Bijlage 11 bij toelichting rob Poelstraat 3 Dieden.PDF
Tekst van het document
BESTEMMINGPSLAN Ontwikkelingen 2 Buitengebied Oss - 2021 Bijlage 11 bij toelichting Poelstraat 3, Dieden
Gemeente Oss | Raadhuislaan 2 | 5341 GM | Oss | T: 14 0412 | F: 0412 642605 | www.oss.nl |
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 1 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
Ruimtelijke onderbouwing Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden 2e Veegplan buitengebied Oss
Gemeente Oss, 9 maart 2021
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 2 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
INHOUDSOPGAVE TOELICHTING Inleiding............................................................................................................................. 3 Hoofdstuk 1 1.1 Aanleiding en korte planbeschrijving .............................................................................................. 3 1.2 Begrenzing plangebied ................................................................................................................... 3 1.3 Geldende bestemmingsplannen ..................................................................................................... 4 Hoofdstuk 2 Bestaande situatie en programma .................................................................................... 5 2.1 Ontstaansgeschiedenis .................................................................................................................. 5 2.2 Bestaande situatie .......................................................................................................................... 6 2.3 Beoogde situatie ............................................................................................................................. 8 2.4 Stedenbouwkundige karakteristiek ...............................................................................................
13 2.5 Functionele karakteristiek ............................................................................................................. 13 2.6 Groen en water ............................................................................................................................. 13 Hoofdstuk 3 Beleidskader en programma ........................................................................................... 14 3.1 Wettelijk kader .............................................................................................................................. 14 3.2 Rijksbeleid..................................................................................................................................... 16 3.3 Provinciaal beleid .......................................................................................................................... 20 3.4 Gemeentelijk beleid ...................................................................................................................... 26 Hoofdstuk 4 Verantwoording ............................................................................................................... 40 4.1 Milieu- en omgevingsaspecten .....................................................................................................
40 4.3 Waarden ....................................................................................................................................... 62 4.4 Defensie ........................................................................................................................................ 65 4.5 Milieueffectrapportage (M.e.r.) ...................................................................................................... 66 Hoofdstuk 5 Economische uitvoerbaarheid......................................................................................... 68
REGELS VERBEELDING BIJLAGEN 1. Situatieschets 2. Akoestisch onderzoek 3. Historisch bodemonderzoek conform NEN5725 4. Resultaten www.dewatertoets.nl 5. AERIUS-berekening 6. Quickscan Wet natuurbescherming 7. Landschappelijk inpassingsplan
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 3 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding en korte planbeschrijving
Tot 1985 hadden de initiatiefnemers aan de Poelstraat in Dieden alleen een varkenshouderij. In 1986 zijn de initiatiefnemers gestart met recreatieve (neven)activiteiten. Sinds 1995 wordt aan de Poelstraat kampeerboerderij Sint Laurenshoeve geëxploiteerd. In 2005 startten de initiatiefnemers op de locatie een tweede groepsaccommodatie, namelijk de Lambertushoeve. Sinds 2005 exploiteren de initiatiefnemers een kleinschalige camping (25 kampeerplaatsen), 2 groepsaccommodaties (ieder voor 20 personen) inclusief zes Bed & Breakfastkamers voor maximaal twee personen per kamer. Ondergeschikt hieraan is sprake van horeca. Ook is een bedrijfswoning aanwezig. Één van de initiatiefnemers is in 2016 overleden. Zijn vrouw heeft het bedrijf sindsdien samen met één van haar kinderen voortgezet. Binnen afzienbare tijd zal zij zelf stoppen met de bedrijfsvoering en neemt haar zoon het volledig over. De zoon heeft uitbreidingswensen ten opzichte van de huidige situatie. Alvorens hij hiermee aan de gang kan gaan is een juridisch-planologische grondslag nodig. Met die reden is deze ruimtelijke onderbouwing opgesteld, waarin wordt onderbouwd dat voor de huidige – niet planologisch geregelde activiteiten – en de uitbreidingswensen sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
De onderbouwing vormt onderdeel van het tweede veegplan voor het buitengebied van Oss (toelichting) op basis waarvan de regels en verbeelding zijn opgesteld.
1.2
Begrenzing plangebied
Het plangebied ligt, in het buitengebied aan de rand van de kern Dieden en langs de Maas. Het plangebied bestaat uit het perceel kadastraal bekend gemeente Ravenstein, sectie C, nummer 898. Hieronder is het plangebied op de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan aangeduid met een groene arcering.
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 4 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
1.3
Geldende bestemmingsplannen
Tot de inwerkingtreding van het 2e Veegplan buitengebied Oss geldt binnen het plangebied het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss – 2020’ dat door de gemeenteraad is vastgesteld op 16 april 2020 en in werking is getreden op 25 september 2020. Na de inwerkingtreding van het 2e Veegplan buitengebied Oss verliest dit plan, binnen het plangebied, haar rechtskracht.
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 5 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
Hoofdstuk 2
2.1
Bestaande situatie en programma
Ontstaansgeschiedenis
De ontwikkeling van het Maasgebied waarbinnen ook de kern Dieden is gelegen is in sterke mate bepaald door de rivier de Maas en de rivieren die hier voorheen stroomden. Deze rivieren hebben de laatste 10.000 jaar veel materiaal afgezet. Doordat bij overstromingen de stroomsnelheid dicht bij de rivier hoger was dan verder bij de rivier vandaan bezonken de grotere deeltjes (zand en lichte klei) dicht bij de rivier en de kleinere deeltjes (zware klei) op grotere afstand van de rivier. Hierdoor ontstonden parallel aan de rivier hoger gelegen rivierklei-/zandgronden, ook bekend als stroomruggen of oeverwallen. Verder van de rivier af ontstonden lagergelegen, zwaardere komgronden. Door de ligging aan de rivier en het ontbreken van bedijking was er in het gebied jaarlijks terugkerende wateroverlast. De hoge gronden van de oeverwallen en de rivierduinen overstroomden zelden en boden een relatief veilige woonplaats. Bewoning heeft zich in deze gebieden dan ook lange tijd beperkt tot deze hoger gelegen gebieden. De waterstanden waren destijds overigens niet zo hoog als tegenwoordig, door het ontbreken van dijken. De oeverwallen hadden als voordeel dat ze zeer geschikt waren als akkerbouwgrond, vanwege de natuurlijke vruchtbaarheid en de goede bewerkbaarheid. Op zo’n oeverwal is onder andere de kern Dieden ontstaan.
De oeverwallen zijn op dit moment mede te herkennen aan de boomgaarden en kleinschalige akkers. In contrast hiermee staat het grootschalige, open komgebied dat vooral werd gebruikt als weiland en hooiland. In het komgebied bevinden zich ook oude rivierduinen, ook wel bekend als donken. Deze duinen zijn ontstaan door het verstuiven van zand dat dicht bij de rivier werd afgezet. Enkele kernen nabij Dieden zijn op zo’n rivierduin ontstaan. In de loop van de twintigste eeuw is het Maasgebied sterk veranderd. Door de normalisatie (het ‘rechttrekken’) van de Maas en het sluiten van de Beerse Overlaat is het overstromingsprobleem opgelost. Daaropvolgend hebben grootschalige cultuurtechnische werken plaats gevonden in verband met de ruilverkaveling. Ook de aanleg van de Dorpenweg – als nieuwe ontsluitingsweg en ter ontlasting van de Maasdijk – is van grote invloed geweest op het landschap en de kernen in het Maasgebied. Toch hebben de kernen, ondanks deze ingrepen, hun oorspronkelijke ruimtelijke opbouw grotendeels behouden. Zo ook Dieden dat als organisch gegroeid dorp bijdraagt aan het specifieke karakter van het gebied. Er is een duidelijke relatie met het omliggende landschap zichtbaar. Er is sprake van een sterke verweving tussen bebouwde kern en het landelijk gebied.
Afbeelding van Topotijdreis.nl (Dieden (en het plangebied) omstreeks 1875)
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 6 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
2.2
Bestaande situatie
In 1995 zijn de initiatiefnemers gestopt met hun varkenshouderij en sinds 2005 exploiteren zij een kleinschalige camping (25 kampeerplaatsen), twee groepsaccommodaties (ieder voor 20 personen) en zes Bed & Breakfastkamers voor maximaal twee personen per kamer. Ondergeschikt hieraan is sprake van horeca. Ook is een bedrijfswoning van toepassing. In de tabel hieronder is aangegeven hoe de feitelijke situatie juridisch planologisch in het bestemmingsplan Buitengebied Oss 2020 - dat op 16 april 2020 door de gemeenteraad van Oss is vastgesteld en op 25 september 2020 in werking is getreden - is geborgd. Feitelijk aanwezige activiteit camping voor 25 kampeermiddelen
twee groepsaccommodaties
zes Bed & Breakfastkamers
ondergeschikte horeca
bedrijfswoning
Wijze van juridisch-planologisch regelen middels een specifieke regel in de doeleindenomschrijving: uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - poelstraat 3' (aanduiding op verbeelding aanwezig) is in het doel 'specifieke vorm van recreatie groepsaccommodatie' het plaatsen van 25 kampeermiddelen mede begrepen middels een aanduiding: uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie groepsaccommodatie' (aanduiding op verbeelding aanwezig): verblijfsrecreatie in de vorm van een groepsaccommodatie het aantal groepsaccommodaties is niet geregeld/ gemaximeerd. Er is een maximum aantal m2’s aan bedrijfsbebouwing opgenomen van 750 m2, hierbinnen vallen beide groepsaccommodaties deze vorm van verblijfsrecreatie valt – zoals hij is ingericht onder ‘groepsaccommodatie’. Er is een maximum aantal m2’s aan bedrijfsbebouwing opgenomen van 750 m2, hierbinnen vallen beide groepsaccommodaties. De Bed & Breakfastkamers zijn binnen de toegelaten m2’s aan bedrijfsbebouwing gelegen. in de doeleindenomschrijving is opgenomen: detailhandel en horeca die aan de verblijfsrecreatieve functie ondergeschikt zijn en deze ondersteunen in de doeleindenomschrijving is opgenomen: het wonen, uitsluitend in de bedrijfswoning inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen voor de woonfunctie
Hieronder is een luchtfoto van de huidige situatie opgenomen.
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 7 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
Hieronder is een tekening van de bestaande situatie opgenomen.
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 8 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
2.3
Beoogde situatie
Naast de huidige feitelijke activiteiten bestaande uit: - een camping voor 25 kampeerplaatsen; - twee groepsaccommodaties (A achterzijde) en B (aan Poelstraat)) voor 20 personen ieder; - zes Bed & Breakfastkamers; - ondergeschikte horeca; - een bedrijfswoning; wil de initiatiefnemer met de volgende activiteiten uitbreiden. Zelfstandige horeca Op dit moment is er sprake van de mogelijkheid tot het hebben van een ondergeschikte horecafunctie bij de hoofdfunctie ‘verblijfsrecreatie’. De initiatiefnemer wil echter graag zelfstandige horeca kunnen uitoefenen voor onder andere passanten (tegenover is een natuurgebied van natuurmonumenten gelegen). De horeca die wordt uitgeoefend hoeft dus niet ondersteunend te zijn aan de verblijfsrecreatie. Hier wordt aanvullend horeca toegestaan die gericht is op het verstrekken van voedsel en dranken aan gasten die geen gebruik maken van de verblijfsaccommodatie. Het gaat dan om het bedrijfsmatig verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren en dranken voor consumptie ter plaatse als elders zoals een lunchroom, restaurant, pannenkoekenhuis, eetcafé, pizzeria ijssalon en voor een picknick to go. Het exploiteren van een zaalaccommodatie voor feesten en partijen is niet toegestaan. Het is echter wel toegestaan om op kleinschalige wijze met een gezelschap mijlpalen te vieren.
Het terras is voorzien onder en nabij de overkapping van de meest nieuwe groepsaccommodatie gelegen nabij de camping. De inpandige horeca-activiteiten zijn voorzien in de bestaande recreatieruimten van groepsaccommodatie A. Het gaat daarbij inpandig om in totaal 130 m2. Hiervoor is geen extra ruimtebeslag van toepassing. Op de afbeelding hieronder is de ruimte die bedoeld is voor de horeca weergegeven (roze = inpandige horeca, paars = buitenhoreca (terras en veranda)).
Uitbreiding mogelijkheden nachtverblijf Door de coronacrisis is de behoefte aan meer solitaire ruimten met eigen sanitaire voorzieningen voor nachtverblijf toegenomen. De initiatiefnemer verwacht dat deze behoefte blijft bestaan. Hierop wil de initiatiefnemer daarom inspelen door haar aanbod voor nachtverblijf uit te breiden met vier trekkershutten en twee recreatieappartementen: - de trekkershutten hebben per stuk een oppervlakte van maximaal 25 m² en zijn niet hoger dan 3,25 meter, ze zijn voorzien nabij het recreatieveld van de camping. Het betreft hier in totaal 100
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 9 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
m² nieuw ruimtebeslag. Op de afbeelding hieronder is de situering van de trekkershutten (gele vlakken) weergegeven.
-
-
op een deel van één van de bedrijfsgebouwen, welke is gelegen direct aan de Poelstraat, ligt een kap van asbest. Men wil/ moet deze kap vervangen en wil daarbij de kap (binnen de reeds toegestane goot- en nokhoogten in het vigerende bestemmingsplan) wat verhogen, zodat direct onder de kap twee recreatieappartementen kunnen worden gecreëerd. De recreatieappartementen zijn bereikbaar via de recreatieruimte die grenst aan de bedrijfswoning en zijn per stuk maximaal 59 m² groot. Hieronder is een foto opgenomen van het gebouw alsook een plattegrond (begane grond, verdieping heeft nu geen programma) van het gebouw waarin de initiatiefnemer de recreatieappartementen wil realiseren. Met een rode cirkel is op de tekening aangegeven in welk gedeelte van het gebouw de recreatieappartementen zijn voorzien. Het betreft hier geen nieuw ruimtebeslag, omdat de appartementen onder de kap van bestaande bebouwing worden gerealiseerd.
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 10 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
Voor de twee recreatieappartementen geldt dat deze vorm van verblijfsrecreatie – zoals hij wordt ingericht - onder het toegelaten gebruik en de bebouwing met betrekking tot de ‘groepsaccommodatie’ valt. Er is een maximum aantal m2’s aan bedrijfsbebouwing opgenomen van 750 m2 en voor de twee recreatieappartementen hoeft dit maximum aantal niet te worden verruimd, ze worden namelijk gerealiseerd binnen het bestaand aantal m2’s dat aan bedrijfsbebouwing is toegelaten. Omdat dit onderdeel van het initiatief reeds is toegelaten, wordt dit onderdeel in deze onderbouwing verder niet meer gemotiveerd. De 4 trekkershutten worden in de nieuwe situatie qua gebruik specifiek bestemd, voor het benodigde extra ruimtebeslag geldt dat voor de trekkershutten 100 m2 wordt toegevoegd aan het aantal vierkante meters dat voor bedrijfsbebouwing maximaal is toegestaan. Uitbreiding voorzieningen camping De initiatiefnemer wil het huidige enigszins verouderde sanitairgebouw ten behoeve van de camping vernieuwen en tegelijkertijd uitbreiden met 32 m2. Het huidige gebouw heeft een grootte van 32 m2 en wordt vergroot naar 64 m2. Dit zodat een en ander ruimer opgezet kan worden, waardoor gasten meer ruimte krijgen om op afstand van elkaar in hun sanitaire behoeften te voorzien. Het gaat hier om 32 m2 nieuw ruimtebeslag.
Het sanitairgebouw blijft op dezelfde plek behouden als waar het in de huidige situatie reeds is gesitueerd en wordt op die plek dus uitgebreid. De afbeelding hieronder geeft aan hoe de uitbreiding er globaal gezien uitziet (blauwe vlak).
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 11 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
Dagrecreatie Op dit moment is dagrecreatie, welke niet ondergeschikt is aan het nachtverblijf, in het plangebied niet toegestaan. De initiatiefnemer wil zich echter in de maanden dat de camping gesloten is richten op dagrecreanten. Het gaat dan om dagrecreatie in de vorm van creatieve- en kookworkshops, clinics en sport- en spelactiviteiten. De groepsgrootte bestaat uit maximaal 40 personen en de activiteiten vinden zowel binnen, in de bestaande bedrijfsbebouwing (recreatieruimte van groepsaccommodatie A waar ook de zelfstandige horeca-activiteiten zijn voorzien (130 m2) en recreatieruimte van groepsaccommodatie B (100 m2)), als buiten (recreatieveld van de camping) plaats. Op de afbeelding hieronder is zichtbaar gemaakt om welke inpandige ruimten in de bestaande bebouwing het gaat (roze ingekleurd).
Daarbij wil de initiatiefnemer voor deze functie een kapschuur van 50 m2 realiseren. Hier kan hij de semibuitenactiviteiten – minder afhankelijk van het weer en de groepsaccommodatieboekingen – plaats laten vinden. Deze kapschuur is voorzien aan het recreatieveld van de camping nabij het terras van de zelfstandige horeca. Op de afbeeldingen hieronder is de situering van de kapschuur weergegeven (groene vlak op eerste afbeelding, witte vlak op tweede afbeelding).
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 12 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
Het gaat hier niet om nieuw ruimtebeslag, omdat de nieuwe activiteiten plaatsvinden in bestaande bebouwing. Uitgezonderd de 50 m2 voor de te realiseren kapschuur. Bijzonder aan het huidige recreatiebedrijf aan Poelstraat 3 in Dieden is dat het toegankelijk is voor mensen met een fysieke beperking: mindervaliden. Er zijn weinig verblijfsaccommodaties zo specifiek voor mindervaliden ingericht als de Laurenshoeve. Het is dan ook geen verrassing dat de bedrijfsvoering van de Laurenshoeve ook op een inclusieve manier gebeurt. Ook daarin is bij de Laurenshoeve voor mensen met een geestelijke beperking ruimte. In de vorm van dagbesteding en beschutte werkplekken
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 13 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
krijgen mensen met een beperking bij de Laurenshoeve de ruimte om onder begeleiding deel te nemen aan het reilen en zeilen in het bedrijf. Aangezien dit onderdeel is van de recreatieve bedrijfsvoering is het niet nodig hier juridisch-planologisch in het bestemmingsplan waar deze ruimtelijke onderbouwing onderdeel van is iets specifieks voor te regelen. De totale gewenste situatie is op de situatieschets in bijlage 1 bij deze ruimtelijke onderbouwing weergegeven.
2.4
Stedenbouwkundige karakteristiek
Een en ander wordt gerealiseerd binnen de bestaande bouwmogelijkheden, met uitzondering van de vier trekkershutten, de kapschuur en uitbreiding van het sanitairgebouw. De trekkershutten zijn verplaatsbaar en worden op een bestaand kampeerveld geplaatst. Qua massa, vorm en positionering vinden de trekkershutten aansluiting bij reguliere kampeermiddelen. De kapschuur wordt in vorm (1 bouwlaag voorzien van zadeldak) en uitstraling uitgevoerd als zijnde passend op een boerenerf. Voor de uitbreiding van het sanitairgebouw blijft de bestaande uitstraling gehandhaafd. Op basis van voorgaande wordt aangenomen dat de stedenbouwkundige situatie aanvaardbaar is.
2.5
Functionele karakteristiek
Het plangebied ligt op de rand tussen dorp en buitengebied. In de omgeving van het plangebied wordt gewoond, is nog sprake van agrarische bedrijvigheid en is een timmerbedrijf gevestigd. Tegenovergelegen is een gebied bestemd voor natuurdoeleinden en nabijgelegen is ook de Maas met haar uiterwaarden. In het plangebied is een verblijfsrecreatief bedrijf met bedrijfswoning bestemd. Dit is passend op een locatie zoals deze in het Maasgebied, vrijwel direct aan de Maas. Een gebied waarop Oss haar toerisme en recreatie heeft geënt. Het op deze plek bestemmen van enkele feitelijke activiteiten binnen de recreatieve sfeer en het uitbreiden van de bestaande bestemming met eveneens recreatieve activiteiten sluit aan bij de visie die er in de gemeente voor het Maasgebied ligt.
2.6
Groen en water
Groen en water maken – qua ontwikkeling - geen specifiek onderdeel uit van het initiatief.
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 14 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
Hoofdstuk 3
3.1
Beleidskader en programma
Wettelijk kader
3.1.1 Wet ruimtelijke ordening Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. De hoofdlijnen van de nieuwe wet zijn samengevat: - Decentraal wat kan en centraal wat moet: rijk en provincie moeten en mogen niet meer regelen dan wat de taak van deze overheden direct met zich brengt; - Rijk, provincie en gemeente hebben gelijke instrumenten en kunnen die inzetten voor de eigen taken op het gebied van de ruimtelijke ordening: structuurvisie, bestemmingsplan en projectafwijkingsbesluit; - Rijk en provincie kunnen zaken voor gemeente dwingend voorschrijven via een verordening en via een aanwijzing; - Er is een strikte scheiding tussen beleid en bestemmingsplan; beleidsdocumenten hebben geen directe juridische werking meer; - De goedkeuring van de provincie op bestemmingsplannen is vervallen; - Voor de realisering van projecten kan een projectafwijkingsbesluit genomen worden; - Voor gebieden waar geen ruimtelijke ontwikkelingen spelen kan de gemeente kiezen om een beheersverordening te maken in plaats van een bestemmingsplan; - Er is een drempel voor planschade van 2%; - De mogelijkheid van kostenverhaal bij grondexploitatie is verbeterd; - Bestemmingsplannen moeten analoog en digitaal worden gemaakt.
3.1.2 Grondexploitatiewet Tegelijk met de Wet ruimtelijke Ordening is de nieuwe Grondexploitatiewet (Grex-wet) in werking getreden. De grondexploitatiewet is als paragraaf 6.4 in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening opgenomen. De Grex-wet is noodzakelijk omdat eerdere wettelijke instrumenten voor kostenverhaal, te weten de exploitatieverordening en de baatbelasting, niet toereikend bleken. Doelstelling van de nieuwe wet is een goede regeling voor kostenverhaal, binnenplanse verevening en enkele locatie-eisen bij particuliere grondexploitatie. Onder de Grex-wet is kostenverhaal mogelijk via het privaatrechtelijke spoor (door middel van een vrijwillige samenwerkingsovereenkomst) en door middel van het publiekrechtelijke spoor. Eén van de belangrijkste vernieuwingen die de wet brengt, is het verplichtende karakter van kostenverhaal. Privaatrechtelijke afspraken hebben de voorkeur. Maar als een gemeente er niet in geslaagd is met alle particuliere eigenaren in een gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie moet de gemeente publiekrechtelijk kosten verhalen bij partijen waarmee geen contract is gesloten. Dit publiekrechtelijke verhaal gaat door middel van een exploitatieplan, waarvan de totstandkoming gelijk op moet lopen met een bestemmingsplan. De verplichting tot een publiekrechtelijke regeling is gekoppeld aan twee voorwaarden: 1.
In de eerste plaats is een ruimtelijk besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening nodig. Het publiekrechtelijk instrumentarium is alleen van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijziging van een bestemmingsplan, of een projectafwijkingsbesluit. 2. De tweede voorwaarde is dat het ruimtelijk besluit voorziet in nieuwbouw of in belangrijke en omvangrijke verbouwplannen met functiewijzigingen. De bouwplannen waar het om gaat zijn in het Besluit ruimtelijke ordening aangewezen.
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 15 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
Dit bestemmingsplan voorziet in nieuwe bouwmogelijkheden: een kapschuur van 50 m2, 4 trekkershutten van in totaal 100 m2 en de uitbreiding van een bestaand sanitairgebouw met 32 m2. Het plan bevat ook de toevoeging van een tweetal nieuwe functies: zelfstandige horeca en dagrecreatie. De Grondexploitatie-wetgeving is met die reden van toepassing. De kosten die de gemeente maakt voor het in procedure brengen van onderhavig initiatief brengt de initiatiefnemer via een anterieure overeenkomst bij de initiatiefnemer in rekening. Via de overeenkomst worden tegelijkertijd ook andere afspraken tussen de gemeente en de initiatiefnemer vastgelegd. Het gaat dan onder andere om de afwenteling van eventuele planschade ten gevolge van het plan door de gemeente op de initiatiefnemer. 3.1.3 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. Maar sommige soorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is dan ook belangrijk. De Wet natuurbescherming vervangt 3 wetten die tot 1 januari 2017 golden: • De Natuurbeschermingswet 1998.
Deze wet regelde de natuurbescherming van gebieden. • De Flora- en faunawet. Deze wet beschermde in het wild voorkomende diersoorten en plantensoorten. • De Boswet. Deze wet beschermde de Nederlandse bossen. Met één wet en minder regels wordt de regelgeving voor natuurbescherming overzichtelijker. Rolverdeling tussen provincies en Rijk Sinds 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur binnen de provincie. De provincies zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid (zoals Natura 2000). Ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen die invloed hebben op beschermde natuur moeten passen binnen de Wet natuurbescherming, Daarnaast gelden ook provinciale regelingen voor natuurbescherming. 3.1.4 Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Erfgoedwet beschermt het cultureel erfgoed in Nederland. De wet is op 1 juli 2016 in werking getreden en vervangt zes wetten en regelingen. In deze wet staan regels om belangrijk cultureel erfgoed beter te beschermen en behouden.
De Erfgoedwet vervangt de volgende zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed: • Monumentenwet 1988 (deels); • Wet verzelfstandiging rijksmusea diensten; • Wet tot behoud van cultuurbezit; • Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied; • Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 over onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen; • Regeling materieel beheer museale voorwerpen. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe de overheid omgaat met roerend cultureel erfgoed (zoals schilderijen), wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe de overheid daar toezicht op houdt. Het beschermingsregime voor de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees archeologische resten) net als de bescherming van gebouwde rijksmonumenten wordt opgenomen in de Omgevingswet. Vooruitlopend op de ingang van de Omgevingswet is het deel van de Monumentenwet 1988 dat gaat over de fysieke leefomgeving geregeld in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Het gaat om:
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 16 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
• • •
vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. bescherming van stads- en dorpsgezichten.
Het erfgoed in de ruimtelijke ordening wordt nu nog voor een belangrijk deel geregeld via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ruimtelijke plannen die toepassing hebben op cultureel erfgoed moeten passen binnen wettelijke kaders van de Erfgoedwet en ook de regelingen die in andere wetten en regelgeving is opgenomen, zoals de Wabo en het Bro.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Nationaal Waterplan In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan is de opvolger van de Vierde nota Waterhuishouding uit 1998. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan is een algemeen plan voor het op nationaal niveau te voeren waterhuishoudkundig beleid. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 2015 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Daarbij heeft het plan het karakter van een kapstokplan, waarop grote beleidsvelden zoals Stroomgebiedsbeheersplannen en WB21 (Waterbeheer 21e eeuw) als min of meer zelfstandige eenheden zijn aangehaakt.
De Waterwet schrijft voor dat de hoofdlijnen van het nationaal waterplan in ieder geval de volgende punten omvatten: a) een aanduiding, in het licht van de wettelijke doelstellingen en normen, van de gewenste ontwikkeling, werking en bescherming van de watersystemen, alsmede van de bijbehorende termijnen; b) een uiteenzetting van de maatregelen en voorzieningen, die met het oog op die ontwikkeling, werking en bescherming nodig zijn; c) een aanduiding van de redelijkerwijze te verwachten financiële en economische gevolgen van het te voeren beleid. Daarnaast worden in het plan de volgende onderdelen opgenomen: a) de stroomgebiedbeheerplannen voor de stroomgebieddistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems, voor zover die betrekking hebben of mede betrekking hebben op het Nederlandse grondgebied; b) het Noordzeebeleid; c) de functies van de rijkswateren Over de grote rivieren, waaronder de Maas, zijn in het plan de volgende beleidskeuzes gemaakt: - Huidige afvoerverdeling handhaven; - Bestaande buitendijkse ruimte behouden, beschermen en beheren; - Ruimte voor de rivier om het riviersysteem op orde te brengen; - Anticiperen op hogere rivierafvoeren en een hogere zeespiegel; - Duurzaam behouden van bevaarbaarheid voor scheepvaart.
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 17 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
Waterbesluit Het Waterbesluit vormt samen met de Waterregeling een uitwerking van de bepalingen van de Waterwet. De Waterwet maakt het mogelijk of schrijft voor dat bepaalde onderwerpen worden uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur (bijvoorbeeld het Waterbesluit), een ministeriële regeling (bijvoorbeeld de Waterregeling) of in regelgeving van decentrale overheden. Dit waarborgt de samenhang tussen verschillende aspecten van het waterbeheer en bevordert ook de overzichtelijkheid van de waterbeheerregelgeving. Bij het opstellen van het Waterbesluit is prioriteit gegeven aan die gevallen waarin de wet nadere regeling voorschrijft. Daarnaast is voor de gevallen waarin nadere regeling kan plaatsvinden het uitgangspunt gekozen om het accent vooral te leggen op "codificeren", in plaats van "modificeren" van bestaande regelgeving. Hierbij is het uitgangspunt uiteraard dat gestreefd wordt naar zo min mogelijk regels met een zo laag mogelijke regeldruk.
Belangrijke onderwerpen in het Waterbesluit zijn: - De landelijke rangorde bij watertekorten, de zogenaamde verdringingsreeks: verdringingsreeks bij watertekorten; - De toedeling van oppervlaktewaterlichamen en waterkeringen in beheer bij het Rijk: rijkswateren en regionale wateren; - De procedurele en inhoudelijke aspecten van het nationale waterplan en het beheerplan voor de rijkswateren: beheerplannen; - Enkele inhoudelijke aspecten van de plannen in verband met implementatie van de kaderrichtlijn water en de richtlijn overstromingsrisico's; - De vergunningsplicht en algemene regels voor het gebruik van rijkswaterstaatswerken: gebruik maken van een waterstaatswerk; - De wijze waarop de aanvraag om een watervergunning wordt gedaan: een watervergunning aanvragen. Beleidsregels Grote Rivieren De beleidsregels berusten op artikel 6.12 van het Waterbesluit. Het toepassingsbereik van de beleidsregels wordt grotendeels gevormd door de rivieren de Maas, de Rijn, de Waal en de IJssel. In aanvulling op artikel 6.12 van het Waterbesluit bepalen de beleidsregels de voorwaarden waaronder toestemming voor diverse activiteiten in het rivierbed kan worden verkregen. Toestemming moet daarbij gezien worden als de toelaatbaarheid vanuit rivierkundig opzicht bezien, nodig voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 6.5 van de Waterwet en artikel 6.12 van het Waterbesluit.
Toepassingsgebied Beleidslijn grote rivieren
Voortvloeiend uit de Waterwet en het Waterbesluit wordt in de Beleidsregels grote rivieren binnen het rivierbed een nader onderscheid gemaakt tussen een bergend regime en een stroomvoerend regime. In de beleidsregels, met bijbehorende kaarten, wordt de exacte begrenzing van deze regimes vastgelegd. Vervolgens wordt de toelaatbaarheid van diverse soorten activiteiten beschreven waarbij onderscheid wordt gemaakt in: - activiteiten bergend regime;
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 18 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
-
riviergebonden activiteiten stroomvoerend regime; niet-riviergebonden activiteiten stroomvoerend regime; overige activiteiten.
De onderscheiden regimes en de toelaatbaarheid van verschillende activiteiten dienen in bestemmingsplannen te worden door vertaald. Integrale Verkenning Maas In 2003 is het rapport Integrale Verkenning Maas uitgebracht. In dit rapport wordt een overzicht gegeven van de wijze waarop rivierverruimende maatregelen kunnen bijdragen aan de hoogwaterbescherming op lange termijn. Op verzoek van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat is een vervolg aan het traject gegeven, waarbij een advies is afgegeven voor mogelijkheden van toekomstige veiligheid met ruimtelijke kwaliteit: Integrale Verkenning Maas – 2. (IVM-2). In kader van IVM-2 zijn binnen de plangrenzen van dit bestemmingsplan de volgende maatregelen voorgesteld: - weerdverlaging - nevengeul Hemelrijkse Waard - hoogwatergeul Lithse Ham In het vergunningenspoor van de Waterwet worden alle nieuwe ontwikkelingen onder meer getoetst aan het mogelijke ruimtebeslag, zoals aangegeven in het IVM-2 projectenplan. Deltaprogramma In het kader van het Deltaprogramma wordt samen met de regio een integrale lange termijnopgave voor de Maas geformuleerd waarin de integrale (ruimtelijke) opgaven en oplossingsrichtingen voor het rivierengebied voor lange termijn (tot 2100) zijn benoemd en sleutelkeuzes voor de inrichting zijn vastgelegd. Waterveiligheid en afvoerverwachtingen van 4.600 m3/s voor de Maas zijn hierbij de randvoorwaarden.
Programma Stroomlijn Rijkswaterstaat werkt met het Programma Stroomlijn aan het onderhoud van de begroeiing in de uiterwaarden. Bij hoogwater, als het water ook door de uiterwaarden stroomt, kunnen begroeiing en ophopend vuil daarin de doorstroming van het water belemmeren. Dit veroorzaakt een nog hoger waterpeil en vergroot het risico op overstromingen. Goed beheer en onderhoud van de begroeiing in de uiterwaarden is daarom erg belangrijk voor de hoogwaterveiligheid. De doelen die voortkomen uit het Programma Stroomlijn zijn: - Onderzoeken welke begroeiing verwijderd kan worden - Het verwijderen van bomen en struiken uit de stroombaan - Het verwijderen van wilgen in dichtbegroeide rietlanden - Het behouden van waardevolle heggen en monumentale bomen - Rekening houden met beschermde dier- en plantensoorten, zoals de bever, kwartelkoning en stroomdalgrasland. Het alternatief plan voor het Programma Stroomlijn van de gemeente Oss voorziet in een goede doorstroming van het water. Door de afgravingen in het plangebied is het niet langer nodig om de door Rijkswaterstaat voorgestelde begroeiing te verwijderen.
3.2.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Ruimte de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De visie stelt het (integrale) kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau in Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig.
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 19 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: - Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland. (concurrerend) - Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. (bereikbaar) - Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke cultuurhistorische waarden behouden zijn. (leefbaar en veilig) Verstedelijkings- en landschapsbeleid wordt overgelaten aan gemeenten en provincies. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei geënt op het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. Bij gebiedsontwikkelingen moet de daadwerkelijke vraag van bewoners, bedrijven en organisaties leidend worden. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en, mocht nieuwbouw echt nodig zijn, altijd zorgen voor een optimale (multimodale) bereikbaarheid.
Bij het verbeteren van de bereikbaarheid wordt sterk gelet op het samenspel tussen alle modaliteiten (weg, spoor, water) in samenhang met ruimtelijke ontwikkeling. Er moet innovatief worden omgegaan met de benutting van de infrastructuur. 3.2.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Indien nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening dat vergen, kan de minister regels stellen aan de inhoud van bestemmingsplannen. Dit heeft de minister, in de vorm van een algemene maatregel van bestuur, gedaan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 december 2011 is dit besluit in werking getreden. Het kabinet heeft in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld dat voor een aantal onderwerpen verdere regels gesteld moeten worden. In het Barro komen dertien nationale belangen als titels terug. De volgende kunnen relevant zijn voor ruimtelijke plannen in de gemeente Oss: - Rijksvaarwegen - Grote rivieren - Defensie - Hoofdwegen en landelijke spoorwegen - Elektriciteitsvoorziening - Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen - Natuurnetwerk Nederland - Primaire waterkeringen buiten het kustfundament De regels in het besluit zijn concreet normstellend benoemd en moeten direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming.
De indirecte doorwerking komt enkel bij de Ecologische Hoofdstructuur en de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden voor. Het Barro voorziet verder in een hoofdstuk overige bepalingen en gaat gepaard met meerdere bijlagen. In deze bijlagen worden onder andere de belangen van de grote rivieren en defensie geografisch begrensd. Bij het opstellen van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van het Barro. Voor de gemeente Oss zijn met name de titels met betrekking tot de rijksvaarwegen, de grote rivieren, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en defensie (rechtstreeks) van belang. De regels in titel 2.4 Grote rivieren vormen feitelijk de doorwerking
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 20 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
van de Beleidsregels Grote rivieren. Ten aanzien van titel 2.6 Defensie wordt de enige mogelijke beperking gevormd door de bescherming van het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel. 3.2.4 Besluit ruimtelijke ordening en “Ladder voor duurzame verstedelijking” Vanaf 1 oktober 2012 is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ een procesvereiste voor ruimtelijke plannen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken (Bro art. 3.1.6 lid 2). Gemeenten moeten plannen, die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, motiveren volgens de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. Per 1 juli 2017 is de Ladder vereenvoudigd, en vervangen door de volgende tekst (artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening): “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. Stedelijke ontwikkelingen zijn bijvoorbeeld een bedrijventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
Nieuwe stedelijke ontwikkeling zijn ontwikkelingen, die nog niet eerder in een bestemmingsplan of ander juridisch verbindend ruimtelijk plan zijn opgenomen. Het plan maakt binnen de bestaande bebouwing zelfstandige horeca en dagrecreatieve activiteiten (creatieve- en kookworkshops, clinics, sport- en spelactiviteiten) mogelijk. Voor die laatste functie wordt 50 m2 nieuw ruimtebeslag gerealiseerd. Verder worden vier trekkershutten gerealiseerd, hiervoor is een nieuw ruimtebeslag van in totaal 100 m2 aan de orde. Ook wordt het bestaande sanitairgebouw met 32 m2 uitgebreid, eveneens nieuw ruimtebeslag. Alhoewel sprake is van nieuw ruimtebeslag is voorliggend plan op basis van jurisprudentie hierover, geen nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder en hoeft met die reden niet verantwoord te worden vanuit de huidige behoefte.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Brabantse Omgevingsvisie: De kwaliteit van Brabant, visie op de Brabantse leefomgeving Op 14 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De visie beschrijft de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn over klimaatverandering, energietransitie, verstedelijking en bereikbaarheid, concurrerende duurzame economie en de basis op orde. Voor deze opgaven wordt aangegeven wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de Omgevingsvisie de provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu- en waterplan en de natuurvisie vervangen. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten, als een
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 21 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Om deze basisopgave te verwezenlijken zijn er vier hoofdopgaven gesteld: Werken aan de Brabantse energietransitie Door de grote invloed van klimaatverandering nu, en in de toekomst werkt de provincie aan een energietransitie met als einddoel om in 2050 100% duurzame energie op te wekken. Door aan te sluiten bij de Nationale Energieagenda wordt het landelijk beleid gevolgd. Vervolgens wordt een heldere koers opgesteld met regio en gemeentes. Participatie zal een essentieel onderdeel vormen voor verdere planvorming. Werken aan een ‘klimaatproof’ Brabant Door de alsmaar groter wordende impact van klimaatverandering op ons dagelijks leven dient Brabant hier maatregelen voor te nemen. Er zal een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting worden ontwikkeld. Dit houdt in dat het beeklandschap wordt aangepast om wateroverlast te voorkomen. Om schade aan de landbouwsector te voorkomen wordt innovatie van deze sector, om in te spelen op klimaatverandering, gestimuleerd. Het einddoel is dat Brabant in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht.
Werken aan de slimme netwerkstad Duurzame verstedelijking draagt bij aan de ontwikkeling van steden die voorbereid zijn op de toekomst. Steden worden beter met elkaar verbonden. Mensen moeten zich makkelijker kunnen verplaatsen. Ook wordt de bereikbaarheid van nabije voorzieningen gestimuleerd. Hierdoor wordt het aantal verkeersbewegingen met de auto teruggedrongen en wordt deze van de fiets bijvoorbeeld gestimuleerd. Ondertussen wordt de mobiliteit gestimuleerd door het openbaar vervoer toekomstbestendig te maken, wordt innovatie van zelfrijdende auto’s gestimuleerd en wordt de mobiliteit van bedrijven vergroot. Met als doel: dat in 2050 het stedelijk netwerk van Brabant als één samenhangend duurzaam en concurrerend netwerk van steden en dorpen functioneert, als onderdeel van de Noordwest- Europese metropool. Werken aan een concurrerende, duurzame economie Een concurrerende, duurzame economie bestaat uit verschillende onderdelen. Het stimuleren van een circulaire economie zorgt voor een toekomstbestendige economie. Innovatie wordt hierdoor gestimuleerd en de productencyclus wordt efficiënter. Hiernaast is een verdergaande digitalisering een ontwikkeling die moet worden gestimuleerd en waaruit vele voordelen kunnen worden gehaald. Het kan bijdragen aan de aantrekkelijkheid van bedrijven in de provincie waarmee het vestigingsklimaat wordt gestimuleerd.
Met al deze ontwikkelingen dient echter de sociale impact altijd in ogenschouw te worden genomen. Door het benadrukken van de sociale impact van al deze veranderingen worden de inwoners van Brabant betrokken en zullen zij uiteindelijk het meest profijt van de ontwikkelingen hebben. Met als einddoel: in 2050 is Brabant de top kennis- en innovatieregio in Europa. Onderhavige locatie is gelegen in het buitengebied, aan de rand van de kern Dieden en behelst in de huidige situatie een bouwperceel dat volledig bedoeld is voor verblijfsrecreatie in de vorm van twee groepsaccommodaties, een camping met 25 kampeerplekken, ondergeschikte horeca en een bedrijfswoning. De locatie is geschikt voor recreatie. In lijn hiermee willen de initiatiefnemers hun huidige activiteiten uitbreiden. Het gaat om een bestaand sanitairgebouw dat met 32 m2 wordt uitgebreid. Verder wordt op de locatie uitgebreid met vier trekkershutten van ieder 25 m2. Daarbij wordt dagrecreatie in de vorm van creatieve- en kookworkshops, clinics, sport- en spel in de bestaande bebouwing toegevoegd, waarvoor aanvullend nog een kapschuur van 50 m2 wordt gerealiseerd. Verder wordt in plaats van ondergeschikte, - in de bestaande bebouwing - zelfstandige horeca mogelijk gemaakt. Op deze locatie is
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 22 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
dit alles een voor de hand liggende keuze. Het gebied langs de Maas wil men zoveel mogelijk toeristisch en recreatief toegankelijk maken. Het initiatief vindt aansluiting bij ‘Werken aan een concurrerende, duurzame economie’. Onderhavige ontwikkeling is passend in de Brabantse Omgevingsvisie.
3.3.2 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – partiële herziening 2014 Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. Belangrijke beleidswijzigingen ten opzichte van de structuurvisie van 2010 hebben betrekking op de realisatie van natuur en de transitie naar zorgvuldige veehouderij in Brabant. Deze structuurvisie blijft gelden tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De structuurvisie is een schakel tussen de structuurvisies van Rijk en gemeenten op het gebied van ruimtelijke ordening. De structuurvisie geeft helderheid over de ruimtelijke belangen en doelen van de provincie en de wijze waarop zij haar instrumentarium inzet. De provincie kiest met de structuurvisie voor een duurzame ontwikkeling, waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie afkomen. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kracht en de identiteit, aan het vestigings- en leefklimaat van Noord-Brabant.
De visie van de provincie bestaat op hoofdlijnen uit een robuust en veerkrachtig natuuren watersysteem, uit een multifunctioneel landelijk gebied waar functies landbouw, recreatie en natuur in relatie tot elkaar ruimte krijgen, en een gevarieerd en aantrekkelijk stedelijk gebied, met sterke steden, groene geledingszones en uitloopgebieden. Structuren: ambitie, beleid en uitvoering De structuren geven een hoofdkoers aan, een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De volgende vier structuren worden onderscheiden. - De groenblauwe structuur - Het landelijk gebied - De stedelijke structuur - De infrastructuur
Structurenkaart
De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen. De verschillen tussen de steden, suburbane kernen, dorpen en plattelandskernen zijn in ruimtelijk, sociaal en economisch opzicht een belangrijke kwaliteit van Brabant. Concentratie van verstedelijking vindt plaats in het zogenaamd ‘kralensnoer’ van steden (op de overgang van zand naar klei, tussen Bergen op Zoom en Oss) en rond de steden op het zand. Hier wordt de bovenlokale groei van de verstedelijking opgevangen. Grootschalige stedelijke
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 23 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
ontwikkelingen met een bovenregionaal karakter wil de provincie concentreren in de vijf grote Brabantse steden. Binnen de stedelijke structuur onderscheidt de provincie twee ontwikkelingsperspectieven: stedelijk concentratiegebied en kernen in het landelijk gebied. De stad Oss behoort tot het stedelijk concentratiegebied. Binnen de stedelijke structuur wil de provincie het volgende bereiken: 1. Concentreren van verstedelijking Om bij te dragen aan een onderscheidend leef- en vestigingsklimaat is het belangrijk dat er in NoordBrabant verschil blijft tussen de steden en de kernen in het landelijk gebied. De provincie wil dat er verschillende kwaliteiten worden ontwikkeld voor wonen en werken rond de steden en in het landelijk gebied. Bij de opgave voor werken wordt het accent verlegd naar de te ontwikkelen kwaliteiten, de inzet op herstructurering en het beheer van bestaand stedelijk gebied. Door verstedelijking te concentreren zijn er meer mogelijkheden om een hoog voorzieningenniveau in stand te houden en verder te ontwikkelen. Dat gebeurt rond goed ontsloten gebieden, zoals in dynamische stadscentra en op knooppunten van infrastructuur. 2. Inspelen op demografische ontwikkelingen Naar verwachting zal overal in Brabant de komende decennia de bevolkingsgroei afnemen en zullen steeds meer gemeenten te maken krijgen met een afname van de bevolking.
Deze demografische ontwikkelingen hebben voor vele beleidsterreinen gevolgen en hierop moet tijdig worden ingespeeld. Om concurrentie tussen gemeenten en regio’s, overproductie en leegstand te voorkomen neemt het belang van regionale afstemming en het maken van afspraken toe, bijvoorbeeld met betrekking tot de programma’s voor wonen en werken. 3. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik. Hierdoor is minder ruimte nodig voor stedelijke uitbreidingen. Het ‘aansnijden van nieuwe ruimte’ voor verstedelijking wordt in samenhang bezien met deze mogelijkheden. Zorgvuldig omgaan met de beschikbare ruimte betekent dat er ook aandacht is voor de kwalitatieve vraag naar woon- en werklocaties; het is soms nodig nieuwe ruimte aan te snijden om in de kwalitatieve vraag te voorzien. 4. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit De provincie wil dat nieuwe ontwikkelingen meer inspelen op het karakter en de kwaliteit van de plek, zodat karakteristieke verschillen tussen locaties zichtbaar blijven. In gebiedspaspoorten is aangegeven welke regionale kwaliteiten de provincie belangrijk vindt.
Ook voor ontwikkelingen langs grote infrastructuren (weg, spoor, water) worden eisen aan de kwaliteit gesteld. 5. Betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur Een betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan infrastructuur draagt bij aan een goede bereikbaarheid en daarmee aan het (inter)nationale vestigingsklimaat van Noord-Brabant. Verstedelijking en infrastructuur worden in onderlinge samenhang ontwikkeld. De provincie wil dat de ontwikkeling van bezoekersintensieve voorzieningen, kantorenlocaties, werklocaties en grootschalige recreatieve voorzieningen zich concentreren op goed ontsloten, multimodale plekken. 6. Versterking van de economische kennisclusters Noordoost Brabant legt zich toe op life sciences & medische technologie, food & nutricion en hightech. De positie van de kennisclusters kan worden versterkt door een vestigingsklimaat te bieden dat de uitwisseling van kennis tussen bedrijven, overheden en onderwijsinstellingen stimuleert. Door de verdienstelijking van de economie en het thematiseren van werklocaties ontstaat er steeds meer menging
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 24 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
van verschillende soorten bedrijven en functies. De menging heeft niet alleen positieve gevolgen. De provincie wil de negatieve effecten van deze menging tegengaan door voldoende ruimte te bieden aan bedrijven met een hinder- en risicoprofiel die zich niet laten mengen met andersoortige bedrijven en functies. In het Regionaal Ruimtelijke Overleg vindt afstemming plaats en worden afspraken gemaakt over wonen, werken en voorzieningen. In regionaal verband worden jaarlijks regionale agenda’s voor wonen opgesteld. Dit gebeurt ook voor werken. Zorgvuldig ruimtegebruik en de toepassing van de SER-ladder zijn voorwaarden bij het maken van regionale afspraken. Onderhavige ontwikkeling is passend in de provinciale structuurvisie. Aansluiting kan worden gevonden bij hetgeen hierboven geformuleerd onder 1 en 3. Er wordt ontwikkeld op de rand van stad en land, wat zeer geschikt is voor een recreatieve functie die zich op het buitengebied richt, maar waarvoor geen verstedelijking midden in het buitengebied nodig is. Verder is zorgvuldig ruimtegebruik uitgangspunt, want vrijwel alle toe te voegen activiteiten worden zoveel mogelijk gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing. Uitzondering hierop is de realisatie van vier trekkershutten van ieder 25 m2, de uitbreiding van een bestaand sanitairgebouw met 32 m2 en de realisatie van een kapschuur van 50 m2 voor dagrecreatie.
3.3.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant In oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. De verordening zorgt voor kaderstellende doorvertaling van de omgevingsvisie en het bestaande provinciaal beleid. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is een eerste stap in de implementatie van de Omgevingswet op provinciaal niveau. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vervangt de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant staan regels voor: - Burgers en bedrijven: dit zijn rechtstreeks werkende regels voor activiteiten. Deze regels bevatten de voorwaarden om zo’n activiteit te mogen verrichten. Deze regels geven ook aan of de start van een activiteit vooraf moet worden gegaan door een melding. - Bestuursorganen van de overheid: dit zijn zogenaamde instructieregels.
Met deze regels kan de provincie een opdracht geven aan gemeenten over onderwerpen die zij in het bestemmingsplan moeten opnemen of aan het waterschap over de manier waarop ze hun taken uitvoeren. Ter plaatse van het plangebied gelden conform de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant de instructieregels voor gemeenten voor de ‘Landelijke kern’. Zie ook de uitsnede van de kaart van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ter hoogte van het plangebied (rode pijltje) hieronder. Het plangebied ligt in het ‘Stedelijk gebied – Landelijke kern’.
2e Veegplan buitengebied Oss – 2020, pag. 25 van 68 Ruimtelijke onderbouwing, Uitbreiding Laurenshoeve, Poelstraat 3, Dieden – 9 maart 2021
Daarom zijn de regels uit Afdeling 3.5 stedelijke ontwikkeling en mobiliteit relevant. Voor stedelijke ontwikkelingen zijn er twee werkingsgebieden opgenomen: 1. Stedelijk gebied met een onderverdeling in: • Stedelijk concentratiegebied • Kernen in landelijk gebied 2. Verstedelijking afweegbaar. Er is een basisregeling geformuleerd voor duurzame stedelijke ontwikkeling. Uitgangspunt daarbij is dat eerst de mogelijkheden in ‘Stedelijk gebied’ worden benut of de mogelijkheden in leegkomend of leegstaand erfgoed elders in de gemeente. Als daarbinnen vanuit kwalitatieve- of kwantitatieve overwegingen geen ruimte beschikbaar is, kan een afweging worden gemaakt voor nieuw ruimtebeslag in ‘Verstedelijking afweegbaar’. In artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling is het volgende opgenomen: Lid 1: Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2: Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c.