Bijlage_14_Quickscan_ecologie_Amsteleind__Antea_Group__september_2024_
Tekst van het document
Memo
memonummer datum aan van kopie project projectnr. betreft
5 september 2024
Amsteleind – gemeente Oss 0472686.100 Quickscan ecologie
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Voornemen: gebiedsontwikkeling Amsteleind De gemeente Oss staat voor een grote woningbouwopgave. Naast inbreiding in het bestaand stedelijk gebied van Oss is de gemeente ook op zoek naar uitbreidingsruimte aan de rand van de stad. Aan de noordwestkant van Oss (figuur 1.1) wil de gemeente ruimte bieden aan ca. 3.000 nieuwe woningen. In 2021 is de gemeente gestart met de plannen voor de ontwikkeling die destijds Oss-West werd genoemd. Van Oss-West naar Amsteleind Op basis van inzichten in het gebied en verdere uitwerking van stedenbouwkundige plannen heeft de gemeente in 2022 besloten om de woningbouwontwikkeling te concentreren op de zuidelijke helft van het oorspronkelijke plangebied. De ontwikkeling wordt nu Amsteleind genoemd.
Figuur 1-1 Oorspronkelijk plangebied voor ontwikkeling Oss-West (links) en de nieuwe inrichting ten zuiden van de Brandstraat, ontwikkeling Amsteleind (rechts)
blad 1 van 31
memonummer: betreft: ecologie
Oss-West en Amsteleind in deze memo Voor de plannen voor Oss-West is in 2021 een ecologische quickscan uitgevoerd. Aan de hand van bureauonderzoek en een globaal veldbezoek zijn de ecologische waarden en kenmerken van het plangebied van Oss-West in beeld gebracht. De resultaten van deze quickscan zijn in deze memo opgenomen. De keuze voor het concentreren van de ontwikkeling aan de zuidkant is onder andere gebaseerd op de bevindingen van de quickscan. Deze afweging is opgenomen in het Milieueffectrapport (MER) dat voor de ontwikkeling van Amsteleind opgesteld is. Omgevingsplanwijziging en m.e.r.-procedure De voorgenomen ontwikkeling Amsteleind past niet binnen het vigerend Omgevingsplan. Voor de eerste fase van de ontwikkeling wordt daarom een Omgevingsplanwijziging opgesteld. Dit deelgebied wordt Klein-Amsteleind genoemd (zie figuur 1-2). Hiervoor wordt de m.e.r.-procedure doorlopen en een milieueffectrapport opgesteld (MER).
Figuur 1-2 Deelgebieden binnen ontwikkeling Amsteleind
blad 2 van 31
memonummer: betreft: ecologie
Planvoornemen Uitgangspunt voor Amsteleind is dat het ruimte biedt aan ca. 3.000 woningen. Hoe het gebied er daadwerkelijk uit komt te zien is nog niet bekend. Dat wordt in later stadium in samenspraak met ontwikkelaars verder uitgewerkt, onderzocht, afgewogen en vastgelegd in vergunningen. Er is al wel een eerste mogelijke stedenbouwkundige opzet gemaakt hoe Oss-West eruit kan zien (figuur 1).
Figuur 1-3 Beoogd stedenbouwkundig raamwerk voor Amsteleind
1.2
Doel en opzet van deze memo Deze memo bevat de ecologische quickscan die opgesteld is voor de ontwikkeling van Oss-West. Het plangebied voor Amsteleind is hierin opgenomen. Doel van de voorliggende memo is globaal in beeld brengen welke (beschermde) natuurwaarden in het plangebied aanwezig zijn, zodat duidelijk is met welke natuurwaarden binnen het project rekening moet worden gehouden. De inventarisatie is voor het grotere gebied gedaan, de conclusies zijn gericht op de ontwikkeling Amsteleind. De kaarten van de inventarisatie bevatten begrenzing die horen bij ontwikkeling Oss-West uit 2021.
blad 3 van 31
memonummer: betreft: ecologie
De focus ligt op beschermde gebieden en beschermde soorten, waarbij de Wet natuurbescherming, de IUCN Rode Lijst en relevante provinciale en gemeentelijke (beleids)kaders in acht worden genomen. In deze memo wordt niet specifiek ingegaan op beschermde houtopstanden. Voor houtopstanden geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming (Wnb) indien deze buiten de grenzen van de bebouwde kom Wnb liggen. Dit is bij de beoogde ontwikkeling in Amsteleind waarschijnlijk het geval. Daarnaast kan er sprake zijn van bescherming onder de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Oss. Voor houtopstanden die worden verwijderd, geldt (meestal) een herplantingsplicht. De herplantopgave en locatie zullen te zijner tijd onderdeel vormen van de herinrichting van het gebied dat onderdeel uitmaakt van de projectuitwerking. Door middel van oranje tekstkaders is in deze memo specifiek ingegaan op de (mogelijke) effecten van de ontwikkeling van Amsteleind.
blad 4 van 31
memonummer: betreft: ecologie
2
Methode Hieronder volgt een beknopte uiteenzetting van de gehanteerde methoden voor het onderzoek naar beschermde gebieden en beschermde soorten.
2.1
Beschermde gebieden Voor het bepalen van de ligging van beschermde gebieden is gebruik gemaakt van de gebiedendatabase op de website van het Ministerie van LNV of provinciale digitale atlassen. Op basis van de ligging van de beschermde gebieden ten opzichte van het plangebied wordt kort ingegaan om mogelijke effecten die kunnen optreden.
2.2
Beschermde soorten
2.2.1
Bureaustudie Er is een inventarisatie gedaan van bestaande verspreidingsgegevens van beschermde soorten flora en fauna. Dit betreffen soorten die opgenomen zijn in de Wet natuurbescherming, inclusief provinciaal vrijgestelde soorten, en soorten die op de Rode Lijst van het IUCN vermeld staan. Verspreidingsgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn hiervoor geraadpleegd. Hierbij is een periode van 5 jaar gehanteerd en als zoekgebied is een straal van circa 2 kilometer tot het plangebied gehanteerd. Ten aanzien van vogels zijn in de bureaustudie soorten met een jaarrond beschermd nest meegenomen. Tevens is gekeken naar weidevogels en rode lijst soorten. Voor algemene broedvogels geldt de algemene verbodsbepaling dat nesten niet mogen worden verstoord of vernietigd als het nest in gebruik is. Indien de verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort, geldt dit als een overtreding op de Wet natuurbescherming.
2.2.2
Oriënterend veldonderzoek Ten behoeve van het ecologisch onderzoek heeft een oriënterend veldbezoek plaats gevonden. Dit veldonderzoek is uitgevoerd op 27 augustus 2021 door een ervaren ecoloog van Antea Group. Weersomstandigheden waren: periodiek regen, bewolkt, 18℃, 2-3 Bft. Hierbij is globaal en steekproefsgewijs het plangebied doorkruist. Op basis van de bureaustudie en het oriënterend onderzoek zijn op kaart de potentiële leefgebieden van beschermde soorten in het plangebied ingetekend.
blad 5 van 31
memonummer: betreft: ecologie
3
Beschermde gebieden In de onderliggende paragrafen wordt ingegaan op beschermde gebieden die (in de omgeving van) het plangebied kunnen voorkomen. Hierbij wordt, per paragraaf, ingegaan op de volgende beschermde gebieden: Natura 2000-gebieden Natuurnetwerk Brabant (NNB) Groenblauwe mantel Weidevogelgebieden
3.1
Natura 2000-gebieden Huidige situatie en autonome ontwikkeling Het plangebied maak geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ligt op circa 7,5 kilometer afstand (zie figuur 3.1). Het betreft het Natura 2000-gebied Rijntakken (deelgebied Uiterwaarden Waal). Daarnaast is op circa 14 kilometer afstand het Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek aanwezig (zie figuur 3.1). Andere Natura 2000-gebieden liggen op afstanden van meer dan 20 kilometer ten opzichte van het plangebied.
Figuur 3-1: Ligging plangebied (rood) te opzichte van Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied (blauw = Vogelrichtlijngebied, lichtgroen = Vogel- en Habitatrichtlijngebied, felgroen = Habitatrichtlijngebied). . Effectbeschrijving Gezien de ligging van het plangebied en de afstand tot de Natura 2000-gebieden worden effecten zoals versnippering, verdroging, verontreiniging, geluid-, optische en lichtverstoring op soorten, habitats van
blad 6 van 31
memonummer: betreft: ecologie
soorten of habitattypen op het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ niet verwacht. De invloed daarvan reikt enkele 10-tallen meters tot maximaal 1,5 km rond het plan. Gezien de afstand tot de Natura 2000gebieden worden effecten als gevolg van de toenemende recreatiedruk op deze gebieden niet verwacht. Het plan kan alleen via stikstofdepositie een mogelijk effect hebben op Natura 2000-gebieden. Er wordt geen versnipperend, verstorend, verdrogend of verontreinigend effect op het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied verwacht en daarom is er geen aanleiding om te verwachten dat er op Natura 2000gebieden verder verwijderd van het plangebied nog dergelijke effecten zullen optreden. Het Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen als Habitat- en Vogelrichtlijngebied, in dit gebied komen meerdere habitattypen en (vogel)soorten met leefgebieden voor die gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Door de voorgenomen werkzaamheden kan er een toename aan stikstofdepositie op deze habitattypen en leefgebieden van soorten optreden. Ook op (nog) grotere afstand van het plangebied liggen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Om de mogelijke effecten van stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in beeld te brengen wordt een afzonderlijk onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd.
Met de keuze voor woningbouwontwikkeling aan de zuidkant van de Brandstraat wordt de afstand tot Natura 2000-gebieden iets vergroot. De conclusie is voor de ontwikkeling van Amsteleind echter hetzelfde: effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie zijn niet uit te sluiten. Voor Amsteleind wordt daarom onderzoek naar stikstofdepositie gedaan.
3.2
Natuurnetwerk Brabant (NNB) Huidige situatie en autonome ontwikkeling Het Natuurnetwerk Brabant (NNB) is het Brabantse deel van het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied van Oss-West maak wel onderdeel uit van een NNB-gebied. Figuur 3.3 geeft de verschillende natuurdoeltypen van het NNB weer.
blad 7 van 31
memonummer: betreft: ecologie
Figuur 3-2: Ligging plangebied (rood) te opzichte van NNB-gebieden (Groen) in de omgeving van het plangebied.
blad 8 van 31
memonummer: betreft: ecologie
Figuur 3-3: Natuurdoeltypen NNB-gebieden (Groen) in de omgeving van het plangebied (rood). Effectbeschrijving De wezenlijke kenmerken en waarden van NNN waar een plan aan getoetst dient te worden, bestaan uit (doelen tussen haakjes): 1. uitwisselingsmogelijkheden (doel 'verbinden'); 2. natuurlijke eenheid en aaneengeslotenheid (doel 'vergroten'); 3. kwaliteit van het NNN en van leefgebied van soorten (doel 'kwaliteitsverbetering). De natuurdoeltypen en een inventarisatie van beschermde soorten geven invulling aan dit punt. Ad. 1 Uitwisselingsmogelijkheden De NNB gebieden liggen versnipperd in en nabij het plangebied. Tussen deze gebieden is er daardoor geen sprake van samenhang. Indien binnen de verschillende gebieden ontwikkelingen plaatsvinden kan echter wel sprake zijn van effecten op de samenhang. Het is nog onduidelijk waar ontwikkelingen gerealiseerd zullen worden, effecten op uitwisselingsmogelijkheden zijn dan ook niet op voorhand uit te sluiten. Ad 2 Natuurlijke eenheid en aaneengeslotenheid (omvang) De exacte invulling van de ontwikkeling Oss-West is nog onduidelijk. Mogelijk ruimtebeslag op het NNB kan door de aanwezigheid hiervan binnen het plangebied daarom niet worden uitgesloten. Daarnaast kan er sprake zijn van indirecte effecten als gevolg van de ontwikkeling van het plangebied.
Ad 3 Kwaliteit Indirecte effecten die door de ontwikkeling kunnen worden veroorzaakt zijn, verdroging, verstoring door geluid, verstoring door licht en/of optische verstoring.
blad 9 van 31
memonummer: betreft: ecologie
Effecten van verdroging door de ontwikkeling van het plangebied kunnen optreden bij de gebieden met de natuurdoeltypen ‘Kruiden- en faunarijk grasland’ en ‘Vochtig bod met productie’. Deze effecten worden mogelijk veroorzaakt doordat de grondwaterstanden in deze gebieden door de ontwikkeling veranderen. In dit deelgebied is echter geen woningbouwontwikkeling voorzien. Indien in de nabijheid (circa 1,5 km) van de NNB gebieden woningen worden ontwikkeld, kan er sprake zijn van verstoringseffecten door geluid, licht en optische verstoring. Deze verstoring kan worden veroorzaakt door de aanwezigheid van mensen of voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijk systeem. Dit geldt met name voor het Kruiden- en faunarijk grasland, dat in de huidige situatie een open gebied betreft. In dit deelgebied is echter geen woningbouwontwikkeling voorzien. Met de keuze voor woningbouwontwikkeling aan de zuidkant van de Brandstraat en een verkeersafwikkeling via de Parkway en de bestaande wegenstructuur wordt NNB ontzien. De voorgenomen ontwikkeling van Amsteleind leidt hierdoor niet tot effecten op NNB.
3.3
Groenblauwe mantel De provincie heeft om de robuustheid van het natuur en watersysteem te bevorderen, gebieden opgenomen als verbinding tussen NNB en het landelijk gebied. Dit gebied is de groenblauwe mantel. Het water ten noorden van het plangebied, de Hertogswetering, is aangewezen als onderdeel van de groenblauwe mantel. Het plangebied maak geen onderdeel uit van een gebied behorende bij Groenblauwe mantel. Het dichtstbijzijnde gebied behorende bij Groenblauwe mantel ligt ter hoogte van de Korenbeemdweg op circa 200 m afstand (zie figuur 3.4). Het water van de Hertogswetering valt buiten het plangebied. Echter kan er wel sprake zijn van een verdrogend effect door de ontwikkeling in de directe omgeving van de groenblauwe mantel. Verontreiniging als gevolg van de aanleg van bebouwing of een weg kan vanwege de afstand tussen het plangebied en de groenblauwe zone op voorhand worden uitgesloten. Voor de groenblauwe mantel zijn ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden regels van toepassing.
blad 10 van 31
memonummer: betreft: ecologie
Figuur 3-4: Ligging groenblauwe mantel 'Hertogswetering'.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Weidevogelgebieden Het plangebied maakt onderdeel uit van een weidevogelgebied (zie figuur 3.4). Als gevolg van ontwikkelingen binnen het plangebied treden negatieve effecten op, op het weidevogelgebied als gevolg van de ontwikkeling van woningbouw. Dit betreffen verstoringseffecten zoals oppervlakteverlies, versnippering, verdroging, verstoring door geluid, verstoring door trillingen en optische verstoring (verstoring door aanwezigheid mensen en materieel en door verdichting van het landschap door aanwezigheid huizen). Deze effecten kunnen optreden door het in gebruik nemen van land dat deel uit maakt van het weidevogelgebied voor andere doeleinden. Hierdoor gaat er oppervlakte verloren dat als leefgebied dient voor diverse weidevogels. Dit kan indirect gevolgen hebben voor verdroging van het weidevogelgebied. Daarnaast kan door de toename van menselijke activiteit in het gebied sprake zijn van verstoring door geluid en optische verstoring. Hierdoor kan vluchtgedrag van soorten optreden. Met name in de broedperiode kunnen soorten storingsgevoeliger zijn omdat zij dan schuwer zijn. Optische verstoring wordt veroorzaakt door zowel de aanwezigheid van mensen en de verdichting van het gebied. Naast dat het mogelijk vluchtgedrag door de aanwezigheid van mensen wordt versterkt kan het toevoegen van bebouwing er juist voor zorgen dat de potentiële vijand niet wordt opgemerkt.
blad 11 van 31
memonummer: betreft: ecologie
Figuur 3-5: Ligging plangebied (blauw) te opzichte van weidevogelgebieden (groen gearceerd) in de omgeving van het plangebied (Bron: structuurvisie Buitengebied Oss, 2015). Met de keuze voor woningbouwontwikkeling aan de zuidkant van de Brandstraat wordt directe aantasting van wiedevogelgebied voorkomen. Doordat de Brandstraat en de woningen langs deze straat gehandhaafd blijven, is er een ‘buffer’ tussen de ontwikkeling Amsteleind en het weidevogelgebied. Negatieve effecten door de ontwikkeling van Amsteleind worden daarom niet verwacht.
blad 12 van 31
memonummer: betreft: ecologie
4
Beschermde soorten In de onderstaande paragrafen wordt ingegaan op de resultaten van de bureaustudie en het oriënterend veldonderzoek naar beschermde soorten.
4.1
Bureaustudie In onderstaande paragraaf zijn in tabellen de resultaten uit de bureaustudie weergegeven. Er is gekeken naar soorten die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming (Wnb), inclusief de provinciaal vrijgestelde soorten. Tevens zijn soorten die op de rode lijst vermeld staan weergegeven. Het betreft een samenvatting van de gegevens uit de NDFF (2016-2021) en andere relevante bronnen. Soorten beschermd onder de Wet natuurbescherming In onderstaande tabel worden soorten weergegeven die beschermd worden onder de Wnb. Hierbij is aangegeven onder welk beschermingsregime binnen de Wnb deze soorten vallen. De Wnb soorten zijn in te delen in drie beschermingsregimes. Dit betreffen de Habitatrichtlijn soorten, soorten op lijsten A en B behorende bij artikel 3.10 en vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. Tevens is aangegeven of soorten op de Rode Lijst vermeld worden. In de twee tabellen hieronder worden alle provinciaal vrijgestelde soorten en de Rode Lijst soorten binnen het plangebied expliciet vermeld. Tabel 3.1: Overzicht reeds bekende waargenomen beschermde soorten in een straal van circa 2 km rondom het plangebied. Categorieën Wnb betreffen vogels met een jaarrond beschermd nest (V), habitatrichtlijn soorten (H), nationaal beschermde soorten uit art. 3.10 van de Wnb (N) en soorten waarvoor binnen de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt (AV).
Tevens is aangegeven of soorten op de Rode Lijst vermeld worde. Categorie Rode lijst Bron Soortgroep Soort Wnb Ja NDFF Vaatplanten Kartuizer anjer N
Vogels met een jaarrond beschermd nest*
Vleermuizen
Grondgebonden zoogdieren
blad 13 van 31
Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik
V
Ja
NDFF
V V V V
Nee Nee Nee Nee
NDFF NDFF NDFF NDFF
Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte Wouw Gewone dwergvleermuis
V
Ja
NDFF
V V V V V V V V V V H
Nee Ja Nee Ja Nee Nee Nee Ja Nee Nee Nee
NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF
Gewone grootoorvleermuis
H
Nee
NDFF
Laatvlieger
H
Ja
NDFF
Rosse vleermuis
H
Nee
NDFF
Ruige dwergvleermuis
H
Nee
NDFF
H AV N N N
Nee Nee Ja Nee Nee
NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF
Bever Bosmuis Bunzing Das Eekhoorn
memonummer: betreft: ecologie
Rode lijst
Bron
Nee Ja Nee Ja Nee Nee Nee Nee Ja Nee Ja
NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF
H
Ja
NDFF
AV AV AV H AV H H N -
NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF
Vissen Insecten - Dagvlinders
Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kamsalamander Kleine watersalamander Poelkikker Rugstreeppad Grote modderkruiper Geen waarnemingen
Nee Nee Nee Ja Nee Nee Ja
Insecten - Libellen
Geen waarnemingen
-
Ja -
NDFF NDFF NDFF
Insecten - Nachtvlinders
Teunisbloempijlstaart
H
Nee
NDFF
Overige soortgroepen
Geen waarnemingen
-
-
NDFF
Soortgroep
Reptielen
Amfibieën
Soort Egel Haas Huisspitsmuis Konijn Ree Steenmarter Veldmuis Vos Wezel Wolf Levendbarende hagedis Muurhagedis
Categorie Wnb AV AV AV AV AV N AV AV N H N
Legenda bron: NDFF = Nationale Database Flora en Fauna. Vrijgestelde soorten In onderstaande tabel zijn de soorten weergegeven die in de provincie Noord-Brabant vrijgesteld zijn, en die in het plangebied of binnen een straal van circa 2 km daaromheen voorkomen. Voor deze soorten geldt dat er geen ontheffing vanuit de Wnb benodigd is als verbodsbepalingen worden overtreden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel geldt de Algemene Zorgplicht. Tabel 3.3: Overzicht reeds bekende waargenomen soorten die in de provincie Noord-Brabant vrijgesteld zijn in een straal van circa 2 km rondom het plangebied. Categorie Rode lijst Bron Soortgroep Soort Wnb N NDFF Bosmuis Egel N NDFF Haas N NDFF Grondgebonden zoogdieren Konijn N NDFF Ree N NDFF Veldmuis N NDFF Vos N NDFF NDFF Reptielen Geen waarnemingen
Amfibieën
Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander
Legenda bron: NDFF = Nationale Database Flora en Fauna.
blad 14 van 31
N N N N
NDFF NDFF NDFF NDFF
memonummer: betreft: ecologie
Rode Lijst soorten In onderstaande tabel zijn alle soorten weergegeven die op de Rode Lijst vermeld worden en die in het plangebied of in een straal van circa 2 km daaromheen voorkomen. Tabel 3.3: Overzicht reeds bekende waargenomen Rode Lijst soorten in een straal van circa 2 km rondom het plangebied. Hier zitten ook soorten tussen die beschermd zijn onder de Wnb.
Soortgroep
Vaatplanten
Vogels
blad 15 van 31
Soort
Bolderik Bosaardbei Brede Orchis Duifkruid Gewone agrimonie Gulden sleutelbloem Kamgras Kartuizer anjer Kleine ratelaar Korenbloem Ongelijkbladig fonteinkruid Rapunzelklokje Rijncentaurie Slofhak Steenanjer Stijve ogentroost Tripmadam waterdrieblad Blauwe kiekendief Boerenzwaluw Bontbekplevier Boomvalk Draaihals Dwergmeeuw Engelse kwikstaart Gele kwikstaart Goudplevier Graspieper Grauw gors Grauwe kiekendief Grauwe vliegenvanger Grote lijster Grote mantelmeeuw Grutto Huismus Huiszwaluw Keep Kemphaan Kleine zilverreiger Kneu
Bron NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF
memonummer: betreft: ecologie
Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren
Reptielen Amfibieën Vissen Insecten - Dagvlinders
blad 16 van 31
Koekoek Kraanvogel Kramsvogel Matkop Nachtegaal Oehoe oeverloper Paapje Patrijs Pijlstaart Ransuil Ringmus Roerdomp Slobeend Smient Spotvogel Steenuil Steltkluut Tapuit Torenvalk Tureluur Veldleeuwerik Velduil Visdief watersnip Wielewaal Wilde zwaan Wintertaling Wulp Zeearend zomertaling Zomertortel Zwarte mees Zwarte stern Laatvlieger Bunzing Haas Konijn Wezel Levendbarende hagedis Muurhagedis Kamsalamander Rugstreeppad Grote modderkruiper Bruin Blauwtje Oranje Zandoogje
NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF NDFF
NDFF NDFF NDFF
memonummer: betreft: ecologie
Insecten - Libellen Overige soortgroepen
Venwitsnuitlibel Gewone haft vierlijneendagsvlieg
NDFF NDFF NDFF
Legenda bron: NDFF = Nationale Database Flora en Fauna.
4.2
Bevindingen oriënterend veldonderzoek Bij het oriënterend veldonderzoek is naar voren gekomen dat binnen het plangebied geschikt biotoop aanwezig is voor diverse beschermde soorten (Wnb en Rode Lijst). Het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied is derhalve niet op voorhand uit te sluiten. In Bijlage 1 zijn potentiële leefgebieden van beschermde soorten in het plangebied op kaarten weergegeven. In Bijlage 2 zijn foto’s opgenomen die een impressie van het plangebied geven. In het plangebied zijn diverse gebieden aanwezig die van belang zijn voor weidevogels. Dit betreffen extensief beheerde graslanden, delen met ruigte, plas-dras gebied, graslanden met rustperiodes en gras- en bouwland met legselbeheer (zie bijlage figuur 1). Er zijn diverse bosschages en bomenrijen aangetroffen waar zich horsten en/of nesten van jaarrond beschermde vogelsoorten in kunnen bevinden. Eekhoorns zouden hier ook nesten in kunnen hebben. Tevens kunnen hier boomholtes aanwezig zijn waar zich, onder andere, vleermuizen in zouden kunnen bevinden. Aan de noordzijde van het plangebied is een watergang aanwezig in de nabijheid van bosschage waar bevers zijn waargenomen (NDFF, 2016-2021). (zie bijlage 1 figuur 2). Rondom woonerven en boerenerven is mogelijk geschikt habitat aanwezig voor huismussen, gierzwaluwen en/of vleermuizen (zie bijlage 1 figuur 3).
Binnen het plangebied bevindt zich geschikt habitat voor (kleine) marterachtigen als steenmarter, wezel, bunzing en, in mindere mate, hermelijn in de vorm van (kleinschalig) cultuurlandschap met bosschages, delen met ruigte, struweel, oevervegetatie, etc. Deze soorten kunnen in principe in het hele plangebied voorkomen. De meeste potentie voor verblijfplaatsen zit echter in delen met voldoende dekking biedende structuren (zie bijlage figuur 4). De aanwezigheid van amfibieën als de rugstreeppad is ook niet op voorhand volledig uit te sluiten, met name in het plas-dras gebied. Er is tevens een amfibieënpoel aangetroffen op een perceel in het noorden van het plangebied met extensief beheerde weide waarop zich ook struweel bevindt. In de diverse kavelsloten die het plangebied doorkruisen is de aanwezigheid van de beschermde grote modderkuiper niet op voorhand volledig uit te sluiten. Tot slot is het bosgebied in het zuiden van het plangebied, waar mogelijk een nieuwe randweg komt, ecologisch gezien interessant voor diverse soorten. De conclusies voor beschermde soorten voor Oss-West gelden in grote lijnen ook voor de ontwikkeling Amsteleind. De weidevogelgebieden en percelen met ecologische waarden (figuur 1 en 2 van bijlage 1) worden ontzien. Met name de aanwezigheid van marterachtigen, vleermuizen, huismus en gierzwaluw is niet uit te sluiten.
De Brandstraat is een bekende vliegroute voor vleermuizen. De ontwikkeling voorziet niet direct in aantasting van deze wegenstructuur, maar ook de realisatie van een ontsluitingsweg voor Amsteleind kan tot negatieve effecten op deze ecologische structuur leiden. Als de definitieve inrichtingsplannen met de ligging van de wegen bekend zijn, is een natuurtoets nodig om de effecten op aanwezige (beschermde) soorten te bepalen en waar nodig vervolgstappen te nemen.
blad 17 van 31
memonummer: betreft: ecologie
4.3
Indicatieve effecten en advies vervolgtraject Er zijn diverse biotopen voor beschermde soorten aanwezig binnen het plangebied. Bij het uitvoeren van de beoogde woningbouwopgave in Oss-West dient hier rekening mee gehouden te worden. Het betreft hier een eerste globale inschatting en is daarmee niet uitputtend. De gevolgen worden per deelgebied uit onderstaand figuur besproken. Daarnaast wordt de locatie van de mogelijk nieuwe randweg in het zuidelijk deel van de planlocatie ten westen van de reeds bestaande woonwijk apart besproken. Bij daadwerkelijke ontwikkeling van de genoemde deelgebieden dienen meer gedetailleerde natuurtoetsen uitgevoerd te worden. Tevens dient nader onderzoek naar de aanwezige soorten/soortgroepen uitgevoerd te worden indien de biotopen die als potentieel leefgebied worden aangemerkt, zullen verdwijnen of verstoord worden door de nieuwe functies. In hoofdstuk 5 worden de kansen voor versterking van de biodiversiteit bij de planontwikkeling beschreven. Dan wordt duidelijk dat er bij de planontwikkeling diverse mogelijkheden zijn om te voorkomen dat de gunstige staat van instandhouding van beschermde en rode lijst soorten in gevaar komt.
Figuur 4.1 Overzichtskaart met deelgebieden binnen het plangebied.
blad 18 van 31
memonummer: betreft: ecologie
Deelgebied 1 Dit deelgebied betreft met name grasland, enkele (mais)akkers, kavelsloten, enkele bomenrijen en delen met bloemrijk grasland. Bij woningbouw in deelgebied 1 is mogelijk sprake van (onder andere) aantasting van leefgebied van (kleine) marterachtigen, verlies van horsten/nesten van beschermde vogels, verlies van verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen en verlies van leefgebied van de grote modderkruiper indien sloten worden gedempt. Deelgebied 2 Dit deelgebied betreft met name weidevogelgebied, (kruidenrijk) grasland, enkele wegen, een kleine hoeveelheid bebouwing, (mais)akkers, ruigte en plas-dras gebied. Het westen van dit deelgebied is met name belangrijk voor weidevogels zoals de tureluur, kievit, scholekster, grutto en watersnip. Deze gebieden zijn ecologisch gezien waardevol en lastig te compenseren. Het advies is om deze gebieden, met name de plas-dras gebieden, te ontzien. Weidevogels zijn gebonden aan openheid zodat ook bebouwing in de directe omgeving een aantasting van het weidevogelgebied kan betekenen. Daarnaast is het plas-dras gebied gevoelig voor verdroging. Dit vormt een aandachtspunt bij de bebouwing van dit deelgebied. Daarnaast kan woningbouw op deze plek verlies van leefgebied van amfibieën (o.a. rugstreeppad en ‘’groene kikker’’ soorten) veroorzaken.
Bij demping van kavelsloten gaat er mogelijk leefgebied voor de grote modderkruiper verloren. Er is ruigte aanwezig in het oosten van deelgebied twee wat mogelijk leefgebied kan zijn voor (kleine) marterachtigen. Tevens bevinden zich enkele woningen in het oosten van dit deelgebied, waar mogelijk sprake is van potentieel geschikt habitat voor de huismus, gierzwaluw en/of gebouw bewonende vleermuizen. Het is aannemelijk dat de voorgenomen ontwikkeling voorziet in de inpassing van deze woningen. Echter, voor het functioneren van de verblijfplaatsen is ook het omringende groen van belang. Deelgebied 3 Dit deelgebied betreft met name ruim opgezette woningen, grasland, (jong)bosschage, enkele bomenrijen en (kavel)sloten. Bij woningbouw in deelgebied 3 is mogelijk sprake van aantasting van (onder andere) leefgebied van huismus, gierzwaluw, kerkuil, steenuil en/of gebouw bewonende vleermuizen indien huidige bebouwing wordt gesloopt. Indien bosschages en bomenrijen verwijderd worden is er mogelijk sprake van verdwijnen van leefgebied van (kleine) marterachtigen, amfibieën, horsten/nesten van beschermde vogels en boom bewonende vleermuizen. Daarnaast is de bever waargenomen in dit deelgebied. In het rapport ‘’bouwstenen gebiedsconcept Oss West’’ is aangegeven dat er ingezet moet worden op duurzaam samenleven van bevers en mensen.
Deelgebied 4 Dit betreft een boerenerf met omliggend grasland en sloten. Hier is mogelijk sprake van aantasting van het leefgebied van de huismus, gebouw bewonende vleermuizen en/of kerkuil. Deelgebied 5 Dit deelgebied betreft met name kleinschalig cultuurlandschap met woningen, tuinen, bomenrijen, (mais)akkers, struweel en grasland. Bij woningbouw in dit deelgebied is mogelijk (onder andere) sprake van aantasting van leefgebied van de huismus, gierzwaluw, kerkuil, steenuil en gebouw bewonende vleermuizen indien er woningen worden gesloopt. Daarnaast is er mogelijk aantasting van leefgebied van (kleine) marterachtigen, horsten/nesten van beschermde vogels, en naar de grote modderkuiper bij het dempen van sloten.
blad 19 van 31
memonummer: betreft: ecologie
Zuidwesten – mogelijke locatie nieuwe randweg Dit deel bestaat met name uit bosgebied, (mais)akkers, sportvelden en bomenrijen. Bij wegenbouw in dit gebied is mogelijk sprake van aantasting van leefgebied van horsten/nesten van beschermde vogels, eekhoorns en (kleine) marterachtigen. Overig Langs de diverse bomenrijen zijn reeds bekende en mogelijk nog andere vliegroutes van vleermuizen aanwezig (zie bijlage figuur 5). Hier dient rekening mee gehouden te worden bij de uitwerking van de plannen door deze bomenrijen zo veel mogelijk te behouden, extra verstoring ervan zoveel mogelijk te beperken en waar mogelijk deze vliegroutes te versterken. Als uit nader onderzoek de aanwezigheid van essentieel leefgebied wordt vastgesteld van soorten die onder de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd zijn, kunnen bewezen effectieve maatregelen getroffen worden om op voorhand te voorkomen dat verbodsbepalingen overtreden worden. Als dit niet mogelijk is dient er een Wnb-ontheffing aangevraagd en verkregen te worden voor het verstoren van soorten en/of het aantasten van leefgebied. Voor andere soorten kan volgens een gedragscode gewerkt worden. Onderdeel van de Wnb-ontheffing is het nemen van bewezen effectieve maatregelen, zodat de gunstige staat van instandhouding van soorten geborgd is.
Daarnaast dient aangetoond te worden dat er geen alternatieven zijn voor de beoogde ontwikkeling (vandaar het advies voor een zorgvuldige inrichting van het plangebied). Tevens dienen voor soort(groep) in te roepen wettelijke belangen onderbouwd te worden. Het aantal wettelijke belangen dat voor een ontheffing kan worden ingeroepen is het meest beperkt voor vogels (art 3.1 van de Wnb). Deze betreffen het belang van volksgezondheid en openbare veiligheid. Voor Europees beschermde (habitatrichtlijn)soorten (art. 3.5 van de Wnb) en ‘’andere soorten’’ (art. 3.10 van de Wnb) kan een beroep gedaan worden op het wettelijk belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Voor ‘’andere soorten’’ (art. 3.10 van de Wnb) kan tevens een beroep gedaan worden op het wettelijk belang in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde. Voor alle soorten geldt ten allen tijde de Algemene Zorgplicht, waarbij soorten niet onnodig negatief beïnvloed mogen worden. Indien aan voornoemde kan worden voldaan staat de Wnb de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.
blad 20 van 31
memonummer: betreft: ecologie
5
Kansen voor natuur Er liggen diverse kansen voor het creëren van een plus voor natuur en biodiversiteit. Een aantal daarvan worden hier besproken. Bouwstenen gebiedsconcept Oss-West In het rapport ‘’Bouwstenen gebiedsconcept Oss West’’ zijn reeds enkele kansen voor de natuur benoemd: 1. Inzetten op duurzaam samenleven van bevers en mensen. Voorkomen van schade door bevers door de juiste inrichtingsmaatregelen te nemen. Hiervoor is een lokale adviesgroep provinciaal beleidsadvies aan het opstellen, waar de gemeente Oss bij betrokken is. 2. Er zijn tekenen van de mogelijke aanwezigheid van kwelverschijnselen, onder andere vanwege de aanwezigheid van de waterviolier. Dit is een algemene soort die niet beschermd is, maar wel een indicator is van bijzondere abiotische omstandigheden. Het advies is om het plangebied te onderzoeken op bestaande en potentiële kwelgebieden en de aanwezigheid daarvan te benutten bij de inrichting. Er kunnen hierbij voorwaarden geschept worden voor het verbeteren van de kwelstromen en de realisatie van natuur die daarvan afhankelijk is. Dit kan mede interessant zijn voor het versterken en/of uitbreiden van het weidevogelgebied en/of het aanleggen van een weidevogelpoel of amfibieënpoel(en); 3. Waardevolle bomen en groenstructuren dienen behouden te blijven; 4.
Er is een voorstel voor het creëren van een groen/boszone die van noord naar zuid loopt tussen Oss stad en Oss-West. Dit geeft invulling aan de opgave voor het creëren van meer bos. Daarnaast zou dit een verbinding kunnen vormen tussen verspreid gelegen reeds aanwezig bosschages in het plangebied en het bosgebied ten zuiden van het plangebied; 5. Moeraszones creëren aan de randen van het plangebied vanwege de ligging aan de groen-blauwe slinger; 6. Het behouden en versterken van het karakter van het landschap dat wordt gekenmerkt door een dekzandrug (hoger, droger, geslotener) in het zuiden naar komgebied (lager, natter, opener) in het noorden; 7. Natuurinclusieve landbouw stimuleren bij boeren in en aan de rand van het plangebied. Natuurinclusief bouwen en inrichten Maak natuurinclusief bouwen en inrichten de norm binnen het project. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden in de bebouwing en in de openbare ruimte. Natuurinclusieve maatregelen voor de bebouwing Bij het realiseren van woningbouw is er potentie voor het uitbreiden van het habitat van soorten die gebonden zijn aan bebouwing, zoals de huismus, gebouw bewonende vleermuizen en gierzwaluwen. Integreer in de te bouwen woningen geschikte mogelijkheden voor verblijfplaatsen van voornoemde soorten.
Dit kan door gebruik te maken van spouwmuren die op vleermuisvriendelijke wijze worden geïsoleerd en/of door (geschakelde) nestkasten in te metselen of op te hangen. Maak gebruik van dakpannen op de daken, waarbij ten minste de onderste 3 rijen dakpannen toegankelijk zijn voor vogel soorten die onder dakpannen nestelen, zoals de huismus. Plaats dus geen vogelschroot óf plaats dit pas bij de 4e panlat. Kierende kant- en nokpannen verschaffen vleermuizen en gierzwaluwen toegang tot potentiële verblijfplaatsen onder dakpannen en/of in de spouwmuur. De aanwezigheid van vrije aanvliegroutes zijn belangrijk bij verblijfplaatsen voor vleermuizen en gierzwaluwen. Zorg tevens voor voldoende functioneel leefgebied in de omgeving van de potentiële verblijfplaatsen. Voor huismussen betreft dit voldoende jaarrond groene struiken en heesters, water voor waterbaden en plaatsen met los zand voor zandbaden. Voor vleermuizen betreft dit foerageergebied in de vorm van open plekken tussen opgaande groenstructuren in de buurt van groot oppervlaktewater, en vliegroutes in de vorm van rechtlijnige structuurrijke elementen zoals bomenrijen, bosranden en houtwallen. Gierzwaluwen
blad 21 van 31
memonummer: betreft: ecologie
zijn minder plaatsgebonden wat betreft hun foerageergebied en vangen insecten boven diverse habitats in dorpen en steden. Naast het realiseren van verblijfplaatsen en functioneel leefgebied voor voornoemde soorten kunnen groene gevels en groene daken gerealiseerd worden. Hiermee kan leefgebied in de vorm van schuil- en nestgelegenheid en voedsel geboden worden voor diverse soorten. Natuurinclusieve maatregelen voor de openbare ruimte Voor de openbare ruimte kan onder andere gedacht worden aan het realiseren van insecten hotels, faunapassages, faunatorens, verbindingszones via welke fauna zich veilig kunnen verspreiden in de vorm van bloem- en soortenrijk grasland en bermen, ruigte, bomenlanen, struweelsingels, houtwallen. De aanplant van vrucht en noten/zaden dragende struiken biedt voedsel voor diverse soorten, waaronder vogels en zoogdieren. Creëer stedelijk water met natuurvriendelijke oevers met een flauwe hellingshoek en begroeiing. In parken, bosschages of andere groene zones kunnen amfibieënpoelen gerealiseerd worden, mits de omstandigheden hiervoor juist zijn. Uitbreiding en verbinden van bosschages in het noorden In het noorden van het plangebied ligt bosschage met waterkanalen waar bevers zijn waargenomen. Iets ten zuidwesten hiervan ligt, net buiten het plangebied, eveneens bosschage. In het tussenliggende gebied is momenteel onder andere, ruigtevegetatie aanwezig.
Het creëren van een groene zone met bosschage en ruigte die deze twee gebieden met elkaar verbindt, sorteert een positief effect op de biodiversiteit, waaronder mogelijk de bever (zie figuur 5.1). Dit idee past ook goed binnen het voorstel voor het creëren van een groen/boszone tussen stad en Oss-Westpunt(punt 3 in voornoemde opsomming).
Figuur 5.1 Voorstel voor locatie van uitbreiding bosschage (gestreepte groene delen) voor het verbinden van reeds aanwezige losse delen met bosschage en ruigte.
blad 22 van 31
memonummer: betreft: ecologie
Bijlage 1 Kaarten (potentieel) leefgebied
Figuur 1 Gebieden met betekenis voor weidevogels. Met name de plas-dras gebieden (blauw) en de (kruidenrijke) graslanden met rustperioden (groen) zijn van belang voor weidevogels. In de grijze delen wordt legselbeheer toegepast, waarbij legsels worden beschermd. West (bron: Brabants Landschap, 2020)
blad 23 van 31
memonummer: betreft: ecologie
Figuur 2 Overzichtskaart met globaal overzicht van diverse biotopen. In deze kaart zijn nog niet alles soort(groep)en opgenomen. In figuur 3 t/m 5 zijn overige soortgroepen weergegeven.
blad 24 van 31
memonummer: betreft: ecologie
Figuur 3 Overzichtskaart met globaal overzicht van potentieel habitat voor huismussen, gebouw bewonende vleermuizen en, in mindere mate, gierzwaluwen.
blad 25 van 31
memonummer: betreft: ecologie
Figuur 4 Overzichtskaart met globaal overzicht van potentieel habitat voor marterachtigen als steenmarter, bunzing, wezel en, in mindere mate, hermelijn. Marterachtigen kunnen in principe in het hele gebied voorkomen, maar plekken met veel dekking biedende structuren hebben de meeste potentie voor verblijfplaatsen. Hiervoor is een meer gedetailleerde analyse benodigd. Aanwezigheid van de boommarter in het bosgebied aan de zuidzijde is eveneens niet volledig uit te sluiten.
blad 26 van 31
memonummer: betreft: ecologie
Figuur 5 Reeds bekende vliegroutes van vleermuizen in het plangebied (NDFF, 2016-2021). Deze afbeelding mag niet zonder toestemming verder verspreid worden en is voor intern gebruik bedoeld.
blad 27 van 31
memonummer: betreft: ecologie
Bijlage 2 Impressie plangebied
Figuur 1 Visuele impressie van deelgebied 1. Links: grasland. Rechts: knotwilgenrij en ruigte.
Figuur 2 Visuele impressie van deelgebied 2. Linksboven: onverharde weg midden door plangebied. Rechtsoven: Ruigte en bloemrijk grasland. Linksonder: ruigte aan de oostzijde van deelgebied 2. Rechtsonder: ruigte aan oostzijde van deelgebied 2 met waterkanaal.
blad 28 van 31
Figuur 3 Visuele impressie van het weidevogelgebied in deelgebied 2.
Figuur 4 Visuele impressie van deelgebied 3. Linksboven: weg door midden van deelgebied 3. Rechtsboven: grasland te midden van bomenrij en boerenerf. Midden: bosschage met waterkanaal. Onder: perceel met struweel en amfibieënpoel.
blad 29 van 31
Figuur 5 Visuele impressie van deelgebied 4. Links: grasland met boerenerf op de achtergrond. Rechts: brede kavelsloot aan noordzijde van deelgebied 4.
Figuur 6 Visuele impressie van deelgebied 5. Linksboven: straat met huizen en groen. Rechtsboven: grasland, met bomenrijen en struweel. Linksonder kleinschalig cultuurlandschapen met woonerf, moestuin, ruigte, struweel en bomenrijen. Rechtsonder: maisakkers en begraasd weiland.
blad 30 van 31
Figuur 7 Visuele impressie van de locatie van de potentiële nieuwe randweg aan de zuidzijde van het plangebied. Boven: het bosgebied. linksonder: sportvelden met bomen rijen. Rechtsonder: struweel en fietspad.
Dit document is vertrouwelijk. Bezoek onze website voor de volledige disclaimer: Algemene voorwaarden en privacyverklaring
blad 31 van 31