CConstaterende datOss
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 D - Bijlagen bij de toelichting Bredeweg 25 Geffen.PDF

Gemeenteraad 7 juli 2022, gemeente OssBij agendapunt: (NIEUWE STUKKEN) A Vaststelling bestemmingsplannen Bredeweg 25 Geffen-2022, Burgemeester van Erpstraat 70 Berghem–2022’ en ‘Hamelspoelweg 4 Herpen – 2022’26.955 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Uit het uitgevoerde veldonderzoek zijn de volgende restricties naar voren gekomen: Vleermuizen In de stallen en schuren zijn geen holtes of scheuren aangetroffen die groot genoeg en geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Het woonhuis is geschikt als verblijfplaats voor gebouw-bewonende vleermuizen en enkele berken langs de weg zijn geschikt als verblijfplaats voor boom-bewonende vleermuizen. Een verbouwing van de woning of kap van de berken is geen onderdeel van de geplande werkzaamheden. Indien tijdens de werkzaamheden en tijdens het toekomstig gebruik geen felle, nachtelijke verlichting op het woonhuis en de berken worden gericht in de voor vleermuizen actieve periode (april t/m oktober), is van een negatief effect op mogelijk aanwezige verblijfplaats geen sprake. Kleine marterachtigen Het terrein is geschikt als foerageergebied voor de kleine marterachtigen hermelijn, bunzing en wezel en in de schuren, stallen en bosschages kunnen verblijf- en mogelijk nestplaatsen van deze soorten aanwezig zijn. Aanvullend onderzoek en/of een ontheffing op de Wet natuurbescherming is noodzakelijk voor hermelijn, wezel en bunzing. Steenmarter De stallen en schuren zijn toegankelijk voor steenmarter en bevatten geschikte nestlocaties. Bovendien zijn in beide schuren steenmarter sporen (uitwerpselen en lege eierschalen) gevonden.

Daarmee zijn de gebouwen geschikt als verblijfplaats en/of nestplaats voor steenmarters. Daarnaast vormt de omliggende struwelen, bosschages en velden geschikt foerageergebied. Aanvullend onderzoek naar de steenmarter en/of een ontheffing op de Wet natuurbescherming is noodzakelijk. Steenuil Het projectgebied vormt geschikt leefgebied voor de steenuil. Er is een waarneming van een roepende steenuil bekend in het projectgebied (NDFF). Echter door het ontbreken van sporen en nesten is de aanwezigheid van een nestplaats in het projectgebied uit te sluiten. Het is mogelijk dat de steenuil voorkomt in de stallen, schuren en woonhuizen van de omliggende boerderijen. Het projectgebied vormt voor deze mogelijk aanwezige steenuilen laag geschikt foerageergebied. In de beoogde toekomstige situatie wordt door de aanplant van groenstructuren, afgewisseld door open grasland het projectgebied hoogwaardiger van kwaliteit als foerageergebied. Indien tijdens de werkzaamheden geen felle, nachtelijke verlichting op de omliggende weilanden en groenstructuren wordt gericht is er geen sprake van verstoring en is nader onderzoek en/of een ontheffingsaanvraag niet benodigd. Huismus en gierzwaluw In de te slopen stallen en schuren zijn geen sporen (nesten, rustplaatsen) van essentieel leefgebied voor huismus en gierzwaluw aangetroffen.

Het woonhuis is geschikt als nestplaats voor huismus en gierzwaluw. Ook zijn er vogeluitwerpselen onder de nok van het dak aangetroffen die mogelijk afkomstig zijn van huismus. De aanwezigheid van nesten van huismus en/of gierzwaluw is derhalve niet op voorhand uit te sluiten. Indien er geen sloop of verbouwing van de woning plaats vindt, is nader onderzoek en/of een ontheffing op de Wet natuurbescherming voor deze twee soorten niet benodigd.

Projectcode: QFR00120 Versie: 2

Pagina 25 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Bredeweg 25 Geffen

Vogels Het projectgebied is (onderdeel van) een leefgebied voor diverse zangvogels. Het is aannemelijk dat zangvogels de bosschages in het projectgebied gebruiken als broedlocatie. Een nader onderzoek is niet noodzakelijk, onder voorwaarde dat er buiten het broedseizoen om gewerkt wordt, of eventuele nesten in de bosschages tijdens het broedseizoen niet verstoord worden. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli, afhankelijk van de weersomstandigheden. Eerdere en latere broedgevallen zijn ook beschermd conform de Wet natuurbescherming. Conclusie Voordat het voorgenomen initiatief tot realisatie gebracht kan worden, is aanvullend onderzoek en/of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk voor de steenmarter en kleine marterachtigen (hermelijn, wezel en bunzing). Aanvullend soortenonderzoek Het aanvullend soortenonderzoek naar steenmarter en marterachtigen wordt, mede in verband met een geschiktere onderzoeksperiode, uitgevoerd vanaf begin maart 2021. Ontheffing Wet natuurbescherming Om de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan te kunnen aantonen, dient te worden aangegeven of er naar verwachting een grote kans is dat een ontheffing voor de Wet natuurbescherming door het bevoegd gezag zal worden afgegeven.

Bij een ontheffingsaanvraag Wnb wordt beoordeeld op basis van een aantal punten: • er zijn geen andere bevredigende oplossingen (alternatievenoverweging); • aanwezigheid van geldig wettelijk belang; • er is geen afbreuk aan streven om gunstige staat van instandhouding populaties te laten voortbestaan. Ten aanzien van deze punten wordt hieronder toegelicht op welke wijze het voorgenomen initiatief naar verwachting aan de criteria van ontheffingverlening voor de Wnb zal voldoen. Allereerst zijn er geen andere bevredigende oplossingen voor de voorgenomen ontwikkeling. De initiatiefnemer is eigenaar van het plangebied en de aanwezige gebouwen en wil, middels een ruimte-voorruimte regeling, een nieuwe woning realiseren. Op andere locaties is de voorgenomen ontwikkeling derhalve niet haalbaar. De voorgenomen ontwikkeling dient verschillende in de wet opgenomen belangen: het agrarische bedrijf ter plekke van Bredeweg 25 wordt beëindigd en de opstallen worden gesloopt. Hierdoor verdwijnt geur- en stikstofemissie veroorzaakt door dit bedrijf en vormt de ontwikkeling een positieve impuls voor de volksgezondheid. Daarnaast zijn in de stallen behorende bij het agrarisch bedrijf asbesthoudende toepassingen aangetroffen (zie paragraaf 5.3). Het saneren van deze asbesthoudende materialen leidt tot een verbetering van de volksgezondheid en veiligheid in de directe omgeving van het plangebied.

Tot slot leidt de beoogde ontwikkeling in het kader van de ruimte-voor-ruimte regeling tot een verbetering voor de ruimtelijke inrichting van het plangebied en is daarmee in lijn met provinciaal en gemeentelijk beleid. Tot slot wordt middels de beoogde inrichting van het plangebied gestreefd naar een gunstige staat van instandhouding van de populaties beschermde soorten. Zo wordt het zuidelijke deel van het plangebied, waar in de huidige situatie stallen behorend tot het agrarisch bedrijf staan, omgevormd tot bloemrijk grasland met fruitbomen. Het plangebied wordt omzoomd door boombeplanting en haagbeuken, waardoor nieuwe nestlocaties voor beschermde soorten ontstaan. Het plangebied wordt middels de voorgenomen ontwikkeling verder ontsteend en zorgt daarmee voor een groener karakter in het buitengebied van Geffen.

4.4

Cultuurhistorie en archeologie

4.4.1

Cultuurhistorie

Op 1 januari 2012 is de wet Modernisering monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Met deze wet wil de Rijksoverheid de monumentenzorg moderniseren. De drie pijlers van de MoMo zijn: 1. nieuwe bestemmingen voor oude gebouwen; 2. eenvoudige regelgeving voor eigenaren van monumenten; 3. cultuurhistorie onderdeel van ruimtelijke plannen.

Projectcode: QFR00120 Versie: 2

Pagina 26 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Bredeweg 25 Geffen

Wat betreft het opstellen van een ruimtelijk plan, onder andere een bestemmingsplan, is vooral punt 3 van toepassing. Hierbij gaat het erom dat de koppeling tussen erfgoed en ruimte versterkt wordt. Vanaf 1 januari 2012 dient voortaan in ieder ruimtelijk plan aangegeven te worden welke cultuurhistorische waarden (zoals monumenten en archeologische vindplaatsen) er in de gemeente aanwezig zijn en hoe de gemeente deze wil beschermen. Hierdoor kunnen burgers en belanghebbenden in een vroeg stadium aangeven of er cultureel erfgoed is dat bescherming verdient. Dit hoeft niet te wachten totdat iemand een vergunningaanvraag doet voor het gebied. Ook is het voor ontwikkelaars van tevoren duidelijk hoe de gemeente aanwezige cultuurhistorische waarden wil beschermen.

Afbeelding 12. Cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant.

Het gebied waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft is getoetst aan de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. In het plangebied en directe omgeving liggen bevinden zich geen monumenten en komen geen bouwkundige punten, lijnen of vlakken van enige waarde voor. Het initiatief voldoet dan ook op het aspect Cultuurhistorie.

4.4.2

Archeologie

Beleidskader Verdrag van Malta In 1992 is het Verdrag van Malta ondertekend en in 1995 is dit verdrag in werking getreden. Doelstelling van het Verdrag van Malta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) De inhoud van het Verdrag van Malta is neergelegd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) die op 1 september 2007 van kracht is geworden en een wijziging van de Monumentenwet 1988 tot gevolg heeft gehad. Op grond van deze aangescherpte regelgeving stellen Rijk en provincie zich op het standpunt

Projectcode: QFR00120 Versie: 2

Pagina 27 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Bredeweg 25 Geffen

dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Erfgoedwet en overgangsregeling omgevingswet De Nederlandse wetgeving ten aanzien van archeologische waarden is momenteel aan veranderingen onderhevig. De Monumentenwet 1988 is vanaf 1 juli 2016 deels overgegaan in de Erfgoedwet. De onderdelen over omgevingsrecht uit de Monumentenwet gaan (naar verwachting) in 2021 over naar de Omgevingswet. Voor deze laatste onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 20162021. De Erfgoedwet en de Omgevingswet regelen de omgang met het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van de wetgeving is om het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en beheermaatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. Op grond van deze wetten worden gemeenten verantwoordelijk geacht voor de bescherming van archeologische waarden.

Archeologiebeleid gemeente Oss Het provinciale archeologisch beleid is neergelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van 25 oktober 2019 en op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart 2010, herzien 2016. Hierin is de bescherming van aardkundig waardevolle gebieden en archeologische landschappen geregeld. Het gemeentelijk archeologisch beleid is veel gedetailleerder dan het algemene provinciale beleid op dit punt en prevaleert daarom ook boven het provinciale archeologisch beleid. Overigens is het gemeentelijk beleid getoetst door de provincie en akkoord bevonden. Op 14 oktober 2010 heeft de gemeente Oss haar ‘archeologiebeleid’ vastgesteld. In 2015 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. Dit was nodig vanwege de gemeentelijke herindeling met Maasdonk. Onderdeel van de vaststelling in 2015 is het rapport 'Actualisatie archeologiebeleid gemeente Oss, een herziene archeologische beleidskaart voor het nieuwe grondgebied van de gemeente Oss' (Goddijn, 2012). Aan de hand van onderzoeken, inzichten en boringen in het veld zijn de eerdere archeologische kaarten gedeeltelijk bijgesteld. Op de beleidskaart is sprake van meerdere beleidscategorieën (zie onderstaande tabel). In het beleid is per beleidscategorie vastgelegd wanneer sprake is van een onderzoeksplicht en wanneer ontwikkelingen hiervan zijn vrijgesteld.

Projectcode: QFR00120 Versie: 2

Pagina 28 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Bredeweg 25 Geffen

Afbeelding 13: uitsnede plangebied binnen de Archeologische verwachtingskaart (Bron: voormalige gemeente Maasdonk).

Het plangebied is gelegen in een gebied waar een hoge verwachting geldt. Om beter inzicht te krijgen in de mate van de werkelijke archeologische waarden is er aanvullend archeologisch onderzoek uitgevoerd voor de Bredeweg 25: "Archeologisch onderzoek Bredeweg 25 te Geffen, gemeente Oss". Dit onderzoek is uitgevoerd, in augustus 2020, door Greenhouse Advies. Doel van het onderzoek is het bepalen van mate waarin archeologisch waardevolle vondsten gedaan zouden kunnen worden. Het volledige onderzoek is als bijlage 4 toegevoegd aan dit document. Samenvattingen en conclusie uit onderzoek Op basis van het bureauonderzoek kan worden gesteld dat voor het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt. Er kunnen archeologische resten verwacht worden in de vorm van verspreide begraving, (periodieke) bewoning en landgebruik. Archeologische resten kunnen bestaan uit nederzettingsresten en voor de betreffende periode kenmerkend vondstmateriaal, zoals aardewerk, bouwkeramiek en glas. Een uitspraak over sporen uit de Tweede Wereldoorlog (zowel archeologisch als op het gebied van conventionele explosieven) kan op basis van dit onderzoek niet worden gedaan. Eventuele oudere archeologische resten bevinden zich direct onder de afdekkende enkeerdgronden (esdek), in de top van het eventueel ongeroerde (gele) dekzand.

Gezien de hydrologische condities in het plangebied is de verwachting dat de conservering van organische archeologische resten slecht is. Anorganische resten kunnen wel goed bewaard gebleven zijn. Vervolgonderzoek (verkennend booronderzoek) Binnen de gemeente Oss is het op dekzandgronden gebruikelijk een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuvenonderzoek uit te voeren wanneer er sprake is van een intacte bodemopbouw en de aanwezigheid van esdek is aangetoond. In onderhavig initiatief is dit het geval. Het proefsleuvenonderzoek dient ter opsporing van eventueel aanwezige archeologische sporen om deze in dat geval vervolgens te waarderen. Binnen het plangebied is archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van verkennend booronderzoek noodzakelijk, indien meer dan 100 m2 dieper dan 30 cm beneden huidig maaiveld wordt verstoord. Ten aanzien van de sloop gelden de volgende bepalingen: hoewel eventuele archeologische resten door de sloopwerkzaamheden verstoord kunnen worden, leert de ervaring dat er tijdens sloopwerkzaamheden vaak Projectcode: QFR00120 Versie: 2

Pagina 29 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Bredeweg 25 Geffen

nauwelijks waarnemingsmogelijkheden zijn. Pas na afloop van de sloop is archeologisch onderzoek eventueel weer relevant. Wel geldt een bepaling van zo min mogelijk verstoren van de bodem. Voor het voorliggend bestemmingsplan betekent dit dat de dubbelbestemming met hoge archeologische verwachtingswaarde op het perceel blijft liggen. Ten tijde van de bouw van de nieuwe woning dient bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwen een archeologisch vervolgonderzoek naar mogelijke archeologische waarden in de bodem uitgevoerd te worden.

4.5

Infrastructuur

Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het onderzoeken van het effect van het plan op de verkeerstructuur. Voldoende parkeermogelijkheden is een randvoorwaarde voor bijna elke ruimtelijke ontwikkeling. Het voorliggend bouwplan voorziet in een extra woning ten opzichte van de bestaande situatie. De ontwikkeling heeft een relatief lage impact op de infrastructuur in de omgeving omdat het aantal verkeersbewegingen slechts beperkt toeneemt. In de volgende paragrafen wordt dat nader toegelicht.

4.5.1

Parkeren

Uitgangspunt bij de realisatie van onderhavige ontwikkeling is dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Om de parkeerbehoefte van dit initiatief te bepalen is gebruik gemaakt van de "Parkeernormen 2017 gemeente Oss". Conform de Nota Parkeernormen 2017 wordt onderscheid gemaakt in een vijftal zones, omdat de vraag naar parkeerplaatsen bepaald wordt door de locatie van de functie alsmede door het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoerwijzen. Uit parkeerstudies blijkt dat functies in centra een lagere parkeervraag hebben dan functies van dezelfde aard elders in de bebouwde kom. Het onderhavig plangebied is gelegen in de zone: “buitengebied”. Parkeren voor de twee woningen zal opgelost worden op eigen terrein. Voor vrijstaande koopwoningen in het buitengebied geldt een parkeernorm van 2,4 per woning. Voor de twee woningen dient er rekening gehouden te worden met vijf (4,8) parkeerplaatsen. Dit komt ook overeen met de kengetallen van het CROW.

Afbeelding 14. Parkeernormen 2017 (Bron: gemeente Oss)

Conform afbeelding 6 en 7 is in het schetsontwerp voor de toekomstige situatie voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied opgenomen om aan de vereiste parkeerbehoefte te voldoen. Het plan is dan ook vanuit het aspect parkeren inpasbaar.

4.5.2

Verkeersbewegingen

Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij nieuwe ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersontwikkeling ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het plangebied wordt ontsloten op de Bredeweg te Geffen. De Bredeweg is ontsloten op de regionale verbindingsweg de Heesterseweg. Ten opzichte van de huidig juridisch-planologische situatie (een agrarische bestemming ten dienste van het houden van een volwaardig agrarisch bedrijf) is er in de toekomstige situatie Projectcode: QFR00120 Versie: 2

Pagina 30 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Bredeweg 25 Geffen

sprake van een afwaardering van het aantal verkeersbewegingen. Uitgaande van de CROW-kengetallen zal de afname in totaal circa 70,6 vervoersbewegingen per dag betreffen. De huidige situatie betreft een vrijstaande woning met minimaal 7,8 en maximaal 8,6 (gemiddeld 8,2) verkeersbewegingen per dag. Daarnaast zijn er nog de stallen voor een pluimveehouderij (bedrijf arbeidsextensief / bezoeksextensief) met een oppervlakte van 1.800 m 2. Conform de CROW-bepalingen betekent dat er minimaal 3,9 en maximaal 5,7 (gemiddeld 4,8) verkeersbewegingen per dag per 100 m 2 BVO plaatsvinden. Totaal zijn dit afgerond 87 verkeersbewegingen per dag in de huidige situatie. De nieuwe situatie bestaat uit twee vrijstaande woningen. Beide vrijstaande woningen kennen (net als de vrijstaande woning in de huidige situatie) een verkeersgeneratie van minimaal 7,8 en maximaal 8,6 (gemiddeld 8,2) verkeersbewegingen per dag. De woningen samen genereren derhalve volgens de CROW-bepalingen 16,4 verkeersbewegingen per dag. Dit is een aanzienlijke vermindering van de bestaande (juridischplanologische) situatie.

Projectcode: QFR00120 Versie: 2

Pagina 31 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Bredeweg 25 Geffen

5 Milieuaspecten 5.1

M.E.R.-beoordeling

Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 1. De initiatiefnemer stelt een aanmeldingsnotitie op. 2. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. 3. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang het stedelijke ontwikkelingsproject.

Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: - een oppervlakte van 100 hectare of meer, - een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of - een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft onder de drempelwaarden van 100 hectare en het bedrijfsvloeroppervlak van 200.000 m². De voorgenomen activiteit voorziet niet in het bouwen van 2.000 of meer woningen. Conclusie Het realiseren van 1 extra woning valt in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Aangezien het gaat om het realiseren van een extra woning en hiermee ruim onder de drempelwaarden conform de D-lijst van de bijlage bij het Besluit m.e.r., wordt dit niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. en is een aanmeldnotitie niet noodzakelijk.

5.2

Bodem

Beleidskader De toelichting van het bestemmingsplan bevat altijd een paragraaf over de bodemkwaliteit. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden), het zogenaamde stand still-beginsel. Een bodemtoets moeten worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of er sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het plan. Verkennend bodem- en asbestonderzoek Op de locatie aan de Bredeweg 25 te Geffen is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd door Van Oort Bodemonderzoek BV te Heesch. Het volledige onderzoek is als bijlage 5 aan dit document toegevoegd.

Projectcode: QFR00120 Versie: 2

Pagina 32 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Bredeweg 25 Geffen

Zintuiglijk zijn tijdens de veldwerkzaamheden in de bodem geen verontreinigingen waargenomen. Met laboratoriumonderzoek is aangetoond dat de bovengrond nabij een voormalige bovengrondse olietank licht verontreinigd is met minerale olie (>Aw). De boven- en ondergrond en het grondwater op het overig terrein zijn niet verontreinigd (<Aw/Sw). Ter plaatse van de onbedekte drupzones van de schuren is plaatselijk in de toplaag zintuiglijk asbest aangetroffen. De gemeten en berekende asbestgehaltes liggen echter beneden de interventiewaarde. Er is geen aanleiding tot een nader asbestonderzoek. Conclusie uit onderzoek De bodemkwaliteit hoeft geen belemmering te vormen voor de omschakeling naar een woonbestemming en de nieuwbouw van een tweede woning ter plaatse. Aanvullend bodemonderzoek t.b.v. omgevingsvergunning bouwen In het kader van de omgevingsvergunning bouwen dient een aanvullend bodemonderzoek plaats te vinden. Dit is voorgeschreven in de Nota bodembeheer. Het aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd na sloop van de gebouwen. Er kan dan worden volstaan met een onderzoek naar de bodemkwaliteit van de bovengrond.

5.3

Asbest

Asbest is de verzamelnaam voor een aantal in de natuur gevormde mineralen, die zijn opgebouwd uit fijne vezels. Van de zes hoofdvormen van asbest worden er eigenlijk maar drie op enige schaal toegepast: chrysotiel, amosiet en crocidoliet (in de wandeling respectievelijk wit, bruin en blauw asbest genoemd). Tot in het recente verleden is asbest om zijn vele gunstige fysische eigenschappen, zoals trekvastheid, slijtvastheid, isolerend vermogen, chemische bestendigheid, bestendig tegen hoge temperatuur, onbrandbaarheid en stijfheid, op grote schaal toegepast. Asbestdaken raken na verloop van tijd beschadigd door weer en wind. Bijvoorbeeld na hagelschade. Vroeg of laat komt er een moment dat asbestvezels vrijkomen. Bij inademing kan dat gevaarlijk zijn voor uw gezondheid. Mensen kunnen ziek worden als zij asbestvezels inademen. Daarom mag sinds 1994 geen asbest meer gebruikt worden in nieuwe producten. De blootstelling aan asbest mag 0.1 vezel/cm3 als TGG 8 uur niet overschrijden ongeacht het asbesttype. Bij alle werkzaamheden waarbij asbestblootstelling optreedt wordt deze tot een minimum beperkt en in ieder geval onder de grenswaarde gebracht, door het nemen van preventieve maatregelen. Als blootstelling het dragen van ademhalingsbescherming noodzakelijk maakt moet dit voor iedere werknemer tot het strikt noodzakelijke worden beperkt.

Bij sporadische blootstelling en geringe intensiteit en indien blijkt uit de RIE (risico inventarisatie en evaluatie) dat de grenswaarde niet zal worden overschreden, kunnen meldingsplicht, medische keuring en registers achterwege blijven, indien het werk bestaat uit: - Korte niet-continue onderhoudsactiviteiten uitsluiten met hechtgebonden asbest; - Verwijderen van niet-beschadigde materialen zonder deze materialen stuk te maken, waarin deze vezels hechtgeboden zijn; - Inkapselen en omhullen van asbesthoudende materialen die in goede staat zijn; - Bewaken en onderzoek lucht en bemonstering van materialen. Omdat alle EU Lidstaten verplicht zijn om praktische richtlijnen op te stellen voor de omschrijving van werkzaamheden met sporadische blootstelling met geringe intensiteit is in Nederland recent het Risicoclassificatie opgesteld voor werken met asbest. Voor bepaalde werkzaamheden (zoals sloop, verwijdering, reparatie en onderhoud) waarvan verwacht kan worden dat grenswaarde zal worden overschreden, dient de werkgever/opdrachtgever maatregelen vast te stellen, o.a. ademhalingsapparatuur; waarschuwingsborden en afscherming ruimte/werkplek. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is er onderzoek verricht naar de aanwezigheid van asbest in de bestaande bebouwing. Dit onderzoek is uitgevoerd door Jagers Asbestinventarisatie.

Het volledige onderzoek is verdeeld in twee rapporten en deze zijn als bijlage 6 en 7 toegevoegd aan dit document. Projectcode: QFR00120 Versie: 2

Pagina 33 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Bredeweg 25 Geffen

Conclusie uit onderzoek woonhuis Geadviseerd wordt bij toekomstige renovatie van de onderzochte woning de aangetroffen asbesthoudende toepassingen te saneren. De sanering dient door een gecertificeerd asbestsaneringsbedrijf uitgevoerd te worden. Tijdens de inventarisatie is geen asbesthoudend materiaal aangetroffen dat buiten het toepassingsgebied van dit certificatieschema valt. Er bestaat wel een redelijk vermoeden op de aanwezigheid van verborgen asbesthoudende materialen in het woonhuis. Deze zullen wanneer hier werkzaamheden aan verricht gaan worden als aanvullend moeten worden geïnspecteerd. Conclusie uit onderzoek opstallen Geadviseerd wordt bij toekomstige sloop/renovatie van de onderzochte opstallen de aangetroffen asbesthoudende toepassingen te saneren. De sanering dient door een gecertificeerd asbestsaneringsbedrijf uitgevoerd te worden. Tijdens de inventarisatie is geen asbesthoudend materiaal aangetroffen dat buiten het toepassingsgebied van dit certificatieschema valt. Er bestaat geen redelijk vermoeden op de aanwezigheid van verborgen asbesthoudende materialen in de voormalige agrarische opstallen. Sanering van de aangetroffen asbesthoudende materialen binnen het plangebied is mogelijk. Het plan is in deze in het kader van een goede ruimtelijke ordening uitvoerbaar en aanvaardbaar.

5.4

Geluid

5.4.1

Wet geluidhinder

In het kader van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. In de Wgh is vastgelegd dat, indien binnen het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg) verkeerslawaai en/of industrielawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Tevens geldt de zogenaamde omgekeerde werking indien het project zelf geluidsbelastende activiteiten mogelijk maakt, waarbij de geluidsbelasting in de omgeving bepaald dient te worden. Dit is bij onderhavig initiatief niet van toepassing. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is er akoestisch onderzoek gedaan naar de weg- en railverkeerslawaai, het volledige onderzoek is als bijlage 8 toegevoegd aan dit document.

5.4.2

Weg- en railverkeerslawaai

Om inzicht te krijgen in lawaai afkomstig van weg- en railverkeer is gebruik gemaakt van het akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de Bredeweg 25: " Rapportage akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai Bredeweg 25 te Geffen". Dit onderzoek is uitgevoerd, in augustus 2020, door Econsultancy. Doel van het onderzoek is het bepalen van de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai op de gevels van de gevoelige objecten. Uit de gegevens van dit onderzoek blijkt dat ten gevolge van de Bredeweg de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt echter niet overschreden. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen zijn niet doelmatig. De woonboerderij heeft altijd als bedrijfswoning van het pluimveebedrijf gediend. Omdat het omzetten van de agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning via het bestemmingsplan wordt gerealiseerd op basis van artikel 76 lid 3 Wet geluidhinder hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Een hogere grenswaarde procedure hoeft voor het voorste deel van de woonboerderij niet doorlopen te worden. Voor de nieuwbouwwoning dienen hogere waarden te worden aangevraagd en dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd.

Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woning is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevel noodzakelijk. Cumulatieve geluidsbelasting Projectcode: QFR00120 Versie: 2

Pagina 34 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Bredeweg 25 Geffen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatieve geluidsbelasting bepaald van alle omliggende wegen. De berekende cumulatieve geluidbelasting wegverkeerslawaai is ten hoogste 57 dB op de gevel van de nieuwe woning. Op basis van de cumulatieve geluidbelasting is een karakteristieke geluidwering nodig van 24 dB om in de woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te behalen van 33 dB. De benodigde karakteristieke geluidwering van 24 dB is niet geborgd in het Bouwbesluit 2012. Derhalve is in de planregels een voorschrift opgenomen welke de benodigde karakteristieke geluidwering borgt. Dit extra voorschrift geldt alleen voor de voorgevel.

5.4.3

Industrielawaai

Ten aanzien van lawaai afkomstig van onderhavige ontwikkelingen is geen onderzoek naar industrielawaai uitgevoerd. Een en ander is op basis van de VNG-brochure "Bedrijven en Milieuzonering" in paragraaf 5.6 van deze toelichting nader onderbouwd / gemotiveerd. Hieruit blijkt dat ten gevolge van de ontwikkeling in het plangebied geen sprake is van een aangetast woon- en leefklimaat n.a.v. industrielawaai. Aan alle richtafstanden wordt voldaan.

5.5

Luchtkwaliteit

Sinds 15 november 2007 staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: - er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; - een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; - een project draagt “niet in betekenende mate” bij aan de luchtverontreiniging; - een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit); - of binnen een regionaal programma van maatregelen. In de regeling “niet in betekenende mate” (NIBM) is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Een project is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan luchtverontreiniging. Plannen hebben pas een negatief effect op de luchtkwaliteit, zodra de verkeersgeneratie in geruime mate toeneemt. Een effect op de luchtkwaliteit hoeft pas aangetoond te worden als de bouw van 1.500 woningen of 66.667 m² kantooroppervlak en de daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie plaatsvindt. Onderhavig ontwikkeling heeft geen verkeersaantrekkende werking als gevolg van de bouw van meer dan 1.500 nieuwe woningen of 66.667 m² nieuw kantooroppervlak. Hierdoor valt het project onder de 3% grens voor PM10 of NO2.

De toevoeging draagt dan ook “niet in betekenende mate” (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Ook dient te worden beschouwd of er reeds sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op basis van de huidige achtergrondconcentraties fijn stof en stikstofdioxide in de lucht. Hiervoor is gebruik gemaakt van de Depositiekaarten Nederland van het RIVM. Conform de depositiekaarten is er sprake van een concentratie van 18,71 µg/m3 fijn stof en 14,86 µg/m3 stikstofdioxide. Hiermee blijft de concentratie van beide stoffen ruimschoots onder de jaargemiddelde waarde en advieswaarde van de WHO (40 µg/m 3).

Projectcode: QFR00120 Versie: 2

Pagina 35 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Bredeweg 25 Geffen

Gesteld kan worden dat de luchtkwaliteit voldoet aan de grenswaarden en dat de luchtkwaliteit verder geen belemmeringen vormt voor het bestemmingsplan. Het plan voldoet aan de uitvoeringsregels uit het Besluit Nibm en de Regeling Nibm. Aanvullende berekeningen zijn in het kader van het aspect luchtkwaliteit niet aan de orde. Het aspect luchtkwaliteit levert derhalve geen beperking en/of belemmeringen op voor onderhavige ontwikkelingen en een goed woon- en leefklimaat voor dit aspect is dan ook gewaarborgd.

5.6

Geur

Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder veehouderijen (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor de omgevingsvergunning als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (een gebouw geschikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf, bijvoorbeeld een woning). Echter ook in de omgekeerde situatie, waarbij in de omgeving van (agrarische) bedrijven een nieuw geurgevoelig object wordt gevestigd of uitgebreid, dient aan de wet te worden getoetst (de zogenoemde 'omgekeerde werking'). Naast geur afkomst van agrarische bedrijven kan ook sprake zijn van geur afkomstig van industriële bedrijven. Industriële bedrijven moeten voor het aspect geur voldoen aan de landelijke normen zoals deze verwoord zijn in de Nederlandse emissierichtlijn lucht (Ner). De NeR geeft algemene eisen aan emissieconcentraties en uitzonderingsbepalingen voor specifieke activiteiten of bedrijfstakken. Bij vergunningverlening aan bedrijven wordt hier aan getoetst. Gemeenten mogen volgens de Wet een eigen geurbeleid ontwikkelen en daarin de normen verscherpen of verruimen, afhankelijk van doelen die de gemeente stelt. De gemeente Oss heeft op basis van de wet een eigen geurbeleid opgesteld.

Het geurbeleid bestaat uit twee delen: de “Geurgebiedsvisie 2013” en de “Agrarische geurverordening gemeente Oss 2013”. Het beleid streeft de volgende doelen na: - de burger beschermen tegen geurhinder; - de veehouderijen niet onnodig beperken; - ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, onder de voorwaarde dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. Met het initiatief voor het bouwen van een nieuwe woning wordt een nieuw geurgevoelig object opgericht. Het initiatief zelf maakt geen activiteiten met geuremissie mogelijk. Om inzicht te krijgen in de mate van geurhinder ter plaatse van de toekomstige en bestaande woning is gebruik gemaakt van het geur onderzoek uitgevoerd voor de Bredeweg 25: "Onderzoek geurhinder veehouderijen Bredeweg 25 te Geffen". Dit onderzoek is uitgevoerd door Econsultancy. Doel van het onderzoek is het bepalen van de geurhinder ten gevolge van veehouderijen in de omgeving van de gevoelige objecten en vaststellen van mogelijke hinder in de bedrijfsvoering die de veehouderij aan de Bredeweg 23 zou kunnen ervaren als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen. Het volledige onderzoek is als bijlage 9 toegevoegd aan dit document.

Conclusie uit onderzoek Voorgrondbelasting (veehouderij Bredeweg 23) Om inzicht te krijgen in de mate van geurhinder ter plaatse van de toekomstige woningen is zowel de voorgrond- als de achtergrondbelasting berekend met respectievelijk V-stacks vergunning en gebied (versie 2010.1). Op basis van de berekende voorgrondbelasting wordt geconcludeerd dat er geen overschrijdingen van de geurnorm van 8,0 ouE/m3 plaatsvinden ten gevolge van de veehouderij aan de Bredeweg 23. De maximale geurbelasting op de nieuwe woning aan de Bredeweg 25c bedraagt 6,1 ouE/m 3. Het percentage geurgehinderden blijft hiermee beperkt tot 14,3%. Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn kan gesteld worden dat de milieukwaliteit ten gevolge van de afzonderlijke veehouderij redelijk goed zal zijn. De voorgrondbelasting op de bestaande boerderijwoning aan de Bredeweg 25 is maximaal 7,8 ouE/m3. De geurnorm van 8,0 ouE/m3 wordt niet overschreden. Het percentage geurgehinderden blijft beperkt tot 16,9%. Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn kan gesteld worden dat de milieukwaliteit ten gevolge van de afzonderlijke veehouderij matig zal zijn.

Projectcode: QFR00120 Versie: 2

Pagina 36 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Bredeweg 25 Geffen

Achtergrondbelasting Behalve de voorgrondbelasting kan voor de milieukwaliteit ook de achtergrondbelasting van alle veehouderijen gezamenlijk van belang zijn. Met behulp van het programma V-stacks gebied is de achtergrondbelasting berekend. De achtergrondbelasting ter plaatse van de nieuwe woning varieert van 6,2 tot 6,5 ouE/m³. Het percentage geurgehinderden blijft hiermee beperkt tot 9,0%. Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGDrichtlijn kan gesteld worden dat de milieukwaliteit ten gevolge van de gezamenlijke veehouderijen ter plaatse van de nieuwe woning goed tot redelijk goed zal zijn. De achtergrondbelasting ter plekke van de twee nieuwe woningen binnen het bestaande pand aan de Bredeweg 25 (oranje) varieert van 6,7 tot 8,4 ouE/m³. Het percentage geurgehinderden blijft hiermee beperkt tot 10,9%. Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn kan gesteld worden dat de milieukwaliteit ten gevolge van de gezamenlijke veehouderijen redelijk goed zal zijn. Op basis van het geuronderzoek wordt geconcludeerd dat voor de realisatie van het plan geen beperkingen gelden voor het aspect geur. Ter plaatse van de nieuwe geurgevoelige bestemmingen wordt voldaan aan de Wet geurhinder en veehouderijen en de gemeentelijke verordening.

Met het verplaatsen van het bouwvlak van de nieuwbouwwoning (25c) met 2,5 meter in noordelijke richting worden de bestaande veehouderijen met de realisatie van het plan tevens niet beperkt. Daarnaast zal de geurbelasting in de omgeving, door de sloop van de stallen aan de Bredeweg 25, verbeteren met de doorgang van het project.

5.7

Gezondheid

Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De zeven stappen dienen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Uit toetsing op afstanden door de ODBN blijkt dat wordt voldaan aan de exotoxine richtafstanden voor varkensen/of pluimveehouderijen (stap 1). De planlocatie is niet gelegen binnen de straal van 2 km van geitenhouderijen (stap 5a). De locatie is wel gelegen binnen een afstand van 1 km van 2 pluimveehouderijen: De Gement 1 en Leiweg 16 (stap 5b) en binnen 250 meter van overige veehouderijen: Bredeweg 23 (stap 5c). Met betrekking tot stap 5b wordt door de GGD het volgende opgemerkt: Uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) bleek dat in de jaren 2009-2013 er sprake was van een verhoogd voorkomen van longontstekingen onder omwonenden die binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij woonden. In de jaren daaropvolgend (2014-2016) werd dat verband niet meer gevonden.

Ook in het aanvullende, recente onderzoek in de regio Utrecht/Gelderland/Overijssel werd een dergelijk verband niet meer gevonden. Dit in tegenstelling tot het verband tussen het verhoogd voorkomen van longontsteking bij omwonenden nabij een geitenhouderij (2km). In de Handreiking veehouderij en volksgezondheid, opgesteld door het Ondersteuningsteam, wordt aangegeven dat het wonen nabij een pluimveehouderij (binnen een straal van 1km) leidt tot het advies om een advies bij de GGD op te vragen. In het ondersteuningsteam zijn de laatste onderzoeksresultaten recent besproken en is besloten dat er geen advies meer wordt gegeven om een GGD advies op te vragen op grond van het criterium “wonen binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij”.

Projectcode: QFR00120 Versie: 2

Pagina 37 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Bredeweg 25 Geffen

Uit de toetsing op afstanden blijkt dat voor stap 5a geen geitenhouderijen binnen een straal van 2 kilometer zijn gesitueerd. Voor stap 5c is nader onderzoek gedaan naar de geurbelasting van de bestaande veehouderij aan de Bredeweg 23. Hierop is reeds verder ingegaan in paragraaf 5.6 van deze onderbouwing. Ten aanzien van van de stappen 5a en 5c van de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 wordt overigens geadviseerd GGD-advies in te winnen. Dit advies wordt door het bevoegd gezag ingewonnen.

5.8

Externe Veiligheid

Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Daarbij gaat het om de risico's verbonden aan 'risicovolle inrichtingen', waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en anderzijds om het 'vervoer van gevaarlijke stoffen' via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid, moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft. Ook dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans per jaar aan dat een persoon op de te onderzoeken plek overlijdt als gevolg van een ongeval bij risicobronnen in de omgeving van die plek. Het PR vormt een contour die vergelijkbaar is met geluidscontouren. De norm die geldt voor het PR is de kans van 1:1.000.000 (10-6).

Voor kwetsbare objecten, zoals de beoogde woningen aan de Bredeweg 25, is dit een grenswaarde en moet worden opgevolgd. Voor beperkt kwetsbare objecten betreft dit een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico geeft aan wat de kans is op een ongeval waarbij tien of meer dodelijke slachtoffers vallen in de omgeving van een risicobron. Bij het groepsrisico wordt niet geredeneerd vanuit de risicobron, maar vanuit de omgeving; het aantal personen dat verblijft in de omgeving van de betreffende risicobron is bepalend voor de hoogte van het GR. Zo wordt het GR gebruikt om vast te stellen of de woningdichtheid in een gebied vergroot kan worden. Voor het GR geldt voorts geen norm, maar een oriëntatiewaarde en in bepaalde gevallen een verantwoordingsplicht. De onderdelen waar bij de verantwoording aandacht aan moet worden besteed staan beschreven in Bevi artikel 13 voor ruimtelijke plannen. Daarbij moet een vergelijking worden gemaakt met de oriëntatiewaarde. Dit is een richtwaarde waar het bevoegd gezag zich zoveel mogelijk aan moet houden, maar er mag goed onderbouwd van worden afgeweken. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek. Het aantal potentiële slachtoffers binnen het invloedsgebied (N) wordt uitgezet tegen de jaarlijkse kans op een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen (f).

Voor de beoordeling van het aspect externe veiligheid gelden de volgende kaders: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), inclusief de daaronder vallende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); • Besluit externe veiligheid transportroutes; • Regeling basisnet; • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), inclusief de daaronder vallende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Daarnaast kunnen het Activiteitenbesluit en Vuurwerkbesluit van belang zijn. Tot slot heeft de gemeente Oss ook een eigen beleidsvisie externe veiligheid. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) regelt hoe een gemeente of provincie moet omgaan met risico’s voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) staan regels over de veiligheidsafstanden en over de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Uitgangspunt voor deze circulaire is de Nota risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Deze circulaire heeft betrekking op het beleid van de ministers van Infrastructuur en Milieu en van Veiligheid en Justititie over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol Projectcode: QFR00120 Versie: 2

Pagina 38 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Bredeweg 25 Geffen

spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving. Voor de uitwerking en toepassing van de risiconormen is zoveel mogelijk aangesloten bij het Bevi en Revi. Besluit externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) geeft onder andere veiligheidsafstanden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen aan. De normstelling is in lijn met het Bevi. De risicoafstanden en de manier van risicoberekening zijn opgenomen in het Revi. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu adviseert om voor standaard buisleidingen met aardolieproducten de afstanden aan te houden uit het RIVM-rapport Risicoafstanden voor buisleidingen met brandbare vloeistoffen K1K2K3 (augustus 2008). Voor afwijkende gevallen en andere brandbare chemische vloeistoffen zijn berekeningen nodig. Voor het berekenen van risico’s van ondergrondse gasleidingen ('hogedruk aardgastransportleidingen') is het computerprogramma CAROLA beschikbaar. Besluit externe veiligheid transportroutes Ten aanzien van het transport van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor heeft het Rijk normen vastgesteld. Deze staan in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. Het Bevt stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht.

In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Oss De beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Oss geeft een aantal concrete handvatten voor het structureel omgaan met externe veiligheid. Zo vormt de beleidsvisie een overzicht van de gemeentelijke situatie op het gebied van externe veiligheid middels een signaleringskaart. Daarnaast beoogd de gemeente door deze beleidsvisie structurele besluitvorming te realiseren met betrekking tot externe veiligheid. Het gemeentelijk beleidskader ten aanzien van externe veiligheid wordt in belangrijke mate bepaald door de landelijke wetgeving, waaronder Bevi, Bevb en Bevt.

Afbeelding 15. Risicokaart omgeving Bredeweg 25 (Bron: Risicokaart.nl)

Projectcode: QFR00120 Versie: 2

Pagina 39 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Bredeweg 25 Geffen

Analyse Op circa 225 meter ten noorden van het plangebied ligt een basisnetroute spoor (64B.1) waar gevaarlijke stoffen over worden vervoerd, waaronder GF3, GT3, LT1 en LT3 stoffen. Voor deze stoffen gelden de volgende invloedsgebieden: 460 meter (GF3), 995 meter (GT3), 375 meter (LT1) en > 4 kilometer (LT3). Het plangebied ligt op meer dan 200 meter afstand van de spoorlijn en derhalve kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Beperkte verantwoording groepsrisico In de beleidsvisie externe veiligheid gemeente Oss zijn planologische kaders gegeven welke zijn afgestemd op de kans dat een groep mensen in een gebied betrokken raakt bij een incident met gevaarlijke stoffen. De kaders zijn vormgegeven in een zone indeling, gebaseerd op de reikwijdte van effecten van incidenten met gevaarlijke stoffen. Door het volgen van deze zone indeling wordt door middel van ruimtelijke scheiding de externe veiligheid geborgd. In navolgende tabel is de zone-indeling uit de beleidsvisie weergegeven. Zone indeling voor spoor- en rijkswegen Zones I II III IV

Grootte (vanaf de rand van de bron) 0-30 meter 30-200 meter 200-300 meter > 300 meter

Het plangebied valt met een ligging op een afstand van circa 225 meter van het spoortracé ’s HertogenboschNijmegen binnen zone III. Een verantwoording van het groepsrisico is hierna opgenomen. Voor kwetsbare objecten geldt in deze afstandscategorie een verantwoording conform zwaarte 2 van de beleidsvisie. Verantwoording zwaarte 2 1. Er is noodzaak de voorziening op deze plek te realiseren. Alternatieven zijn overwogen. 2. De zelfredzaamheid is goed. 3. Bestrijdbaarheid: - Er is een goede verkeerskundige ontsluiting voor hulpdiensten; - Er wordt voldaan aan de Handleiding bluswatervoorziening of een gelijkwaardig voorstel van de brandweer; - Er zijn minimaal twee vluchtroutes van de bron af; - Kwetsbare objecten moeten aan risicoluwe zijde worden gerealiseerd; 4. Er moet grondig gekeken worden naar: - In beschouwing nemen van bouwtechnische maatregelen, centrale afgrendeling van het luchtcirculatiesysteem of maatregelen om de schuilmogelijkheden te vergroten; - Maatregelen moeten privaatrechtelijk of anderszins worden afgedwongen bij projectontwikkelaar/initiatiefnemer; - Aandacht voor organisatorische en communicatiemaatregelen om de zelfredzaamheid in geval van een calamiteit te vergroten. De beoogde ontwikkeling betreft een particulier initiatief. Het is voor initiatiefnemer o.a. financieel niet mogelijk de beoogde ontwikkeling op een andere locatie te realiseren.

In het kader van artikel 9 van het Bevt dient Veiligheidsregio Brabant Noord advies uit te brengen over de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en bestrijdbaarheid van gevolgen van een ramp in het invloedsgebied. Het advies van de Veiligheidsregio is hierna beknopt verwoord. Het volledige advies is als bijlage bij deze onderbouwing toegevoegd. Advies Veiligheidsregio Brabant Noord Aangenomen mag worden dat personen woonachtig op dit soort locaties zowel fysiek als mentaal in staat zijn om op de juiste manier op een dreiging te reageren. Via de Bredeweg of het achterliggende terrein kan men voldoende afstand van het spoor nemen. De mogelijkheden voor incidentbestrijding worden door de gewenste ontwikkeling niet negatief beïnvloed. De incidentbestrijding vindt aan het spoor plaats. De incidentbestrijding aan het spoor wordt als slecht beoordeeld. Dit is een gevolg van een beperkte bereikbaarheid en de afwezigheid van voldoende bluswater.

Projectcode: QFR00120 Versie: 2

Pagina 40 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Bredeweg 25 Geffen

Uit de beoordeling blijkt dat door het optimaliseren van de zelfredzaamheid het risico het beste beperkt kan worden. Informeer de initiatiefnemer en toekomstige bewoners daarom actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Overige risicobronnen Naast de spoorlijn die op ongeveer 225 meter van de projectlocatie ligt is het dichtstbijzijnde risico-object op een afstand van ongeveer 750 meter. Dit betreft een bovengrondse propaanopslagtank. Voor een Opslagtank met propaan groter dan 5 kubieke meter tot en met 13 kubieke meter, waarbij bevoorrading meer dan 5 keer per jaar plaatsvindt wordt een veiligheidsafstand van 25 meter gehanteerd volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer artikel 3.28 onder 1. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. Voor het overige zijn geen risico`s in het kader van externe veiligheid voorzien. Het initiatief is op dit onderwerp dan ook voorstelbaar in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

5.9

Bedrijven- en milieuzonering

Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Daarnaast bepaalt de feitelijke (planologische) situatie eveneens in hoeverre bedrijven in de bestaande situatie reeds beperkt worden in hun bedrijfsvoering. De VNG-brochure wordt gebruikt als hulpmiddel (niet als blauwdruk) bij het opstellen van bestemmingsplannen met nieuwe milieugevoelige functies of nieuwe milieubelastende functies. Er bestaat geen plicht om de brochure te hanteren, wel is het een algemeen aanvaarde methode in Nederland gebleken. In de brochure zijn aan de verschillende bedrijfsactiviteiten, milieucategorieën en richtafstanden toegekend voor de aspecten gevaar, stof, geur en geluid. De afstanden zijn gebaseerd op een rustige woonwijk. Als er sprake is van een gemengd gebied mag er een afstandstrap minder worden gehanteerd.

Analyse Op afbeelding 16 is te zien dat in de omgeving van het plangebied zich één bedrijf bevindt, namelijk op de Bredeweg 23 (zuidelijk van de planlocatie). Het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Oss - 2020’ staat tevens een bedrijf toe op de Bredeweg 14B. Bredeweg 14B Het bestemmingsplan geeft aan dat er nog een bedrijfslocatie ten noordoosten van het plangebied ligt. De functieaanduiding voor het bedrijf is: “specifieke vorm van bedrijf - niet-agr-technisch hulpbedrijf en niet-agr verwant bedrijf”. Op deze locatie is een maximale milieucategorie 4 toegestaan. Echter is dit bedrijf door de vele woningen in de omgeving reeds beperkt in zijn bedrijfsvoering. De inpassing van het voorgenomen initiatief zal geen extra beperkingen opleveren voor het bedrijf van op de Bredeweg 14B dan wel van invloed zijn op onderhavig planvoornemen. In tegengestelde richting valt voor de beoogde woningen aan de Bredeweg 25 ook geen hinder te verwachten van het bedrijf aan Bredeweg 14B. Het betreft een hoveniersbedrijf met een bedrijfsoppervlak van circa 2.500 m2. Conform de richtafstanden van de VNG-tabel, heeft dit bedrijfstype richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar van respectievelijk 30, 10, 50 en 10 meter.

Aangezien de omgeving van het plangebied te karakteriseren valt als een gemengd gebied (gelegen langs een weg met een 60 km/uur zonering in het buitengebied) kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verkleind worden. Dit betekent dat de richtafstanden zoals hiervoor genoemd worden teruggebracht tot de volgende waarden: • Geur: 10 meter • Stof: 0 meter • Geluid: 30 meter • Gevaar: 0 meter Het plangebied aan de Bredeweg 25 is op circa 30 meter van het bestemmingsvlak ‘bedrijf’ aan de Bredeweg 14B. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden conform de VNG richtafstandenlijst. Geconcludeerd wordt dat het bedrijf aan de Bredeweg 14B geen hinder veroorzaakt voor de beoogde woonfuncties aan de Bredeweg 25. Projectcode: QFR00120 Versie: 2

Pagina 41 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Bredeweg 25 Geffen

Bredeweg 23 De vleeskalverhouderij aan de Bredeweg 23 heeft volgens de richtafstandenlijst van de VNG een richtafstand van 100 meter voor geur. Het voorgenomen initiatief ligt binnen deze afstand van 100 meter. In het kader van een goede ruimtelijk ordening is daarom onderzoek verricht naar geurhinder. Zie paragraaf 5.6 en bijlage 9 van dit document. Conclusie uit onderzoek Op basis van het geuronderzoek wordt geconcludeerd dat voor de realisatie van het plan geen beperkingen gelden voor het aspect geur. Ter plaatse van de nieuwe geurgevoelige bestemmingen wordt voldaan aan de Wet geurhinder en veehouderijen en de gemeentelijke verordening. De bestaande veehouderijen worden door de realisatie van het plan tevens niet beperkt. Daarnaast zal de geurbelasting in de omgeving, door de sloop van de stallen aan de Bredeweg 25, verbeteren met de doorgang van het project.

Afbeelding 16: Giskaart omgeving (Bron: EDUGIS.nl).

Projectcode: QFR00120 Versie: 2

Pagina 42 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Bredeweg 25 Geffen

Kabels, leidingen en andere belemmeringen Binnen het plangebied bevinden zich conform de KLIC-melding d.d. 20-07-2020 kabels en leidingen van de volgende netbeheerders (zie Afbeelding 17) Kabels en leidingen bevinden zich in de regel op een diepte van 0,6-1,4 m –mv. Riolering ligt doorgaans dieper dan dat, tot ca. 3 m –mv. De exacte diepte van de kabels en leidingen in het plangebied is niet bekend maar verwacht mag worden dat dit binnen genoemde diepten zal zijn. De kabels en leidingen zijn beperkt tot de huisaansluitingen in het noordelijk van het plangebied, tussen het woonhuis en de Bredeweg. Een andere kabel loopt op het zuidelijk deel. Overige kabels en leidingen liggen net buiten het perceel of op de perceelgrens in het westen. Binnen of nabij het plangebied zijn tot slot geen hoogspanningslijnen gesitueerd.

Afbeelding 17: kabels en leidingen in en rondom het plangebied. (Bron: mijnkadaster.nl)

5.10 Spuitzones In de omgeving van het plangebied zijn geen spuitzones gesitueerd. Derhalve vormt het aspect ‘spuitzones’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Projectcode: QFR00120 Versie: 2

Pagina 43 van 46

Ruimtelijke onderbouwing Bredeweg 25 Geffen

6 Waterparagraaf Een belangrijk ordenend principe bij ruimtelijke plannen is het waterbeheer: de zorg voor veiligheid tegen overstromingen en voor voldoende en gezond oppervlaktewater. De gemeente dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Aa en Maas, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer van regionale wateren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oss&id=32a22917-da2e-41e4-b09b-4bd4d6822134