CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 13 bij toelichting rob Weegstraat 3 Huisseling.PDF

Adviescommissie Ruimte 20 mei 2021, gemeente OssBij agendapunt: BII Tervisielegging ontwerpbestemmingsplan Ontwikkelingen 2 Buitengebied Oss - 202128.498 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

BESTEMMINGPSLAN Ontwikkelingen 2 Buitengebied Oss - 2021 Bijlage 13 bij toelichting Weegstraat 3, Huisseling

Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 1 van 61 voorontwerp 03-09-2020

Ruimtelijke onderbouwing Weegstraat 3, Huisseling – 2020 voorontwerp

Ruimtelijke onderbouwing

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 2 van 61 voorontwerp 03-09-2020

Gemeente Oss, 03-09-2020

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 3 van 61 voorontwerp 03-09-2020

INHOUDSOPGAVE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Hoofdstuk 1 Inleiding ............................................................................................................................... 7 1.1 Aanleiding en korte planbeschrijving ............................................................................................ 7 1.2 Begrenzing planlocatie ................................................................................................................. 7 1.3 Geldende bestemmingsplannen ................................................................................................... 7 Hoofdstuk 2 Bestaande situatie en programma....................................................................................... 9 2.1 Ontstaansgeschiedenis ................................................................................................................ 9 2.2 Bestaande situatie ........................................................................................................................ 9 2.3 Beoogde situatie ......................................................................................................................... 10 2.4 Stedenbouwkundige karakteristiek .............................................................................................

10 2.5 Functionele karakteristiek ........................................................................................................... 11 2.6 Groen en water ........................................................................................................................... 11 2.7 Beeldkwaliteit .............................................................................................................................. 12 Hoofdstuk 3 Beleidskader ...................................................................................................................... 13 3.1 Wettelijk kader ............................................................................................................................ 13 3.2 Rijksbeleid .................................................................................................................................. 15 3.3 Provinciaal beleid ....................................................................................................................... 18 3.4 Gemeentelijk beleid .................................................................................................................... 26 Hoofdstuk 4 Verantwoording..................................................................................................................

37 4.1 Milieu- en omgevingsaspecten ................................................................................................... 37 4.2 Waarden ..................................................................................................................................... 47 4.3 Defensie...................................................................................................................................... 56 4.4 Milieueffectrapportage (M.e.r.) ................................................................................................... 57 Hoofdstuk 5 Handhaving........................................................................................................................ 58 5.1 Beleidskader ............................................................................................................................... 58 5.2 Professionele handhaving en handhavingprogramma ............................................................... 58 5.3 Handhaafbaarheid, positief bestemmen, overgangsrecht .......................................................... 59 Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................... 60 6.1 Kostenverhaal ...................................................................................................................................

60 6.2 Gemeentelijke grondexploitatie ........................................................................................................ 60 Hoofdstuk 7 Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................. 61 7.1 Inspraak ...................................................................................................................................... 61 7.2 De omgeving............................................................................................................................... 61

REGELS VERBEELDING BIJLAGEN zie separaat bijlagenboek

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 4 van 61 voorontwerp 03-09-2020

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 5 van 61 voorontwerp 03-09-2020

Ruimtelijke onderbouwing Weegstraat 3, Huisseling - 2020

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 6 van 61 voorontwerp 03-09-2020

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 7 van 61 voorontwerp 03-09-2020

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding en korte planbeschrijving

Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is opgesteld voor het realiseren van een woning op het perceel Weegstraat 3 te Huisseling. De locatie is in gebruik ten behoeve van een niet-agrarisch bedrijf, gericht op opslag. Het grootste gedeelte van de activiteiten welke hier aanwezig waren, vinden hier niet meer plaats. Initiatiefnemer wenst nu de bedrijfsactiviteiten op de locatie te gaan beëindigen en het perceel in gebruik te nemen om te wonen. Dit omdat hun bedrijfsactiviteiten ook elders op het industrieterrein plaats vinden. Het aanwezige pand aan de weegstraat zal geschikt gemaakt worden als woning. Functioneel en ruimtelijk gezien sluit de locatie hiermee aan op de naastgelegen percelen. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is opgesteld om aan te tonen dat er ruimtelijk en milieuhygiënisch geen belemmeringen zijn voor het wijzigen van de bestemming naar de bestemming “Wonen” en het in gebruik nemen van het pand als woning aan de locatie Weegstraat 3 te Huisseling. 1.2

Begrenzing planlocatie

1.3

Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse van de planlocatie geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 16 april 2020 door de gemeenteraad van Oss. De planlocatie heeft de bestemming ‘Bedrijf’.

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 8 van 61 voorontwerp 03-09-2020

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 9 van 61 voorontwerp 03-09-2020

Hoofdstuk 2 2.1

Bestaande situatie en programma

Ontstaansgeschiedenis

Onderhavig plangebied is gelegen aan de rand van Huisseling. Het landschap kan getypeerd worden als oeverwal. De oeverwal is een hoger gelegen rug in het landschap en ligt binnendijks op enige afstand van de rivier de Maas. De oeverwal heeft een kleinschalig en halfopen tot besloten karakter. Het gebied is door bewoners intensief in cultuur gebracht. De oude perceelindeling van vóór 1850, is deels nog herkenbaar in het landschap aanwezig. Het verkavelingspatroon is blokvormig en overwegend onregelmatig. Het intensieve en hoogdynamische grondgebruik bestaat uit een afwisseling van grasland, bouwland, een enkele boomgaard en bebouwing in linten (met een voor- en achterstraat). De karakteristiek van de oeverwal was 100 jaar geleden uitgesprokener dan nu; het was kleinschaliger en meer besloten. Op sommige plekken zijn griendresten, kleiputten, houtwallen, laanstructuren en bosjes te vinden.

Omgeving plangebied (rood omcirkeld) 1955 Op onderhavige locatie is sinds 1955 een bedrijfspand aanwezig. De inrichting van het terrein is sindsdien weinig veranderd. De omgeving van de locatie heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld naar een woongebied. Dit uit zich met name in de uitbreidingen van de kernen Ravenstein en Huisseling richting de locatie. Door het agrarisch grondgebruik van de percelen in de directe omgeving is het agrarische karakter van het gebied nog steeds aanwezig. 2.2

Bestaande situatie

Op het perceel bevindt zich een bedrijfspand met een omvang van circa 208 m2. Daar omheen ligt erfverharding. De achterzijde van het perceel is in gebruik als grasland. De werkzijde van het perceel is omringd met bosplantsoen.

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 10 van 61 voorontwerp 03-09-2020

Luchtfoto planlocatie 2.3

Beoogde situatie

Initiatiefnemer wenst het gedeelte van het perceel wat momenteel bestemd is als bedrijfsbestemming om te zetten naar een woonbestemming. De locatie voldoet in zijn huidige vorm niet aan de mogelijkheden welke een bedrijf nodig heeft. Daarom is gezocht naar een nieuwe bestemming voor de locatie, maar ook voor het aanwezige pand. De aanwezige schuur zal grotendeels omgebouwd worden tot woonhuis. Alleen een gerealiseerde uitbouw zal worden afgebroken. Hier is voor gekozen omdat het een van oudsher karakteristiek element in de omgeving betreft. Daarnaast zullen een kapschuur en een overkapping gerealiseerd worden. Voor de opzet en situering van de bebouwing wordt verwezen naar bijlage 1. Het aanwezige groen op het perceel zal behouden blijven en versterkt worden met gebiedseigen elementen en de tuin zal hierop aansluiten. Dit conform in bijlage 2 toegevoegd erfbeplantingsplan. 2.4

Stedenbouwkundige karakteristiek

De locatie ligt aan de noordzijde van Huisseling. De locatie ligt direct achter de woning Hongerveldstraat 9 aan een doodlopend straatje (de Weegstraat). Aan de west- en noordzijde van het perceel zijn enkele agrarische percelen aanwezig die in gebruik zijn als akkerbouw- en weidegrond.

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 11 van 61 voorontwerp 03-09-2020

Luchtfoto omgeving plangebied (rood omcirkeld)

De voorgestelde ontwikkeling heeft vanuit stedenbouwkundig oogpunt weinig gevolgen. De bestaande bedrijfsbebouwing (een voormalige boerderij/schuur) wordt verbouwd tot woning. Het cultuurhistorische karakter van dit straatje, dat bepaald wordt door de bestaande agrarische bouwmassa (schuur met zadeldak met wolfseind), die dicht op de straat staat, blijft behouden. Hierdoor verandert er nauwelijks iets aan het straatbeeld en blijft het dorpse, landelijke karakter in stand. De nieuwe bijgebouwen worden op een logische plek op het perceel ingepast. Het bedrijfsperceel wordt ingericht als tuin. Het weiland blijft weiland. De groensingels aan de westzijde van het perceel blijven behouden. Ook de landschappelijk impact van deze ontwikkeling is hierdoor zeer beperkt. 2.5

Functionele karakteristiek

Op onderhavige locatie is momenteel sprake van een bedrijfsbestemming. Deze kleine locatie is als zelfstandige bedrijfsbestemming achterhaald en past bovendien slecht in deze kleinschalige, landelijke omgeving. De bedrijfsbestemming wordt omgezet naar een woonbestemming. In de directe omgeving, hier aan de rand van het dorp, zijn enkel woonfuncties aanwezig. De omschakeling van bedrijf naar wonen sluit daarmee uitstekend aan op de karakteristiek van de omgeving. 2.6

Groen en water

In onderhavig plan gaat het om een wijziging van bedrijfsgrond naar een woonbestemming voor het in gebruik nemen van de locatie en het aanwezige pand als woonfunctie. Daarnaast wordt een kapschuur en een overkapping gerealiseerd. Dit leidt tot een minimale toename van bebouwing op de locatie, doordat een bestaande uitbouw van de woning gesloopt wordt. Binnen het plan is voldoende aandacht voor de waterhuishouding op de locatie. Dit is ook meegenomen in het tuinontwerp. Zo is voor een groot gedeelte van het perceel gekozen voor het aanleggen van grasland of halfverharding. Hier zal verder op in worden gegaan in paragraaf 4.1.8.

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 12 van 61 voorontwerp 03-09-2020

Verder zal de planlocatie landschappelijk worden ingepast waarbij wordt aangesloten op de aanwezige beplanting. De bestaande beplanting aan de westkant van de woning en aan de zuid- en westkant van de tuin zullen behouden blijven en versterkt worden. Voor de noordkant van het perceel wordt aansluiting gezocht bij naastgelegen bebouwing en weilanden. 2.7

Beeldkwaliteit

Voor dit plan zijn geen aparte beeldkwaliteitseisen opgesteld. De bestaande schuur wordt verbouwd waarbij aangesloten wordt op de bestaande, landelijke bebouwingskarakteristiek. Vanuit het ruimtelijk beeld is dit het meest voor de hand liggend. Het verbouwplan zal worden voorgelegd aan welstand. Ten tijde van vaststelling van dit bestemmingsplan is een welstandstoets voor dit plan naar alle waarschijnlijkheid echter niet meer verplicht. In het nieuwe welstandsbeleid geldt namelijk alleen bij monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en gebieden met een beeldkwaliteitsplan dan nog een verplichte welstandstoets. De bebouwing op deze locatie valt daar niet onder.

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 13 van 61 voorontwerp 03-09-2020

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Wettelijk kader

3.1.1 Wet ruimtelijke ordening Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. De hoofdlijnen van de nieuwe wet zijn samengevat: - Decentraal wat kan en centraal wat moet: rijk en provincie moeten en mogen niet meer regelen dan wat de taak van deze overheden direct met zich brengt; - Rijk, provincie en gemeente hebben gelijke instrumenten en kunnen die inzetten voor de eigen taken op het gebied van de ruimtelijke ordening: structuurvisie, bestemmingsplan en projectafwijkingsbesluit; - Rijk en provincie kunnen zaken voor gemeente dwingend voorschrijven via een verordening en via een aanwijzing; - Er is een strikte scheiding tussen beleid en bestemmingsplan; beleidsdocumenten hebben geen directe juridische werking meer; - De goedkeuring van de provincie op bestemmingsplannen is vervallen; - De gemeente moet meer werk maken van de herziening van bestemmingsplannen: o Er komt een sanctie op verouderde bestemmingsplannen: geen legesheffing meer mogelijk; o Voor de realisering van projecten kan een projectafwijkingsbesluit genomen worden; - Voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen spelen kan de gemeente kiezen om een beheersverordening te maken in plaats van een bestemmingsplan; - Er is een drempel voor planschade van 2%; - De mogelijkheid van kostenverhaal bij grondexploitatie is verbeterd; - Bestemmingsplannen moeten analoog en digitaal worden gemaakt.

3.1.2 Grondexploitatiewet Tegelijk met de Wet ruimtelijke Ordening is de nieuwe Grondexploitatiewet (Grex-wet) in werking getreden. De grondexploitatiewet is als paragraaf 6.4 in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening opgenomen. De Grex-wet is noodzakelijk omdat eerdere wettelijke instrumenten voor kostenverhaal, te weten de exploitatieverordening en de baatbelasting, niet toereikend bleken. Doelstelling van de nieuwe wet is een goede regeling voor kostenverhaal, binnenplanse verevening en enkele locatie-eisen bij particuliere grondexploitatie. Onder de Grex-wet is kostenverhaal mogelijk via het privaatrechtelijke spoor (door middel van een vrijwillige samenwerkingsovereenkomst) en door middel van het publiekrechtelijke spoor. Eén van de belangrijkste vernieuwingen die de wet brengt, is het verplichtende karakter van kostenverhaal. Privaatrechtelijke afspraken hebben de voorkeur. Maar als een gemeente er niet in geslaagd is met alle particuliere eigenaren in een gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie moet de gemeente publiekrechtelijk kosten verhalen bij partijen waarmee geen contract is gesloten. Dit publiekrechtelijke verhaal gaat door middel van een exploitatieplan, waarvan de totstandkoming gelijk op moet lopen met een bestemmingsplan. De verplichting tot een publiekrechtelijke regeling is gekoppeld aan twee voorwaarden: 1.

In de eerste plaats is een ruimtelijk besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening nodig. Het publiekrechtelijk instrumentarium is alleen van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijziging van een bestemmingsplan, of een projectafwijkingsbesluit.

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 14 van 61 voorontwerp 03-09-2020

2. De tweede voorwaarde is dat het ruimtelijk besluit voorziet in nieuwbouw of in belangrijke en omvangrijke verbouwplannen met functiewijzigingen. De bouwplannen waar het om gaat zijn in het Besluit ruimtelijke ordening aangewezen. Dit bestemmingsplan voorziet in nieuwe bouwmogelijkheden. De Grondexploitatie-wetgeving is dan ook van toepassing. Dat betekent dat meerkosten voor de planologische procedure als gevolg van particuliere ontwikkelingen dienen te worden verhaald op de initiatiefnemer(s). De verhaal van deze kosten kan op twee manieren worden geregeld, namelijk via een anterieure overeenkomst of via een exploitatieplan. De gemeente Oss heeft nadrukkelijk de voorkeur om dit via een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer te regelen omdat het opstellen van een exploitatieplan aanzienlijke meerkosten voor gemeente én initiatiefnemer tot gevolg heeft. 3.1.3 Wet Natuurbescherming De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk.

De Wet natuurbescherming vervangt 3 wetten die tot 1 januari 2017 golden:  De Natuurbeschermingswet 1998. Deze wet regelde de natuurbescherming van gebieden.  De Flora- en faunawet. Deze wet beschermde in het wild voorkomende diersoorten en plantensoorten.  De Boswet. Deze wet beschermde de Nederlandse bossen. Met één wet en minder regels wordt de regelgeving voor natuurbescherming overzichtelijker. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming, Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. Meer informatie over vergunningen en ontheffingen Wet natuurbescherming staat op de site van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. 3.1.4 Erfgoedwet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. De wet is op 1 juli 2016 in werking getreden en vervangt zes wetten en regelingen. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden.

De Erfgoedwet vervangt de volgende zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed:  Monumentenwet 1988;  Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten;  Wet tot behoud van cultuurbezit;  Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied;  Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 over onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen;  Regeling materieel beheer museale voorwerpen. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt.

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 15 van 61 voorontwerp 03-09-2020

Het beschermingsregime voor archeologische rijksmonumenten net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om:  vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten.  verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie.  bescherming van stads- en dorpsgezichten. Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen zoals de Wabo en het Bro. 3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Ruimte de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De visie stelt het (integrale) kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau in Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. In de SVIR zijn tot 2028 drie Rijksdoelen geformuleerd: - Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland. (concurrerend) - Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. (bereikbaar) - Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke cultuurhistorische waarden behouden zijn. (leefbaar en veilig) De SVIR vervangt ondermeer de volgende nota’s: - de Nota Ruimte; - de Structuurvisie Randstad 2040; - de Nota Mobiliteit; - de MobiliteitsAanpak; - de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Verder vervallen met de SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken uit de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Oplossingsrichtingen Verstedelijkings- en landschapsbeleid wordt overgelaten aan gemeenten en provincies.

Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei geënt op het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol.

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 16 van 61 voorontwerp 03-09-2020

Bij gebiedsontwikkelingen moet de daadwerkelijke vraag van bewoners, bedrijven en organisaties leidend worden. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en, mocht nieuwbouw echt nodig zijn, altijd zorgen voor een optimale (multimodale) bereikbaarheid. Bij het verbeteren van de bereikbaarheid wordt sterk gelet op het samenspel tussen alle modaliteiten (weg, spoor, water) in samenhang met ruimtelijke ontwikkeling. Er moet innovatief worden omgegaan met de benutting van de infrastructuur. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op dertien nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaat boeken. Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De 13 nationale belangen zijn: Vergroten van de concurrentiekracht van Nederland 1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren. 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie. 3.

Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen. 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond. Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid. 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen. 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem. 7. Het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen. Waarborgen kwaliteit leefomgeving 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. 12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. Overkoepelend 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Indien nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening dat vergen, kan de minister regels stellen aan de inhoud van bestemmingsplannen. Dit heeft de minister, in de vorm van een algemene maatregel van bestuur, gedaan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 december 2011 is dit besluit in werking getreden. Het kabinet heeft in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld dat voor een aantal onderwerpen verdere regels gesteld moeten worden. In het Barro komen dertien nationale belangen als titels terug. De volgende kunnen relevant zijn voor ruimtelijke plannen in de gemeente Oss: - Rijksvaarwegen - Grote rivieren

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 17 van 61 voorontwerp 03-09-2020

-

Defensie Hoofdwegen en hoofdspoorwegen Elektriciteitsvoorziening Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen Ecologische hoofdstructuur Primaire waterkeringen buiten het kustfundament

De regels in het besluit zijn concreet normstellend benoemd en moeten direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. De indirecte doorwerking komt enkel bij de Ecologische Hoofdstructuur en de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden voor. Het Barro voorziet verder in een hoofdstuk overige bepalingen en gaat gepaard met meerdere bijlagen. In deze bijlagen worden onder andere de belangen van de grote rivieren en defensie geografisch begrensd. Bij het opstellen van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van het Barro. Voor de gemeente Oss zijn met name de titels met betrekking tot de rijksvaarwegen, de grote rivieren, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en defensie (rechtstreeks) van belang. De regels in titel 2.4 Grote rivieren vormen feitelijk de doorwerking van de Beleidsregels Grote rivieren. Ten aanzien van titel 2.6 Defensie wordt de enige mogelijke beperking gevormd door de bescherming van het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd.

De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen (Bro, artikel 3.1.d). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van ruimte in stedelijke gebieden. Tot 1 juli 2017 dienden overheden nieuwe stedelijke ontwikkeling te motiveren met drie voorgeschreven, opeenvolgende trappen (de treden van de ladder). Omdat de ladder als te ingewikkeld werd ervaren en voor veel onderzoekslasten zorgde, is de regeling per 1 juli 2017 gewijzigd. In de nieuwe regeling is de tekst teruggebracht tot de essentie: de drie treden worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst (artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening): “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.

Als er sprake is van een wijzigings- of uitwerkingsplan, geldt het volgende (artikel 3.1.6 lid 3 Besluit ruimtelijke ordening): “Indien in een bestemmingsplan een wijzigings- of uitwerkingsbevoegdheid is opgenomen, dan kan in dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en de motivering daarvan (als bedoeld in artikel 3.1.6. lid 2 Bro) wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel”. Voordat de ladder duurzame verstedelijking wordt doorlopen, zal beoordeeld worden of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening. Op de locatie wordt in totaal één woning ontwikkeld. Uit jurisprudentie blijkt dat ontwikkelingen waar minder dan 12 woningen ontwikkeld worden niet aangemerkt worden als stedelijke ontwikkeling (zie onder andere uitspraak 201501297/1/R4 (11 woningen geen stedelijke ontwikkeling) en 201407135/1/R1 (twaalf woningen wel stedelijke ontwikkeling)). Voor onderhavig plan geldt dat het de ontwikkeling van

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 18 van 61 voorontwerp 03-09-2020

één woning betreft. Gelet op voorgaande jurisprudentie kan gesteld worden dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is op dit plan. Wel is altijd een motivering nodig dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit wordt in de ruimtelijke onderbouwing verder aangetoond. 3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Brabantse Omgevingsvisie: De kwaliteit van Brabant, visie op de Brabantse leefomgeving Op 14 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De visie beschrijft de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn over klimaatverandering, energietransitie, verstedelijking en bereikbaarheid, concurrerende duurzame economie en de basis op orde. Voor deze opgaven wordt aangegeven wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de Omgevingsvisie de provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu- en waterplan en de natuurvisie vervangen. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten, als een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Om deze basisopgave te verwezenlijken zijn er vier hoofdopgaven gesteld: Werken aan de Brabantse energietransitie Door de grote invloed van klimaatverandering nu, en in de toekomst werkt de provincie aan een energietransitie met als einddoel om in 2050 100% duurzame energie op te wekken. Door aan te sluiten bij de Nationale Energieagenda wordt het landelijk beleid gevolgd. Vervolgens wordt een heldere koers opgesteld met regio en gemeentes. Participatie zal een essentieel onderdeel vormen voor verdere planvorming. Werken aan een ‘klimaatproof’ Brabant Door de alsmaar groter wordende impact van klimaatverandering op ons dagelijks leven dient Brabant hier maatregelen voor te nemen. Er zal een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting worden ontwikkeld. Dit houdt in dat het beeklandschap wordt aangepast om wateroverlast te voorkomen. Om schade aan de landbouwsector te voorkomen wordt innovatie van deze sector, om in te spelen op klimaatverandering, gestimuleerd.

Het einddoel is dat Brabant in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht. Werken aan de slimme netwerkstad Duurzame verstedelijking draagt bij aan de ontwikkeling van steden die voorbereid zijn op de toekomst. Steden worden beter met elkaar verbonden. Mensen moeten zich makkelijker kunnen verplaatsen. Ook wordt de bereikbaarheid van nabije voorzieningen gestimuleerd. Hierdoor wordt het aantal verkeersbewegingen met de auto teruggedrongen en wordt deze van de fiets bijvoorbeeld gestimuleerd. Ondertussen wordt de mobiliteit gestimuleerd door het openbaar vervoer toekomstbestendig te maken, wordt innovatie van zelfrijdende auto’s gestimuleerd en wordt de mobiliteit van bedrijven vergroot. Met als doel: dat in 2050 het stedelijk netwerk van Brabant als één samenhangend duurzaam en concurrerend netwerk van steden en dorpen functioneert, als onderdeel van de Noordwest- Europese metropool.

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 19 van 61 voorontwerp 03-09-2020

Werken aan een concurrerende, duurzame economie Een concurrerende, duurzame economie bestaat uit verschillende onderdelen. Het stimuleren van een circulaire economie zorgt voor een toekomstbestendige economie. Innovatie wordt hierdoor gestimuleerd en de productencyclus wordt efficiënter. Hiernaast is een verdergaande digitalisering een ontwikkeling die moet worden gestimuleerd en waaruit vele voordelen kunnen worden gehaald. Het kan bijdragen aan de aantrekkelijkheid van bedrijven in de provincie waarmee het vestigingsklimaat wordt gestimuleerd. Met al deze ontwikkelingen dient echter de sociale impact altijd in ogenschouw te worden genomen. Door het benadrukken van de sociale impact van al deze veranderingen worden de inwoners van Brabant betrokken en zullen zij uiteindelijk het meest profijt van de ontwikkelingen hebben. Met als einddoel: in 2050 is Brabant de top kennis- en innovatieregio in Europa. Initiatief Het initiatief sluit aan op verschillende waarden binnen de gestelde basisopgave in de omgevingsvisie. Bij de ontwikkeling wordt aansluiting gezocht op de ruimtelijke- en functionele kwaliteit van de omgeving. Zo is de nieuwe functie beter passend in de omgeving, wordt een nieuwe invulling gegeven aan een cultuurhistorisch waardevol pand en wordt de locatie landschappelijk ingepast. Daarnaast wordt rekening gehouden met duurzaam ontwikkelen.

Zo worden bestaande materialen hergebruikt, wordt het gebouw zo goed mogelijk geïsoleerd om het energieverbruik te verminderen en wordt rekening gehouden met de waterhuishouding op de locatie. 3.3.2 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – partiële herziening 2014 Op 19 maart 2014 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 vastgesteld. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. Met deze structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijke beleid tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten die de Wet ruimtelijke ordening biedt inzet. Naast de Structuurvisie stelt de provincie een verordening ruimte op. In deze verordening vertaalt de provincie de kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Aanvullend zijn ook gebiedspaspoorten opgesteld. Deze vormen een uitwerking van de visie en bevatten de landschapskenmerken die bepalend zijn voor de kwaliteit van een gebied of een landschapstype en hoe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan het behoud en versterking daarvan.

De provincie kiest met de structuurvisie voor een duurzame ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie af komen. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. Provinciale belangen en ruimtelijke keuzes De provincie wil sturen op ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke keuzes geven inhoud aan het streven naar ruimtelijke kwaliteit en zijn van provinciaal belang. De belangrijkste keuzes voor de gemeente Oss zijn: - Regionale contrasten De provincie wil de contrasten tussen klei, zand en veenontginningen versterken. - Een multifunctioneel landelijk gebied De provincie kiest voor een integrale aanpak. Waar de landbouw de drager van het landschap is wordt ruimte gegeven aan optimale en duurzame ontwikkeling van de aanwezige landbouwsector. In de jonge rivierkleigebieden moet de agrarische functie (rundveehouderij) behouden blijven. Op de oeverwallen langs de rivieren wordt ruimte geboden voor menging van landbouw, natuur, landschap, recreatie, wonen, werken en zorg. Dit is van belang voor de plattelandseconomie. - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem Het patroon van beken en kreken moet beter beleefbaar worden. De ecologische hoofdstructuur wordt versterkt door het natuursysteem nog beter aan het watersysteem te koppelen.

- Een betere waterveiligheid door preventie

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 20 van 61 voorontwerp 03-09-2020

-

-

-

-

Gestreefd wordt naar vergroting van de watervoerende capaciteit van het rivierbed in combinatie met het concept van de doorbraakvrije dijk. Concentratie van verstedelijking Brabant heeft de ambitie zich te ontwikkelen tot een top kennis- en innovatieregio op Europees niveau. De provincie vindt het daarom belangrijk dat er verschil blijft tussen de steden en de kernen in het landelijk gebied, de zogenaamde mozaïekstructuur. Sterk stedelijk netwerk De provincie wil een sterk stedelijk netwerk van Brabantse steden. Goede bereikbaarheid tussen de steden onderling en andere omliggende stedelijke netwerken is belangrijk. Groene geledingszones tussen steden De provincie zet in op behoud en ontwikkeling van groene geledingszones tussen de stedelijke kernen. Gedifferentieerd aanbod goed bereikbare vrijetijdsvoorzieningen Een kwalitatief goede vrijetijdsbesteding is een belangrijke voorwaarde voor het realiseren van een goed leef-, werk- en vestigingsklimaat. Belangrijk aandachtspunt daarbij is dat er een breed aanbod aan vrijetijdsvoorzieningen is met een goede toegankelijkheid en bereikbaarheid.

Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. De hoofdregel is dat ontwikkelruimte dient bij te dragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan vasthouden aan wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe kwaliteiten. De zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit bepaalt dat: - er zorgvuldig wordt omgegaan met het ruimtegebruik; - er rekening wordt houden met de omgeving; - de ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Dit principe is van toepassing op zowel het stedelijk als het landelijk gebied en wordt uitgewerkt in de Verordening ruimte 2012. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toepassen. Nieuw ruimtebeslag moet zoveel mogelijk voorkomen worden. In eerste instantie krijgen initiatieven een plek binnen bestaand bebouwd gebied. Pas als hier geen mogelijkheden zijn of de kwaliteiten van de geplande ontwikkeling hier niet bij passen, wordt er in de omgeving gezocht naar de best mogelijke plek. Naast zuinig ruimtegebruik richt de provincie zich ook op herstructurering en hergebruik van verouderde locaties in het stedelijk gebied en op sanering van ongewenste functies in het buitengebied.

Rekening houden met de omgeving Gebiedskenmerken en omliggende waarden, gebaseerd op de lagenbenadering, zijn leidend bij de vraag “waar” en “hoe” de nieuwe ruimte wordt aangesneden. De ruimtelijke onderbouwing van een ontwikkeling geeft aan hoe is omgegaan met de ambities zoals verwoord in de structuren en in de gebiedspaspoorten. Hierbij wordt een relatie gelegd tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de gebiedskenmerken van de plek. Kwaliteitsverbetering van het landschap Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken. Dit uitgangspunt geldt voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied én buiten de ecologische hoofdstructuur en maakt de principes van ontwikkelingsplanologie toepasbaar. Concreet betekent dit dat passende functies zich kunnen ontwikkelen als er ook een prestatie voor het landschap tegenover staat. Daardoor wordt aantasting van de basiskwaliteit (bodem, water) en verlies

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 21 van 61 voorontwerp 03-09-2020

aan ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden voorkomen. Ontwikkelingen die passen bij de aard, schaal en functie van het landelijk gebied, zoals agrarische en recreatieve ontwikkelingen en kleinschalige dienstverlening zijn mogelijk. Ook de ontwikkeling van andere (rode) functies is onder voorwaarden mogelijk. De ruimtelijke onderbouwing van een besluit geeft aan welke bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en hoe dit is geborgd. In principe gaat de provincie uit van de realisering van een fysieke prestatie op de projectlocatie en/of de directe projectomgeving. Indien dat niet mogelijk is, is de vorming van gemeentelijk of regionaal landschapsfonds een optie. Structuren: ambitie, beleid en uitvoering De structuren geven een hoofdkoers aan, een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De volgende vier structuren worden onderscheiden. - De groenblauwe structuur - Het landelijk gebied - De stedelijke structuur - De infrastructuur

Structurenkaart

De groenblauwe structuur Deze omvat de samenhangende gebieden in Noord-Brabant waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. Niet alleen in, maar ook buiten de natuurgebieden. Er is ruimte voor de ontwikkeling van een natuurlijk en robuust watersysteem. Het vormt de groenblauwe ruggengraat van het landschap en is van belang voor een goede, aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving in Noord-Brabant. Binnen deze groenblauwe structuur wil de provincie het volgende bereiken: 1. Positieve ontwikkeling van de biodiversiteit, natuur- en watersystemen zijn beschermd en worden verbeterd door een goede onderlinge verbinding; 2. Een robuuste en veerkrachtige structuur. 3. De natuurlijke basis en landschappelijke contrasten versterken. Versterken van de identiteit van de landschappen; 4. Gebruikswaarde van natuur en water verbeteren. De gebieden in de groenblauwe structuur zijn belangrijk voor recreatie en toerisme. In de groenblauwe structuur worden drie perspectieven onderscheiden: - Het kerngebied groenblauw Natuurgebieden in de ecologische hoofdstructuur, robuuste ecologische verbindingszones en belangrijke waterstructuren horen in dit perspectief. De hoofdfunctie is behoud en ontwikkeling van het natuur- en watersysteem. - De groenblauwe mantel Overwegend gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfunctie voor natuur en water.

Gebieden grenzend aan het kerngebied die bijdragen aan de bescherming van de waarden. Het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, water(-beheer) en landschap is in de groenblauwe

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 22 van 61 voorontwerp 03-09-2020

-

mantel een belangrijke opgave. Vormen van grondgebonden agrarisch gebruik zijn van blijvend belang voor de ontwikkeling van groene en blauwe waarden. Verder liggen er kansen voor recreatie en toerisme. De gebieden voor waterberging Deze gebieden zijn van belang voor hoogwaterbescherming (ruimte voor de rivier) en waterberging (regionale waterberging).

Het landelijk gebied Het landelijk gebied omvat het gebied buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur zoals steden, dorpen en bedrijventerreinen. Het gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte. Naast landen tuinbouw is er ruimte voor niet-agrarische functies. Binnen het landelijk gebied wil de provincie het volgende bereiken: 1. Ruimte voor een breed georiënteerde plattelandseconomie; 2. Ruimte voor duurzame agrarische ontwikkeling; 3. Versterking van het landschap. Er worden binnen het landelijk gebied twee perspectieven onderscheiden: Gemengd landelijk gebied De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. Binnen dit gebied wordt de agrarische functie vaak in samenhang met andere functies (in de omgeving) uitgeoefend. Hier kan worden voldaan aan de vraag naar kleinschalige stedelijke voorzieningen, recreatie en ondernemingen in een groene setting. Daarnaast wil de provincie ook dat er ruimte beschikbaar blijft om de agrarische productiestructuur te behouden en te versterken. Dat betekent dat (stedelijke) functies die ten koste gaan van de ruimte voor agrarisch gebruik of die strijdig zijn met de landbouw in die gebieden geweerd worden. Hierdoor blijft er ruimte gereserveerd voor agrarische ontwikkelingen.

De provincie vraagt aan gemeenten om deze gebieden vast te leggen en te beschermen. De landbouwontwikkelingsgebieden en de vestigingsgebieden glastuinbouw beschouwt de provincie in ieder geval als primair agrarisch gebied. Ook delen van het verwevingsgebied richten zich vaak primair op agrarische ontwikkeling. Accentgebied agrarische ontwikkeling Binnen deze gebieden ziet de provincie ruimte en kansen om de agrarische productiestructuur te verduurzamen en te versterken. Op de structurenkaart zijn vanuit een regionaal schaalniveau vier accentgebieden agrarische ontwikkeling aangeduid. De komgebieden van de gemeente Lith maken hiervan deel uit. Hier liggen mogelijkheden voor schaalvergroting en intensivering van de landbouw. Transitie naar een zorgvuldige veehouderij De wens tot verduurzaming van de agrarische sector heeft geleid tot de denklijn ‘Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd’. De denklijn bestaat uit drie uitgangspunten: - ontwikkelruimte is alleen mogelijk als dit op bedrijfsniveau bijdraagt aan een verdere verduurzaming door het treffen van extra maatregelen; - de som van het effect van alle bedrijven in een gebied kan de draagkracht van een gebied te boven gaan; - door het bieden van een economisch perspectief aan de landbouw en agrofood door meer toegevoegde waarde van het product, transparantie en nieuwe verdienmodellen.

De ontwikkeling van de agrarische sector is gericht op inpassing in het landschap en een transitie naar duurzame en zorgvuldige veehouderij. De stedelijke structuur

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 23 van 61 voorontwerp 03-09-2020

De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. Binnen de stedelijke structuur heeft de provincie de volgende doelen: 1. Concentratie van verstedelijking 2. Inspelen op demografische ontwikkelingen 3. Zorgvuldig ruimtegebruik 4. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit 5. Betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur 6. Versterking van de economische clusters Er worden binnen de stedelijke structuur twee perspectieven onderscheiden: - Stedelijk concentratiegebied In het stedelijk concentratiegebied met de bijhorende zoekgebieden voor verstedelijking wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgave opgevangen. De groene ruimten tussen de steden worden open gehouden. - Kernen in landelijk gebied De kernen in het landelijk gebied worden zo veel mogelijk ontzien van verdere verstedelijking doordat daar alleen de opvang van de eigen verstedelijkingsbehoefte wordt opgevangen (migratiesaldo-nul). Initiatief De planlocatie is in de structuurvisie deels aangeduid als ‘Kernen in het landelijk gebied’ en deels als ‘Gemengd landelijk gebied’. Daarnaast is op een gedeelte van het perceel de aanduiding ‘Zoekgebied verstedelijking’ gelegen. De omschakeling naar een woonfunctie op de locatie past zowel binnen het karakter van het gemengd landelijk gebied als binnen het karakter van kernen in het landelijk gebied.

Met de omschakeling van agrarische functie naar een woonfunctie wordt aansluiting gezocht bij de woonfuncties in de directe omgeving en de kern Huisseling, waardoor de functie op deze locatie passend en wenselijk is. De aanduiding zoekgebied verstedelijking biedt hier tevens ook de mogelijkheden toe. 3.3.2

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

In oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. De verordening zorgt voor kaderstellende doorvertaling van de omgevingsvisie en het bestaande provinciaal beleid. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is een eerste stap in de implementatie van de Omgevingswet op provinciaal niveau. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vervangt de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant staan regels voor: - Burgers en bedrijven: dit zijn rechtstreeks werkende regels voor activiteiten. Deze regels bevatten de voorwaarden om zo’n activiteit te mogen verrichten. Deze regels geven ook aan of de start van een activiteit vooraf moet worden gegaan door een melding. - Bestuursorganen van de overheid: dit zijn zogenaamde instructieregels.

Met deze regels kan de provincie een opdracht geven aan gemeenten over onderwerpen die zij in het bestemmingsplan moeten opnemen of aan het waterschap over de manier waarop ze hun taken uitvoeren. De planlocatie ligt binnen de aanduiding ‘Stedelijk gebied’. De achterzijde van het perceel is gelegen binnen de aanduiding ‘Verstedelijking afweegbaar’.

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 24 van 61 voorontwerp 03-09-2020

Daarom zijn de regels uit Afdeling 3.5 stedelijke ontwikkeling en mobiliteit relevant. Voor stedelijke ontwikkelingen zijn er twee werkingsgebieden opgenomen: 1. Stedelijk gebied met een onderverdeling in:  Stedelijk concentratiegebied  Kernen in landelijk gebied 2. Verstedelijking afweegbaar. Er is een basisregeling geformuleerd voor duurzame stedelijke ontwikkeling. Uitgangspunt daarbij is dat eerst de mogelijkheden in ‘Stedelijk gebied’ worden benut of de mogelijkheden in leegkomend of leegstaand erfgoed elders in de gemeente. Als daarbinnen vanuit kwalitatieve- of kwantitatieve overwegingen geen ruimte beschikbaar is, kan een afweging worden gemaakt voor nieuw ruimtebeslag in ‘Verstedelijking afweegbaar’. In artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling is het volgende opgenomen: Lid 1: Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2: Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c.

geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. In artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik is het volgende opgenomen: Lid 1: Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functies, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6. tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Lid 2: Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel. Bij stedelijke ontwikkelingen is de relatie gelegd met de afspraken die in het regionaal overleg zijn gemaakt.

Deze afspraken gaan over onder andere over duurzame verstedelijking en zorgvuldig ruimtegebruik. Afdeling 5.4 Regionaal samenwerken gaat nader in op de wijze van regionale samenwerking, de onderwerpen van de samenwerking en het maken van regionale afspraken in het regionaal omgevingsoverleg. Van belang zijn de prognoses en analyses die periodiek door Gedeputeerde Staten worden opgesteld. In artikel 5.18 prognoses is hierover het volgende opgenomen: Lid 1: Gedeputeerde Staten stellen in overleg met de regio’s ten minste eens per bestuursperiode relevante prognoses en analyses op, zoals in ieder geval een bevolkings- en woningbehoefteprognose,

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 25 van 61 voorontwerp 03-09-2020

een prognose voor de ruimtebehoefte aan bedrijventerreinen en een trendanalyse van de mobiliteitsontwikkeling, die richting gevend zijn voor de gezamenlijk te maken afspraken. Lid 2: De prognoses en analyses houden rekening met het principe van concentratie en verstedelijking. Initiatief Artikel 3.42 Ad Lid 1a Het toevoegen van deze woning past binnen de plancapaciteit voor het cluster Ravenstein. Zowel binnen de totale capaciteit voor het cluster Ravenstein t/m 2028 als de plancapaciteit voor dure koopwoningen. De locatie ligt aan de rand van Huisseling, tussen deze kern en Ravenstein en kan een goed woonmilieu bieden. Ad Lid 1b Het betreft een duurzame stedelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. De woning wordt gerealiseerd aan de voorzijde van het perceel, wat is gelegen binnen het Stedelijk gebied. Een gedeelte van de achterzijde van het perceel is gelegen binnen het gebied ‘Verstedelijking afweegbaar’. Het initiatief heeft betrekking op de ontwikkeling van één woning, te midden van een omgeving waar veel woningen aanwezig zijn. Hierdoor betreft de ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling. Bovendien gaat het om het ontwikkelen van een woning binnen een bestaand pand, wat is te beschouwen als cultuurhistorisch waardevol.

Hierdoor sluit het aan op de eisen van de omgevingsverordening, waarin wordt gestimuleerd om gebruik te maken van bestaande bebouwing in Stedelijk gebied. Tevens wordt hiermee geen afbreuk gedaan aan de ruimte-voor-ruimte regeling. Op dit moment is de locatie slechts in gebruik ten behoeve van opslag. In de loop der jaren is het onderhoud aan het pand ook verminderd. Met de ontwikkeling wordt aan de locatie met het bestaande pand een nieuwe invulling gegeven, waardoor dit leidt tot een kwaliteitsverbetering van het pand en de locatie. Ook betekent de omschakeling van de bedrijfsbestemming naar een woonbestemming een verbetering van het woon- en leefklimaat van de omliggende woningen. Daarnaast wordt de locatie landschappelijk ingepast. Dit alles heeft een positief effect op de ruimtelijke uitstraling van de omgeving en is tevens in lijn met artikel 3.6 waarin wordt aangegeven dat zorgvuldig ruimtegebruik inhoudt dat voor het toedelen van functies in eerste instantie wordt gekeken naar bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Ad Lid 2a Met de omschakeling naar de woonfunctie, wordt de bedrijfsfunctie op de locatie beëindigd. Dit is positief doordat de mogelijke nadelige gevolgen behorende bij de bedrijfsactiviteiten hiermee worden beëindigd. Onderhavig initiatief heeft een positief effect op een veilige en gezonde leefomgeving.

Daarnaast draagt het bij aan de omgevingskwaliteit, zoals is toegelicht onder Ad Lid 1b. Ad Lid 2b Zowel de locatie als het aanwezige pand zijn de laatste jaren minimaal onderhouden. Aan het pand en de locatie wordt een nieuwe invulling gegeven. Het pand zal gerestaureerd en woonklaar gemaakt worden. De verdere locatie wordt passend bij de woonfunctie ingericht als erf/tuin. Ad Lid 2c Bij de restauratie wordt de woning zo goed mogelijk geïsoleerd zodat het energieverbruik zo laag mogelijk kan blijven. Ad Lid 2d Bij de ontwikkeling wordt rekening gehouden met de waterhuishouding op de locatie en in de omgeving. De beplanting op de locatie zorgt er voor dat dat de hittestress verminderd.

Weegstraat 3, Huisseling – 2020, pag. 26 van 61 voorontwerp 03-09-2020

Ad Lid 2e Door omschakeling naar de woonfunctie neemt het aantal verkeersbewegingen af. Op eigen terrein zullen daarnaast voldoende parkeervoorzieningen worden gerealiseerd. Ad Lid 2f Gezien de onbekende ontwikkelingsmogelijkheden voor bedrijvigheid op de locatie door de omliggende functies en het achterstallig onderhoud is een bedrijfsfunctie niet langer economisch rendabel op de locatie. Het herontwikkelen naar een woonfunctie zorgt hierbij voor een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving. Een goed woon- en leefklimaat is een voorwaarde voor een duurzame concurrerende economie. De herontwikkeling draagt hieraan bij. Artikel 3.6 Ad Lid 1 en 2 Zie toelichting onder Ad Lid 1b. Artikel 5.18 De ontwikkeling is in lijn met regionaal gemaakte afspraken. Rekening wordt gehouden met duurzaam ruimtegebruik. Het ontwikkelen van een woning op een bestaand bouwperceel binnen de aanduiding stedelijk gebied, sluit hier uitstekend op aan. 3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Buitengebied Oss – 2015 De gemeente Oss heeft een omvangrijk buitengebied. In de afgelopen jaren zijn de buitengebieden van Oss, Lith en Geffen samengevoegd. Voor de afzonderlijke buitengebieden waren al structuurvisies opgesteld. Het is belangrijk dat de gemeente een integrale visie heeft op het totale buitengebied van de gemeente Oss. Deze visie is samengekomen in de ‘Structuurvisie Buitengebied Oss – 2015’. Het plangebied van deze structuurvisie is het totale buitengebied van de gemeente Oss, met uitzondering van motorcrosscircuit Nieuw-Zevenbergen en vakantiepark Herperduin. De structuurvisie biedt de juridische basis voor financiële bijdragen bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de structuurvisie zijn doelstellingen opgenomen die moeten leiden tot een robuuste en duurzame ruimtelijke structuur voor een vitaal en multifunctioneel buitengebied.

Dit moet resulteren in: - Een vitaal buitengebied, waar een goed evenwicht is tussen alle aanwezige functies zoals landbouw, toerisme, recreatie, natuur, water en wonen - Een versterking van de ruimtelijke identiteit met aandacht voor verscheidenheid, ruimte en landelijkheid - Een versterking van de aanwezige landschapstypen: uiterwaarden, oeverwal, komgebied, dekzandrand en dekzandrug - Behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische structuren en elementen - Gebieden met blijvende ruimte en mogelijkheden voor (grondgebonden) landbouw, met name binnen het primaire agrarisch gebied - Voldoende afstand tussen slecht verenigbare functies zoals wonen en intensieve veehouderij - De instandhouding van de leefbaarheid door het zorgvuldig en afgewogen bieden van ruimte aan nieuwe economische dragers - Nieuwe impulsen voor toerisme en recreatie, met bijzondere aandacht voor versterking van de recreatie in de Maashorst en het Maasgebied en het ontwikkelen van aantrekkelijke

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=5038c7e0-731a-4800-88d8-0e3492e3e2f1