CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1A Toelichting - BP Wildseweg 1-2-4 Maren-Kessel.PDF

Gemeenteraad 15 december 2022, gemeente OssBij agendapunt: A Vaststelling bestemmingsplan Wildseweg 1-2-4 Maren-Kessel34.191 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De nota ‘Parkeernormen 2017’ geeft aan welke parkeernormen voor welke gebieden gelden. Wildseweg 1 Op de locatie Wildseweg 1 wordt de bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Voor vrijstaande woningen geldt een parkeereis van 2,3 parkeerplaatsen. Op eigen terrein is voldoende ruimte om aan deze parkeereis te voldoen. Daarnaast wordt binnen dit deel van het plangebied lichte bedrijvigheid toegestaan. De reeds aanwezige loods en schuren worden gebruikt als stalling voor de marktwagen en dagopslag van groenten en fruit. Dit type bedrijvigheid komt overeen met dat van een ‘bedrijf arbeidsextensief / bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)’. Bij dit type bedrijvigheid geldt een parkeernorm van 1,1 parkeerplaatsen per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlak (BVO). De aanwezige loods en schuren hebben gezamenlijk een BVO van 415 m2 derhalve geldt een parkeereis van 4,6 parkeerplaatsen. Op eigen terrein is voldoende ruimte om aan deze parkeereis te voldoen. Wildseweg 2 Op de locatie Wildseweg 2 wordt de bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning en er worden twee nieuwe woningen opgericht. Zowel de bedrijfswoning als de nieuwe woningen betreffen vrijstaande woningen, voor vrijstaande woningen geldt een parkeereis van 2,3 parkeerplaatsen.

Op de locatie van de bestaande woning en waar de nieuwe woningen zijn beoogd is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de parkeerbehoefte. Daarnaast wordt binnen dit deel van het plangebied twee bedrijven aan huis mogelijk gemaakt. De westelijk gelegen loods blijft behouden en zal worden gebruikt als kleinschalige werkplaats. Dit gebruik komt overeen met dat van een ‘bedrijf arbeidsintensief / bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats)’. Bij dit type bedrijvigheid geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO. De aanwezige loods

Wildseweg 1-2-4 Maren-Kessel, pag. 46 van 83 15 december 2022

heeft een BVO van 590 m2 derhalve geldt een parkeereis van 14,2 parkeerplaatsen. Op eigen terrein is voldoende ruimte om aan deze parkeereis te voldoen. Ook de oostelijk gelegen loods blijft behouden en zal een soortgelijk gebruik kennen als de westelijke loods. Dit gebruik komt overeen met dat van een ‘bedrijf arbeidsintensief / bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats)’. Bij dit type bedrijvigheid geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO. De aanwezige loods heeft een BVO van 470 m2 derhalve geldt een parkeereis van 11,3 parkeerplaatsen. Op eigen terrein is voldoende ruimte om aan deze parkeereis te voldoen. Wildseweg 4 Op de locatie Wildseweg 4 wordt de bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning en er wordt één nieuwe woning opgericht. Zowel de bedrijfswoning als de nieuwe woning betreft een vrijstaande woning, voor vrijstaande woningen geldt een parkeereis van 2,3 parkeerplaatsen. Op de locatie van de bestaande woning en waar de nieuwe woning is beoogd is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de parkeerbehoefte.

5.5

Water

5.5.1 Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. De gemeente Oss heeft in 2013 een integraal plan Watertaken vastgesteld. Het plan bestaat uit twee delen. Het “verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan” (vGRP) regelt de zorg voor inzameling en transport van afvalwater. Ook regelt het vGRP een doelmatige verwerking van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater. Daarnaast biedt het plan Watertaken een kader voor de andere watertaken van de gemeente. De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare ruimte. Het gaat vooral om de zorg voor oppervlaktewater in bebouwd gebied. De gemeente is ook verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Het gaat om voldoende ruimte voor water in ruimtelijke plannen.

De watertoets is opgenomen in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij een watertoets. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Het Waterbeheerplan 2022-2027 Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe het waterschap die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027.

Wildseweg 1-2-4 Maren-Kessel, pag. 47 van 83 15 december 2022

Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin  schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt;  de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;  de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is;  de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.

Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. ‘ Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m 2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m 2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm.

De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer

Wildseweg 1-2-4 Maren-Kessel, pag. 48 van 83 15 december 2022

-

Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.

5.5.2 Watertoets Bij toename van verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat de plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal uitgevoerd moeten worden wat betekent dat voorkomen moet worden dat als gevolg van de uitbreiding versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op het oppervlaktewater eist de nieuwe Keur een vervangende berging (compensatie) die de extra afvoer neutraliseert. Volgens artikel 3.6 van de Keur is het verboden om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak tot afvoer naar oppervlakte waterlichaam te laten komen. Volgens de algemene regels van de Keur kan hiervoor vrijstelling verleend worden indien de toename van het verhard oppervlak minder dan 500 m2 bedraagt. Indien het verhard oppervlak toeneemt met meer dan 500 m2 maar minder dan 10.000 m2 kan hiervoor vrijstelling verleend worden indien er compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. Bij een toename van meer dan 10.000 m2 verhard oppervlak zal maatwerk geleverd moeten worden. Het waterschap stelt geen verdere eisen voor de verwerking van het hemelwater bij ontwikkelingen met een toename van het verhard oppervlak van minder dan 500 m², hiervoor geldt dan het gemeentelijk beleid. Wildseweg 1 Bij de Wildseweg 1 wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning met behoud van de voormalige bedrijfsbebouwing.

Het initiatief voor deze locatie voorziet niet in een wijziging van de waterhuishoudkundige situatie aangezien geen nieuwe bebouwing wordt opgericht. Onderhavig plan is daarmee waterhuishoudkundig gezien niet relevant. Desondanks is een watertoets voor deze locatie uitgevoerd (zie bijlage 5). Uit de watertoets blijkt dat voor dit deel van het plangebied geen waterschapsbelang is. Wildseweg 2 Bij de Wildseweg 2 wordt de intensieve veehouderij volledig gesaneerd. Met de sanering worden alle bedrijfsgebouwen gesloopt met uitzondering van de meest westelijk en oostelijk gelegen stallen. Het achterste gedeelte van de westelijk gelegen stal wordt wel gesloopt. Ook de omliggende verharding wordt verwijderd. In totaal wordt circa 1.175 m2 aan bebouwing gesloopt en circa 2.180 m2 aan verharding verwijderd. Ter compensatie van de sanering worden twee nieuwe burgerwoningen gerealiseerd. In totaal zal circa 550 m2 aan nieuwe bebouwing worden gerealiseerd (twee woningen van circa 200 m2 en een bijgebouw van circa 150 m2 (bij de andere woning kan geen bijgebouw meer worden gerealiseerd door het behoud van de stal)).

Wildseweg 1-2-4 Maren-Kessel, pag. 49 van 83 15 december 2022

Er wordt in totaal 1.175 m2 aan bebouwing gesloopt en circa 550 m2 aan nieuwe bebouwing gerealiseerd. Daarnaast wordt 2.180 m2 aan verharding verwijderd. Doordat meer verharding wordt verwijderd dan toegevoegd heeft dit louter positieve effecten voor de waterhuishouding. Voor deze locatie is een watertoets uitgevoerd (zie bijlage 6). Uit de watertoets blijkt dat voor dit deel van het plangebied een normale procedure moet worden gevolgd. Wildseweg 4 Bij de Wildseweg 4 wordt het bestaande opslagbedrijf beëindigd. De bestaande loods zal in dat kader worden gesloopt en een deel van de erfverharding zal worden verwijderd. In totaal wordt 557 m2 aan bebouwing gesloopt en 559 m2 aan verharding verwijderd. Ter compensatie van de beëindiging van het opslagbedrijf wordt een nieuwe woning gerealiseerd. In totaal wordt circa 250 m2 aan verharding gerealiseerd (woning 125 m2 en bijgebouw 125 m2). Bij deze locatie wordt eveneens meer bebouwing gesloopt dan wordt opgericht wat louter positieve effecten heeft voor de waterhuishouding. Voor deze locatie is eveneens een watertoets uitgevoerd (zie bijlage 7). Uit de watertoets blijkt dat voor dit deel van het plangebied een normale procedure moet worden gevolgd. Conclusie De locatie Wildseweg 1 is vanuit waterhuishoudkundig oogpunt Voor de Wildseweg 2 en 4 komt uit de watertoets dat één of meerdere waterbelangen zijn geraakt.

Echter het waterschap stelt geen verdere eisen voor de verwerking van het hemelwater bij ontwikkelingen met een toename van het verhard oppervlak van minder dan 500 m², hiervoor geldt dan het gemeentelijk beleid. Bij beide locaties wordt meer bebouwing gesloopt dan nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd waardoor gesteld kan worden dat er geen ruimtelijke waterschapsbelangen worden geraakt met het initiatief.

5.6

Defensie

Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: Radarverstoringsgebieden; Obstakelbeheergebieden; Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen. Het gehele plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van een radar van de vliegbasis Volkel. Binnen dit gebied is het in beginsel niet toegestaan om hogere bebouwing op te richten dan 114 meter boven NAP. Indien er initiatieven zijn voor het oprichten van hogere bouwwerken of gebouwen, dan kan dit toegestaan worden als blijkt dat de radar niet onevenredig wordt verstoord. Dit kan door TNO worden berekend. Dit bestemmingsplan voorziet echter nergens in bouwmogelijkheden tot een dergelijke hoogte. Daarmee is het belang van het radarverstoringsgebied binnen dit bestemmingsplan voldoende gewaarborgd. Bij een eventueel toekomstig initiatief voor een bouwwerk met een hoogte tot 114 meter boven NAP of hoger dient het defensiebelang nadrukkelijk betrokken te worden bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Voor het overige geldt dat het plangebied niet gelegen is binnen een obstakelbeheergebied, een laagvliegroute voor jachtvliegtuigen of een geluidszone voor militaire luchtvaartterreinen.

Aan deze aspecten hoeft dan ook geen verdere aandacht besteed te worden.

Wildseweg 1-2-4 Maren-Kessel, pag. 50 van 83 15 december 2022

5.7

Milieuaspecten

In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten die verband houden met, of betrekking hebben op de ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat daarbij meestal om de wisselwerking met de omgeving. Welke gevolgen heeft het initiatief voor de omgeving en omwonenden? Maar ook, welke gevolgen hebben activiteiten in de omgeving voor de mogelijkheden op de projectlocatie? Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan bod: Bedrijven en milieuzonering Bodem Externe veiligheid Geurhinder: agrarisch Geur: industrieel Luchtkwaliteit Straling Weg-, spoor-, en industrielawaai Gezondheid Spuitzones 5.7.1 Bedrijven en milieuzonering Invloed milieubelastende functies in de omgeving op planvoornemen Een goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten van bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen. Het doel van milieuzonering is om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast kan milieuzonering bedrijven voldoende zekerheid bieden om hun activiteiten duurzaam uitvoeren. De handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft richtafstanden om de milieuzonering van bedrijven te kunnen bepalen. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen.

De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1.

De richtafstandenlijst;

2.

Twee omgevingstypen;

3.

Een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging.

De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Woningen betreffen een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kan de ondergeschikte lichte bedrijvigheid milieuhinder veroorzaken voor de omgeving.

De ondergeschikte bedrijvigheid betreffen uitsluitend bedrijfsfuncties uit milieucategorie 1 of 2. Dergelijke functies hebben een dermate beperkte milieubelasting dat deze naast milieugevoelige functies kunnen plaatsvinden. De lichte

Wildseweg 1-2-4 Maren-Kessel, pag. 51 van 83 15 december 2022

bedrijvigheid die deels binnen het plangebied wordt gefaciliteerd vormt daarmee geen belemmering voor woningen in de directe omgeving. De (nieuwe) woningen kunnen dus milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van bestaande milieubelastende functies. De milieuruimte van de milieubelastende functies in de omgeving is geïnventariseerd aan de hand van de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar. De afstand is gemeten vanaf het bestemmingsvlak van de milieubelastende functie tot aan het bouwvlak van de (nieuwe) woningen. Tabel 5. Onderzoek naar de milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied

Bedrijf

Adres

Aan te houden afstanden

Afstand tot bouwvlak woning Wildseweg 1 2 4

Horeca (tot en met categorie 2)

Leeuwkesgraaf 6

30 meter

63 meter

30 meter

63 meter

Bedrijvigheid milieucategorie 3.1 Melkveehouderij

Nieuwe Provincialeweg 1 Leeuwkesgraaf 12

50 meter

220 meter

260 meter

260 meter

Geur Stof Geluid Gevaar

100 meter 30 meter 30 meter 0 meter

250 meter

70 meter

120 meter

Pluimveehouderij

Wildseweg 3

Geur Stof Geluid Gevaar

200 meter 30 meter 50 meter 0 meter

300 meter

310 meter

480 meter

Bedrijfsverzamelgebouw (categorie 1 en 2) Timmerbedrijf

Zandenweg 1A t/m 1F Zandenweg 3a

30 meter

360 meter

250 meter

200 meter

100 meter

350 meter

170 meter

210 meter

Bedrijvigheid milieucategorie 2

Zandenweg 2

30 meter

440 meter

320 meter

270 meter

Onderzocht is of de hindercontouren het plangebied overlappen. Er is één hindercontour die het plangebied van de nieuwe woning ter plaatse van de locatie Wildseweg 2 overlapt; namelijk die van de melkveehouderij op de Leeuwkesgraaf 12. Aan de richtafstanden wordt voor het aspect geur niet voldaan, aan de overige richtafstanden wel. Voor het aspect geur geldt echter de bijzondere regeling in het kader van de Wet geurhinder veehouderijen (Wgv). In het kader van de Wgv geldt een minimale afstand van 50 meten tussen een melkveehouderij en een geurgevoelig object in de bebouwde kom (zie 5.7.4. Geurhinder: agrarisch). Aan de minimale afstand van 50 meter wordt voldaan. Omliggende bedrijven vormen daarmee geen belemmering voor het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat in de bestaande en nieuw te bouwen woningen.

Wildseweg 1-2-4 Maren-Kessel, pag. 52 van 83 15 december 2022

Invloed planvoornemen op omgeving

3a 3b 15

11

9

7

Nieuwe Provinciale weg

3

Binnen twee van de drie delen van het plangebied blijft de mogelijkheid om lichte vormen van bedrijvigheid uit te oefenen. Bij de Wildseweg 1 blijven de loods en schuren behouden en bij de Wildseweg 2 worden twee loodsen behouden. De te behouden loodsen en schuren zullen worden gebruikt voor het uitoefenen van de lichte bedrijvigheid. In afbeelding 15 is aangegeven welke bebouwing behouden blijft (in oranje) en waar de woningen in de omgeving zijn gelegen.

Afbeelding 17. Te behouden bebouwing ten behoeve van lichte bedrijvigheid (oranje) en woningen in de omgeving

De woningen die in de omgeving liggen kunnen milieuhinder ondervinden van de lichte bedrijvigheid die binnen de twee delen van het plangebied gaan worden uitgeoefend. Ter plaatse van deze woningen dient daarom aangetoond te worden dat er (nog steeds) sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling. Bij de Wildseweg 1 wordt de bestaande bebouwing behouden ten behoeve van de opslag van de marktwagen en de dagopslag van de marktgoederen. Op basis van bijlage 1 van de VNG publicatie valt dit onder bedrijvigheid van categorie 2 (SBI-2008: 52109, Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)). Bij de Wildseweg 2 zal de westelijk gelegen loods worden gebruikt ten behoeve van een kleinschalige werkplaats. Binnen de loods zal dan ook sprake zijn van het verstellen c.q. zagen van materialen en het in elkaar zetten van materiaal. Gezien de kleine schaal van deze werkzaamheden zijn deze vergelijkbaar met activiteiten die plaatsvinden bij een aannemersbedrijven met werkplaats (SBI-2008: 41, 42, 43, aannemersbedrijven met werkplaats: b.o.< 1000 m²). Dit betreft dan ook bedrijvigheid van categorie 2.

Wildseweg 1-2-4 Maren-Kessel, pag. 53 van 83 15 december 2022

Bij de Wildseweg 2 blijft daarnaast de oostelijke loods behouden. Hier is een soortgelijk gebruik beoogd als in de westelijk gelegen loods. Op alle locaties zal dan ook bedrijvigheid van categorie 2 plaats vinden. Voor bedrijven van categorie 2 dient een richtafstand van 30 meter aangehouden te worden in een rustige woonwijk. In onderstaande tabel is de afstand tussen de bedrijvigheid binnen het plangebied en de omliggende woningen gemeten. De afstand is gemeten vanaf de te behouden bebouwing waar de bedrijvigheid zal worden uitgeoefend tot aan het bouwvlak van de woningen. Tabel 6. Invloed planvoornemen op de woningen in de omgeving

Woning

Aan te houden afstanden

Afstand tot de bedrijvigheid Wildseweg 2 Wildseweg 2 (oostelijke loods) (westelijke loods) 80 meter 50 meter 130 meter 145 meter 80 meter 110 meter 150 meter 190 meter

Wildseweg 1a Paalderweg 1a Paalderweg 4 Leeuwkesgraaf 1 tot en met 3a Nieuwe Provincialeweg 3a tot en met 15 Leeuwkesgraaf 5 Leeuwkesgraaf 10 Leeuwkesgraaf 10a Nieuweweg 3 en 4 Nieuwe woning aan de Leeuwkesgraaf (Wildseweg 2)

30 meter 30 meter 30 meter 30 meter

Wildseweg 1 20 meter 70 meter 75 meter 145 meter

30 meter

160 meter

140 meter

190 meter

30 meter 30 meter 30 meter 30 meter

200 meter 220 meter 260 meter 270 meter

100 meter 105 meter 145 meter 230 meter

155 meter 150 meter 190 meter 280 meter

30 meter

160 meter

50 meter

105 meter

Nieuwe woning aan de Leeuwkesgraaf (Wildseweg 4)

30 meter

145 meter

75 meter

125 meter

Enkel de woning Wildseweg 1a ligt binnen de richtafstand van de bedrijvigheid aan de Wildseweg 1. Aan de Wildseweg 1 was voorheen een agrarisch bedrijf gevestigd dat momenteel nog als zodanig is bestemd. Het voornemen bestaat om de agrarische bedrijfsactiviteiten volledig te beëindigen door de locatie te herbestemmen voor woondoeleinden. Ondergeschikt aan de woonbestemming wordt de mogelijkheid gegeven om lichte bedrijvigheid uit te oefenen. De mogelijke agrarische bedrijvigheid is van een grotere categorie als de beoogde lichte vormen van bedrijvigheid. Daarmee wordt gesteld dat er sprake is van een verbetering van het woon- en leefklimaat in de woning Wildseweg 1a. 5.7.2 Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht, moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In de Bouwverordening van de gemeente Oss is geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld.

Wildseweg 1-2-4 Maren-Kessel, pag. 54 van 83 15 december 2022

Wildseweg 1 Op de locatie Wildseweg 1 wordt een (voormalig) agrarisch bedrijf gesaneerd. Bij de sanering wordt de agrarische bestemming omgezet naar een woonbestemming waarbij de bestaande bedrijfswoning feitelijk wordt bestemd als een burgerwoning. Voor deze locatie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd7. De resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Wildseweg 2 Op de locatie Wildseweg 2 wordt een intensieve veehouderij gesaneerd en ter compensatie worden twee nieuwe opgericht op eigen perceel. Voor deze locatie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd8. De resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast.

Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. Wildseweg 4 Het plan voor de Wildseweg 4 is om het opslagbedrijf te beëindigen en een deel van de bedrijfsbebouwing te slopen. Ter compensatie wordt één nieuwe woning op gericht. Voor deze locatie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd9. Asbest In de geanalyseerde mengmonsters van de fijne fractie zijn geen verhoogde concentraties aan asbest aangetoond. De locatie kan derhalve als onverdacht op het voorkomen van asbest in de bodem beschouwd worden. Ter plaatse van de aanwezige asfaltverharding is geen onderzoek uitgevoerd omdat er geen toestemming was om de asfaltverharding open te breken. Bodem Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoogd is met zink, Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK 10-VROM), minerale olie en som Polychloorbifenylen (PCB). In de ondergrond zijn de gemeten gehalten aan kobalt en nikkel verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium, xylenen en naftaleen.

7

Aeres milieu, verkennend bodemonderzoek Wildseweg 1 te Maren-Kessel, projectnummer: AM20585

8

Aeres milieu, verkennend bodemonderzoek Wildseweg 2 te Maren-Kessel, projectnummer: AM20555

9

Aeres milieu, verkennend bodemonderzoek Wildseweg 4 te Maren-Kessel, projectnummer: AM20545

Wildseweg 1-2-4 Maren-Kessel, pag. 55 van 83 15 december 2022

In de grond ter plaatse van de voormalige bovengrondse olieopslag zijn geen verhogingen met minerale olie aangetoond. Het freatisch grondwater ter plaatse van de voormalige olieopslag is licht verhoogd met xylenen en naftaleen. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. 5.7.3 Externe veiligheid Rijkskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit:  het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)  het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)  het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes).

Anderzijds gaat het over de risicoontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Verder maakt de wetgever onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is.

Het PR kan op de kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

Wildseweg 1-2-4 Maren-Kessel, pag. 56 van 83 15 december 2022

Gemeentelijk kader Ook in de gemeente Oss zijn risicobronnen aanwezig in de vorm van transportassen en stationaire activiteiten. Dit vraagt om een gemeentelijke visie. Op 19 mei 2011 heeft de gemeenteraad de Beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld. Deze beleidsvisie beschrijft op welke manier de gemeente Oss externe veiligheid in haar afwegingen betrekt. Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Noord-Brabant is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van deze risicokaart bevinden zich in de omgeving plangebied een ondergrondse buisleidingen waar gevaarlijke stoffen door worden vervoerd en is op 500 meter afstand het vaarwegtraject van de maas gelegen.

Afbeelding 18. Uitsnede risicokaart Noord-Brabant met Wildseweg 1 (rood), Wildseweg 2 (blauw) en Wildseweg 4 (groen)

Vervoer per buisleiding Ten oosten van het plangebied ligt een aardgastransportleiding van leidingbeheerder Gasunie. Het betreft een leiding met een diameter van 18" en een werkdruk van 6.620 kPa. De plaatsgebonden risicocontour ligt op de leiding. Op basis van tabel 5.1 van het handboek buisleidingen in bestemmingsplannen heeft deze leiding van 18 inch met een druk van 6.620 kPa een 1%-letaleitsgrens van 240 meter. Op basis van tabel 5.2 van dit handboek heeft deze leiding een 100%-letaliteitsgrens van 110 meter. Met het initiatief worden drie bedrijfswoningen omgezet naar burgerwoningen en er worden drie nieuwe woningen opgericht. De woning Wildseweg 1 ligt binnen de 1%-letaliteitsgrens en de 100%-letaliteitsgrens van de buisleiding. Daarnaast liggen de bestaande en nieuwe woningen aan de Wildseweg 2 en de nieuwe woning aan de Wildseweg 4 binnen de 1%-letaliteitsgrens van de buisleiding. Gezien de ligging van de woning Wildseweg 1 binnen de 1%- en 100%-letaliteitsgrens is een verantwoording van niveau 1 benodigd. De gemeente Oss heeft criteria opgesteld waar een verantwoording van zwaarte 1 aan moet voldoen. Hieronder wordt gemotiveerd waarom het omzetten van de voormalige bedrijfswoning naar burgerwoning mogelijk is. 1. Noodzaak initiatief In het kader van onderhavig initiatief wordt de voormalige bedrijfswoning aan de Wildseweg 1 omgezet naar een burgerwoning.

De woning is lang voor het inwerking treden van de Bevb opgericht. Het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning kan derhalve worden toegelaten.

Wildseweg 1-2-4 Maren-Kessel, pag. 57 van 83 15 december 2022

2.

Bestrijdbaarheid  Bij buisleidingen zal de brandweer zich voornamelijk concentreren op de effecten in de omgeving van de calamiteit, omdat de bron van de calamiteit alleen bestreden kan worden door het afsluiten van de gastoevoer door de netbeheerder.  Er wordt in de kleine kernen en het buitengebied meestal niet voldaan aan de opkomsttijd voor de brandweer. Voor de bestrijding van de gevolgen van een calamiteit met gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn veel mensen en middelen noodzakelijk. Deze mensen en middelen zullen vanuit diverse posten binnen en buiten de regio gemobiliseerd moeten worden. Dit lijdt tot vertraging in de bestrijding van de calamiteit. Vanwege bovenstaande zal bij de bestrijding en het beperken van een ramp met gevaarlijke stoffen in veel gevallen alleen repressief worden opgetreden. De prioriteit van de hulpdiensten zal derhalve liggen bij het redden van mensen uit het rampgebied, het afsluiten van het rampgebied en het beperken van de omvang van de ramp en niet bij de bestrijding van de bron. 3. Zelfredzaamheid en eventuele maatregelen  De locatie wordt via de Wildseweg ontsloten. De Wildseweg staat in directe verbinding met de N625. Via de N625 kan zowel in noordelijke richting als in zuidelijke richting worden gevlucht. Gesteld kan worden dat het gebied goed te ontvluchten is.

 Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt 'schuilen' de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.  Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door mobiele alarmering via NL-Alert of via het WAS (Waarschuwings- en AlarmeringsSysteem) als onderdeel van de algemene rampenbestrijding.  De bewoners zijn op de hoogte van de aanwezige risico’s en het handelsperspectief. De bestaande woning en de nieuwe woningen aan de Wildseweg 2 e de nieuwe woning aan de Wildseweg 4 liggen binnen de 1%-letaliteitsgrens van de buisleiding. Vanwege de ligging binnen de 1%-letaliteitsgrens is een verantwoording van niveau 2 benodigd. De gemeente Oss heeft criteria opgesteld waar een verantwoording van zwaarte 2 aan moet voldoen. Hieronder wordt gemotiveerd waarom het omzetten van de bedrijfswoning en het oprichten van de nieuwe woningen mogelijk is. 1.

Noodzaak initiatief Voor kwetsbare objecten binnen de 100%-letaliteitsgrens hoeft geen noodzaak te worden aangetoond. 2. Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid Zie de verantwoording voor bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid voor de Wildseweg 1. 3. Eventuele maatregelen  Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar.  Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. De nieuwe woningen zijn dan ook goed geïsoleerd.  Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door mobiele alarmering via NL-Alert of via het WAS (Waarschuwings- en AlarmeringsSysteem) als onderdeel van de algemene rampenbestrijding.  De huidige en nieuwe bewoners worden op de hoogte gesteld van de aanwezige risico’s en het handelsperspectief.

Wildseweg 1-2-4 Maren-Kessel, pag. 58 van 83 15 december 2022

Voor het initiatief is daarnaast een onderzoek externe veiligheid10 uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat de buisleiding ter hoogte van het plangebied geen PR 10-6 contour heeft. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het plan. Daarnaast blijk dat de berekeningen voor aardgasleiding A-527-05 niet hebben geleid tot een groepsrisico. De verdere verantwoording kan achterwege blijven. Tevens legt de belemmeringenstrook geen beperkingen op aan het plangebied. Vervoer over het water Ten oosten van het plangebied, op een afstand van 385 meter, ligt de Maas. De Maas betreft een binnenvaartroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen per water is in het kader van het Basisnet een risicoplafond vastgesteld. Tabel 7. Risicoafstanden van de omliggende vaarwegen

Binnenvaartroute

Maas

LF1, brandbare vloeistof 803

LF2, brandbare vloeistof 2710

LT1, toxische vloeistof 40

GF3, brandbaar gas 289

GT3, toxisch gas 258

PAG*

25-50 meter

* wordt gemeten vanaf de begrenzingslijn van de Rijksvaarweg (art 5.1 Waterwet).

In paragraaf 4.1.4 van de beleidsvisie externe veiligheid Oss wordt ingegaan op vervoer over het water. In deze paragraaf is opgenomen dat:  Er is geen sprake van plaatsgebonden risico-contouren op de oever.  Het invloedsgebied is 1070 meter, gebaseerd op het vervoer van toxische stoffen. De Maas heeft een PR 10-6 contour van 0 meter. Het plaatsgebonden risico vormt dus geen knelpunt voor het initiatief. In de beleidsvisie is opgenomen dat het invloedsgebied van de maas 1070 meter bedraagt. Langs waterwegen en provinciale en gemeentelijke wegen is, vanwege de beperkte vervoersomvang van gevaarlijke stoffen, geen kader opgenomen. Het risico op een ongeval met gevaarlijke stoffen is hier dusdanig klein dat er voor is gekozen om niet van tevoren ruimtelijke keuzes te maken. Als een (beperkt) kwetsbaar object wordt opgericht binnen het invloedsgebied van de Maas dient een verantwoording van het groepsrisico te worden opgenomen. Voor de verantwoording kan in dit geval worden volstaan met een standaard verantwoording van het groepsrisico bij grotere afstand zoals opgenomen in bijlage 2 van de beleidsvisie externe veiligheid Oss.

Verantwoording groepsrisico Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat:  vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident;  de aard van incident (blootstelling van toxisch gas) het groepsrisico niet significant zal toenemen. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is geen item:  Toename van de personendichtheid heeft geen significant effect op het groepsrisico;  De kans op overleiden door een incident met gevaarlijke stoffen is hier bijzonder klein (vele malen kleiner dan één op één miljoen). 10

AVIV, onderzoek externe veiligheid / woningbouwontwikkeling te Maren-Kessel, 23 mei 2022, 224908

Wildseweg 1-2-4 Maren-Kessel, pag. 59 van 83 15 december 2022

De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Voor deze gebieden speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op afstand van deze gebieden. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar het door de regionale brandweer/de Veiligheidsregio opgestelde 'risicoprofiel'. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Een toxische wolk wordt veroorzaakt door een aanvaring met een mechanische impact op de tank. Hierdoor ontstaat een gat in de tank waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreidt. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Indien men binnen schuilt, ramen, deuren en evt. aanwezige ventilatieopeningen sluit is de kans op letsel erg klein. Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen.

Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelinginstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Bij alle woningen binnen het plangebied geldt dat eventuele aanwezige ventilatieopeningen afgesloten moeten kunnen worden. Indien schuilen niet mogelijk is dient het plangebied eenvoudig ontvlucht te kunnen worden. De locatie wordt via de Wildseweg ontsloten. De Wildseweg staat in directe verbinding met de N625. Via de N625 kan zowel in noordelijke richting als in zuidelijke richting worden gevlucht. Gesteld kan worden dat het gebied goed te ontvluchten is. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het Waarschuwings- en AlarmeringsSysteem (WAS) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.7.4 Geurhinder: agrarisch De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het beoordelingskader voor geur bij milieuvergunningen, bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De wet maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden.

Wildseweg 1-2-4 Maren-Kessel, pag. 60 van 83 15 december 2022

De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld. Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2017”. Het hanteert per soort gebied een eigen geurnorm en streeft de volgende doelen na: -

de burger beschermen tegen geurhinder; de veehouderijen niet onnodig beperken; ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is.

De gemeentelijke “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder” is van belang voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden. De beleidsregel geeft aan wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het saneren van de intensieve veehouderij heeft een volledige stopzetting van de geuremissie vanuit dit deel van het plangebied tot gevolg, wat als een positieve ontwikkeling is aan te merken. Uit de nieuw op te richten woningen en de van functie te wijzigen woningen vindt geen geuremissie plaats. In de woningen dient echter wel te worden aangetoond dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Een woning betreft namelijk een geurgevoelig object. Voorgrondbelasting De gemeente verdeelt het grondgebied van de gemeente in gebieden en hanteert per soort gebied een eigen geurnorm. Met het geurbeleid wil de gemeente zowel de bescherming van de agrarische ondernemers borgen als de doorgang van gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Op basis van de normenkaart ligt de locatie in een woonkern met intensieve veehouderij. Hier geldt een geurnorm van 6 OU/m3.

Afbeelding 19.Uitsnede Geurnormenkaart gemeente Oss

Bij het beoordelen van het aspect geur zijn twee vragen van belang: 1. Is en blijft er sprake van een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied? 2. Worden omliggende agrarische bedrijven (veehouderijen) als gevolg van de bestemmingswijziging gehinderd in hun bedrijfsvoering?

Wildseweg 1-2-4 Maren-Kessel, pag. 61 van 83 15 december 2022

Goed woon- en leefklimaat Geurgevoelige objecten worden in 5 typen (a t/m e) met verschillende beschermingsniveaus onderscheiden: a. Ruimte voor Ruimtewoning (en soortgelijke geurgevoelige objecten):  gebouwd na 19 maart 2000,  op een kavel die op dat moment in gebruik was als veehouderij,  waarbij de veehouderij (deels) buiten werking is gebracht, en  waarbij stallen (of andere bedrijfsgebouwen) zijn gesloopt. b. Bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) bij een andere veehouderij. c. Voormalige bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) die op of na 19 maart 2000 geen onderdeel meer was van een andere veehouderij. d. Voormalige bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) die al voor 19 maart 2000 geen onderdeel meer was van een andere veehouderij. e. Alle woningen (en andere geurgevoelige objecten) die niet onder a t/m d vallen. Wildseweg 1 De Wildseweg 1 betreft een voormalige veehouderij, de woning wordt dan ook aangemerkt als geurgevoelig object type c. Voor type c objecten is aangegeven dat op basis van artikel 3, lid 2 van de Wgv dat woningen bij een veehouderij of bij woningen die op 19 maart 2000 onderdeel uitmaakten van een veehouderij, geen geurbelasting hoeft te worden bepaald. Voor deze woningen geldt een wettelijke vaste afstand van 100 meter binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom.

De afstand tussen de Wildseweg 1 en de intensieve veehouderij op de locatie Wildseweg 3 bedraagt 300 meter. Aan de vereiste afstand wordt voldaan. Wildseweg 2 Bestaande woning De woning Wildseweg 2 behorende bij een intensieve veehouderij waardoor deze woning eveneens onder een type c geurgevoelig object valt. Voor deze woning geldt eveneens een wettelijke vaste afstand van 100 meter. De afstand tussen de woning Wildseweg 2 en de intensieve veehouderij bedraagt 260 meter. Aan de vereiste afstand wordt voldaan. Nieuwe woningen Wildseweg 2 De te realiseren woningen aan de Wildseweg ong. en Leeuwkesgraaf ong. worden opgericht op een kavel die thans in gebruik is als veehouderij. Dit betreffen dan ook geurgevoelige objecten van type a. Type a objecten vallen in de Wgv onder artikel 14 (vaste afstanden). De afstand tussen geurgevoelige objecten en een veehouderij dient in dit geval dan 50 meter te bedragen, vanwege de ligging buiten de bebouwde kom. De afstand van deze percelen tot omliggende veehouderijen bedraagt (ruimschoots) meer dan 50 meter. Op deze percelen kan derhalve een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Wildseweg 4 De woning aan de Wildseweg 4 en de nieuw beoogde woning aan de Leeuwkesgraaf ong. betreffen geurgevoelige objecten van type e. Voor deze woningen dient de voorgrondbelasting dan ook berekend te worden.

De woningen zouden geurhinder kunnen ondervinden van omliggende veehouderijen. In de directe omgeving (1 kilometer van het plangebied) is sprake van de volgende locaties waar een vergunning verleend is voor het houden van dieren:

Wildseweg 1-2-4 Maren-Kessel, pag. 62 van 83 15 december 2022

Tabel 8.Veehouderijen omgeving van het plangebied

Type veehouderij

Locatie

1. 2. 3.

Melkveehouderij Pluimveehouderij Melkveehouderij

Leeuwkesgraaf 12 Wildseweg 3 Leeuwkesgraaf 18

4.

Melkveehouderij / vleeskuikens Melkveehouderij Melkveehouderij

Deelenweg 8

55.935 Ou

680 meter

510 meter

580 meter

Deelenweg 9 Paalderweg 5

0 Ou 390 Ou

890 meter 670 meter

740 meter 710 meter

810 meter 850 meter

5. 6.

Vergunde geuremissie 17 Ou 62.106 Ou 541 Ou

Afstand tot Wildseweg 1 2 4 280 meter 90 meter 150 meter 300 meter 340 meter 480 meter 330 meter 160 meter 200 meter

De geurbelasting kan uitsluitend berekend worden van een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden. Melkveebedrijven zijn bedrijven zonder geuremissiefactor. Voor bedrijven zonder geuremissiefactor geldt een vaste afstand van 100 meter voor objecten binnen de bebouwde kom. De Wgv stelt dat afwijking van deze afstand mogelijk is tot respectievelijk minimaal 50 meter. De gemeente Oss heeft daarom de vaste afstand verkleind van 100 naar 50 meter. De locaties Leeuwkesgraaf 12, Leeuwkesgraaf 18, Deelenweg 9 en Paalderweg 5 betreffen allen melkveehouderijen. De afstand tussen deze melkveehouderijen en dit deel van het plangebied dient derhalve minimaal 50 meter te bedragen. Aan deze afstandsnormen wordt voor deze veehouderijen ruimschoots voldaan. Voor de intensieve veehouderijen Wildseweg 3 en Deelenweg 8 dient de daadwerkelijke geurbelasting op dit deel van het plangebied berekend te worden. Het effect van de vergunde geuremissie van deze veehouderijen op dit deel van het plangebied is door middel van het programma V-stacks Vergunning berekend (worst-case benadering waarbij de vergunde geuremissie op de meest nabij het plangebied gelegen hoek van het bouwvlak wordt geëmitteerd). In bijlage 1 zijn de uitkomsten van de voorgrondbelasting opgenomen.

In tabel 10 is de voorgrondbelasting, afkomstig van deze bedrijven, op de hoekpunten van de Wildseweg 4 weergegeven.

Wildseweg 4

Tabel 9.Berekende voorgrondbelasting

Hoek 1

X-coördinaat 153633

Y-coördinaat 419556

Wildseweg 3 5,1

Deelenweg 8 3,5

2

153623

419462

4,0

3,1

3

153718

419530

5,1

4,4

4

153675

419593

5,7

3,7

De hoogste voorgrondbelasting bij de locatie Wildseweg 4 bedraagt 5,7 OU/m3. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 6,0 OU/m 3. Dit betekent dat voor de locatie Wildseweg 4 wordt voldaan aan de geurnorm. Gesteld kan worden dat de omliggende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat op dit deel van het plangebied wat betreft voorgrondbelasting.

Wildseweg 1-2-4 Maren-Kessel, pag. 63 van 83 15 december 2022

Achtergrondbelasting Op de kaart vergunde geurbelasting 2015 behorende bij de gemeentelijke geurverordening Oss 2017 wordt de indicatieve achtergrondbelasting in de kern ’t Wild beoordeeld als redelijk goed tot goed. Met het saneren van de twee agrarische bedrijven wordt de geurbelasting binnen de kern ’t Wild verbeterd. De indicatieve achtergrondbelasting wordt dan beoordeeld als goed (3,1 tot 7,4 OU/m3, 5-10% kans op geurhinder) beoordeeld.

Afbeelding 20. Uitsnede kaart cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting) van de gemeente Oss

Voor de achtergrondbelasting gelden geen vastgestelde wettelijke normen. Uit de gemeentelijke geurverordening blijkt echter dat een achtergrondbelasting van 3,1 tot 7,4 OU/m3 in de bebouwde kom van ‘t Wild een achtergrondbelasting is waarbij sprake is van een goed woon- en leefklimaat zonder dat er overlast is van geurhinder van veehouderijen. 5.7.5 Geur: industrieel Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn: -

als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekprincipe; de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is.

Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om een eigen geurbeleid vast te stellen. De provincie Noord-Brabant heeft een eigen geurbeleid voor provinciale bedrijven, de Beleidsregel beoordeling geurhinder omgevingsvergunningen industriële bedrijven Noord-Brabant. De gemeente Oss heeft geen eigen industrieel geurbeleid. Per situatie stelt de gemeente Oss vast of sprake is van een acceptabel geurniveau. Er zijn verschillen in het niveau van bescherming mogelijk. Voor een bedrijfswoning kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing.

Wildseweg 1-2-4 Maren-Kessel, pag. 64 van 83 15 december 2022

Doorwerking plangebied In de nabijheid van het plangebied is geen industrieterrein gelegen. Het plangebied is wel gelegen in de nabijheid van enkele bedrijven. Deze bedrijven zijn beschreven in paragraaf 5.7.1 Bedrijven en milieuzonering. Aan alle richtafstanden worden voldaan. Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot het aspect industriële geur. 5.7.6 Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals bestemmingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Wet milieubeheer (afdeling 5.2.). Deze wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit.

Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de vestiging van zogeheten ‘gevoelige bestemmingen’, zoals een school, in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in zo’n onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Dit wordt bereikt door op zo’n plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan.

Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De gemeente heeft geen eigen regelgeving en beleid over luchtkwaliteit. Heersende luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en

Wildseweg 1-2-4 Maren-Kessel, pag. 65 van 83 15 december 2022

stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt in alle delen van het plangebied momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 11,3 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 18,7 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 15,5 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende waardoor er op alle drie de plekken van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Effect omliggende agrarische bedrijven Indien een inrichting PM10 en/of NO2 emitteert, is het noodzakelijk dat de bijdrage van deze inrichting aan de achtergrondniveaus inzichtelijk wordt gemaakt om aan te tonen of ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In de directe omgeving van het plangebied liggen diverse agrarische bedrijven die van invloed zijn op de luchtkwaliteit: 1. Wildseweg 3 (pluimveehouderij) 2. Deelenweg 8 (melkvee- en pluimveehouderij) Het programma ISL3a (bijlage 2) berekend de gemiddelde jaarconcentratie aan fijnstof (PM10) van de omliggende agrarische bedrijven op het plangebied.

Deze waarden zijn exclusief een zeezoutcorrectie, welke voor deze omgeving is gesteld op 1 µg/m³, en 2 overschrijdingsdagen. De concentratie zoals deze uit de ISL3a berekening komen moet zodoende aangepast worden middels het aftrekken van deze zeezoutcorrectie (1 µg/m³ en 2 dagen). De fijnstof norm is maximaal 40 µg/m³ exclusief zeezout, en het aantal overschrijdingsdagen op jaarbasis betreft maximaal 35 dagen. De belasting binnen het plangebied komt uit op maximaal 20,16 µg/m³, exclusief zeezoutcorrectie, 19,16 µg/m³ inclusief zeezoutcorrectie. Er wordt derhalve voldaan aan de norm. Het aantal overschrijdingsdagen komt binnen het plangebied uit op maximaal 7,9 dagen exclusief zeezoutcorrectie, 5,9 dagen inclusief zeezoutcorrectie. Ook aan deze norm wordt voldaan. Binnen het plangebied is derhalve sprake van een goed woon- en leefklimaat in het kader van fijn stof afkomstig van veehouderijen in de directe omgeving. Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=2e934560-8b2b-4ee3-aaac-ebac4bdad21b