CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 10 MER.pdf

Adviescommissie Ruimte 24 juni 2021, gemeente OssBij agendapunt: BI Vaststelling bestemmingsplan Herinrichting uiterwaarden Demen - Dieden28.279 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Milieueffectrapport MeerMaas Planontwikkeling Demen-Dieden Kleiwinning als drager voor natuurontwikkeling en rivierverruiming

Milieueffectrapportage MeerMaas project Planontwikkeling Demen-Dieden Kleiwinning als drager voor natuurontwikkeling en rivierverruiming MER April 2019 Geactualiseerd: januari 2020

Colofon Dit is een project van Natuurmonumenten en Rijkswaterstaat in samenwerking met Wetering en K3Delta. Contactpersoon opdrachtgever Dhr. F. Mandigers (Natuurmonumenten) Dhr. W. van der Heijden (Rijkswaterstaat Zuid-Nederland) Contactpersoon K3Delta Dhr. I. Reerink Auteurs MER Marloes Springer en Marleen van Dusseldorp (Lievense) Adri Voorwinden en Jos Rademakers Revisies Definitief: April 2019 Geactualiseerd: Januari 2020  Stikstofdepositie  Bodem-PFAS  Rivierkunde  Bakenbomen behouden

Autorisatie Documentnummer 17M7013.RAP003.MER-v1.0 Opgesteld door:

Versiedatum Januari 2020 Functie

Mevr. M. van Dusseldorp Dhr. D. den Houting

Junior Adviseur Omgeving

Geverifieerd door:

Functie

Status Definitief Datum 25.02.2019 21.01.2020 21.01.2020 (v3) Datum

drs. M. Springer dr. W. Bartels drs. F. Hoefsloot

Senior Adviseur Omgeving Adviseur geotechniek Senior adviseur rivierkunde

03.04.2019 28.01.2020 30.01.2020 (v3)

Paraaf

Paraaf

Samenvatting In de Maasuiterwaarden bij Demen-Dieden heeft Natuurmonumenten het initiatief genomen om natuurontwikkeling mogelijk te maken. Samen met Rijkswaterstaat, de terreineigenaren en Natuurmonumenten trekt K3Delta de ontwikkeling van dit gebied. De uiterwaard wordt door de kleiwinning getransformeerd tot een ecologisch waardevol natuurgebied waarbij ook voldoende ruimte is voor de rivier en (extensieve) recreatie. Het plan is vanwege de grootte van de ontgronding m.e.r.-plichtig. Ook wordt een nieuw bestemmingsplan gemaakt dat de m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk maakt. Deze MER is daarom een gecombineerd plan- /project-MER. Het plangebied Demen-Dieden bevindt zich binnen het traject van de MIRT-verkenning RavensteinLith. Onder de noemer Meanderende Maas werkt het waterschap Aa en Maas met haar partners aan het versterken van de dijk tussen Ravenstein en Lith, het geven van meer ruimte aan de Maas en het ontwikkelen van het gebied. Dit zodat het gebied Ravenstein-Lith dan voldoet aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, die sinds 2017 van kracht zijn. De plannen voor Demen-Dieden zijn afgestemd met Meanderende Maas en zijn opgenomen in beide kansrijke alternatieven van Meanderende Maas. Sinds 2002 wordt nagedacht over een nieuwe inrichting van de uiterwaard bij Demen en Dieden.

Alle verkenningen, schetsstudies en gebiedsanalyses hebben geleid tot één voorkeursontwerp. In dit ontwerp worden alle doelen en randvoorwaarden zo goed mogelijk ingevuld. Er is een balans tussen de mogelijkheden van natuurontwikkeling, de bijdrage aan hoogwaterveiligheid (het realiseren van een waterstandsdaling bij hoogwater) en kleiwinning (als financiële drager van de herinrichting). Dit alles binnen de strikte randvoorwaarden van de aangrenzende primaire kering. Het voorkeursontwerp Door geulen aan te leggen in de uiterwaard tot op de onderliggende zandondergrond ontstaat een gevarieerd landschapsbeeld met ruimte voor natuur. Tussen de geulen ontstaat een gevarieerde vegetatie met rivierpioniers (al dan niet tijdelijk), (stroomdal)graslanden, ruigtes, struwelen en kleinschalig ooibos. Met de herinrichting wordt ingezet op de terugkeer van riviergebonden natuur. De geulen worden gevormd door de zandondergrond, waarbij rekening wordt gehouden met een goede aansluiting van de geulen op de hoofdstroom en rivieroever met bakenbomen. Daar waar de geulen zijn ontworpen zijn tevens historische patronen leidend. Ter hoogte van Demen ontstaat na afgraven een tweezijdig aangetakte oevergeul. Tussen de geul en de Maas ontstaan zandige platen en eilanden. In de buitenbocht ontstaan steilranden, dit biedt een broedbiotoop voor bijvoorbeeld oeverzwaluwen.

In de flauwe binnenbochten zijn de stroomsnelheden beperkt, waardoor zich hier oever- en watervegetaties kunnen ontwikkelen.

Figuur 0-1: Voorkeursontwerp

Op het eiland ten oosten van de veerstoep kan ooibosontwikkeling plaatsvinden. De toegestane mate van vegetatieverruwing, met struweel en bos, is in het ontwerp beperkt. De geul van Demen wordt begrensd door de andere zijde van de oude Maasoever van de Batenburgse meander. Dit terrein wordt afgegraven. Bovendien wordt er een kleine geul gegraven, als verwijzing naar het afwijkende deel van deze oude oever. Het veer naar Batenburg behoudt zijn toegang. Door het afgraven van de hoge uiterwaarden wordt de Maas met de kenmerkende bakenbomen en riviernatuur naar verwachting in het hele traject beter zichtbaar en beleefbaar. Het uitzicht op Batenburg blijft zoveel mogelijk behouden. Tussen Demen en Dieden wordt geen klei gewonnen. De uiterwaard is hier zo smal dat een verlaging ervan binnen de beschermingszone van de primaire kering zou vallen. Deze zone blijft onvergraven om de stabiliteit van de dijk niet aan te tasten. Wel wordt hier voorzien in een pad dat berijdbaar is voor rolstoelgebruikers. Dit pad sluit aan op bestaande dijkafritten zodat de mogelijkheid ontstaat om een ommetje te maken. Ten westen van Dieden worden twee geulen aangelegd. Gekozen is voor een geïsoleerde geul en een meestromende geul. De ligging en de breedte van de geulen zijn afgeleid van de historische situatie en altijd smaller dan de Maas in de huidige vorm.

Met verschillende geulen ontstaat een grote biodiversiteit. Dicht bij de dijk komt een nagenoeg permanent van de Maas geïsoleerde geul waar waterplanten gaan groeien. De geïsoleerde geul ligt op de plaats waar op de historische kaart ook een geul is te zien. Tussen de geïsoleerde geul en de rivier komt een kleine meestromende geul. Het tracé van deze geul is afgeleid van de historische situatie.

Nabij de geïsoleerde geul is de verlaagde Lelyzone in de huidige situatie plaatselijk nog redelijk zichtbaar. De Lelyzone is een relict van de vroegere kanalisatie door ingenieur C. Lely. In het landschap bij Dieden wordt dat zichtbaar als een steilrand. De steilrand maakt het landschap beter leesbaar en heeft dus vooral een landschappelijke waarde. Dit is de aanleiding om nabij hectometerpaal 440 de Lelyzone (buiten de 75m beschermingszone van de dijk) te accentueren. Hierdoor blijft de Lelyzone als terreinsprong beter herkenbaar. Tegenover het voormalig kasteel vervalt het landbouwpad. Hier wordt de Lelylijn de nieuwe oever van de geïsoleerde geul er ontstaat dan een flinke terreinsprong, een steilrand. Bovenop de steilrand is er de mogelijkheid om vanaf de dijk te wandelen in de richting van het bestaande bos. Het terrein ten zuiden van deze Lelylijn is aangewezen als omputlocatie. Dat betekent dat er, buiten een royale zone om het bos, tussen Lelyzone, dijkzone en de aanwezige Maasheg klei wordt gewonnen. Het maaiveld wordt na ontkleien aangevuld in aansluiting op de bestaande laagte in de dijkzone. Ter plekke van de oeveraanvullingen worden de oude kribben (aangelegd rond 1854-1891) zo mogelijk blootgelegd.

Het zichtbaar maken van de oude kribben is deels ingegeven vanuit cultuurhistorie (zichtbaar maken oude bedding van de Maas) en wordt deels gebruikt voor de rivierkundige optimalisatie. De bakenbomen zijn van landschappelijke waarde en worden ingepast in het ontwerp. Dat betekent dat de bakenbomen dan op kleine verhogingen komen te staan, ruim om de stam en in stroomrichting ovaal, nadat het terrein om de bomen is verlaagd. Het ontwerp geeft tevens de mogelijkheid om nieuwe bakenbomen tussen de bestaande bakenbomen op het verlaagde maaiveld in te planten. Verschillende onderzoeken naar rivierkunde (bijdrage aan hoogwaterveiligheid), geohydrologie (of er sprake is van kwel), natuurinrichting (welke typen bos of grasland kunnen zich ontwikkelen) en geotechniek (blijft de dijk veilig) zijn uitgevoerd om het voorkeursontwerp te maken. Uit deze onderzoeken is gebleken dat het project Demen-Dieden aan alle vooraf gestelde voorwaarden voldoet zoals is samengevat onderstaande tabel.

Tabel 0-1: Toets voorkeursontwerp aan randvoorwaarden en ontwerp-opgave Voorwaarde

Voldoet?

Toelichting

Een groot oppervlak robuuste, rijk

Ja

De geulen met steile en flauwe oevers, behoud van bakenbomen en

gestructureerde beheerbare riviernatuur weet te

afgraven van de klei tot aan de zand-ondergrond dragen bij aan de

realiseren dat voldoet aan de wensen van de

ontwikkeling van een agrarisch gebied met beperkte

betrokken partijen

natuurwaarden tot een ecologisch rijk en divers gebied.

Financieel-technisch uitvoerbaar is (kwaliteit en

Ja

hoeveelheid afvoerbare grondstoffen)

Er komt voldoende klei vrij, die bovendien geschikt is voor de keramische industrie, om project financieel haalbaar te maken. Roofgrond (de bovenste grondlaag) kan binnen het gebied worden hergebruikt.

Gewaardeerd wordt door de omgeving

Ja

(woonomgeving, recreatie)

De nieuwe inrichting biedt meer mogelijkheden voor (natuur)recreatie. Bovendien blijft het veer naar Batenburg bereikbaar. Ook de aanleg van een rolstoelpad draagt bij aan de toegankelijkheid. De bakenbomen en uitzicht op uiterwaard en Bakenburg blijven behouden. Door gefaseerde uitvoering en oplevering zijn deelgebieden snel toegankelijk voor de omgeving.

Een optimale bijdrage levert aan de

Ja

rivierverruiming en de benodigde

Het plan levert een bijdrage aan de opgave voor het hele traject Meanderende Maas (totaal 25 km dijk).

waterstandsdaling Vergunbaar is binnen alle (strikte) eisen aan

Ja*

veiligheid vanuit wet- en regelgeving

De optimalisatie naar één voorkeursontwerp is vooral uitgevoerd op de kritische thema’s: geotechniek en geohydrologie. De effectbeoordeling toont aan dat aan de wet- en regelgeving wordt voldaan.

Zo min mogelijk hinder veroorzaakt en zo min mogelijk andere negatieve effecten heeft

Ja

Hinder tijdens uitvoering wordt zoveel mogelijk beperkt door een gefaseerde uitvoering, geen vrachtwagens met klei over de dijk en afvoer per schip.

* het ontwerp voldoet op alle vergunningsaspecten met uitzondering van dwarsstroming. Het geoptimaliseerde ontwerp heeft een dwarsstroming weliswaar zo klein mogelijk is gemaakt maar desondanks groter is dan de eisen uit het RBK.

Varianten Naast de voorkeursvariant zijn er ook drie onderzoeksvarianten beoordeeld. Deze varianten zijn gebruikt om effecten op het gebied van rivierkunde en geohydrologie beter te kunnen bepalen. Reden hiervoor is dat er een afweging moet worden gemaakt tussen versterking van natuur, kleiwinning, en effecten daarvan op de waterstand, grondwater en stroming voor de scheepvaart. Zo kan te veel afgraving zorgen voor dwarsstroming en kan de ontwikkeling van (te veel) bos zorgen voor opstuwing en het onttrekken van het zicht op de rivier en Batenburg voor omwonenden. Om tot een optimum van deze verschillende parameters te komen zijn daarom de vergelijkingsvarianten opgesteld. De effectbeschrijving en -beoordeling is deels uitgevoerd tijdens de optimalisaties die zijn doorgevoerd. Voor de volledigheid zijn de varianten (1, 2 en 3) ook opgenomen in de effectbeoordeling.

Variant 1: Maximale ruwheid Deze variant geeft de situatie weer die zal ontstaan als de natuur in de uiterwaard zeer sterk verruigt. Deze situatie wordt rivierkundig doorgerekend als een worst-case situatie. Variant 2: Maximale ontgraving en depots Bij deze variant wordt alle beschikbare klei in het gebied afgegraven, er wordt dus gekeken naar alle bruikbare klei. Roofgrond of andersoortige grond (onbruikbare klei en/of ophoogzand) wordt uitgewisseld tegen keramische klei en grover zand in de ondergrond. Deze vergelijkingsvariant beschrijft de maximaal denkbare afgraving. Variant 3: Separate uitvoering Variant waarbij de uitvoering van het werk op de respectievelijke eigendommen van Natuurmonumenten (de uiterwaard) en Rijkwaterstaat (de oeverstrook) als afzonderlijke werken worden aanbesteed en uitgevoerd. Beide deelprojecten zullen in dat geval andere uitvoeringstermijnen kennen en een gescheiden grondbalans. Deze separate uitvoering heeft mogelijk gevolgen tijdens de uitvoering (opleveringstermijnen, tijdelijke aansluiting, bereikbaarheid, andere grondstromen). Het eindbeeld verschilt omdat de vrijkomende grondstromen niet tussen de deelgebieden worden uitgewisseld en door verschillen in opleveringstermijnen (ontwikkelingstijd nieuwe vegetaties). De aanvraag voor procedures wordt dus integraal gedaan, maar de uitvoering kan separaat geschieden.

Beoordeling van milieueffecten In dit milieueffectrapport worden de effecten van dit plan op diverse milieuthema’s beschouwd. Dit is gedaan door het voorkeursontwerp te vergelijken met de referentiesituatie. Dat is de huidige inrichting van de uiterwaard plus de autonome ontwikkeling. We beschouwen de effecten voor zowel de uitvoeringsfase (die neemt immers meerdere jaren in beslag) als voor het eindresultaat. Natuurwaarden Het gebied kent op dit moment weinig waardevolle natuur: de uiterwaard is vooral een agrarisch gebied. Door de herinrichting ontstaan meer gevarieerde ecologische waarden, onder andere door de aanleg van de nevengeulen. Dit levert een duidelijke bijdrage aan de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water (KRW), het Natuurwerk Nederland en Natuurnetwerk Brabant. Omdat het terrein nu mogelijk (ook) leefgebied is voor enkele beschermde soorten (kamsalamander en grote modderkruiper) is onderzoek uitgevoerd om de aan- of afwezigheid van de soort met zekerheid vast te kunnen stellen. Met behulp van e-DNA is aangetoond dat deze soorten niet in het plangebied aanwezig zijn. Stikstofdepositie Als gevolg van de werkzaamheden tijdens de uitvoering is mogelijk een (tijdelijk) verhoogde waarde van stikstof aanwezig. Deze extra uitstoot kan een negatief effect hebben op de omliggende Natura 2000-gebieden.

In oktober 2019 is de netto stikstofdepositie berekend door de depositie die door

het huidige (intensieve) agrarische gebruik is veroorzaakt, af te trekken van de depositie die de uitvoering van het plan veroorzaakt. Door het verdwijnen van een significant areaal landbouwgronden (110 ha) daalt de netto stikstofdepositie fors. Overal buiten het plangebied, ter hoogte van de stikstofgevoelige habitattypen in Natura2000-gebieden, neemt de stikstofdepositie als gevolg van de totale planvorming ook af in de orde grootte van 0,1 tot 1 mol N/ha/jaar. Significant negatieve effecten door stikstofdepositie door uitvoering van het plan zijn daarmee uitgesloten. Sterker nog voor de lange termijn ontstaat er een forse toename in natuurgebied waar geen stikstofuitstoot zal plaatshebben en CO2 wordt vastgelegd; ook draagt het gehele gebied fors bij aan KRW-doelstellingen. Effecten op de dijk De dijk mag geen schade lijden, niet verzwakken of slechter beheerbaar worden. Deze eisen hebben mede geleid tot de optimalisatie tot het voorkeursontwerp. Doordat er niet gegraven wordt in een zone van 75 m vanaf de teen van de dijk blijft er voldoende ruimte voor toekomstige dijkversterkingen én is de dijk goed bereikbaar en beheerbaar. In overleg met waterschap Aa en Maas is afgestemd hoe de dijkveiligheid onderzocht moet worden. Hierbij is afgesproken dat het risico op piping leidend is.

Uit de onderzoeken naar piping is gebleken dat in de referentiesituatie de dijk al niet voldoet: er is een te grote kans dat door piping de dijk verzwakt. Uit de geotechnische studie blijkt dat in de huidige situatie doorgaande pipes kunnen ontstaan. Dit blijkt zowel uit de Sellmeijer-berekeningen als de modelresultaten van D-Geo Flow in combinatie met expert judgement. Door de dunne deklaag ligt het intredepunt in de referentiesituatie al erg dicht bij de dijk. Na vergraving is de klei deels verwijderd. De doorlatendheid in dit gebied wordt dan (veel) groter. Het intredepunt ligt nog steeds op minimaal 80 m van de dijk. Het verschil is dat door de vergraving water sneller en makkelijker richting de dijk zal stromen door de ondergrond en dat de druk van het water op de binnendijkse deklaag toe zal nemen. Dit kan niet worden meegenomen in Sellmeijerberekeningen, maar wel in D-Geo Flow. Uit de resultaten blijkt dat de berekende lengte van de pipes toeneemt en de berekende ratio kritiek verval /optredend verval afneemt. Die ratio representeert de marge die er is tot falen van de dijk op piping. De marge is zowel na vergraving als in de referentiesituatie te klein om van een veilige situatie te spreken.

De vergraving leidt tot een kleine toename van pipingrisico maar zal niet bepalend zijn voor het ontstaan van doorgaande pipes omdat:  de mogelijke technische maatregelen om de dijk te versterken ook een eventuele risicotoename door de vergraving opvangen,  het intredepunt mogelijk nog dichter bij de dijk ligt (dus niet zo conservatief als mogelijk geschematiseerd is), en  de vergraving een positieve bijdrage levert door het waterstandsdalend effect, Het effect is daarmee neutraal.

Effecten op de rivier Rivierverruiming is niet het primaire doel, maar het project beoogt wél een proportionele bijdrage te leveren aan de verruiming van de afvoercapaciteit bij hoogwater. Daarom zijn verschillende vergelijkingsvarianten onderzocht en is, na een aantal optimalisaties, een voorkeursontwerp doorgerekend. Voor de effectbeoordeling is gekeken naar de effecten van het plan op de verschillende (hoog)waterstanden, morfologie en hinder voor de scheepvaart. Waterstand Het voorkeursontwerp realiseert een waterstandsdaling van circa 5 centimeter ten koste van een opstuwingspiek van 0,8 centimeter. Uit de verschillende berekeningen (optimalisatieslagen) blijkt dat dit een ontwerp is met een realistisch vegetatiebeeld en de meeste netto waterstandsdaling. Vanwege de optredende dwarsstroming is het ontwerp geoptimaliseerd om de dwarsstroming te minimaliseren. Deze optimalisaties leiden tot een kleinere waterstandsdaling. Dwarsstroming Door water dat de nevengeulen in- en uitstroomt kunnen zogenaamde dwarsstromen ontstaan die mogelijk hinder veroorzaken voor de scheepvaart. Het voorkeursontwerp is maximaal geoptimaliseerd (met een debiet van 2.000 m3) om de dwarsstroming te minimaliseren. De berekende dwarsstroming van het geoptimaliseerde ontwerp is groter dan de eisen uit het RBK. Een grote dwarsstroming komt vaker langs de Maas voor o.a. bij Batenburg.

Morfologie Door verlaging van de uiterwaard kan de stroomsnelheid dalen waardoor sedimentatie optreedt. Uit de onderzoeken blijkt dat de modelresultaten niet representatief zijn en dat een beperkte sedimentatie wordt verwacht door afname van stroomsnelheden. Op enkele plaatsen is, door beperkte toename, helemaal geen sedimentatie te verwachten. Golfslag Uit de berekeningen blijkt dat de golfhoogten voor en na vergraving (nagenoeg) identiek zijn. Op basis van voorgaande kan geconcludeerd worden dat het ontwerp geen effect op de golfhoogten heeft. Effecten op grondwater Er zijn geen grondwaterverontreinigingen bekend binnen- of buitendijks. Tijdens de uitvoeringsfase mogen werkzaamheden vanzelfsprekend niet leiden tot verontreiniging van bodem of grondwater (zorgplicht uit de Wet bodembescherming en Wet milieubeheer). De waterhuishouding binnendijks kan beïnvloed worden door vergravingen aan de buitendijkse zijde. Bij hoge waterstand kan er meer water onder de dijk doorstromen, dit kan de dijk verzwakken (piping) maar ook wateroverlast in het binnenland veroorzaken. De effecten op grondwaterstanden zijn daarom uitgebreid onderzocht.

De effecten van de vergraving zijn onder gemiddelde en gemiddeld droge en natte omstandigheden in het binnendijkse gebied gering. Grondwaterstands- en stijghoogteveranderingen zijn kleiner dan 5 cm en fluxveranderingen kleiner dan 0.5 mm/dag. Dit komt mede doordat de Maas gestuwd is en in droge perioden niet uitzakt. In gemiddelde omstandigheden wordt daarmee, zelfs in een worst-case berekening, voldaan aan de eisen van het waterschap Aa en Maas. Tijdens hoogwater T=10 is er wel sprake van een tijdelijke toename van de kwelflux. Deze toename is meer dan 2% en leidt tijdens een hoogwatergolf tot een beperkte toename van het water binnendijks. Het waterschap dient te beoordelen of deze toename acceptabel is of gecompenseerd dient te worden. Effecten op historische waarden Wanneer in een gebied waardevolle archeologische, aardkundige of cultuurhistorische waarden voorkomen moet hier rekening mee worden gehouden. Dit is bijvoorbeeld gedaan door de bakenbomen zoveel mogelijk te handhaven en de nevengeulen, waar mogelijk, op de plek te situeren waar in het verleden ook water heeft gestroomd. Zo maken we het oude landschap deels weer zichtbaar (positief effect). Uit onderzoek blijkt dat geen archeologische vindplaatsen worden verwacht.

Effecten op landschap en leefomgeving Het huidige landschapsbeeld is voornamelijk (intensief) agrarisch en heeft daarmee weinig waarde voor natuur of recreatie. Na de uitvoering van het plan wordt het gebied ingericht als natuur. Bij de toetsing is ook het Ruimtelijk Kwaliteitskader van Meanderende Maas gebruikt. Dit geeft een positief effect op de kwaliteit van de leefomgeving en het landschap (meer variatie en natuurwaarden). Het effect op de woonkwaliteit is neutraal/positief omdat woningen niet worden aangetast en mogelijkheden voor extensieve (natuurgerichte) recreatie nemen toe. Effecten op bodemkwaliteit De milieuhygiënische kwaliteit van de klei en het zand in de uiterwaarden is onderzocht. De toplaag (roofgrond) kan binnen de uiterwaard opnieuw worden gebruikt. De klei is geschikt om te vermarkten. Het zand dat dieper in de ondergrond ligt is schoon en kan op verschillende manier worden hergebruikt, dit leidt tot een verbetering van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Er komt ruim 1,1 miljoen m3 klei vrij die vermarkt kan worden (keramische industrie). Het project is daarmee financieel rendabel. In het najaar van 2019 is de opgestelde waterbodemkwaliteitskaart aangevuld met PFAS. Met deze gegevens kan het grondverzet (waterbodem) binnen de plangebiedsgrenzen plaatsvinden zoals voorgenomen en zonder aanvullende kwaliteitseisen voor PFAS-verbindingen.

Hinder en veiligheid tijdens uitvoering Door een gefaseerde uitvoering worden de gebieden waar de werkzaamheden zijn afgerond snel weer opgeleverd en toegankelijk. De uiterwaard is dus niet in zijn geheel afgesloten en ingericht als werkgebied. Wel zullen de graafactiviteiten zichtbaar zijn en het landschap tijdelijk veranderen in een

terrein met hopen grond op verschillende niveaus. Doordat alle aan- en afvoer via water gaat is er geen overlast door vrachtwagens en ander materieel op de dijk. Geluid uitvoeringsfase Voor de uitvoeringsfase is de geluidbelasting op de woningen onderzocht. De gemiddelde geluidbelasting op de woningen is voor 5 van de 60 woningen hoger dan het ambitieniveau van 50 dB(A), namelijk maximaal 55 dB(A). Bij slechts 15 woningen is het maximale geluidniveau meer dan 60 dB(A). Er wordt voldaan aan de wettelijke bovengrens van 70 dB(A) voor maximale geluidniveaus. Bij het bepalen van de indirecte hinder (hinder als gevolg van vrachtwagens langs de rand van het wingebied of schepen van en naar de laadwal) is uitgegaan van de worst-case situatie. Dit betekent het maximaal aantal transportbewegingen met vrachtwagens of schepen ter plaatse van de woningen. Met een geluidbelasting van ten hoogste 39 dB(A) wordt ruim voldaan aan de normstelling van 50 dB(A) uit de Circulaire indirecte hinder. Geluid gebruiksfase Naar verwachting is het aantal verkeersbewegingen van en naar de parkeerplaatsen zeer beperkt aangezien extensieve recreatie van ondergeschikt belang is aan de natuur. De geluidbelasting als gevolg van de verkeersbewegingen van en naar de parkeerplaatsen is verwaarloosbaar. De geluidbelasting tijdens de gebruiksfase wordt daarom niet nader beschouwd.

Daarmee wordt het criterium geluid neutraal beoordeeld. Veiligheid Voor het vervoeren van de afgegraven klei (per schip) wordt een tijdelijke laad- en losvoorziening afgemeerd aan de oever van de Maas. Er zijn geen grote gasleidingen of leidingen met gevaarlijke stoffen in het gebied aanwezig, de dichtstbijzijnde spoorweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaats vindt is op ruim 1 km afstand gelegen. De dichtstbijzijnde hogedruk aardgastransportleidingen op circa 2,5 km afstand. De ontgraven klei wordt per schip afgevoerd over de Maas. Dit transport is beperkt tot 1 schip per dag, waarmee de reguliere scheepvaart op de Maas nauwelijks beïnvloed wordt en daarmee geen risico’s ontstaan. Na voltooiing van de werkzaamheden zal het bezoekersaantallen aan het natuurgebied ten opzichte van het huidig bezoek nagenoeg niet toenemen. Er vindt dan ook geen wijziging plaats van het huidige plaatsgebonden- en groepsrisico. Het projectgebied is niet verdacht op Niet Gesprongen Explosieven (NGE)1. De werkzaamheden kunnen daarom worden uitgevoerd zonder aanvullend onderzoek. Geconcludeerd wordt dat de externe veiligheid niet van invloed is op de plannen. Daarmee scoort het voorkeursontwerp neutraal op externe veiligheid (er is geen gevaar).

1

Ingenieursteam Meanderende Maas – Conditionerend onderzoek: vooronderzoek Conventionele Explosieven. Versie 1 juni 2018

Luchtkwaliteit Voor de realisatiefase van de voorkeursvariant zijn de effecten op luchtkwaliteit berekend, uitgaande van een duur van 7 jaar. De berekening is een worst-case waarbij geen rekening is gehouden met emissiereductie als gevolg van toepassing van nieuw materieel dat voldoet aan de laatste stand der techniek. In de berekening is gekozen voor relatief oude motoren met een hoog verbruik omdat geen garantie kan worden gegeven dat nieuwe machines gedurende de uitvoering (altijd) gebruikt kunnen worden en vrachtwagens relatief veel stationair draaien. Uit de berekeningen volgt dat in alle jaren van kleiwinning ruimschoots wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden ten aanzien van de voor luchtkwaliteit meest kritische stoffen NO2, PM10 en PM2,5. Het gebruik van het terrein (natuurontwikkeling met extensieve recreatie), na afloop van de kleiwinning, draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen2.

2

LievenseCSO. Onderzoek Luchtkwaliteit – planontwikkeling Demen-Dieden. Versie 15 februari 2019

Samengevatte effectbeoordeling In onderstaande tabel zijn de effectbeoordeling per variant en per aspect samengevat. Thema

Aspect

Natuur

Dijkstabiliteit

Rivierkunde

Grondwater

Historische waarden

Landschap en leefomgeving

Bodem

Hinder en veiligheid tijdens uitvoering

Huidige situatie

Voorkeursontwerp

Maximale ruwheid

Maximale ontgraving

Separate uitvoering

Natuurwaarde: bijdrage aan doelstellingen Kaderrichtlijn Water (KRW) en soortenbescherming uit NNN, NNB. Wet Natuurbescherming Stikstofdepositie

0

++

++

0

+

0

0

0

0

0

0

+

x

x

x

Voorkomen toename piping Ruimte voor dijkverhoging Beheerbaarheid dijk

0

0

x

x

x

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Effecten op waterstanden Effecten op dwarsstroming Effecten op morfologie in de vaargeul Effecten op golfslag

0

++

-

++

-

0

-

x

x

x

0

0

x

x

x

0

0

x

x

x

Grondwaterkwaliteit

0

0

0

0

0

Grondwaterkwantiteitgrondwaterstandsvera ndering Grondwaterkwantiteitkwelflux Archeologie

0

0

0

0

0

0

0

-

-

-

0

0

0

0

0

Cultuurhistorie

0

+

0

-

0

Aardkundige waarden

0

0

0

-

0

Woonkwaliteit

0

+

0

0

0

Ontsluiting

0

0

0

0

0

Landschapsbeeld/ Ruimtelijke kwaliteit Bodemkwaliteit

0

++

+

-

0

0

+

+

+

+

Omvang grondverzet

0

++

++

+

0

Geluid

0

0

0

0

0

Luchtkwaliteit

0

0

0

0

0

Veiligheid

0

0

0

0

0

Landschap/ leefomgeving

0

-

-

-

-

Conclusie Het voorkeursontwerp maakt de ontwikkeling van natuur mogelijk en heeft een positief effect op de kwaliteit van de leefomgeving. Daarbij levert de ontwikkeling een bijdrage van circa 5 cm aan de hoogwaterveiligheid, zonder de geplande dijkversterking van Aa en Maas te hinderen. Eventuele hinder tijdens de uitvoering blijft, door afvoer per schip en gefaseerde uitvoering, beperkt tot een tijdelijk verminderd landschapsbeeld. Door gefaseerde uitvoering én oplevering van deelgebieden worden gebieden zo snel mogelijk ingericht als natuur en toegankelijk gemaakt. Na de uitvoering van het project is een geschikte uitgangssituatie gerecreëerd voor de ontwikkeling van een robuust, rijk gestructureerd natuurgebied met ruimte voor riviergebonden processen. Ook wordt met dit ontwerp bijgedragen aan het geheel van natuurontwikkelingsprojecten langs de Maas van Natuurmonumenten dat is samengebracht in het programma MeerMaas. Het voorkeursontwerp voldoet aan alle vooraf gestelde ontwerpdoelen. De dwarsstroming is weliswaar maximaal geoptimaliseerd maar voldoet nog steeds net niet aan de eisen uit het Rivierkundig Beoordelingskader (RBK). Omdat het ontwerp volledig is geoptimaliseerd én bijdraagt aan diverse ambities wordt samen met de vaarwegbeheerder en vergunningverlener (RWS) of er daadwerkelijk scheepvaarthinder optreedt.

De uitkomst hiervan is bepalend voor de vergunbaarheid van het ontwerp. Dit aandachtspunt treedt reeds bij meerdere (aangelegde) projecten langs de Bedijkte Maas op. Daarmee kan het aanvragen van vergunningen en het doorlopen van het MER in publiekrechtelijke sfeer worden gestart.

Inhoudsopgave Hoofdstuk

Pagina

Samenvatting ............................................................................................................................... 4 1

Inleiding ............................................................................................................................. 1 1.1 1.2 1.3 1.4

2

Het initiatief ......................................................................................................................1 Plangebied .........................................................................................................................1 Doel en randvoorwaarden van het project .......................................................................3 M.e.r.-plicht en procedure ................................................................................................3 1.4.1 Algemeen..............................................................................................................3 1.4.2 De onderdelen van het MER ................................................................................4 1.4.3 Participatie en communicatie ..............................................................................5 1.4.4 Samenloop Meanderende Maas ..........................................................................5 1.4.5 Van startdocument naar MER ..............................................................................8 1.5 Leeswijzer ..........................................................................................................................8 Plangebied.......................................................................................................................... 9

3

2.1 Historie van het gebied .....................................................................................................9 2.2 Huidige situatie .............................................................................................................. 11 2.3 Autonome ontwikkeling ................................................................................................. 12 Ontwikkeling van onderzoeksvarianten ..............................................................................13 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8

4

Beschrijving ontwerp...................................................................................................... 13 Overzicht belangrijkste onderzoeksvragen en uitganspunten ontwerp ........................ 13 Onderzoeksvarianten ..................................................................................................... 15 Variant 0: Basisvariant.................................................................................................... 16 Variant 1: Maximale ruwheid ......................................................................................... 17 Variant 2: Maximale ontgraving ..................................................................................... 18 Variant 3: Separate uitvoering ....................................................................................... 18 Optimalisatieslagen ontwerp ......................................................................................... 19 3.8.1 Algemeen........................................................................................................... 19 3.8.2 Rivierkunde........................................................................................................ 19 3.8.3 Geohydrologie ...................................................................................................

22 3.8.4 Advies kwaliteitsteam Provincie Noord-Brabant .............................................. 23 Voorkeursalternatief..........................................................................................................26 4.1

5

De hoofdlijnen van het voorkeursontwerp .................................................................... 26 4.1.1 Demense zijde van de uiterwaarden ................................................................. 26 4.1.2 Diedense zijde van de uiterwaarden ................................................................. 27 4.1.3 Terreinbeheer en eigendommen ...................................................................... 28 Wettelijke kaders...............................................................................................................29

6

Effectenbeoordeling ..........................................................................................................31 6.1

Beoordelingskader ......................................................................................................... 31

6.2

Effecten op de natuur .................................................................................................... 33 6.2.1 Huidige natuurwaarden en autonome ontwikkeling ........................................ 33 6.2.2 Toetsingscriteria natuur .................................................................................... 34 6.2.3 Effectbeoordeling natuur .................................................................................. 34 6.2.4 Leemten in kennis en vervolgonderzoek natuur............................................... 38 6.3 Effecten op de dijk ......................................................................................................... 39 6.3.1 Huidige situatie dijk en autonome ontwikkeling............................................... 39 6.3.2 Toetsingscriteria dijk ......................................................................................... 39 6.3.2.1 Toelichting toetsing piping ................................................................................ 41

7

6.3.3 Effectbeoordeling Dijk ....................................................................................... 44 6.3.4 Leemten in kennis en volgonderzoek dijk ......................................................... 44 6.4 Effecten op de rivier ....................................................................................................... 45 6.4.1 Huidige situatie rivier en autonome ontwikkeling ............................................ 45 6.4.2 Toetsingscriteria Rivierkunde ............................................................................ 46 6.4.3 Effectbeoordeling Rivier .................................................................................... 47 6.4.4 Leemten in kennis en vervolgonderzoek rivier ................................................. 51 6.5 Effecten op grondwater ................................................................................................. 51 6.5.1 Huidige situatie grondwater en autonome ontwikkeling ................................. 52 6.5.2 Toetsingscriteria grondwater ............................................................................ 52 6.5.3 Effectbeoordeling grondwater .......................................................................... 53 6.5.4 Leemten in kennis en vervolgonderzoek grondwater.......................................

54 6.6 Effecten op historische waarden ................................................................................... 55 6.6.1 Huidige historische waarden en autonome ontwikkeling................................. 55 6.6.2 Toetsingscriteria historische waarden .............................................................. 56 6.6.3 Effectbeoordeling historische waarden ............................................................ 57 6.6.1 Leemten in kennis en vervolgonderzoek historische waarden ......................... 57 6.7 Effecten op landschap en leefomgeving ........................................................................ 58 6.7.1 Huidige situatie.................................................................................................. 58 6.7.2 Toetsingscriteria landschap en leefomgeving ................................................... 59 6.7.3 Effectbeoordeling landschap en leefomgeving ................................................. 60 6.7.4 Leemten in kennis en vervolgonderzoek landschap en leefomgeving ............. 62 6.8 Effecten op bodemkwaliteit ........................................................................................... 62 6.8.1 Huidige bodemkwaliteit en autonome ontwikkeling ........................................

62 6.8.2 Toetsingscriteria bodemkwaliteit...................................................................... 62 6.8.3 Effectbeoordeling bodemkwaliteit.................................................................... 63 6.8.4 Leemten in kennis en vervolgonderzoek bodemkwaliteit en grondverzet ....... 64 6.9 Hinder en veiligheid tijdens de uitvoering ..................................................................... 65 6.9.1 Huidige en autonome situatie ........................................................................... 65 6.9.2 Toetsingscriteria Uitvoering .............................................................................. 65 6.9.3 Effectbeoordeling hinder en veiligheid tijdens uitvoering ................................ 65 6.9.4 Leemten in kennis en vervolgonderzoek hinder en veiligheid uitvoering ........ 68 Conclusie randvoorwaarden en effectbeoordeling ..............................................................69 7.1 7.2

Mitigerende en compenserende maatregelen .............................................................. 71 Leemten in kennis .......................................................................................................... 71

8

Aanzet tot evaluatie en monitoring ....................................................................................72

1

Inleiding

1.1

Het initiatief

Natuurmonumenten heeft het initiatief genomen voor het natuurontwikkelingsproject DemenDieden. Het plan bestaat uit het verlagen van de uiterwaarden en het graven van nevengeulen waardoor natuur zich kan ontwikkelen en de waterveiligheid wordt vergroot. Het is een project van Natuurmonumenten en Rijkswaterstaat in samenwerking met Wetering en K3Delta. Natuurmonumenten investeert in het project vanuit haar programma MeerMaas3, een investeringsfonds voor natuurontwikkeling voor de Bedijkte Maas vanaf Ravenstein tot Heusden. Natuurmonumenten werkt samen met Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat investeert in het project vanuit de Kaderrichtlijn Water (KRW) met als doel het ecosysteem van de Maas te herstellen. Hiervoor zijn opgaven en doelen voor de Maas geformuleerd (Richtlijn 2000/60/EG, in juni 2005 geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving). Tevens is Rijkswaterstaat betrokken vanuit de eigendomssituatie van de oeverzone. De grondstoffen (keramische klei) die bij de verlaging vrijkomen, wordt afgezet ten behoeve van de baksteen- en dakpanindustrie. Deze delfstofwinning is daarbij ook één van de motoren achter het plan. Natuurmonumenten en Rijkswaterstaat hebben de wens uitgesproken de planvorming voor het natuurontwikkelingsproject integraal op te pakken. Natuurmonumenten heeft hierover afstemming met de andere terreineigenaren Wetering, Nass en waterschap Aa en Maas.

De plannen worden zover uitgewerkt dat alle benodigde vergunningen kunnen worden aangevraagd en verkregen. Natuurmonumenten en Rijkswaterstaat hebben nog geen afspraken gemaakt over de latere uitvoering van het project; in principe moet de uitvoering van de werkzaamheden in de uiterwaarden en in de oeverzone ook onafhankelijk van elkaar uitgevoerd kunnen worden. K3Delta is de trekker van de planuitwerking en (al dan niet gedeeltelijke) uitvoering van het voorgenomen plan. Dit omvat de planvorming, de benodigde onderzoeken, milieueffectrapportage, de vergunningaanvragen en het omgevingsmanagement en coördinatie. Zij worden hierbij ondersteund door het advies- en ingenieursbureau Lievense, Jos Rademakers (ontwerpend rivierecoloog), Adri Voorwinden (landschapsarchitect), Acacia Water en Landmeetkundig adviesbureau Meet B.V.

1.2

Plangebied

Het plangebied Demen-Dieden omvat de Maasuiterwaarden van dijkteen tot rivieroever ter hoogte van Demen en Dieden, vanaf Neerlangel (dijkpaal 401) tot aan de Diedensche Uiterdijk (dijkpaal 448). Het plangebied is ongeveer 110 ha groot en omvat 4,5 kilometer rivieroever (rivierkilometer 183,7

3

https://www.natuurmonumenten.nl/projecten/meer-maas

1

t/m 188,2). Het te verwachten af te graven oppervlak beslaat circa 80 hectare. Zie Figuur 1-1 voor een overzicht van het plangebied.

Figuur 1-1: Plangebied Demen-Dieden met rivier- en dijkkilometer.

Natuurmonumenten is eigenaar van het merendeel van de gronden in de uiterwaard en heeft afspraken met de overige eigenaren. Rijkswaterstaat is eigenaar van de oeverzone. Hoewel de planvorming integraal is uitgevoerd, moet het mogelijk zijn om de oeverzone en de uiterwaard eventueel als separate werken uit te voeren. Zie Figuur 1-2 voor de eigendomssituatie verdeling van het plangebied.

Figuur 1-2: Eigendomssituatie plangebied (groen = NM-deel, oranje = RWS-deel)

Een uitgebreide toelichting op het plangebied is opgenomen in hoofdstuk 2.

2

1.3

Doel en randvoorwaarden van het project

Het doel van de ontwerp- en onderzoeksfase van het project én het MER-traject is om een ontwerp te maken dat: -

een groot oppervlak robuuste, rijk gestructureerde beheerbare riviernatuur weet te realiseren dat voldoet aan de wensen van de betrokken partijen; financieel-technisch uitvoerbaar is (kwaliteit en hoeveelheid afvoerbare grondstoffen); gewaardeerd wordt door de omgeving (woonomgeving, recreatie); een optimale bijdrage levert aan de rivierverruiming en de benodigde waterstandsdaling4; vergunbaar is binnen alle (strikte) eisen aan veiligheid vanuit wet- en regelgeving; zo geeft het waterschap Aa en Maas aan dat het plan geen toename van het risico op piping mag veroorzaken. Overige randvoorwaarden zijn opgenomen in hoofdstuk 3 bij het beschrijven van de onderzoeken. zo min mogelijk hinder veroorzaakt en zo min mogelijk andere negatieve effecten heeft.

-

-

In de ontwerp- en onderzoeksfase is onderzocht hoe deze meerwaarde gerealiseerd kan worden waarbij negatieve effecten vermeden, beperkt of gemitigeerd worden. De resultaten van deze ontwerp- en onderzoeksfase zijn vastgelegd in dit milieueffectrapport (MER). Er wordt in het MER ingegaan op het proces van alternatieven naar het definitief ontwerp en de voor dit ontwerp benodigde vergunningaanvragen. Voor dit project is een MER noodzakelijk (zie paragraaf 1.4). In deze rapportage worden het plan en de alternatieven beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie is de huidige situatie aangevuld met de autonome ontwikkeling, oftewel de toekomstige situatie die ontstaat als de voorgenomen activiteit niet wordt uitgevoerd. Plannen en projecten waarover al een bestuurlijk besluit is genomen en waarvan aannemelijk is dat deze gevolgen hebben voor het plangebied zijn onderdeel van de autonome ontwikkeling. De dijkversterking is daarmee nog geen onderdeel van de autonome ontwikkeling.

1.4

M.e.r.-plicht en procedure 1.4.1

Algemeen

Het voorgenomen plan is ‘m.e.r.-plichtig’, omdat meer dan 25 hectare ontgravingen zijn voorzien (categorie C 16.1 van het Besluit m.e.r.). Het totaal oppervlak (mogelijk) te ontgronden uiterwaard nabij Demen en Dieden beslaat om en nabij de 80 hectare en overstijgt daarmee de drempelwaarde van 25 hectare ruimschoots. Hierdoor ontstaat de plicht om het besluit voor de ontgrondingsvergunning (artikel 3 van de Ontgrondingenwet) te baseren op een milieueffectrapportage met een grondige analyse van de milieueffecten. De geplande ontwikkeling past niet in het huidige bestemmingsplan. Er wordt daarom een nieuw bestemmingsplan gemaakt waarin het hele gebied de bestemming ‘natuur’ krijgt. Omdat het 4

De waterstandsdaling voor dit project is niet gekwantificeerd.

3

bestemmingsplan een m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk maakt is het bestemmingsplan ook m.e.r.plichtig. Dit MER is daarom een gecombineerd plan-/ project-MER. Voor de m.e.r. wordt de volgende procedure doorlopen: a. het opstellen van een notitie over de reikwijdte en het detailniveau (NRD) van het MER; b. kennisgeving en inspraak door eenieder, mede op basis van de NRD; c. raadplegen van de bij de uitvoering van het plan betrokken bestuursorganen (zoals waterschap, Provincie, omliggende gemeenten); de Commissie m.e.r. wordt in deze fase niet geraadpleegd; d. opstellen van een MER in het kader van de ontgrondingsvergunning en bestemmingsplan; e. ter inzage leggen van de ontgrondingsvergunning en bestemmingsplan inclusief het MER waarbij inspraak mogelijk is; f. advisering door Commissie m.e.r.; g. het verlenen van de ontgrondingsvergunning en vaststellen van bestemmingsplan, waarbij een motivering van de rol van het MER en de inspraakreacties bij de verdere besluitvorming is opgenomen. h. bekendmaking van het besluit; i. evaluatie: het bevoegde gezag evalueert de werkelijk optredende milieugevolgen zoals beschreven in de evaluatieparagraaf van het plan. Het bevoegde gezag neemt zo nodig aanvullende maatregelen en legt deze vast in de vergunning om de gevolgen voor het milieu te beperken. 1.4.2

De onderdelen van het MER

Het milieueffectrapport bevat de navolgende onderdelen5: 1. Doel: een beschrijving van wat met de voorgenomen activiteit wordt beoogd (opgenomen in paragraaf 1.3); 2. Voorgenomen activiteit en alternatieven: een beschrijving van de voorgenomen activiteit, alsmede van de alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, en de motivering van de keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven (hoofdstukken 3 en 4); 3. Relevantie plannen en besluiten: een overzicht van eerder vastgestelde plannen die betrekking hebben op de voorgenomen activiteit en de beschreven alternatieven (paragraaf 1.4.1). 4. Huidige situatie en autonome ontwikkeling: een beschrijving van de bestaande toestand van het milieu, voor zover de voorgenomen activiteit of de beschreven alternatieven daarvoor gevolgen kunnen hebben, en van de te verwachten ontwikkeling van dat milieu, indien de activiteit noch de alternatieven worden ondernomen (hoofdstuk 2); 5. Effecten: een beschrijving van de gevolgen voor het milieu, die de voorgenomen activiteit, onderscheidenlijk de beschreven alternatieven kunnen hebben, inclusief een motivering van de wijze waarop de gevolgen zijn bepaald en beschreven (hoofdstuk 6); 6.

Vergelijking: een vergelijking van beschreven te verwachten ontwikkeling van het milieu (punt 4) met de beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit en de alternatieven (hoofdstuk 6); 5

Tekst overgenomen van: www.infomil.nl/onderwerpen/ruimte/mer/procedurehandleiding/procedurele/opstellen-mer/

4

7. Mitigerende en compenserende maatregelen: een beschrijving van de maatregelen om belangrijke nadelige gevolgen op het milieu van de activiteit te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk teniet te doen (hoofdstuk 6 en paragraaf 7.1); 8. Leemten in kennis: een overzicht van de leemten in de beschrijvingen van de bestaande toestand van het milieu en de gevolgen voor het milieu (punten 4 en 5) als gevolg van het ontbreken van de benodigde gegevens (hoofdstuk 6 en paragraaf 7.2). 9. Samenvatting: een samenvatting die aan een algemeen publiek voldoende inzicht geeft voor de beoordeling van het milieueffectrapport en van de daarin beschreven mogelijke gevolgen voor het milieu en de voorgenomen activiteit en beschreven alternatieven.

1.4.3

Participatie en communicatie

Zowel voor het bestemmingsplan, als voor de ontgrondingsvergunning dient de m.e.r.-procedure te worden gevolgd. Dit betekent dat zowel de gemeente Oss (bevoegd gezag voor het bestemmingsplan) als de Provincie Noord-Brabant (bevoegd gezag voor de ontgrondingsvergunning) de informatie uit het MER gebruikt om de effecten op natuur, milieu en omgeving te kunnen meenemen in haar besluit over het bestemmingsplan en de ontgrondingsvergunning. In overleg met provincie en gemeente is afgesproken dat de provincie de coördinatie ten aanzien van de m.e.r.-procedure op zich neemt. Dit betekent dat de Provincie Noord-Brabant het MER ter inzage legt. K3Delta zorgt mede namens de andere initiatiefnemers voor het indienen van de relevante vergunningsaanvragen bij de overige bevoegde gezagen. De initiatiefnemers hebben belanghebbenden op verschillende manieren betrokken bij de plannen voor Demen-Dieden. Het startdocument/NRD heeft ter inzage gelegen en de reacties hierop hebben hun plek gekregen in dit MER. De omwonenden en belangstellenden zijn op de hoogte gehouden via nieuwsbrieven (zomer 2018) en informatieavonden in september 2017, oktober 2018 en februari 2019 (zie ook https://www.k3.nl/projecten/demen-dieden).

Daarnaast is in mei 2018 een wandeling door de Hemelrijkse Waard georganiseerd om omwonenden van het project Demen-Dieden te laten zien hoe een gebied er na herinrichting uit kan komen te zien. Betrokken bevoegde gezagen (gemeente, provincie, Rijkswaterstaat en waterschap) zijn vanaf de start van het project geïnformeerd en geraadpleegd om het voorontwerp te optimaliseren en om de beoordelingskaders van bijvoorbeeld geotechniek en geohydrologie af te stemmen. Het kwaliteitsteam van de provincie Noord-Brabant heeft advies uitgebracht (15-01-2019). In paragraaf 3.8.4 van dit rapport wordt ingegaan op dit advies en de manier waarop hier in het project rekening mee wordt gehouden. Aan de Commissie m.e.r. en provincie Brabant wordt advies gevraagd voor de milieueffectrapportage.

1.4.4

Samenloop Meanderende Maas

Het plangebied Demen-Dieden bevindt zich binnen het traject van de MIRT-verkenning RavensteinLith. Onder de noemer Meanderende Maas werkt het waterschap Aa en Maas met partners aan het

5

versterken van de dijk tussen Ravenstein en Lith, het geven van meer ruimte aan de Maas en het ontwikkelen van het gebied. In de fase van voorontwerp naar MER is daarom afstemming gezocht met het programma Meanderende Maas. Dit heeft ertoe geleid dat Demen-Dieden is ingepast in beide kansrijke alternatieven (Figuur 1-3) die in de NRD van Meanderende Maas zijn gepresenteerd (het voorkeursontwerp past binnen alternatieven X en Z uit de NRD6). Bovendien is het plan DemenDieden in de NRD toegelicht en is benoemd dat het een bijdrage levert aan de doelstellingen van Meanderende Maas. Tegelijkertijd is, mede gezien de inspraak op de NRD, het ruimtelijk kwaliteitskader van Meanderende Maas nadrukkelijker opgenomen in de ontwerptoelichting (hoofdstuk 4). Tenslotte is ook het advies7 van de Commissie m.e.r. op de NRD Meanderende Maas beschouwd. Dit heeft niet geleid tot aanpassingen van het ontwerp. Beide projecten streven deels vergelijkbare doelstellingen na zoals de ontwikkeling van natuur (Natuurnetwerk Nederland/Natuurnetwerk Brabant, KRW) en een verlaging van de maatgevende hoogwaterstanden door rivierverruiming. Met de planontwikkeling Demen-Dieden wordt een bijdrage geleverd aan de doelstellingen van Meanderende Maas. Het project zorgt voor circa 5 cm waterstandsdaling op de Maas.

De opgave voor piping bij het traject Demen-Dieden is dermate groot dat onvoldoende ruimte buitendijks aanwezig is om deze voldoende op te lossen (de uiterwaard is namelijk smaller dan het kwelweglengtetekort). In de verkenning voor Meanderende Maas wordt daarom gezocht naar mogelijkheden om de opgave op te lossen door binnendijkse grondbermen of door technische maatregelen (damwanden of schermen). De ontwikkeling bij Demen-Dieden zal, conform het advies van Commissie MER moeten worden meegewogen in de ontwikkeling en afweging van de alternatieven. De verschillen zitten in de fasering en tijdsplanning. Op moment dat NRD voor Meanderende Maas is opgesteld, worden voor de planontwikkeling Demen-Dieden de vergunningsaanvragen voorbereid.

6

NRD Meanderende Maas Meanderende Maas; dijkversterking, rivierverruiming en gebiedsontwikkeling Ravenstein - Lith Concept-Notitie Reikwijdte en Detailniveau milieueffectrapportage, referentie: 103185/18015.101, 4 oktober 2018 7 Commissie MER – Advies over de reikwijdte en detailniveau van het milieueffectrapport Meanderende Maas (projectnummer 3346), 22 januari 2019

6

Figuur 1-3: Voorkeursalternatief Meanderende Maas (dec. 2019)

7

1.4.5

Van startdocument naar MER

Natuurmonumenten, Rijkswaterstaat, Wetering en K3Delta willen de planontwikkeling (en te zijner tijd - al dan niet separaat - de uitvoering) in goed overleg uitvoeren mét de omwonenden, de maatschappelijke vertegenwoordigers en de bevoegde gezagen. Daarom is een startdocument opgesteld als uitnodiging aan betrokken partijen om binnen vigerende beleidskaders mee te denken, ideeën aan te dragen én zorgen te uiten. Het Startdocument8 is tevens de formele Notitie van Reikwijdte en Detailniveau (NRD) en heeft als zodanig ook ter inzage gelegen. De zienswijzen (drie) die zijn ontvangen zijn beantwoord9 en verwerkt in het MER. De zienswijzen hadden betrekking op:  de wijze waarop cultuurhistorie, aardkundige waarden, landschap en recreatie zijn meegenomen in het ontwerp;  de duur van de uitvoering (10 jaar);  gezamenlijk ontwerpen met Meanderende Maas;  overlap met Diedensche Uiterdijk (privaatrechtelijke afspraken RodruzaNatuurmonumenten). Natuurmonumenten en Rodruza zijn in overleg en maken nadere privaatrechtelijke afspraken met elkaar omdat de projectgrenzen van dit project en die van Rodruza goed op elkaar moeten aansluiten; deze afspraken hebben geen invloed op deze en/of andere publiekrechtelijke aanvragen/rechten. Voorgaande vormt geen belemmering voor het doorlopen van de m.e.r.procedure en het aanvragen van vergunningen.

De NRD en de reactienota zienswijzen zijn door de provincie Noord-Brabant vastgesteld op 25 juni 2018.

1.5

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het plangebied gegeven: de historie, de huidige situatie en autonome ontwikkeling. Daarna wordt de ontwikkeling van de verschillende varianten beschreven in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 beschrijft de naar aanleiding van het onderzoek doorgevoerde optimalisaties, op basis waarvan het voorkeursontwerp tot stand is gekomen. In hoofdstuk 5 staan de wettelijke kaders genoemd. In hoofdstuk 6 worden de effecten op de omgeving beoordeeld op basis van de onderzoeken. Hierin zijn ook de eventuele mitigerende en compenserende maatregelen en leemten in kennis vermeld. Hoofdstuk 7 is een samenvatting van deze effectbeoordeling en conclusie. Hoofdstuk 8 geeft een aanzet voor evaluatie en monitoring.

8

Startdocument MeerMaas project Planontwikkeling Demen-Dieden (September 2017). Kleiwinning als drager voor natuurontwikkeling en rivierverruiming. Tevens Notitie Reikwijdte en Detailniveau milieueffectenonderzoek. 9 Reactienota Zienswijzen en adviezen Startdocument MeerMaas Planontwikkeling Demen-Dieden, 6 maart 2018.

8

2

Plangebied

Dit hoofdstuk beschrijft het plangebied waarop de voorgenomen ontwikkeling betrekking heeft. Hierbij wordt ingegaan op het ontstaan van het gebied. Historische ontwikkelingen verklaren deels de huidige kenmerken en structuren van het gebied. Dit wordt verder toegelicht in een beschrijving van de huidige situatie. Tenslotte wordt ingegaan op de autonome ontwikkeling, dit zijn ontwikkelingen die met enige zekerheid zullen plaatsvinden, ook al gaat de voorgenomen activiteit niet door. 2.1

Historie van het gebied

De Maas is een regenrivier met van oorsprong vele meanders. De rivier heeft bij elk hoogwater klei en zand afgezet. De dorpen zijn gebouwd op relatief hoge zandige koppen van de oeverwal. De kleilaag in de uiterwaarden varieert sterk in dikte. Ter hoogte van Demen is het kleidek tussen de 2,5 en 3,5 meter dik. Ter hoogte van Dieden zijn in de ondergrond twee oude beddingen van de Maas herkenbaar, hier is het kleipakket dikker dan 4 meter (tot 6 meter). Er was sinds de bedijking vanaf de Middeleeuwen al wateroverlast bij grote afvoeren. Te veel water door het smalle stroombed maakte het risico op dijkdoorbraak groot. Eeuwenlang was om die reden de “Beerse Maas”, een groene rivier dwars door het Maasland, een uitweg. Ondanks de Beerse Maas waren er nog steeds dijkdoorbraken, zoals in 1925 bij Overasselt. Daarom werd de Maas in de jaren ‘30 van de vorige eeuw gekanaliseerd (en genormaliseerd): bochten werden rechtgetrokken, een strakke hoofdgeul gegraven en er kwam een stuw met sluizencomplex bij Grave en bij Lith. De rivier heeft sindsdien een vast peil. De zandondergrond ligt hierdoor deels boven en deels onder het stuwpeil van de Maas (4,9 m +NAP). Nagenoeg de hele uiterwaard is bij de Maaswerken in de vorige eeuw afgevlakt. In het plangebied Demen-Dieden is geen oude Maasmeander aanwezig. Een deel van het traject ligt tegenover de meander van Batenburg (zie ook figuur 2-4).

Destijds is dwars door de uiterwaard van Demen niet alleen een nieuwe Maasbedding gegraven; een deel van de Maasoevers is destijds (30 tot 70 meter) verschoven. Over een lengte van ongeveer 2 kilometer zijn hier de oude bekribde oeverzones aangevuld met zand en klei. Beide zijn zichtbaar op de bodemzoneringskaart (zie figuur 2-1). De verlaagde Lelyzone is een relict van de vroegere kanalisatie door Lely. In het landschap bij Demen en Dieden is dat zichtbaar als een steilrand. Deze heeft naast cultuurhistorische waarde ook waarde voor natuur omdat in deze steilrand bijvoorbeeld oeverzwaluwen kunnen nestelen. Het “Lelyprofiel” ter hoogte van de Meanderende Maas verwijst naar het plan van ingenieur C.W. Lely (zoon van Cornelis Lely die de Afsluitdijk heeft ontworpen), “Verbetering van de Maas voor groote afvoeren”, waarmee na 1926 een verkorting en verruiming van de Maas, benedenstrooms van Grave is uitgevoerd. Ter markering van de hoofdgeul heeft Rijkswaterstaat in de jaren 1930 de bakenbomen geplant.

9

In het traject Demen-Dieden zijn de meander van Batenburg en de oude Maasarm bij Dieden herkenbaar in het landschap aanwezig. Binnendijks zijn nog oude dijkdoorbraken zichtbaar en het kronkelige dijktracé toont dat er nog meer dijkdoorbraken hebben plaatsgevonden, maar bij de Maaswerken zijn verdwenen. Aan de Maasdijk van Dieden staan de markante korenmolen Stella Polaris (1865) en de Sint-Laurentiuskerk uit de 12e eeuw. Op de westelijke grens van het plangebied en de Diedensche Uiterwaarden, liggen binnendijks de restanten van de gracht van kasteel Eerbosch (Figuur 2-3). Het kasteel stond hier tot 1875. Oorspronkelijk zal dit kasteel direct aan een - inmiddels vol geslibde - rivierarm gelegen hebben.

Figuur 2-1: bodemzoneringskaart (RWS). Hierop is de oude Maasoever zichtbaar

Figuur 2-2: Uitsnede Kadastrale kaart 1811-1832, Bron: Wat was Waar.nl

10

Figuur 2-3: Schets van 't slot “Eerbosch te Dieten in 1616”. Getekend door J. Stellingwerf rond 1723, naar een onbekend voorbeeld

Figuur 2-4: historische kaart (1818) via www.topotijdreis.nl. Met ligging van de oude geul bij Dieden.

2.2

Huidige situatie

De landschappelijke hoofdstructuur van dit gebied kenmerkt zich door het meanderend stroombed van de Maas met haar oeverwallen. De dorpen zijn op de oeverwallen nabij de rivier gesitueerd op en achter de dijken. De oeverwallen zijn tussen de dorpen relatief grootschalig, open, als gevolg van het agrarisch gebruik, wegen met laanbeplanting en verspreid enkele kleine bosschages. In dit traject van de Maas liggen de uiterwaarden hoog, vaak hoger dan het land achter de dijk. In de uiterwaarden ontwikkelt zich steeds meer natuur waardoor deze minder strak en open worden zodat

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=b3bb0a7a-823d-4446-9269-fcbba02830d4