Bijlage 12 bij toelichting rob Rulstraat 3 Megen.PDF
Tekst van het document
BESTEMMINGPSLAN Ontwikkelingen 2 Buitengebied Oss - 2021 Bijlage 12 bij toelichting Rulstraat 3, Megen
Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 1 van 56 18-2-2021
Ruimtelijke onderbouwing Rulstraat 3, Megen
Gemeente Oss, 18-2-2021
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 2 van 56 18-2-2021
INHOUDSOPGAVE Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1
Inleiding .............................................................................................................................................. 4
1.1
Aanleiding en korte planbeschrijving ............................................................................................................ 4
1.2
Begrenzing plangebied ................................................................................................................................... 4
1.3
Geldende bestemmingsplannen .................................................................................................................... 4
Hoofdstuk 2
Bestaande situatie en programma ................................................................................................... 5
2.1
Ontstaansgeschiedenis ................................................................................................................................. .5
2.2
Bestaande situatie ........................................................................................................................................... 6
2.3
Beoogde situatie .............................................................................................................................................. 7
2.4
Stedenbouwkundige karakteristiek ............................................................................................................... 8
2.5
Functionele karakteristiek .............................................................................................................................. 9
2.6
Groen en water................................................................................................................................................. 9
Hoofdstuk 3
Beleidskader .................................................................................................................................... 10
3.1
Wettelijk kader ............................................................................................................................................... 10
3.2
Rijksbeleid ...................................................................................................................................................... 12
3.3
Provinciaal beleid .......................................................................................................................................... 16
3.4
Gemeentelijk beleid ....................................................................................................................................... 25
Hoofdstuk 4
Verantwoording ............................................................................................................................... 36
4.1
Milieu- en omgevingsaspecten..................................................................................................................... 36
4.2
Waarden.......................................................................................................................................................... 44
4.3
Defensie .......................................................................................................................................................... 53
4.4
Milieueffectrapportage (M.e.r.) ..................................................................................................................... 53
Hoofdstuk 5
Haalbaarheid .................................................................................................................................... 56
5.1
Economische uitvoerbaarheid ..................................................................................................................... 56
5.2
Inspraak .......................................................................................................................................................... 49
5.3 Vooroverleg ...................................................................................................................................................... 49
BIJLAGEN
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 3 van 56 18-2-2021
1. 2. 3. 4. 5. 6.
Samenvatting en toetsresultaten www.dewatertoets.nl Bodeminformatie Inrichtingsplan incl. landschappelijke inpassing Vooroverleg Rijkswaterstaat AERIUS-berekening Vergunning 2011
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 4 van 56 18-2-2021
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Deze ruimtelijke onderbouwing is opgesteld om gevolg te kunnen geven aan de uitbreiding van natuurcamping ‘De Maasakkers’ aan Rulstraat 3 te Megen met 10 campingplaatsen. Momenteel zijn bij de woning aldaar vijf campingplaatsen voor kampeerders aanwezig. Deze campingplaatsen zijn door de gemeente Oss op 1 november 2011 vergund en staan dus niet meer ter discussie, deze vijf campingplaatsen zijn namelijk onherroepelijk. Zie bijlage 6 bij deze ruimtelijke onderbouwing voor de verleende vergunning. Alvorens de uitbreiding van de camping met 10 campingplaatsen (tot 15 in totaal) gerealiseerd kan worden dient hiertoe door de gemeente Oss een ruimtelijk besluit te zijn genomen dat in werking is getreden. Eerder heeft de eigenaar van de huidige natuurcamping voor de uitbreiding van zijn camping met 10 campingplaatsen bij de gemeente Oss een verzoek ingediend. De gemeente heeft hierop positief gereageerd, in die zin dat zij, onder voorwaarden, aan dit verzoek mee wil werken. Daarbij is aangegeven dat het verzoek niet past in het vigerende bestemmingsplan, maar wel past in het gemeentelijk beleid. Een uitbreiding van de huidige camping bestaande uit vijf campingplaatsen met 10 extra campingplaatsen is, ruimtelijk gezien, op de locatie Rulstraat 3 te Megen in principe voorstelbaar.
Met een ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat het initiatief vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is. Op basis daarvan heeft de gemeente dan ook een tijdelijke omgevingsvergunning voor drie jaar verleend teneinde e.e.a. in het bestemmingsplan juridischplanologisch voor onbepaalde tijd te regelen. Deze bestemmingswijziging wil de gemeente realiseren via het tweede veegplan voor het Osse buitengebied. Onderhavige ruimtelijke onderbouwing dient ter onderbouwing van de bestemmingswijziging in het tweede veegplan voor het Osse buitengebied. 1.2
Begrenzing plangebied
Het projectgebied is gelegen aan de Rulstraat 3 te Megen, in het buitengebied en de uiterwaarden van de Maas en gelegen aan de toeristisch-recreatieve verbinding tussen Megen en Ravenstein. De ligging en begrenzing van het projectgebied zijn globaal weergegeven op onderstaande luchtfoto.
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Ter plaatse van Rulstraat 3 te Megen vigeert het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2010’, vastgesteld op 1 juli 2010 door de gemeenteraad van Oss. De vigerende bestemming is deels ‘Wonen’ en deels ‘Agrarisch met waarden landschap en natuur’. Op het perceel zijn verder nog de
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 5 van 56 18-2-2021
dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waterstaat – Waterstaatkundige functie’ van toepassing. Ter plaatse van de bestemming ‘Agrarisch met waarden landschap en natuur’ wil de initiatiefnemer zijn natuurcamping uitbreiden. Helaas biedt het bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2010 hiertoe geen mogelijkheden. Wel zijn ontheffingsregels ten behoeve van het gebruik van de desbetreffende gronden voor een minicamping tot 25 plaatsen van toepassing, maar dan moet sprake zijn van een agrarisch bouwvlak en dat is niet het geval. Hieronder is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan ter hoogte van Rulstraat 3 te Megen zoals gepubliceerd op www.ruimtelijkeplannen.nl weergegeven.
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 6 van 56 18-2-2021
Hoofdstuk 2 Bestaande situatie en programma 2.1
Bestaande situatie
Op basis van het bestemmingsplan Buitengebied Oss – 2010 is ontheffing t.b.v. het gebruik verleend om ondergeschikt aan de woning (en in strijd met de woonbestemming op de gronden met die bestemming) een minicamping ten behoeve van maximaal 5 plaatsen en een kleinschalig koffie- en theeterras te exploiteren. Zie de foto’s hieronder.
De minicamping betreft een natuurcamping welke is geopend van 1 april tot en met 30 september. De campingplaatsen beschikken niet over eigen elektriciteit en water en zijn daarmee ook niet aangesloten op het elektriciteit- en rioolnetwerk. Hier wordt in voorzien middels de sanitaire voorziening (aangeduid op onderstaande luchtfoto) met 4 toiletten, 2 douches, 1 wascabine en 4 wasplaatsen (geschikt voor 40 personen). Daarnaast zijn er aan de buitenkant van het gebouw 2 afwasplaatsen. Het aanwezige koffie- en theeterras is bedoeld voor campinggasten en passanten (wandelaars en fietsers). Naast koffie en thee wordt er ook frisdrank geserveerd. Daarbij is er tussen 11.30 en 14.00 uur de mogelijkheid om gebruik te maken van een kleine lunchkaart.
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 7 van 56 18-2-2021
Het terrein heeft een open karakter en is hier een daar beplant met enkel inheemse beplanting om het karakter van het landschap te bewaren en versterken. Daarbij is het terrein aan de noordwestelijke zijde voorzien van nieuwe aanplant voor de realisatie van een originele maasheg.
Afbeelding …: situering sanitaire voorziening
2.2
Beoogde situatie
Het verzoek is om op de gronden die grenzen aan de woonbestemming en de bestemming ‘Agrarisch met waarden landschap en natuur’ hebben de uitbreiding van de natuurcamping te realiseren. Het gaat om 10 extra plaatsen. Het totaal aantal plaatsen komt daarmee op 15 op een oppervlakte van een kleine 0,5 hectare. Het beoogde aantal (15 totaal) is het gewenste aantal voor de initiatiefnemer én is door de gemeente als stedenbouwkundig/ landschappelijk aanvaardbaar beoordeeld, waardoor dit aantal uitgangspunt is. Hieronder is op de nieuwe verbeelding, behorende bij het bestemmingsplan waar deze ruimtelijke onderbouwing onderdeel van uitmaakt, weergegeven hoe de nieuwe situatie (nummers zijn campingplaatsen) eruitziet.
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 8 van 56 18-2-2021
De tekening hieronder betreft de nadere duiding van de landschappelijke inpassing + invulling van het parkeren.
2.2.1 Bebouwing Het is nadrukkelijk niet de bedoeling om extra bebouwing mogelijk te maken. De bestaande sanitaire voorziening is van voldoende omvang om de beoogde 15 campingplekken te bedienen. De huidige bebouwing voorziet tevens ook in de voorzieningen voor het koffie- en theeterras. 2.2.2 Locatie en bestemming Binnen het vigerende bestemmingsplan zijn geen mogelijkheden voor de uitbreiding van de natuurcamping met 10 extra plaatsen ter hoogte van de bestemming ‘agrarisch met waarden landschap en natuur’. Om de nieuwe activiteiten mogelijk te maken is een tijdelijke vergunning hiervoor verleend (3 jaar) teneinde een en ander juridisch-planologisch ook in via een bestemmingsplan te regelen (tweede veegplan voor het Osse buitengebied). Deze ruimtelijke onderbouwing is bedoeld ter motivering van de bestemmingswijziging middels het tweede veegplan van het Osse buitengebied. Hierin wordt ter hoogte van de camping de functieaanduiding ‘minicamping’ opgenomen. Hiermee wordt de uitbreiding van de natuurcamping met 10 plaatsen tot in totaal 15 plaatsen permanent mogelijk. 2.3
Stedenbouwkundige karakteristiek
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 9 van 56 18-2-2021
De ontwikkeling waar het hier om gaat betreft het vergroten van functiegebruik van het perceel voor campingplekken, waarbij de bebouwing per saldo gelijk blijft. De uitbreiding van het aantal campingplekken geeft weliswaar meer capaciteit voor wat betreft het aantal kampeerders, maar de activiteit is seizoensgebonden (geopend van1 april tot en met 30 september), waardoor er in het aanzicht niets definitief verandert. De bebouwing op het perceel blijft ongewijzigd. De uiterlijke verschijningsvorm van het perceel wijzigt daarmee niet, waarmee wordt aangenomen dat de stedenbouwkundige situatie aanvaardbaar is. Het perceel is reeds landschappelijk ingepast. Een uitgebreide omschrijving van deze inpassing vindt u in paragraaf 5.3.3. 2.4
Functionele karakteristiek
Er is sprake van de functies ‘wonen’ en ‘recreatief dag- en nachtverblijf’, wat goed passend is op de locatie. Het projectgebied is gelegen in het buitengebied van Megen, de uiterwaarden van de Maas en aan de toeristisch-recreatieve verbinding tussen Megen en Ravenstein. 2.4.1 Groen en water Het terrein heeft een open karakter en is hier en daar beplant met enkel inheemse beplanting om het karakter van het landschap te bewaren en versterken. Daarbij is het terrein aan de noordwestelijke zijde voorzien van nieuwe aanplant voor de realisatie van een originele maasheg.
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 10 van 56 18-2-2021
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Wettelijk kader
3.1.1 Wet ruimtelijke ordening Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. De hoofdlijnen van die wet zijn samengevat: - Decentraal wat kan en centraal wat moet: rijk en provincie moeten en mogen niet meer regelen dan wat de taak van deze overheden direct met zich brengt; - Rijk, provincie en gemeente hebben gelijke instrumenten en kunnen die inzetten voor de eigen taken op het gebied van de ruimtelijke ordening: structuurvisie, bestemmingsplan en projectafwijkingsbesluit; - Rijk en provincie kunnen zaken voor gemeente dwingend voorschrijven via een verordening en via een aanwijzing; - Er is een strikte scheiding tussen beleid en bestemmingsplan; beleidsdocumenten hebben geen directe juridische werking meer; - De goedkeuring van de provincie op bestemmingsplannen is vervallen; - De gemeente moet meer werk maken van de herziening van bestemmingsplannen: o Er komt een sanctie op verouderde bestemmingsplannen: geen legesheffing meer mogelijk; o Voor de realisering van projecten kan een projectafwijkingsbesluit genomen worden; - Voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen spelen kan de gemeente kiezen om een beheersverordening te maken in plaats van een bestemmingsplan; - Er is een drempel voor planschade van 2%; - De mogelijkheid van kostenverhaal bij grondexploitatie is verbeterd; - Bestemmingsplannen moeten analoog en digitaal worden gemaakt.
3.1.2 Grondexploitatiewet Tegelijk met de Wet ruimtelijke Ordening is de nieuwe Grondexploitatiewet (Grex-wet) in werking getreden. De grondexploitatiewet is als paragraaf 6.4 in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening opgenomen. De Grex-wet is noodzakelijk omdat eerdere wettelijke instrumenten voor kostenverhaal, te weten de exploitatieverordening en de baatbelasting, niet toereikend bleken. Doelstelling van de nieuwe wet is een goede regeling voor kostenverhaal, binnenplanse verevening en enkele locatie-eisen bij particuliere grondexploitatie. Onder de Grex-wet is kostenverhaal mogelijk via het privaatrechtelijke spoor (door middel van een vrijwillige samenwerkingsovereenkomst) en door middel van het publiekrechtelijke spoor. Eén van de belangrijkste vernieuwingen die de wet brengt, is het verplichtende karakter van kostenverhaal. Privaatrechtelijke afspraken hebben de voorkeur. Maar als een gemeente er niet in geslaagd is met alle particuliere eigenaren in een gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie moet de gemeente publiekrechtelijk kosten verhalen bij partijen waarmee geen contract is gesloten. Dit publiekrechtelijke verhaal gaat door middel van een exploitatieplan, waarvan de totstandkoming gelijk op moet lopen met een bestemmingsplan. De verplichting tot een publiekrechtelijke regeling is gekoppeld aan twee voorwaarden: 1.
In de eerste plaats is een ruimtelijk besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening nodig. Het publiekrechtelijk instrumentarium is alleen van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijziging van een bestemmingsplan, of een projectafwijkingsbesluit. 2. De tweede voorwaarde is dat het ruimtelijk besluit voorziet in nieuwbouw of in belangrijke en omvangrijke verbouwplannen met functiewijzigingen. De bouwplannen waar het om gaat zijn in het Besluit ruimtelijke ordening aangewezen. Het plan voorziet niet in nieuwe bouwmogelijkheden. De Grondexploitatie-wetgeving is dan ook niet van toepassing. Wel wordt op vrijwillige basis een samenwerkingsovereenkomst (anterieure overeenkomst)
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 11 van 56 18-2-2021
gesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente Oss, waarin overeengekomen wordt dat de initiatiefnemer betaalt voor het in procedure brengen van de ruimtelijke onderbouwing, garant staat voor de planschade, de landschappelijke inpassing wordt verzekerd en andere minder vergaande afspraken worden gemaakt. 3.1.3 Wet Natuurbescherming De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. De Wet natuurbescherming vervangt 3 wetten die tot 1 januari 2017 golden: • De Natuurbeschermingswet 1998. Deze wet regelde de natuurbescherming van gebieden. • De Flora- en faunawet. Deze wet beschermde in het wild voorkomende diersoorten en plantensoorten. • De Boswet. Deze wet beschermde de Nederlandse bossen. Met één wet en minder regels wordt de regelgeving voor natuurbescherming overzichtelijker. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen.
De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming, Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. 3.1.4 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. De wet is op 1 juli 2016 in werking getreden en vervangt zes wetten en regelingen. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden. De Erfgoedwet vervangt de volgende zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed: • Monumentenwet 1988 (deels); • Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten; • Wet tot behoud van cultuurbezit; • Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied; • Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 over onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen; • Regeling materieel beheer museale voorwerpen. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt.
Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. • bescherming van stads- en dorpsgezichten.
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 12 van 56 18-2-2021
Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Nationaal Waterplan In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan is de opvolger van de Vierde nota Waterhuishouding uit 1998. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is een algemeen plan voor het op nationaal niveau te voeren waterhuishoudkundig beleid. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 2015 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Daarbij heeft het plan het karakter van een kapstokplan, waarop grote beleidsvelden zoals Stroomgebiedsbeheersplannen en WB21 (Waterbeheer 21e eeuw) als min of meer zelfstandige eenheden zijn aangehaakt.
De Waterwet schrijft voor dat de hoofdlijnen van het nationaal waterplan in ieder geval de volgende punten omvatten: a) een aanduiding, in het licht van de wettelijke doelstellingen en normen, van de gewenste ontwikkeling, werking en bescherming van de watersystemen, alsmede van de bijbehorende termijnen; b) een uiteenzetting van de maatregelen en voorzieningen, die met het oog op die ontwikkeling, werking en bescherming nodig zijn; c) een aanduiding van de redelijkerwijze te verwachten financiële en economische gevolgen van het te voeren beleid. Daarnaast worden in het plan de volgende onderdelen opgenomen: a) de stroomgebiedbeheerplannen voor de stroomgebieddistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems, voor zover die betrekking hebben of mede betrekking hebben op het Nederlandse grondgebied; b) het Noordzeebeleid; c) de functies van de rijkswateren Over de grote rivieren, waaronder de Maas, zijn in het plan de volgende beleidskeuzes gemaakt: - Huidige afvoerverdeling handhaven; - Bestaande buitendijkse ruimte behouden, beschermen en beheren; - Ruimte voor de rivier om het riviersysteem op orde te brengen; - Anticiperen op hogere rivierafvoeren en een hogere zeespiegel; - Duurzaam behouden van bevaarbaarheid voor scheepvaart. Waterbesluit Het Waterbesluit vormt samen met de Waterregeling een uitwerking van de bepalingen van de Waterwet.
De Waterwet maakt het mogelijk of schrijft voor dat bepaalde onderwerpen worden uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur (bijvoorbeeld het Waterbesluit), een ministeriële regeling (bijvoorbeeld de Waterregeling) of in regelgeving van decentrale overheden. Dit waarborgt de samenhang tussen verschillende aspecten van het waterbeheer en bevordert ook de overzichtelijkheid van de waterbeheerregelgeving. Bij het opstellen van het Waterbesluit is prioriteit gegeven aan die gevallen waarin de wet nadere regeling voorschrijft. Daarnaast is voor de gevallen waarin nadere regeling kan plaatsvinden het uitgangspunt gekozen om het accent vooral te leggen op "codificeren", in plaats van "modificeren" van bestaande
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 13 van 56 18-2-2021
regelgeving. Hierbij is het uitgangspunt uiteraard dat gestreefd wordt naar zo min mogelijk regels met een zo laag mogelijke regeldruk. Belangrijke onderwerpen in het Waterbesluit zijn: - De landelijke rangorde bij watertekorten, de zogenaamde verdringingsreeks: verdringingsreeks bij watertekorten; - De toedeling van oppervlaktewaterlichamen en waterkeringen in beheer bij het Rijk: rijkswateren en regionale wateren; - De procedurele en inhoudelijke aspecten van het nationale waterplan en het beheerplan voor de rijkswateren: beheerplannen; - Enkele inhoudelijke aspecten van de plannen in verband met implementatie van de kaderrichtlijn water en de richtlijn overstromingsrisico's; - De vergunningsplicht en algemene regels voor het gebruik van rijkswaterstaatswerken: gebruik maken van een waterstaatswerk; - De wijze waarop de aanvraag om een watervergunning wordt gedaan: een watervergunning aanvragen. Beleidsregels Grote Rivieren De beleidsregels berusten op artikel 6.12 van het Waterbesluit. Het toepassingsbereik van de beleidsregels wordt grotendeels gevormd door de rivieren de Maas, de Rijn, de Waal en de IJssel. In aanvulling op artikel 6.12 van het Waterbesluit bepalen de beleidsregels de voorwaarden waaronder toestemming voor diverse activiteiten in het rivierbed kan worden verkregen.
Toestemming moet daarbij gezien worden als de toelaatbaarheid vanuit rivierkundig opzicht bezien, nodig voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 6.5 van de Waterwet en artikel 6.12 van het Waterbesluit.
Toepassingsgebied Beleidslijn grote rivieren
Voortvloeiend uit de Waterwet en het Waterbesluit wordt in de Beleidsregels grote rivieren binnen het rivierbed een nader onderscheid gemaakt tussen een bergend regime en een stroomvoerend regime. In de beleidsregels, met bijbehorende kaarten, wordt de exacte begrenzing van deze regimes vastgelegd. Vervolgens wordt de toelaatbaarheid van diverse soorten activiteiten beschreven waarbij onderscheid wordt gemaakt in: - activiteiten bergend regime; - riviergebonden activiteiten stroomvoerend regime; - niet-riviergebonden activiteiten stroomvoerend regime; - overige activiteiten. De onderscheiden regimes en de toelaatbaarheid van verschillende activiteiten dienen in bestemmingsplannen te worden door vertaald. Integrale Verkenning Maas In 2003 is het rapport Integrale Verkenning Maas uitgebracht. In dit rapport wordt een overzicht gegeven van de wijze waarop rivierverruimende maatregelen kunnen bijdragen aan de hoogwaterbescherming op lange termijn. Op verzoek van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat is een vervolg aan het traject gegeven, waarbij een advies is afgegeven voor mogelijkheden van toekomstige veiligheid met
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 14 van 56 18-2-2021
ruimtelijke kwaliteit: Integrale Verkenning Maas – 2. (IVM-2). In kader van IVM-2 zijn binnen de plangrenzen van dit bestemmingsplan de volgende maatregelen voorgesteld: - weerdverlaging - nevengeul Hemelrijkse Waard - hoogwatergeul Lithse Ham In het vergunningenspoor van de Waterwet worden alle nieuwe ontwikkelingen onder meer getoetst aan het mogelijke ruimtebeslag, zoals aangegeven in het IVM-2 projectenplan. Deltaprogramma In het kader van het Deltaprogramma wordt samen met de regio een integrale lange termijnopgave voor de Maas geformuleerd waarin de integrale (ruimtelijke) opgaven en oplossingsrichtingen voor het rivierengebied voor lange termijn (tot 2100) zijn benoemd en sleutelkeuzes voor de inrichting zijn vastgelegd. Waterveiligheid en afvoerverwachtingen van 4.600 m3/s voor de Maas zijn hierbij de randvoorwaarden. Programma Stroomlijn Rijkswaterstaat werkt met het Programma Stroomlijn aan het onderhoud van de begroeiing in de uiterwaarden. Bij hoogwater, als het water ook door de uiterwaarden stroomt, kunnen begroeiing en ophopend vuil daarin de doorstroming van het water belemmeren. Dit veroorzaakt een nog hoger waterpeil en vergroot het risico op overstromingen. Goed beheer en onderhoud van de begroeiing in de uiterwaarden is daarom erg belangrijk voor de hoogwaterveiligheid.
De doelen die voortkomen uit het Programma Stroomlijn zijn: - Onderzoeken welke begroeiing verwijderd kan worden - Het verwijderen van bomen en struiken uit de stroombaan - Het verwijderen van wilgen in dichtbegroeide rietlanden - Het behouden van waardevolle heggen en monumentale bomen - Rekening houden met beschermde dier- en plantensoorten, zoals de bever, kwartelkoning en stroomdalgrasland. Het alternatief plan voor het Programma Stroomlijn van de gemeente Oss voorziet in een goede doorstroming van het water. Door de afgravingen in het plangebied is het niet langer nodig om de door Rijkswaterstaat voorgestelde begroeiing te verwijderen.
3.2.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Ruimte de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De visie stelt het (integrale) kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau in Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: - Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland. (concurrerend) - Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. (bereikbaar) - Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke cultuurhistorische waarden behouden zijn. (leefbaar en veilig) De SVIR vervangt onder meer de volgende nota’s: - de Nota Ruimte; - de Structuurvisie Randstad 2040; - de Nota Mobiliteit; - de MobiliteitsAanpak; - de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Verder vervallen met de SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken uit de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta.
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 15 van 56 18-2-2021
Oplossingsrichtingen Verstedelijkings- en landschapsbeleid wordt overgelaten aan gemeenten en provincies. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei geënt op het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. Bij gebiedsontwikkelingen moet de daadwerkelijke vraag van bewoners, bedrijven en organisaties leidend worden. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en, mocht nieuwbouw echt nodig zijn, altijd zorgen voor een optimale (multimodale) bereikbaarheid. Bij het verbeteren van de bereikbaarheid wordt sterk gelet op het samenspel tussen alle modaliteiten (weg, spoor, water) in samenhang met ruimtelijke ontwikkeling. Er moet innovatief worden omgegaan met de benutting van de infrastructuur. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op dertien nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaat boeken. Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De 13 nationale belangen zijn: Vergroten van de concurrentiekracht van Nederland 1.
Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren. 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie. 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen. 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond. Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid. 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen. 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem. 7. Het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen. Waarborgen kwaliteit leefomgeving 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. 12.
Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. Overkoepelend 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. 3.2.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Indien nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening dat vergen, kan de minister regels stellen aan de inhoud van bestemmingsplannen. Dit heeft de minister, in de vorm van een algemene maatregel van bestuur, gedaan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 december 2011 is dit besluit in werking getreden. Het kabinet heeft in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld dat voor een aantal onderwerpen verdere regels gesteld moeten worden. In het Barro komen dertien nationale belangen als titels terug. De volgende kunnen relevant zijn voor ruimtelijke plannen in de gemeente Oss:
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 16 van 56 18-2-2021
-
Rijksvaarwegen Grote rivieren Defensie Hoofdwegen en hoofdspoorwegen Elektriciteitsvoorziening Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen Ecologische hoofdstructuur Primaire waterkeringen buiten het kustfundament
De regels in het besluit zijn concreet normstellend benoemd en moeten direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. De indirecte doorwerking komt enkel bij de Ecologische Hoofdstructuur en de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden voor. Het Barro voorziet verder in een hoofdstuk overige bepalingen en gaat gepaard met meerdere bijlagen. In deze bijlagen worden onder andere de belangen van de grote rivieren en defensie geografisch begrensd. Bij het opstellen van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van het Barro. Voor de gemeente Oss zijn met name de titels met betrekking tot de rijksvaarwegen, de grote rivieren, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en defensie (rechtstreeks) van belang. De regels in titel 2.4 Grote rivieren vormen feitelijk de doorwerking van de Beleidsregels Grote rivieren. Ten aanzien van titel 2.6 Defensie wordt de enige mogelijke beperking gevormd door de bescherming van het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel. 3.2.4
Besluit ruimtelijke ordening en “Ladder voor duurzame verstedelijking”
Vanaf 1 oktober 2012 is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ een procesvereiste voor ruimtelijke plannen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken (Bro art. 3.1.6 lid 2). Gemeenten moeten plannen, die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, motiveren volgens de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. Per 1 juli 2017 is de Ladder vereenvoudigd, en vervangen door de volgende tekst (artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening): “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. Stedelijke ontwikkelingen zijn bijvoorbeeld een bedrijventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Nieuwe stedelijke ontwikkeling zijn ontwikkelingen, die nog niet eerder in een bestemmingsplan of ander juridisch verbindend ruimtelijk plan zijn opgenomen.
In dit geval gaat het om het uitbreiden van een natuurcamping met 10 plaatsen. Het plan is kleinschalig. Het betreft hier met name daarom geen stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het kader van de SVIR en geformuleerd in de Bro, artikel 1.1.1 onder punt i: “Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of een zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen” en tot uiting komt in jurisprudentie hierover. De ladder voor duurzame verstedelijking behoeft voor onderhavige ontwikkeling dan ook niet nader doorlopen te worden. 3.3
Provinciaal beleid
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 17 van 56 18-2-2021
3.3.1
Brabantse Omgevingsvisie: De kwaliteit van Brabant, visie op de Brabantse leefomgeving
Op 14 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De visie beschrijft de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn over klimaatverandering, energietransitie, verstedelijking en bereikbaarheid, concurrerende duurzame economie en de basis op orde. Voor deze opgaven wordt aangegeven wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de Omgevingsvisie de provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu- en waterplan en de natuurvisie vervangen. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten, als een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht.
Maar ook om landschappelijke en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Om deze basisopgave te verwezenlijken zijn er vier hoofdopgaven gesteld: Werken aan de Brabantse energietransitie Door de grote invloed van klimaatverandering nu, en in de toekomst werkt de provincie aan een energietransitie met als einddoel om in 2050 100% duurzame energie op te wekken. Door aan te sluiten bij de Nationale Energieagenda wordt het landelijk beleid gevolgd. Vervolgens wordt een heldere koers opgesteld met regio en gemeentes. Participatie zal een essentieel onderdeel vormen voor verdere planvorming. Werken aan een ‘klimaatproof’ Brabant Door de alsmaar groter wordende impact van klimaatverandering op ons dagelijks leven dient Brabant hier maatregelen voor te nemen. Er zal een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting worden ontwikkeld. Dit houdt in dat het beeklandschap wordt aangepast om wateroverlast te voorkomen. Om schade aan de landbouwsector te voorkomen wordt innovatie van deze sector, om in te spelen op klimaatverandering, gestimuleerd. Het einddoel is dat Brabant in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht.
Werken aan de slimme netwerkstad Duurzame verstedelijking draagt bij aan de ontwikkeling van steden die voorbereid zijn op de toekomst. Steden worden beter met elkaar verbonden. Mensen moeten zich makkelijker kunnen verplaatsen. Ook wordt de bereikbaarheid van nabije voorzieningen gestimuleerd. Hierdoor wordt het aantal verkeersbewegingen met de auto teruggedrongen en wordt deze van de fiets bijvoorbeeld gestimuleerd. Ondertussen wordt de mobiliteit gestimuleerd door het openbaar vervoer toekomstbestendig te maken, wordt innovatie van zelfrijdende auto’s gestimuleerd en wordt de mobiliteit van bedrijven vergroot. Met als doel: dat in 2050 het stedelijk netwerk van Brabant als één samenhangend duurzaam en concurrerend netwerk van steden en dorpen functioneert, als onderdeel van de Noordwest- Europese metropool. Werken aan een concurrerende, duurzame economie
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 18 van 56 18-2-2021
Een concurrerende, duurzame economie bestaat uit verschillende onderdelen. Het stimuleren van een circulaire economie zorgt voor een toekomstbestendige economie. Innovatie wordt hierdoor gestimuleerd en de productencyclus wordt efficiënter. Hiernaast is een verdergaande digitalisering een ontwikkeling die moet worden gestimuleerd en waaruit vele voordelen kunnen worden gehaald. Het kan bijdragen aan de aantrekkelijkheid van bedrijven in de provincie waarmee het vestigingsklimaat wordt gestimuleerd. Met al deze ontwikkelingen dient echter de sociale impact altijd in ogenschouw te worden genomen. Door het benadrukken van de sociale impact van al deze veranderingen worden de inwoners van Brabant betrokken en zullen zij uiteindelijk het meest profijt van de ontwikkelingen hebben. Met als einddoel: in 2050 is Brabant de top kennis- en innovatieregio in Europa. Door dit plan wordt de uitbreiding van een natuurcamping met 10 plekken gerealiseerd. Hierdoor worden in totaal 15 plekken mogelijk. Dit is in de eerste instantie gebeurd via een tijdelijke vergunning teneinde dit juridisch-planologisch te regelen in het tweede veegplan voor het Osse buitengebied. Ter motivering daarvan is deze ruimtelijke onderbouwing opgesteld die motiveert dat de camping getuigt van een goede ruimtelijke ordening.
In het tweede veegplan voor het Osse buitengebied wordt om de natuurcamping juridisch-planologisch te regelen ter hoogte van de camping de aanduiding ‘minicamping’ opgenomen. Het initiatief is passend in de Brabantse Omgevingsvisie, het bevordert het aanbod van aantrekkelijke voorzieningen, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaat. Geen sprake is van strijdigheden met de Brabantse Omgevingsvisie.
3.3.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – partiële herziening 2014 Op 19 maart 2014 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 vastgesteld. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. Met deze structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijke beleid tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten die de Wet ruimtelijke ordening biedt inzet. Naast de Structuurvisie stelt de provincie een verordening ruimte op. In deze verordening vertaalt de provincie de kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Aanvullend zijn ook gebiedspaspoorten opgesteld. Deze vormen een uitwerking van de visie en bevatten de landschapskenmerken die bepalend zijn voor de kwaliteit van een gebied of een landschapstype en hoe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan het behoud en versterking daarvan. De provincie kiest met de structuurvisie voor een duurzame ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie af komen.
Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. Provinciale belangen en ruimtelijke keuzes De provincie wil sturen op ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke keuzes geven inhoud aan het streven naar ruimtelijke kwaliteit en zijn van provinciaal belang. De belangrijkste keuzes voor de gemeente Oss zijn: - Regionale contrasten De provincie wil de contrasten tussen klei, zand en veenontginningen versterken. - Een multifunctioneel landelijk gebied De provincie kiest voor een integrale aanpak. Waar de landbouw de drager van het landschap is wordt ruimte gegeven aan optimale en duurzame ontwikkeling van de aanwezige landbouwsector. In de jonge rivierkleigebieden moet de agrarische functie (rundveehouderij) behouden blijven. Op de oeverwallen langs de rivieren wordt ruimte geboden voor menging van landbouw, natuur, landschap, recreatie, wonen, werken en zorg. Dit is van belang voor de plattelandseconomie. - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem Het patroon van beken en kreken moet beter beleefbaar worden. De ecologische hoofdstructuur wordt versterkt door het natuursysteem nog beter aan het watersysteem te koppelen. - Een betere waterveiligheid door preventie
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 19 van 56 18-2-2021
-
-
Gestreefd wordt naar vergroting van de watervoerende capaciteit van het rivierbed in combinatie met het concept van de doorbraakvrije dijk. Concentratie van verstedelijking Brabant heeft de ambitie zich te ontwikkelen tot een top kennis- en innovatieregio op Europees niveau. De provincie vindt het daarom belangrijk dat er verschil blijft tussen de steden en de kernen in het landelijk gebied, de zogenaamde mozaïekstructuur. Sterk stedelijk netwerk De provincie wil een sterk stedelijk netwerk van Brabantse steden. Goede bereikbaarheid tussen de steden onderling en andere omliggende stedelijke netwerken is belangrijk. Groene geledingszones tussen steden De provincie zet in op behoud en ontwikkeling van groene geledingszones tussen de stedelijke kernen. Gedifferentieerd aanbod goed bereikbare vrijetijdsvoorzieningen Een kwalitatief goede vrijetijdsbesteding is een belangrijke voorwaarde voor het realiseren van een goed leef-, werk- en vestigingsklimaat. Belangrijk aandachtspunt daarbij is dat er een breed aanbod aan vrijetijdsvoorzieningen is met een goede toegankelijkheid en bereikbaarheid.
Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. De hoofdregel is dat ontwikkelruimte dient bij te dragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan vasthouden aan wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe kwaliteiten. De zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit bepaalt dat: - er zorgvuldig wordt omgegaan met het ruimtegebruik; - er rekening wordt houden met de omgeving; - de ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Dit principe is van toepassing op zowel het stedelijk als het landelijk gebied en wordt uitgewerkt in de Verordening ruimte 2012. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toepassen. Nieuw ruimtebeslag moet zoveel mogelijk voorkomen worden. In eerste instantie krijgen initiatieven een plek binnen bestaand bebouwd gebied. Pas als hier geen mogelijkheden zijn of de kwaliteiten van de geplande ontwikkeling hier niet bij passen, wordt er in de omgeving gezocht naar de best mogelijke plek. Naast zuinig ruimtegebruik richt de provincie zich ook op herstructurering en hergebruik van verouderde locaties in het stedelijk gebied en op sanering van ongewenste functies in het buitengebied.
Rekening houden met de omgeving Gebiedskenmerken en omliggende waarden, gebaseerd op de lagenbenadering, zijn leidend bij de vraag “waar” en “hoe” de nieuwe ruimte wordt aangesneden. De ruimtelijke onderbouwing van een ontwikkeling geeft aan hoe is omgegaan met de ambities zoals verwoord in de structuren en in de gebiedspaspoorten. Hierbij wordt een relatie gelegd tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de gebiedskenmerken van de plek. Kwaliteitsverbetering van het landschap Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken. Dit uitgangspunt geldt voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied én buiten de ecologische hoofdstructuur en maakt de principes van ontwikkelingsplanologie toepasbaar. Concreet betekent dit dat passende functies zich kunnen ontwikkelen als er ook een prestatie voor het landschap tegenover staat. Daardoor wordt aantasting van de basiskwaliteit (bodem, water) en verlies aan ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden voorkomen. Ontwikkelingen die passen bij de aard, schaal en functie van het landelijk gebied, zoals agrarische en recreatieve ontwikkelingen en kleinschalige dienstverlening zijn mogelijk. Ook de ontwikkeling van andere (rode) functies is onder voorwaarden mogelijk.
De ruimtelijke onderbouwing van een besluit geeft aan welke bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en hoe dit is geborgd. In principe gaat de provincie uit van de realisering van een fysieke prestatie op de projectlocatie en/of de directe
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 20 van 56 18-2-2021
projectomgeving. Indien dat niet mogelijk is, is de vorming van gemeentelijk of regionaal landschapsfonds een optie. Structuren: ambitie, beleid en uitvoering De structuren geven een hoofdkoers aan, een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De volgende vier structuren worden onderscheiden. - De groenblauwe structuur - Het landelijk gebied - De stedelijke structuur - De infrastructuur
Structurenkaart
De groenblauwe structuur Deze omvat de samenhangende gebieden in Noord-Brabant waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. Niet alleen in, maar ook buiten de natuurgebieden. Er is ruimte voor de ontwikkeling van een natuurlijk en robuust watersysteem. Het vormt de groenblauwe ruggengraat van het landschap en is van belang voor een goede, aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving in Noord-Brabant. Binnen deze groenblauwe structuur wil de provincie het volgende bereiken: 1. Positieve ontwikkeling van de biodiversiteit, natuur- en watersystemen zijn beschermd en worden verbeterd door een goede onderlinge verbinding; 2. Een robuuste en veerkrachtige structuur. 3. De natuurlijke basis en landschappelijke contrasten versterken. Versterken van de identiteit van de landschappen; 4. Gebruikswaarde van natuur en water verbeteren. De gebieden in de groenblauwe structuur zijn belangrijk voor recreatie en toerisme. In de groenblauwe structuur worden drie perspectieven onderscheiden: - Het kerngebied groenblauw Natuurgebieden in de ecologische hoofdstructuur, robuuste ecologische verbindingszones en belangrijke waterstructuren horen in dit perspectief. De hoofdfunctie is behoud en ontwikkeling van het natuur- en watersysteem. - De groenblauwe mantel Overwegend gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfunctie voor natuur en water.
Gebieden grenzend aan het kerngebied die bijdragen aan de bescherming van de waarden. Het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, water(-beheer) en landschap is in de groenblauwe mantel een belangrijke opgave. Vormen van grondgebonden agrarisch gebruik zijn van blijvend belang voor de ontwikkeling van groene en blauwe waarden. Verder liggen er kansen voor recreatie en toerisme. - De gebieden voor waterberging Deze gebieden zijn van belang voor hoogwaterbescherming (ruimte voor de rivier) en waterberging (regionale waterberging). Het landelijk gebied
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 21 van 56 18-2-2021
Het landelijk gebied omvat het gebied buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur zoals steden, dorpen en bedrijventerreinen. Het gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte. Naast landen tuinbouw is er ruimte voor niet-agrarische functies. Binnen het landelijk gebied wil de provincie het volgende bereiken: 1. Ruimte voor een breed georiënteerde plattelandseconomie; 2. Ruimte voor duurzame agrarische ontwikkeling; 3. Versterking van het landschap. Er worden binnen het landelijk gebied twee perspectieven onderscheiden: Gemengd landelijk gebied De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. Binnen dit gebied wordt de agrarische functie vaak in samenhang met andere functies (in de omgeving) uitgeoefend. Hier kan worden voldaan aan de vraag naar kleinschalige stedelijke voorzieningen, recreatie en ondernemingen in een groene setting. Daarnaast wil de provincie ook dat er ruimte beschikbaar blijft om de agrarische productiestructuur te behouden en te versterken. Dat betekent dat (stedelijke) functies die ten koste gaan van de ruimte voor agrarisch gebruik of die strijdig zijn met de landbouw in die gebieden geweerd worden. Hierdoor blijft er ruimte gereserveerd voor agrarische ontwikkelingen.
De provincie vraagt aan gemeenten om deze gebieden vast te leggen en te beschermen. De landbouwontwikkelingsgebieden en de vestigingsgebieden glastuinbouw beschouwt de provincie in ieder geval als primair agrarisch gebied. Ook delen van het verwevingsgebied richten zich vaak primair op agrarische ontwikkeling. Accentgebied agrarische ontwikkeling Binnen deze gebieden ziet de provincie ruimte en kansen om de agrarische productiestructuur te verduurzamen en te versterken. Op de structurenkaart zijn vanuit een regionaal schaalniveau vier accentgebieden agrarische ontwikkeling aangeduid. De komgebieden van de gemeente Lith maken hiervan deel uit. Hier liggen mogelijkheden voor schaalvergroting en intensivering van de landbouw. Transitie naar een zorgvuldige veehouderij De wens tot verduurzaming van de agrarische sector heeft geleid tot de denklijn ‘Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd’. De denklijn bestaat uit drie uitgangspunten: - ontwikkelruimte is alleen mogelijk als dit op bedrijfsniveau bijdraagt aan een verdere verduurzaming door het treffen van extra maatregelen; - de som van het effect van alle bedrijven in een gebied kan de draagkracht van een gebied te boven gaan; - door het bieden van een economisch perspectief aan de landbouw en agrofood door meer toegevoegde waarde van het product, transparantie en nieuwe verdienmodellen.
De ontwikkeling van de agrarische sector is gericht op inpassing in het landschap en een transitie naar duurzame en zorgvuldige veehouderij. De stedelijke structuur De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. Binnen de stedelijke structuur heeft de provincie de volgende doelen: 1. Concentratie van verstedelijking 2. Inspelen op demografische ontwikkelingen 3. Zorgvuldig ruimtegebruik 4. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit 5. Betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur 6. Versterking van de economische clusters Er worden binnen de stedelijke structuur twee perspectieven onderscheiden: - Stedelijk concentratiegebied In het stedelijk concentratiegebied met de bijhorende zoekgebieden voor verstedelijking wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgave opgevangen. De groene ruimten tussen de steden worden open gehouden.
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 22 van 56 18-2-2021
-
Kernen in landelijk gebied De kernen in het landelijk gebied worden zo veel mogelijk ontzien van verdere verstedelijking doordat daar alleen de opvang van de eigen verstedelijkingsbehoefte wordt opgevangen (migratiesaldo-nul).
De projectlocatie is aangeduid als ‘Jong Rivierklei’-gebied, is van belang als waterbergingsgebied, is onderdeel van het cultuurhistorisch landschap dat benoemd kan worden als ‘Maasgebied’ en het behoort tot het kerngebied ‘Groenblauw’. Zie onderstaande uitsneden uit de verschillende kaarten behorende bij de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – herziening 2014. Zie het blauwe pijltje voor ligging van de projectlocatie.
Structurenkaart
Gebiedsgericht werken
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 23 van 56 18-2-2021
Visiekaart Er zijn twee aspecten aan het onderhavige plan die van belang zijn om tegen de achtergrond van de provinciale structuurvisie te bespreken, namelijk de gebruikswaarde van natuur en water verbeteren (denk aan recreatie en toerisme), de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en kwaliteitsverbetering van het landschap. Onderdeel van onderhavig plan is de natuur zoals die op onderhavige locatie aanwezig is te versterken door het open karakter te behouden (geen toevoeging van welke vorm van bebouwing dan ook) en oude maasheggen te herstellen en er recreanten en toeristen door middel van een kleinschalige natuurcamping (zonder voorzieningen in het ‘veld’) met respect voor de natuur van te laten genieten. Behoud en ontwikkeling van het natuur- en watersysteem komt niet in het geding. 3.3.2
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
In oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. De verordening zorgt voor kaderstellende doorvertaling van de omgevingsvisie en het bestaande provinciaal beleid. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is een eerste stap in de implementatie van de Omgevingswet op provinciaal niveau. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vervangt de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant staan regels voor: Burgers en bedrijven: dit zijn rechtstreeks werkende regels voor activiteiten. Deze regels bevatten de voorwaarden om zo’n activiteit te mogen verrichten. Deze regels geven ook aan of de start van een activiteit vooraf moet worden gegaan door een melding. Bestuursorganen van de overheid: dit zijn zogenaamde instructieregels.
Met deze regels kan de provincie een opdracht geven aan gemeenten over onderwerpen die zij in het bestemmingsplan moeten opnemen of aan het waterschap over de manier waarop ze hun taken uitvoeren. Onderhavig initiatief ligt in een gebied dat volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant de aanduiding ‘Natuur Netwerk Brabant’ heeft. Dat betekent dat paragraaf 3.2.3 natuur netwerk brabant van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van toepassing is. Verder is paragraaf 3.1.2 Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies van toepassing.
Ruimtelijke Onderbouwing Rulstraat 3, Megen, pag. 24 van 56 18-2-2021
In paragraaf 3.2.2. natuur netwerk brabant, artikel 3.15 bescherming natuur netwerk brabant wordt gesteld dat een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant: a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken; b. regels bevat gericht op de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken en houdt daarbij ook rekening met andere aanwezige waarden en kenmerken, zoals rust, stilte, cultuurhistorische waarden en kenmerken; c. bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten toestaat zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd. In artikel 3.18, lid 1 van dezelfde paragraaf is opgenomen dat een bestemmingsplan kan bepalen dat het oprichten van kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurfunctie of het recreatieve medegebruik daarvan zijn toegestaan, als dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant. In paragraaf 3.1.2. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zijn regels gesteld over de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit, zorgvuldig ruimtegebruik, de toepassing van de lagenbenadering, meerwaardecreatie en voor zover het het landelijk gebied betreft ook kwaliteitsverbetering van het landschap.
Onderhavig initiatief strekt tot behoud en herstel van de ecologische waarden en kenmerken van het gebied. Het betreft een natuurcamping (max. 15 plaatsen) als recreatief medegebruik van de vigerende agrarische bestemming, zonder voorzieningen zoals water en elektriciteit in het ‘veld’ en is slechts bedoeld voor kampeerders die van de rust houden en met respect van het mooie maasgebied willen genieten. Dit initiatief is door het aantal campingplekken, het minimale plaatselijke voorzieningenniveau en doordat geen sprake is van oprichting van bebouwing dermate kleinschalig dat aantasting van het Natuur Netwerk Brabant niet aan de orde is. Daarbij komt dat de initiatiefnemer bezig is een originele maasheg terug te brengen in het landschap. Het initiatief is passend binnen het Natuur Netwerk Brabant en de regels die de provincie daarvoor in haar Interim omgevingsverordening Noord-Brabant stelt. Met het plan wordt invulling gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies. De functie die op onderhavige locatie wordt uitgebreid vindt aansluiting bij de visie die voor het Maasgebied is opgesteld. Er worden geen nieuwe voorzieningen opgericht, gebruik wordt gemaakt van bestaande voorzieningen in bestaande bebouwing. Zorgvuldig ruimtegebruik is daarmee een feit.