzaamheden
en
de
onderzoeksresultaten. Het rapport wordt afgesloten met hoofdstuk 6, waarin de conclusies en enkele aanbevelingen staan beschreven. Bemonstering en laboratoriumonderzoek vonden plaats in april-mei 2021. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform de protocollen van de BRL SIKB 2000. De chemische analyses zijn uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam. SGS Environmental Analytics B.V. is geaccrediteerd volgens de door de Raad voor Accreditatie gestelde criteria voor Testlaboratoria conform ISO/IEC 17025. Alle analyses zijn uitgevoerd conform Accreditatie Schema 3000 (AS3000).
Pagina | 4 AM21105
2. VOORONDERZOEK 2.1
Inleiding
Conform het onderzoeksprotocol NEN 5725 is ten behoeve van de bepaling van de onderzoeksstrategie op onderhavige locatie een vooronderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit vooronderzoek zijn opgenomen in voorliggend hoofdstuk. De in paragraaf 2.1 t/m 2.6 opgenomen informatie is afkomstig van/uit: •
de opdrachtgever;
•
het kadaster;
•
topotijdreis.nl;
•
gemeente Oss;
•
omgevingsdienst Brabant Noord;
•
het dinoloket;
•
het bodemloket;
•
terreininspectie.
In principe richt het vooronderzoek zich op alle percelen waarop het onderzoek betrekking heeft én de direct hieraan grenzende percelen. Indien een direct aangrenzend perceel smal (< 10 m breed) is, worden ook de percelen hier weer aan grenzend meegenomen. Indien de aangrenzende percelen groot zijn, wordt alleen het gedeelte van deze percelen binnen 25 meter vanaf de grens van de bodemonderzoekslocatie in beschouwing genomen, tenzij er aanleiding bestaat toch het gehele perceel te onderzoeken.
2.2
Topografische beschrijving
De onderzoekslocatie ligt aan de Dorpstraat 15/GED te Lithoijen. Kadastraal is de locatie bekend al Lithoijen, sectie A, nr. 2786. De coördinaten volgens het R.D. stelsel zijn X = 160.160 / Y = 423.555. Zie bijlage 1 voor een kadastrale kaart. Op onderstaande luchtfoto is de globale begrenzing van de onderzoekslocatie weergegeven.
Afbeelding 1: globale begrenzing onderzoekslocatie (Bron luchtfoto: pdok-viewer ) Pagina | 5 AM21105
2.3
Historisch overzicht en omgeving
In het kader van het vooronderzoek is historisch kaartmateriaal bestudeerd. Uit kaartmateriaal van de geraadpleegde historische kaarten is af te leiden dat de onderzoekslocatie tot eind jaren tachtig van de 20ste eeuw in gebruik was als weiland. Oostelijk nabij de Dorpsstraat is van oudsher een woning aanwezig welke omstreeks 1970-1980 vernieuwd is: In deze periode is ook een toename van de bebouwing in het centrum zichtbaar met de bouw van het pand op de huidige onderzoekslocatie. Omstreeks 2015-2016 is noordelijk een nieuwe woning gebouwd. Tevens is omstreeks 2015 zichtbaar dat de dakbedekking ter plaatse van het plangebied vervangen is.
1935
1970
1988
1999
2013
2016
Afbeelding 2: geraadpleegde historische kaarten (Bron kaarten: topotijdreis.nl)
2.4
Dossieronderzoek
Via de website van de omgevingsdienst Brabant Noord is bodeminformatie gedownload van de locatie en directe omgeving. De bodemrapportage is opgenomen in bijlage 8. Uit de rapportage blijkt dat noordelijk ter plaatse van de Dorpsstraat 13-13a te Lithoijen enkele bodemonderzoeken uitgevoerd zijn. Deze onderzoeken zijn in tabel 2.3 samengevat. Voor het verkrijgen van historische informatie van de onderzoekslocatie is een informatieverzoek ingediend bij de gemeente Oss. Gevraagd is naar uitgevoerde bodemonderzoeken en/of bodemsaneringen, verleende hinderwet- of milieuvergunningen, bouw- en/of sloopvergunningen, de aanwezigheid van onder- en/of bovengrondse brandstoftanks, gegevens over calamiteiten en eventuele asbestinventarisaties. Tevens is gevraagd of de locatie en de directe omgeving verdacht is op het voorkomen van verhoogde gehalten aan PFAS en/of GenX, of dat er ter plaatse bronlocaties bekend zijn voor PFAS of GENX. Pagina | 6 AM21105
Uit het gemeentelijk archief zijn de relevante, (milieu)dossiers beschikbaar gesteld. Ter plaatse was van 1989 tot omstreeks 1997 een timmerbedrijf aanwezig. Momenteel is het perceel in gebruik voor de opslag van hondenvoeding. Voor de onderzoekslocatie zijn de in tabel 2.1 weergegeven (relevante) bouwvergunningen geraadpleegd. Dossiernummer
Datum
Vergunning
Opmerkingen
396P402
08-08-1995
Oprichting bedrijf 15 Richters
Erfverharding klinkers met een aparte houtopslagloods
37366
10/10/1989
Bouwen werkplaats aan woning
Asbestcementen golfplaten dakbedekking
55-69
Oprichting woning Richters A 1538
Pagina | 7 AM21105
Dossiernummer
Datum
Vergunning
Opmerkingen
Bouw garage (asbestboard dakplaat)
Tabel 2.1.: Overzicht geraadpleegde (relevante) bouwvergunningen
Voor de onderzoekslocatie zijn de in tabel 2.2 weergegeven (relevante) milieudossiers geraadpleegd. Dossiernummer
Datum
Vergunning
Opmerkingen
396P402
7 maart 1995
Verandering inrichting
Gasgestookt met afzuiginstallatie
houtverwerkend bedrijf Richters 2619/105626
6 september
controlebezoek
2013
Nr. 15 houtbewerkingsbedrijf (per 2008 meldingsplichtig activiteitenbesluit) Nr. 17 Bevo dierenvoeders
Tabel 2.2: Overzicht geraadpleegde (relevante) milieuvergunningen/dossiers
In de directe omgeving, aan de Dorpsstraat 13(A) zijn de in tabel 2.3 weergegeven bodemonderzoeken uitgevoerd. Kenmerk
Bijzonderheden
24-09-2001
Zintuiglijke conclusie:
Verkennend onderzoek NEN 5740
BG: Puinsporen tot puin, iets dieselgeur OG: Puin, dieselgeur GW: Geen bijzonderheden
Dorpsstraat 13-13a te Lithoijen
Analyses:
Bijvelds
BG: Zn, Cu, PAK, Minerale oliën > S OG: Ni, Zn, Minerale oliën > S GW: Cr > S Conclusie rapport: Er is geen belemmering voor het huidige en toekomstige gebruik. Opmerkingen: Projectcode (0201094) wijkt af van het projectnummer (0201093).
03-06-2015
Zintuiglijke conclusie:
Verkennend onderzoek NEN 5740
BG: Baksteenresten en betonpuin aangetroffen OG: Geen bijzonderheden GW: Geen
Dorpsstraat 13-13a te Lithoijen
waarneming
Van Oort Bodemonderzoek
Analyses: BG: Pb, Cd, Zn, Cu, Hg > S OG: GW: Geen analyse Conclusie rapport: Er is geen belemmering voor de geplande bouw.
Tabel 2.3: Overzicht uitgevoerde bodemonderzoeken
Pagina | 8 AM21105
Op de onderzoekslocatie heeft, voor zover bekend, geen bovengrondse of ondergrondse opslag van oliehoudende producten plaatsgevonden en zijn niet eerder bodemonderzoeken uitgevoerd. Voor zover bekend hebben er op de locatie geen ophogingen, opvullingen of dempingen plaatsgevonden en er zijn ook geen verdachte bronlocaties ten behoeve van het voorkomen van PFAS of GenX op of in de directe omgeving van het plangebied aanwezig.
2.5
Bodemopbouw en geo(hydro)logie
Volgens de bodemkaart ligt het plangebied op een terp / stroomrug. De bodemopbouw van de onderzoekslocatie wordt schematisch weergegeven in tabel 2.4. Diepte [m-mv]
Lithostratigrafie
Lithologie
0-5
Holoceen pakket
Complexe eenheid van midden tot fijn zand en zandige klei.
5-13
Formatie van Kreftenheye
Midden en grof zand, sporen grind en klei.
Tabel 2.4: Geo(hydro)logische indeling (bron: Dinoloket)
Het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie bevindt zich op een hoogte van circa 5,2-5,3 m +NAP. De stroming van het freatisch grondwater is globaal noordwestelijk gericht en bevindt zich op een diepte van circa 2,3 m-mv. De onderzoekslocatie bevindt zich niet binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied.
2.6
Beschrijving van de onderzoekslocatie
Op 22 april 2021 is een veldinspectie uitgevoerd. Hierbij is gelet op het terreingebruik en de aanwezigheid van ondergrondse tanks, stookplaatsen, (half)verhardingslagen, ophogingen, storthopen, dempingen, afgravingen en asbestverdacht materiaal op het terrein. Het grootste gedeelte van het perceel is bebouwd en voorzien van een sandwichpanelen dakbedekking. Inpandig vindt opslag van hondenvoeding plaats op een betonverharding. Rondom de bebouwing is een betonklinker- en kleine tegelverharding aanwezig. Noordwestelijk van het pand is een terras (betonklinkers en tegels met een klein grasveldje aanwezig. In zuidoostelijke richting is het perceel ca. 30 cm aflopend naar het belendend perceel. Tijdens de veldinspectie is visueel op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Er zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreinigingen of bronnen van verontreinigingen. Een fotoreportage van de onderzoekslocatie is opgenomen in bijlage 2 met de fotopuntlocaties op de situatietekening in bijlage 3. De onderzoekslocatie wordt aan de noordzijde begrensd door een woning met tuin (nr. 13(A)), aan de oostzijde door een woning met verharde tuin (nr. 15), aan de zuidzijde door een hekwerk en een bedrijfspand met woning (nr. 17) en aan de westzijde door uitloop van paarden (weide).
2.7
Asbest
Ter plaatse van het bedrijfspand is bij de bouw een asbesthoudende dakbedekking aangebracht. Het pand is altijd voorzien geweest van een gootconstructie met een omliggende klinkerverharding. De goten zijn aangesloten op het rioolstelsel. De opdrachtgever heeft aangegeven dat het dak omstreeks 2015 gesaneerd is. Dit blijkt ook uit de historische luchtfoto’s.
Pagina | 9 AM21105
Uit de uitgevoerde veldinspectie is geen informatie naar voren gekomen dat ter plaatse van de onderzoekslocatie andere asbestverdachte activiteiten hebben plaatsgevonden.
2.8
Onderzoekshypothese
Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek is de onderzoekslocatie als “onverdacht” beschouwd. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem wordt gezien de aanwezigheid van een gootconstructie en afvoer van het hemelwater niet verwacht (onverdacht).
Pagina | 10 AM21105
3. ONDERZOEKSSTRATEGIE 3.1
Inleiding
Op basis van de verzamelde informatie uit het vooronderzoek (NEN 5725) en de gestelde onderzoekshypothese voor de onderzoekslocatie, is een onderzoeksstrategie opgesteld conform de richtlijnen van de onderzoeksnorm NEN 5740 (BodemLandbodem; Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond van het Nederlands Normalisatie-Instituut.
3.2
Onderzoeksstrategie
Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de strategie ‘ONV’ uit de NEN 5740. In principe worden boringen willekeurig verspreid over de gehele onderzoekslocatie. Voor het vaststellen van de milieuhygiënische conditie van de bodem (grond en grondwater) van de onderzoekslocatie zal volgens onderstaande strategie veldwerk en monstername voor laboratoriumanalyse plaatsvinden. ONDERZOEKSNORM NEN 5740 'ONV' Aantal boringen
Aantal te onderzoeken (meng)monsters
oppervlakte (m²)
tot 0,5 m
èn tot 2 m
èn met peilbuis
bovengrond
ondergrond
grondwater
1.338
6
1
1
1
1
1
NEN-grond incl. lutos
NEN-grond incl. lutos
NEN-grondwater
Analysepakket
Tabel 3.1: Veldwerk, monstername en analysestrategie volgens NEN 5740 ‘ONV’ Uit elke boring worden monsters genomen in trajecten van ten hoogste 0,5 m.
Legenda bij tabel 3.1 m: meter beneden maaiveld lutos: lutum en organische stofgehalte De bovengrond en de ondergrond worden onderzocht op de stoffen uit het NEN 5740 ‘standaardpakket’: • drogestof-bepaling • 9 zware metalen • 10 polycyclische aromatische koolwaterstoffen • 7 polychloorbifenylen (PCB) • minerale olie Tevens bepaalt het laboratorium het gehalte aan organische stof en lutumgehalte voor het vaststellen van een toetsingskader voor de lokale bodemkwaliteit. Het grondwater wordt onderzocht op de stoffen uit het NEN 5740 ‘standaardpakket’: • 9 zware metalen • 8 vluchtige aromatische koolwaterstoffen (incl. naftaleen) • 21 vluchtige gehalogeneerde koolwaterst offen • minerale olie
Pagina | 11 AM21105
4. VELDWERKZAAMHEDEN 4.1
Algemeen
Conform de onderzoeksstrategie, zoals beschreven in hoofdstuk 3, is op de onderzoekslocatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat op grond van BRL SIKB 2000 conform protocollen 2001 en 2002 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. Voor het traceren van de kabels en leidingen is voorafgaand aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden een KLIC melding verricht.