Bijlage 1 Beleidsnotitie begrenzing gespecialiseerde jeugdhulp (RBO breed 17-12-20).pdf
Tekst van het document
Beleidsnotitie: Visie en aanbevelingen over reikwijdte Jeugdwet en begrenzing inzet gespecialiseerde jeugdhulp in Noordoost Brabant Versie 8 december 2020.
Inhoudsopgave Pagina 1.
Inleiding
2
2.
Hoe ziet het jeugdveld eruit?
3
Wat staat er in de Jeugdwet over het treffen van voorzieningen op het
4
3.
gebied van jeugdhulp? 4.
Het onderzoek
4
5.
Welke ondersteuning en inzet is passend en kan ingezet worden
7
6.
Welke wettelijke voorzieningen zijn er?
11
Wet Maatschappelijke Ondersteuning WMO Wet Langdurige Zorg WLZ Zorgverzekerings Wet ZVW 7.
Passend onderwijs
15
8.
Participatiewet en programma jongerenaanpak onderwijs
18
arbeidsmarktbeleid 2021-2024 9.
Aanbod hulp en ondersteuning; gespecialiseerde jeugdhulp
19
10. Jeugdhulp voor jeugdigen 18-23 jaar en verlengde jeugdhulp
21
1.
Inleiding
Sinds 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor alle jeugdhulp. Het gaat om preventie, opvoedondersteuning en gespecialiseerde jeugdhulp (inclusief Gecertificeerde instellingen GI’s en Veilig Thuis). Gespecialiseerde jeugdhulp wordt in onze regio regionaal ingekocht door RIOZ (Regionale Inkoop Organisatie Zorg). Preventie en (lichte) opvoedondersteuning is een lokale verantwoordelijkheid. Het uitgangspunt is dat ouders eerst zelf verantwoordelijk zijn voor het opvoeden en opgroeien. De afgelopen jaren hebben we geconstateerd dat er sinds 2015 een forse stijging is op het beroep op gespecialiseerde jeugdhulp. Dat heeft diverse redenen: 1. Complexiteit van de zorgvraag stijgt, onder meer als gevolg van stapeling van problematiek in gezinnen. 2.
De druk vanuit ouders op inzet van jeugdhulp wordt groter. Het taboe op hulp is afgenomen en het streven naar een “perfecte” ontwikkeling van het kind staat voorop.
3.
De druk van het onderwijs op inzet van jeugdhulp in- en aanpalend aan het onderwijs en kinderopvang groeit
4.
Er wordt onvoldoende ingezet op ondersteuning vanuit familie/ eigen netwerk wat leidt tot meer en snellere inzet van professionals
5.
Toegankelijkheid en de zichtbaarheid van de gemeentelijke toegang is groot, waardoor kinderen eerder in beeld zijn. Problematiseren in plaats van normaliseren is een serieus risico.
6.
Er zijn meerdere toegangskanalen tot gespecialiseerde jeugdhulp waar de gemeente minder invloed op heeft o.a. toegang via huisartsen, GI’s en rechtbanken.
Geconcludeerd wordt dat de beoogde transformatie nog onvoldoende vorm heeft gekregen en dat dit samen met de bovengenoemde ontwikkelingen zorgen voor een forse stijging van de vraag naar gespecialiseerde jeugdhulp. Door de toenemende vraag neemt de druk op budgetten toe. In de praktijk hebben we te maken met heel veel verschillende vormen van jeugdhulp, van licht naar heel zwaar. Wij vinden dat de zeer kwetsbare doelgroep jeugdigen die veelal aangewezen zijn op specialistische jeugdhulp niet buiten de boot mag vallen wanneer het gaat om overschrijding van budgetten voor specialistische jeugdhulp. Gemeenten worstelen met de begrenzing en reikwijdte van de jeugdhulpplicht. Het is daarom noodzakelijk om de grenzen en reikwijdte van de gespecialiseerde jeugdhulp met elkaar te bespreken en hiervoor richtlijnen vast te stellen. De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) zag ook dat veel gemeenten stoeien met het open karakter van de Jeugdwet, in relatie tot de groei van het aantal jeugdhulptrajecten. In het najaar 2019 heeft zij een aantal vragen geformuleerd om het juridisch kader rondom de jeugdhulpplicht helder te krijgen en te leren van veelbelovende initiatieven in het land. Het VNGbestuur vroeg ook om aanbevelingen op het gebied van wet- en regelgeving. Het “Expertteam
Pagina 2 van 23
Reikwijdte jeugdhulpplicht” publiceerde in opdracht van de VNG in maart 2020 haar advies. Het advies houdt een warm pleidooi voor “echte transformatie “en adviseert gemeenten om te gaan werken met een ontwikkelagenda. Het advies gaat naar onze mening echter te beperkt in op de uitstekende vragen die het VNG-bestuur heeft gesteld in september 2019. Vanuit de regio Noordoost Brabant is gevraagd naar een beleidsmatige visie en richtlijnen over de reikwijdte van de jeugdhulpplicht. Omdat het advies van het “expertteam” helaas te weinig handvatten biedt om de groei van het aantal jeugdhulptrajecten te beperken, komen wij zelf met een visie en met aanbevelingen om te komen tot richtlijnen. Het gaat niet om een nieuwe visie. Het gaat vooral om een aanzet tot een verdere concretisering op het beleid dat al vanaf 2015 is ingezet. In de praktijk blijkt vooral dat er meer mogelijk is om jeugdigen te helpen als we breder kijken. En een probleem integraal benaderen. Niet alle hulp en ondersteuning hoeft vanuit de Jeugdwet te worden ingezet. Na instemming door het Regionaal Bestuurlijk Overleg (RBO) gaan wij deze visie en de diverse aanbevelingen uitwerken in een plan van aanpak. Ook komt er een instructie voor de toegang en willen wij de notitie nog juridisch toetsen.
Het zou kunnen dat er op onderdelen nog aanvullende besluitvorming nodig is van het RBO, colleges of gemeenteraad, afhankelijk van de uitwerking. Hier komen wij in de loop van 2021 op terug. 2.
Hoe ziet het jeugdveld eruit?
Sinds de invoering van de Jeugdwet is er geen sprake meer van een recht op jeugdhulp, maar recht op een goed onderzoek dat kan leiden tot een jeugdhulpplicht voor de gemeente. In het kader van deze notitie gaat het om 3 vragen: 1.
Welk probleem van ouders of jeugdige opgelost wil men aangepakt zien en welk resultaat wil men bereikt zien?
2.
Welke inzet of ondersteuning is passend om het geformuleerde resultaat te bereiken?
3.
En valt dat een probleem/resultaat of de benodigde ondersteuning binnen de Jeugdwet en regionaal jeugdhulpbeleid Deze notitie gaat vooral in op de tweede en derde vraag. In de praktijk blijkt dat de jeugdhulp vaak opgerekt wordt naar andere wetten en regelgeving. Onderstaand plaatje geeft weer hoe breed het jeugdveld is.
Pagina 3 van 23
3.
Wat staat er in de Jeugdwet over het treffen van voorzieningen op het gebied van jeugdhulp?
De Jeugdwet is bedoeld voor jeugdigen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt. In de Jeugdwet is ook een uitzondering opgenomen, te weten jeugdigen die onder het jeugdstrafrecht vallen. Verder kan sprake zijn van verlengde jeugdwet. Hier komen wij in deze notitie op terug. In de Jeugdwet is het volgende opgenomen t.a.v. het treffen van voorzieningen voor jeugdhulp. Art 2.3. Jeugdwet Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld: a.
Gezond en veilig op te groeien;
b.
Te groeien naar zelfstandigheid, en
c.
Voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren,
Rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Verder staat in de Jeugdwet opgenomen dat het college geen voorziening op grond van de Jeugdwet hoeft te treffen indien er aanspraak bestaat op zorg en ondersteuning op basis van andere voorzieningen (zie artikel 1.2.). 4.
Het onderzoek
De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen weegt zwaar bij ouders en gemeente. Gemeenten willen het graag goed doen. Dat kan tot gevolg hebben dat de gemeenten in het kader van de jeugdhulpplicht een ondersteuning inzetten die eigenlijk tot de verantwoordelijkheid van een andere partij of wetgeving behoren. De betrokkenheid bij het welzijn van de jeugdige is lovenswaardig. Maar heeft gevolgen bijvoorbeeld: •
Er wordt niet de best passende ondersteuning ingezet.
•
Het benodigde jeugdhulpbudget of jeugdhulpaanbod is niet meer beschikbaar voor degenen die wel onder de Jeugdwet vallen.
Uit het landelijk onderzoek naar de reikwijdte van de Jeugdwet blijkt dat de welwillendheid van de gemeente om hiaten op te vullen, tot een praktijk leidt of kan leiden waarbij de verantwoordelijke partij zich terugtrekt van zijn verantwoordelijkheid. De gemeenten in Noordoost Brabant zien dit gebeuren. Om de kerntaak te kunnen (blijven) uitvoeren, proberen we in deze notitie af te bakenen wanneer een voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden ingezet, en wanneer en andere voorliggende voorzieningen kunnen worden ingezet. De eerste stap, om te komen tot het treffen van voorzieningen, is het uitvoeren van een goed onderzoek. Omdat een vraag voor ondersteuning op diverse plekken kan binnen komen, bespreken we de 3 belangrijkste vormen om toegang tot gespecialiseerde jeugdhulp te krijgen.
Pagina 4 van 23
1.
Gemeentelijke of lokale toegang.
Elke gemeente heeft een lokale toegang waar ouders en jeugdigen terecht kunnen met vragen. Dat kan één team zijn, maar kan ook bestaan uit een samenwerking tussen verschillende algemene voorzieningen. De focus van de lokale toegang ligt op het doen van goed onderzoek, waaronder één (of meerdere) gesprekken. Een gesprek waarin tijd is om contact te maken met de hulpvrager en/of het gezin. Het gesprek is bedoeld om inzicht te krijgen of hulp- of ondersteuning nodig is. En welke doelen en resultaten bereikt moeten worden wanneer ouders niet zelf in staat zijn om dit te bereiken. Om een goed onderzoek te doen mag de gemeente daarbij gegevens van de jeugdige en/of ouders verwerken. De jeugdprofessional mag bijvoorbeeld persoonsgegevens opslaan om te kunnen bepalen of het nodig is om jeugdhulp in te zetten (artikel 7.4.0. lid 1 onderdeel a Jeugdwet). Voor deze “standaard” taken is geen toestemming nodig. Om te beoordelen of jeugdhulp nodig is, mag de gemeente ook zonder toestemming overleg hebben met school. Is echter meer informatie nodig van andere externe partijen, dan is toestemming vereist. Een goed onderzoek kan er ook toe leiden dat de conclusie is dat hulp op basis van de Jeugdwet niet passend is en dat een andere voorliggende voorziening wellicht beter past. Of dat er misschien geen ondersteuning ingezet moet worden.
De hulp- en ondersteuningsvraag van kinderen en hun ouders moet leidend zijn bij de keuze voor de passende vorm van ondersteuning. Indien de toegang tot de conclusie komt dat gespecialiseerde jeugdhulp moet worden ingezet, dient in samenspraak met de jeugdige/ouders en aanbieder uiteindelijk gekeken worden wat het meest passend is (werken in de driehoek). Hiervoor verwijzen wij naar de werkinstructie specialistische jeugdhulp 2021 Indien de kern van de problematiek buiten het wettelijk omschreven resultaat van de Jeugdwet valt, wordt met ouders en jeugdige onderzocht wat passend is en adviezen gegeven voor een vervolg (inclusief warme overdracht), maar niet in het licht van de jeugdwet. 2.
Toegang via huisartsen, jeugdarts of medisch specialist
In de Jeugdwet is geregeld dat jeugdhulp ook toegankelijk is na een verwijzing door een huisarts, jeugdarts of medisch specialist. Een arts moet verwijzen naar een jeugdhulpaanbieder die door de gemeente is gecontracteerd. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp een jeugdige precies nodig heeft. Ook zijn doelen en resultaten onvoldoende geformuleerd. Formeel juridisch moet de gemeente een besluit nemen. Maar zij kan dit ook overlaten aan de aanbieders. 3.
Toegang via de Gecertificeerde Instellingen (GI’s)
In de Jeugdwet is geregeld dat GI’s een bepaling jeugdhulp mogen afgeven. Hierbij formuleren zij doelen en resultaten en vervullen zij de rol van de toegang. Vanuit de visie nieuwe Jeugdbescherming doen zij dat in tandem met het lokale toegangsteam.
Pagina 5 van 23
De gemeente hoeft geen besluit te nemen na een verwijzing van de GI. Er is namelijk geen bezwaar mogelijk tegen een bepaling van de GI. Binnen het “werken in de driehoek” en het contract met de GI moet dit nader uitgewerkt worden. 4.
Rol van de jeugdhulpaanbieder na verwijzing maar niet via de gemeentelijke toegang
Als een jeugdige zich bij de jeugdhulpaanbieder meldt met een verwijzing, niet via de gemeentelijke toegang, dan beoordeelt de jeugdhulpaanbieder vervolgens met deze verwijzing inhoudelijk welke producten de jeugdige precies nodig heeft, met welke frequentie en voor hoe lang (de duur en de omvang). De jeugdhulpaanbieder bepaalt de inhoud van de voorziening. De jeugdhulpaanbieder past bij de genoemde beoordeling en bepaling van de inhoud van het product de werkwijze toe zoals de gemeentelijke toegang deze toepast zoals beschreven in het productenboek en de werkinstructie. Samenvatting. •
Gemeenten zetten in op het verrichten van een goed onderzoek indien een verzoek om hulp of ondersteuning wordt gedaan.
•
Indien de kern van de problematiek buiten het wettelijk omschreven resultaat van de Jeugdwet valt, wordt met ouders en jeugdige onderzocht wat passend is en adviezen gegeven voor een vervolg. Altijd met warme overdracht. Er wordt dan geen hulp of ondersteuning op basis van de Jeugdwet ingezet.
•
Indien de kern van de problematiek binnen de Jeugdwet valt, en gespecialiseerde jeugdhulp ingezet moet worden gaan we werken in de driehoek.
Aanbevelingen 1.
De gemeentelijke (lokale) toegangsteams, jeugdhulpaanbieders en Gecertificeerde instellingen stellen met ouders en jeugdige de kern van de problematiek vast aan de hand van een aantal vragen: - Wat is de hulpvraag van de jeugdige of de ouders? - Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, belemmeringen in de ontwikkeling of psychische problemen spelen er? - Welke doelen en resultaten wil men bereiken?
2.
Indien de kern van de problematiek buiten het wettelijk omschreven resultaat van de Jeugdwet valt, wordt met ouders en jeugdige onderzocht wat passend is, en worden adviezen gegeven voor een vervolg. Altijd met warme overdracht, maar geen ondersteuning in het licht van de Jeugdwet.
3.
Indien de kern van de problematiek binnen de Jeugdwet valt en gespecialiseerde jeugdhulp ingezet moet worden, gaan we werken in de driehoek. Voor de lokale toegangsteams is hiervoor een werkinstructie opgesteld.
Pagina 6 van 23
Voor de GI’s moeten de afspraken met betrekking tot nieuwe jeugdbescherming en werken in tandems met lokale teams geïmplementeerd worden. 4.
Bijeenkomsten organiseren voor de lokale toegangsteams en GI’s over de visie en de richtlijnen van de reikwijdte van de Jeugdwet en begrenzing van gespecialiseerde jeugdhulp in Noordoost Brabant.
5.
Welke ondersteuning en inzet is passend en kan ingezet worden
Nadat het onderzoek heeft plaatsgevonden, en probleem, gewenst resultaat en doelen zijn geformuleerd, wordt onderzocht wat de passende ondersteuning is of inzet moet zijn. Op hoofdlijnen zijn er 3 afwegingen: 1.
Kunnen ouders/cliënt het op eigen kracht, is er voldoende probleemoplossend vermogen aanwezig, of is er ondersteuning nodig?
2.
Indien ondersteuning vanuit de gemeente nodig is, is er dan de noodzaak om hulp in te zetten vanuit de Jeugdwet, of zijn er andere (voorliggende) ondersteuningsmogelijkheden binnen andere wettelijke kaders?
3.
Indien er een jeugdhulpplicht is, is een algemene of voorliggende voorziening passend of is er gespecialiseerde jeugdhulp nodig?
Ad. 1. Eigen kracht, probleemoplossend vermogen Ouders zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het verzorgen en naar eigen inzicht opvoeden van de eigen kinderen. Iedere ouder heeft in meer of mindere mate vragen over de opvoeding en heeft daar soms ondersteuning bij nodig. Dat wil echter niet zeggen, dat er in alle gevallen een plicht op de gemeente rust om daar gespecialiseerde ondersteuning in toe te kennen. De gemeente heeft volgens de Jeugdwet en daaruit volgende jurisprudentie een jeugdhulpplicht als uit gedegen onderzoek blijkt dat ouders onvoldoende eigen probleemoplossend vermogen hebben om het geformuleerde resultaat zelf te bereiken. Omgedraaid: als het eigen vermogen en/of eigen kracht van de ouders/opvoeders (eventueel met behulp van eigen netwerk) voldoende is om de benodigde ondersteuning te bieden, dan geldt het uitgangspunt dat zij in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn. Er is dan geen jeugdhulpplicht. In het regionaal beleidsplan Jeugdhulp Noordoost Brabant 2020-2023 staat dat we ervan uit gaan dat ouders zelf de gebruikelijke en noodzakelijke zorg bieden.
In de lijn van recente jurisprudentie scherpen we dit aan: als het eigen vermogen en eigen kracht volstaat om het resultaat te bereiken, ook in het geval van boven gebruikelijke zorg, dan kunnen de ouders invulling geven aan het wettelijk uitgangspunt dat zij in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn. Er is dan geen plicht voor de gemeente om gespecialiseerde jeugdhulp in te zetten. Van ouders mag verwacht worden dat zij, indien noodzakelijk vergaande aanpassingen doen om dit te realiseren. Dit kan betekenen dat een ouder het eigen toekomstperspectief (carrière) of financiële
Pagina 7 van 23
situatie zal moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de gebruikelijke en noodzakelijke zorg te kunnen bieden, zie jurisprudentie1 De gemeentelijke toegang stelt dus vast of hulp door ouders kan worden geboden en of het kind gebaat is bij ondersteuning door de ouder. Daarbij stelt de gemeentelijke toegang de volgende vragen: •
Is de ouder in staat de hulp te bieden?
•
Is de ouder beschikbaar de hulp te bieden?
•
Raakt de ouder niet overbelast door het bieden van de ondersteuning?
•
Ontstaan er geen financiële problemen als de ouder de ondersteuning gaat bieden (draagkrachtonderzoek)?
Indien nodig laat de gemeentelijke toegang zich adviseren door een specifieke (jeugdhulp)deskundige bij besluitvorming. 2. Hulp vanuit de Jeugdwet of zijn er andere (voorliggende/wettelijke) voorzieningen? Niet alleen de Jeugdwet biedt hulp en ondersteuning voor jeugdigen en hun ouders. Er zijn ook andere voorzieningen in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen en zorg. Als eerste is het belangrijk om vast te stellen of het om een probleem gaat dat bij de jeugdige ligt of bij de ouders/opvoeders.
Gaat het om een probleem bij de jeugdigen of bij de ouders? In veel situaties is het de vraag waar de kern van het probleem ligt: bij de jeugdige of zijn ouders. Of een combinatie van beiden. In menige casus bemoeilijkt de ouderproblematiek de opvoeding van de kinderen. Menige jeugdhulp wordt ingezet, terwijl er sprake is van bovenliggende ouderproblematiek. Wanneer de kern van de problematiek bij de ouders ligt, dan is de inzet van jeugdhulp niet altijd effectief. Opvoedondersteuning valt in principe onder de jeugdwet. In het onderzoek naar de jeugdhulpplicht gaan we nadrukkelijker onderzoek doen of er sprake is van opvoedproblematiek of dat ouders problemen hebben waardoor zij niet in staat zijn goed op te voeden. Belangrijke veroorzakende factoren die maken dat ouders door eigen problematiek niet in staat zijn de kinderen goed op te voeden (al dan niet in combinatie met elkaar) zijn onder andere: •
Psychische, psychiatrische of verslavingsproblematiek
•
Verstandelijke beperking
•
Schulden
•
Problematiek als gevolg van echtscheiding
Als in het onderzoek naar de noodzaak van jeugdhulp blijkt dat sprake is van deze problematieken, kan het zijn dat we geen jeugdhulp inzetten op deze problematieken. Of wij stellen als voorwaarde aan de toekenning van jeugdhulp dat ouders ook aan hun eigen problematiek werken. Ouders dienen daarbij geholpen te worden bijvoorbeeld om de stap naar schulddienstverlening of GGZ te zetten.
1 ECLI:NL:CRVB:2019:2362
Pagina 8 van 23
Uiteraard moet wel altijd gekeken worden naar het belang van het kind. Kinderen mogen hierdoor niet in de knel komen.
Echtscheidingsproblematiek Er gaat veel inzet jeugdhulp naar jeugdigen die leiden onder de scheidingsproblematiek van de ouders. Daarom lichten wij dit nog eens apart toe. Wij willen vaker inzetten op preventieve interventies bij echtscheiding (dus net na besluit om te gaan scheiden). Als ouders nog met elkaar in gesprek zijn, gezamenlijk met ouders aan de slag over de belangrijkste risico’s voordat het een “vechtscheiding wordt”. Dan gaat het om financiën, huisvesting, de kinderen, omgangsregeling en begeleiding in de nieuwe rol (rouwverwerking, omgaan met nieuwe partner, in gesprek blijven). De partners die daar een rol in spelen, worden georganiseerd om gezamenlijk de ouders te begeleiden bijvoorbeeld maatschappelijk werk, juridisch loket, mediator, sociale dienst, advocatuur. Hier moeten nog handvatten voor opgesteld worden.
Andere voorliggende wettelijke voorzieningen Als vaststaat welke hulp de jeugdige nodig heeft en dat ouders en/of sociaal netwerk hier niet (geheel) in kunnen voorzien, moet de gemeentelijke toegang onderzoeken of de jeugdige aanspraak maakt op een (andere) voorliggende voorziening. Daarbij stelt de gemeentelijke toegang de volgende vragen: a. Kunnen jeugdigen en ouders dit oplossen met behulp van hun eigen netwerk? b.
Welke preventieve inzet is nodig om de geformuleerde resultaten te bereiken?
c.
Kan een algemene voorziening worden ingezet?
d.
Is er sprake van een voorliggende of andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Jeugdwet valt?
e.
Welke hulp of ondersteuning is naar aard en omvang nodig?
f.
Of is het nodig om een individuele voorziening in te zetten
Er hoeft namelijk geen jeugdhulp te worden toegekend als de jeugdige voor de noodzakelijke hulp gebruik kan maken van een andere, voorliggende voorziening. Een voorliggende voorziening is een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet. Deze voorzieningen noemen we voorliggend omdat ze voorrang hebben op voorzieningen uit de Jeugdwet. Artikel 1.2. Jeugdwet regelt welke voorzieningen voorliggend zijn. Voorliggende voorzieningen waar de jeugdigen gebruik van kan maken zijn: • Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) •
Wet langdurige zorg (WLZ)
•
Zorgverzekeringswet (ZVW)
•
Wet Passend Onderwijs
•
Voorzieningen op grond van andere wetten, voor zover het college van oordeel is dat daar aanspraak op bestaat. Het college moet aantonen dat inderdaad sprake is van een voorliggende voorziening.
•
De Participatiewet wordt niet in de Jeugdwet genoemd. Wij gaan hier in het volgende hoofdstuk op in.
Pagina 9 van 23
Er is pas sprake van een voorliggende voorziening als de jeugdige ook daadwerkelijk aanspraak kan maken op die voorziening. De voorliggende wet moet dus inderdaad mogelijkheden bieden voor hulp of behandeling. Van de jeugdige kan dan worden verwacht dat hij gebruikt maakt van die voorliggende voorziening. Van een voorliggende voorziening is geen sprake als de voorziening op basis van een andere wettelijke bepaling is afgewezen of als vaststaat dat de jeugdige daar niet voor in aanmerking komt. In hoofdstuk 6 lichten wij de diverse wettelijke voorzieningen toe. Ad 3. Gespecialiseerde jeugdhulp of algemene voorzieningen De gemeentelijke toegang hoeft geen individuele voorziening voor jeugdhulp te treffen als een algemene voorziening de problemen van de jeugdige kan oplossen. Algemene voorzieningen betreft het aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is. Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn: kinderopvang, GGD (o.a. consultatiebureau), sportvereniging, jongerenwerk, maatschappelijk werk, welzijnswerk, huisarts, Integrale Vroeghulp, opvoedondersteuning uitgevoerd door Basisteam Jeugd en Gezin, etc. Voor het gebruiken maken van een algemene voorziening kan een eigen bijdrage worden gevraagd.
Als aannemelijk is dat ouders gebruik kunnen maken van deze voorzieningen maar daar geen gebruik van wensen te maken, wordt er geen voorziening ingezet vanuit de Jeugdwet. Als de vorige stappen zijn doorlopen, kan de keuze gemaakt worden om gespecialiseerde jeugdhulp in te zetten. Gespecialiseerde jeugdhulp wordt in onze regio ingekocht door de Regionale Inkooporganisatie RIOZ. Er is een productenboek waarin alle vormen van gespecialiseerde jeugdhulp zijn opgenomen. Samenvatting. •
Als het eigen vermogen en/of eigen kracht van de ouders/opvoeders voldoende is om de benodigde ondersteuning te bieden en beoogde resultaat te bereiken, dan geldt het uitgangspunt dat zij in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn. Er is dan geen jeugdhulpplicht.
•
Als de kern van de problematiek bij de ouders zit, wordt er geen jeugdhulp ingezet voor die problematiek, of we stellen als voorwaarde dat ouders ook aan hun eigen problematiek gaan werken.
•
Als een jeugdige gebruik kan maken van een andere, voorliggende voorziening, wordt geen gespecialiseerde jeugdhulp toegekend.
Aanbevelingen. 5.
In het onderzoek naar jeugdhulp wordt scherp gekeken naar de oorzaak van de problematiek. Is er sprake van opvoedproblematiek of hebben de ouders problemen waardoor hun opvoedkwaliteiten
Pagina 10 van 23
en het welbevinden van de jeugdige onder druk staat, dan wordt er geen jeugdhulp ingezet en/of we stellen als voorwaarde dat ouders ook aan hun eigen problematiek gaan werken. Tenzij de veiligheid van de kinderen in gevaar is. 6.
Ter voorkoming van escalatie van echtscheidingen adviseren wij om vaker preventieve interventies in te zetten voor scheidende ouders. De vorm en mate waarin is een lokale verantwoordelijkheid.
7.
Regionale werkgroep “scheiden zonder schade” opdracht geven om handvatten op te stellen die helpen om de inzet te bepalen ten aanzien van de ondersteuning bij complexe scheidingen
8.
Als vaststaat welke hulp de jeugdige nodig heeft, en als ouders en/of sociaal netwerk hier niet (geheel) in kunnen voorzien, moet de gemeentelijke toegang onderzoeken of de jeugdige aanspraak maakt op een (andere) voorliggende voorziening.
6. Welke wettelijke voorzieningen zijn er? Zoals aangegeven hoeft het college geen voorziening op basis van de Jeugdwet te treffen als er een beroep gedaan kan worden op andere wetten. In dit hoofdstuk wordt dit nader toegelicht. Participatiewet en passend onderwijs wordt apart behandeld. 1.
Wet Maatschappelijke Ondersteuning WMO
Gemeenten zijn op grond van de WMO 2015 verantwoordelijk voor de ondersteuning van mensen die niet op eigen kracht zelfredzaam zijn of kunnen participeren. De WMO regelt de ondersteuning zodat mensen meer te laten meedoen of zo zelfstandig mogelijk te worden of te blijven in de samenleving. In de praktijk worden er vanuit de Jeugdwet regelmatig voorzieningen ingezet voor problematieken die mogelijk ook vanuit de WMO kunnen worden ingezet. De afbakening m.b.t. reikwijdte van de Jeugdwet betreft een aantal zaken.
Ambulante begeleiding en dagbesteding Individuele begeleiding en dagbesteding valt vanaf de 18e verjaardag onder de WMO en niet meer onder de Jeugdwet. Het feit dat een aanbieder niet gecontracteerd is voor WMO-begeleiding, geeft geen grond om een jeugdhulpvoorziening voort te zetten.
Begeleide woonvormen (en beschermd wonen) Verblijf in de jeugdhulp eindigt in principe op de 18e verjaardag. Tenzij er sprake is van verlengde jeugdhulp (zie hoofdstuk 10). Wanneer jeugdigen op grond van problemen t.a.v. sociale zelfredzaamheid niet (meer) bij de ouders kunnen wonen, maar ook niet in staat zijn zelfstandig te wonen, kan het nodig zijn dat zij tijdelijk onder begeleiding in een huis wonen en daar leren om zelfstandig te kunnen wonen. Dit kan bijvoorbeeld in een fasehuis of trainingshuis. Kamertraining is een intensieve vorm van
Pagina 11 van 23
zelfstandigheidstraining. Tot 18 jaar valt dit onder de Jeugdwet. Vanaf 18 jaar valt deze vorm van ondersteuning onder de WMO 2 , Of er sprake is van beschermd wonen of begeleiding is afhankelijk van de mate waarin er begeleiding en toezicht nodig is. Bij beschermd wonen is naast begeleiding ook toezicht aan de orde. Wanneer er sprake is van beperkingen zijn in de zelfredzaamheid en participatie in de zin van de WMO, dan moet de gemeente deze beperkingen compenseren. Anders dan in de Jeugdwet mag daarbij uitgegaan worden van de goedkoopst compenserende voorziening. In de paragraaf over eigen kracht, eigen probleemoplossend vermogen is al aangegeven dat we beter onderzoek moeten doen naar de bovenliggende problematiek. Als een ouder gezien een (tijdelijke) beperking problemen ondervindt bij het voeren van een georganiseerd huishouden, waar ook de zorg voor gezonde kinderen onder valt, dan kan er sprake zijn van een compensatieplicht op grond van de WMO3 .
Hulpmiddelen voor jeugdigen Hulpmiddelen en woonvoorzieningen vallen altijd onder de WMO, ook onder de 18 jaar. 2.
Wet Langdurige Zorg WLZ
Jeugdigen kunnen een WLZ-indicatie krijgen als ze een zeer blijvende behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid vanwege een of meer van de volgende beperkingen: - Een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking -
Een verstandelijke beperking
-
Een lichamelijke beperking
-
Een zintuiglijke beperking
-
Meervoudige beperkingen
Het CIZ (Centraal Orgaan Indicatiestelling) beoordeelt of een jeugdige aan deze criteria voldoet. Het CIZ hanteert de beleidsregels indicatiestelling Wet Langdurige zorg 2018. In deze beleidsregels is een afwegingskader opgenomen en zijn de grondslagen benoemd. Voor zover de jeugdige de benodigde zorg vanuit de WLZ kan krijgen, hoeft de gemeente hiervoor geen jeugdhulp in te zetten. De WLZ heeft dus voorrang boven de Jeugdwet. Dit geldt ook wanneer er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de jeugdige een indicatie WLZ zorg zou kunnen krijgen, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van dit indicatiebesluit. In dat geval mag de gemeente een voorziening op grond van de jeugdwet weigeren. Een jeugdige kan een WLZ-indicatie hebben, maar daarnaast ook nog jeugdhulp op grond van de jeugdwet ontvangen. Sommige zorg, zoals bijvoorbeeld psychische zorg of pleegzorg, biedt de WLZ namelijk niet. 2 Tenzij er recht is op WLZ 3 Dit volgt uit artikel 1.1.1. Wmo 2015 en artikel 2.1.1. Wmo 2015.
Pagina 12 van 23
Het verdient aanbeveling om cliëntondersteuning in te schakelen als verwacht wordt dat er een WLZ indicatie voor de hand ligt. Deze cliëntondersteuner kan ouders ook ondersteunen in het acceptatieproces dat ouders vaak doormaken. Een aanvraag WLZ confronteert hen met het idee dat er (mogelijk) geen ontwikkeling meer verwacht wordt. Mensen die hun leven lang permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid vanuit de GGZ nodig hebben, kunnen vanaf 2021 een indicatie voor de WLZ krijgen. De WLZ biedt alle zorg en begeleiding die nodig is in het dagelijks leven. De WLZ-indicatie heeft een onbeperkte geldigheidsduur. Deze groep cliënten krijgt nu zorg en ondersteuning vanuit de WMO en / of de Zorgverzekeringswet. 3.
Zorgverzekeringswet ZVW
Huisartsenzorg valt onder de zorgverzekering. In de huisartsenpraktijk kan de eerste, lichte, GGZbehandeling worden geboden: generalistische basis GGZ. Dit wordt meestal geleverd door een praktijkondersteuner jeugdhulp. Uit de eerste ervaringen blijkt dat er minder verwijzingen worden gedaan naar gespecialiseerde jeugdhulp.
Basisverzekering De basisverzekering is een wettelijke voorliggende voorziening, een aanvullende verzekering is dat niet. Een gemeente hoeft geen voorziening voor jeugdhulp te verstrekken als er met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg op grond van een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (artikel 1.2. lid 1 onderdeel a Jeugdwet). Hiermee wordt de basisverzekering bedoeld.
Aanvullende verzekering Een jeugdige of zijn ouders kunnen niet verplicht worden om een aanvullende verzekering af te sluiten. Het is namelijk een privaatrechtelijke verbintenis. Iedereen is vrij om zo’n overeenkomst te sluiten. Indien een jeugdige aanvullend verzekerd is dan dient hier een beroep op te worden gedaan. De gemeente hoeft op grond van artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet geen voorziening voor jeugdhulp te treffen als de jeugdige of zijn ouders in staat zijn zelf de problemen op te lossen. Als de jeugdige aanvullend is verzekerd en deze aanvullende verzekering de noodzakelijke therapie vergoedt, dan is de jeugdige dus in staat om zijn probleem op te lossen door gebruik te maken van die aanvullende verzekering. Als er meer behandelingen nodig zijn dan die vergoed worden, kan daarvoor wel een beroep worden gedaan op een voorziening uit de Jeugdwet. De gemeente zal in dat geval beoordelen of er op grond van de jeugdhulpplicht voor de overige behandelingen een aanvullende voorziening op grond van de Jeugdwet getroffen moet worden.
Pagina 13 van 23
Vaktherapie Vaktherapie is de overkoepelende naam voor een aantal vaktherapeutische disciplines: beeldende therapie, danstherapie, dramatherapie, muziektherapie, psychomotorische therapie, psychomotorische kindertherapie en speltherapie. De meeste zorgverzekeraars zijn gestopt met het vergoeden van vaktherapie voor jeugdigen in het kader van een aanvullende verzekering. Soms is het nog mogelijk om enkele sessies vergoed te krijgen. Er zijn een aantal therapieën waarvan het effect (nog) niet wetenschappelijk is aangetoond. De therapieën worden ook niet door de zorgverzekeraar vergoed, zoals dierentherapie (o.a. paardentherapie, hondentherapie, etc.). Ofschoon vaktherapie in het productenboek als zelfstandig product is opgenomen, adviseren wij om dit alleen in te zetten onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar. Deze beperking moet dan wel in de lokale verordening en nadere regels geregeld worden.
Samenvatting •
Als er een andere voorliggende voorziening is, wordt geen hulp vanuit de Jeugdwet ingezet. Dit kan op basis van WMO, WLZ of Zorgverzekeringswet. Voorkomen moet worden dat jeugdigen en ouders tussen de wal en het schip vallen. Daarom moet ingezet worden op een doorgaande lijn en integrale aanpak.
•
Als de inzet van vaktherapie beperkt wordt, en alleen wordt ingezet onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar moet dit in de lokale verordening / nadere regels geregeld worden.
Aanbevelingen 9.
Als de kern van de problematiek bij ouders ligt dan wordt er een voorziening vanuit de WMO ingezet en niet vanuit de Jeugdwet.
10. Wij adviseren om per WMO-regio afspraken te maken over een gezamenlijke aanpak, tarifering en inkoop van de juiste producten om te voorkomen dat ouders en jeugdigen tussen de wal en het schip belanden. 11. Binnen de inkoop van de WMO moet er extra aandacht komen voor evenredige verdeling van noodzakelijke verblijfsplekken. Wij adviseren om onderzoek te doen naar behoeften van jeugdigen vanaf 18 jaar ten aanzien van (begeleid) wonen. 12. Als een WLZ-indicatie voor de hand ligt, betrekt de lokale toegang, in overleg met ouders, een onafhankelijke cliëntondersteuner. Dat kan bijvoorbeeld iemand van MEE zijn.
Pagina 14 van 23
13. Als inzet van vaktherapie beperkt wordt, en alleen wordt ingezet onder verantwoordelijkheid van een regie behandelaar moet dit geregeld worden in de lokale verordening/nadere regels 14. Als er sprake is van een aanvullende verzekering hoeft geen jeugdhulp te worden ingezet. Indien meer behandelingen nodig zijn dan die vergoed worden, kan daarvoor wel een beroep worden gedaan op een voorziening uit de Jeugdwet. De gemeente zal in dat geval beoordelen of er op grond van de jeugdhulpplicht voor de overige behandelingen een aanvullende voorziening op grond van de Jeugdwet getroffen moet worden. 15. Indien de hoogte van de vergoeding van de zorgverzekeraar lager is dan de uurprijs van de jeugdhulpaanbieder dan is het verschil in kosten voor rekening van ouders. De gemeente is hiervoor niet verantwoordelijk.
7. Afbakening en afstemming met onderwijs Kinderen met leer- of gedragsproblemen kunnen extra zorg op school nodig hebben. Scholen zijn ervoor verantwoordelijk dat leerlingen een zo passend mogelijke onderwijsplek krijgen. Ook als die leerlingen extra ondersteuning nodig hebben. Samenwerkingsverbanden in het primair onderwijs en voortgezet onderwijs (inclusief speciaal onderwijs) zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van passend onderwijs. De verantwoordelijkheid voor passend onderwijs is vastgelegd in de verschillende onderwijswetten, waaronder de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra en de wet Passend onderwijs. Uit de evaluatie van de Wet Passend onderwijs is gebleken dat er veel zaken goed gaan, maar ook nog diverse aanpassingen wenselijk zijn. Voor een juiste afstemming bij de ondersteuning van kinderen is het belangrijk dat onderwijs en lokale (of gemeentelijke) toegang elkaar kennen en elkaar goed weten te vinden. Belangrijk is ook dat zij dezelfde taal spreken en dezelfde begripsbepaling hanteren. Met onderwijs bedoelen wij het regulier onderwijs, het speciaal onderwijs en de Samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs.
Met lokale toegang bedoelen we niet alleen het team dat verantwoordelijk is voor het verlenen van een beschikking, maar ook de algemene voorzieningen die bij diverse gemeenten op school werkzaam zijn zoals GGD jeugdarts of jeugdverpleegkundige, of school maatschappelijk werk. Hoe een en ander is georganiseerd, zowel bij onderwijs als bij lokale toegang, doet niets af aan het uitgangspunt dat betrokken partners elkaar moeten weten te vinden, elkaar kennen en elkaar kunnen consulteren en adviseren en in een zo vroeg mogelijk stadium samenwerken. Er moet sprake zijn van één inter-professioneel team dat betrokken is, rondom een ondersteuningsvraag. De samenstelling van dit team is afhankelijk van de situatie en casus maar in ieder geval een vertegenwoordiger van onderwijs en een vertegenwoordiger van de gemeentelijke toegang (in de breedste zin van het woord). Deze betrokkenen stemmen met elkaar af over de inzet van hulp en
Pagina 15 van 23
ondersteuning. In principe binnen een (zorg) advies team van school. Hierbij is van belang dat elke school een vaste contactpersoon heeft bij de gemeentelijke toegang en andersom, om af te stemmen en te overleggen. Voor de daadwerkelijke inzet van gespecialiseerde jeugdhulp is vanaf 2021 afstemming noodzakelijk binnen de driehoek (jeugdige/ouders, gemeentelijke toegang en jeugdhulpaanbieder). Indien bij de casus ook het onderwijs betrokken is, betrekt de gemeentelijke toegang ook onderwijs bij deze driehoek.
Afstemming inzet en ondersteuning Passend onderwijs / jeugdhulp De Samenwerkingsverbanden Passend onderwijs hebben, in afstemming met de gemeenten een ondersteuningsplan opgesteld. In dit ondersteuningsplan is de basisondersteuning beschreven die ingezet kan worden voor de leerlingen. Deze basisondersteuning is leidend bij de bepaling van de reikwijdte van de vanuit Passend onderwijs ingezette ondersteuning. Net zoals de Jeugdwet dit is voor de inzet van jeugdhulp. Daarnaast biedt het speciaal onderwijs specifieke ondersteuning gericht op de kinderen van die school. Deze ondersteuning is vanzelfsprekend mede afhankelijk van het type speciaal onderwijs Het is heel belangrijk dat de lokale toegangsteams op de hoogte zijn van zowel het aanbod van basisondersteuning van het samenwerkingsverband als van het aanbod van ondersteuning van scholen voor speciaal onderwijs. Andersom moeten ook scholen en de samenwerkingsverbanden weten welke hulp ingezet kan worden vanuit algemene voorzieningen en Jeugdwet. Met deze kennis moet men gezamenlijk tot de juiste inzet en ondersteuning komen. Om tot een juiste en passende ondersteuning te kunnen komen is het vanzelfsprekend belangrijk dat de gemeentelijke toegang en het onderwijs van elkaar weten welk aanbod zij kunnen/moeten leveren en wat men van elkaar kan en mag verwachten. Dit geldt in de volle breedte.
Van lichte basisondersteuning tot zware jeugdhulp. Bij het volgen van regulier onderwijs tot het volgen van onderwijs bij gesloten jeugdzorg. Met deze kennis moet men gezamenlijk tot de juiste inzet en ondersteuning komen. Daar waar niet helder is, wie welke ondersteuning moet leveren, moet de casus in een overleg met betrokken partners, besproken worden. Dit moet leiden tot een gezamenlijk besluit over de inzet van de ondersteuning en/of hulp. Bij dit overleg gaat men uit van de kaders van zowel de ondersteuning vanuit het onderwijs als vanuit de Jeugdwet, maar zeker ook met de visie en beleidsuitgangspunten van zowel Jeugdwet als Passend Onderwijs. Dus denk aan normaliseren en niet labelen, voorkomen van thuiszitters, thuisnabij onderwijs, zorg zo licht, zo kort en zo dichtbij mogelijk en met het uiteindelijke doel het zo optimaal realiseren van een stevige basis voor de jeugdige. Uitgangspunt is dat men in dit overleg tot een gezamenlijk besluit komt over de inzet van ondersteuning. Dat duidelijk is of ondersteuning vanuit Passend Onderwijs, Jeugdwet, WMO, WLZ of ZVW moet komen.
Pagina 16 van 23
Voor de uitzonderlijke casussen waarbij dit niet lukt, is het noodzakelijk dat er een overleg komt tussen ouders, onderwijs (afhankelijk van situatie school en/of samenwerkingsverband), gemeentelijke toegang en eventueel reeds ingezette hulpverlening, waarbij een onafhankelijk voorzitter met doorzettingsmacht uiteindelijk een besluit neemt. De inrichting, vormgeving, samenstelling en frequentie van dit overleg moet gebeuren in overleg met bestuurders van de samenwerkingsverbanden en gemeentebestuurders en moet vóór 1 juli 2021 gerealiseerd zijn, of er kan aangesloten worden bij bestaande overleggen (bijvoorbeeld Overleg Passende Hulp in de drie subregio’s). Voor de gemeentelijke toegang en het onderwijs komt er vóór 1 april 2021 een factsheet voor onze regio met een zo volledig mogelijke beschrijving van te leveren ondersteuning door zowel gemeente (voorliggende voorzieningen en gespecialiseerde jeugdhulp) als door onderwijs (regulier onderwijs. SWV en speciaal onderwijs). Gemeente en onderwijs stellen deze gezamenlijk op. De afbakening kan vervolgens vastgelegd worden in de lokale verordening en nadere regels. Bij onduidelijkheden kan tot die tijd terug gepakt worden op de uitgangspunten zoals die golden bij de voormalige AWBZ.
Wij adviseren om ook met de lokale onderwijsinstellingen het gesprek aan te gaan over deze onderwerpen bijvoorbeeld in het kader van de Lokale Educatieve Agenda (LEA).
Dyslexie Het onderwijs biedt al begeleiding bij kinderen met lichte vormen van dyslexie. Binnen onze regio is in een aantal onderwijsregio’s “het goede onderzoek” zoals bedoeld in hoofdstuk 4, ondergebracht bij het samenwerkingsverband primair onderwijs. Motivatie daarbij was dat het onderwijs meer deskundigheid op het gebied van dyslexie heeft dan de gemeentelijke toegang en dus beter “het goede onderzoek” kan doen. Daarnaast biedt dit voor de samenwerkingsverbanden de mogelijkheid om te toetsen of de voortrajecten binnen de diverse basisscholen voldoende zijn doorlopen en krijgen zij zicht op scholen waar meer moet worden geïnvesteerd op leesonderwijs. Wanneer diagnostiek en behandeling uit elkaar gehaald wordt, zou diagnostiek door de gespecialiseerde jeugdhulp gedaan moeten worden. Bij behandeling kan er mogelijk een kortdurende coachende taak bij de gespecialiseerde jeugdhulp komen te liggen, waarna het onderwijs en ouders de begeleiding op zich kunnen nemen (eigen kracht). Uitgaande van het feit dat een groot deel van de huidige behandeling bestaat uit het trainen van vaardigheden en maken van “leesuren”. Op den duur zou dit kunnen leiden tot verbetering van het leesonderwijs en extra begeleiding vanuit school en ouders voor kinderen met dyslexie.
Wij adviseren dan ook om de werkgroep onderwijs de opdracht te geven in overleg met de samenwerkingsverbanden afspraken te maken die leiden tot vermindering van dyslexie inzet vanuit gespecialiseerde jeugdhulp binnen de regio.
Pagina 17 van 23
Samenvatting. •
Een goede samenwerking tussen lokale toegangsteam en het onderwijs is belangrijk. Het is gewenst dat er een concrete en zo volledig mogelijke beschrijving komt van te leveren ondersteuning door gemeente en door het onderwijs.
•
Voor het bespreken van complexe casussen moet voor 1 juli 2021 een overleg worden ingericht of kan worden aangesloten bij bestaande overleggen.
•
In overleg met de samenwerkingsverbanden zou bekeken moeten worden of er mogelijkheden zijn tot vermindering dyslexie-inzet vanuit gespecialiseerde jeugdhulp.
Aanbevelingen 16. De regionale werkgroep onderwijs opdracht geven om uiterlijk 1 april 2021 concrete afspraken te maken met de regionale samenwerkingsverbanden over de afbakening en begrenzing onderwijs en jeugdhulp. 17. Voor 1 juli 2021een overleg inrichten voor het bespreken van complexe casussen waarbij het onderwijs kan aansluiten, of regelen dat het onderwijs kan aansluiten bij bestaande overleggen. 18. De regionale werkgroep onderwijs opdracht geven in overleg met de samenwerkingsverbanden te kijken of het mogelijk is om te komen tot een vermindering van dyslexie inzet vanuit gespecialiseerde jeugdhulp binnen de regio en op welke manier.
8. Participatiewet en Programma jongerenaanpak onderwijs-arbeidsmarkt 2021-2024 Aanpalend aan de Jeugdwet zijn de Participatiewet en het Programma jongerenaanpak onderwijsarbeidsmarkt 2021-2024 (Noordoost Brabant Werkt). Dit laatste programma richt zich op Voortijdig Schoolverlaters (VSV), op jongeren in een kwetsbare positie en op de aanpak van jeugdwerkloosheid. Op 19 november 2019 tekenden de regiogemeenten van de arbeidsmarktregio hier een nieuw vierjarig convenant voor. De focus van beide kaders ligt op de ontwikkeling en ondersteuning van jongeren richting werk of opleiding en bieden mogelijkheden voor (maatwerk) oplossingen, bijvoorbeeld met nugg-middelen (niet-uitkeringsgerechtigden). Omgekeerd is er vanuit deze kaders een actielijn vastgesteld om de verbinding met zorg te leggen. Tegen deze achtergrond is het voorstel het eerste kwartaal van 2021 nader te onderzoeken hoe de Jeugdwet productief te verbinden is met deze kaders. Samenvatting
Pagina 18 van 23
Door breder te kijken zijn er soms meer mogelijkheden om kwetsbare jongeren te ondersteunen bijvoorbeeld door gebruik making van de mogelijkheden van de Participatiewet of de jongerenaanpak onderwijs-arbeidsmarkt.
Aanbevelingen 19. Uiterlijk 1 april 2021 onderzoeken hoe de Jeugdwet productief verbonden is met de Participatie wet en Programma onderwijs-arbeidsmarkt 2021-2024.
9. Aanbod hulp en ondersteuning; gespecialiseerde jeugdhulp Als geconstateerd is dat er geen voorliggende voorziening is, en de jeugdige heeft hulp nodig kan gekozen worden voor inzetten van gespecialiseerde jeugdhulp. Onder gespecialiseerde jeugdhulp vallen alle vormen van hulp en ondersteuning variërend van licht ambulant tot en met intensieve, zeer gespecialiseerde zorg in een al dan niet gesloten setting. Jeugdhulp op basis van de Jeugdwet hoeft niet méér of iets anders te zijn dan voor de decentralisatie gebruikelijk was. In ieder geval voor wat betreft de inhoud van de voorzieningen. In onze regio hebben wij per 2021 een productenboek waarin alle vormen van gespecialiseerde jeugdhulp zijn opgenomen. Het uitgangspunt voor de inzet van jeugdhulp is: de jeugdhulpplicht geldt voor de resultaten vanuit het onderzoek naar de hulpvraag van de individuele jeugdige. De inzet van gespecialiseerde jeugdhulp moet beperkt blijven tot die resultaten die alleen met behulp van gespecialiseerde kennis kan worden bereikt. Vóórdat gespecialiseerde jeugdhulp wordt ingezet of nadat het resultaat is bereikt, kan met inzet van (bijvoorbeeld) algemene voorzieningen een deel van de begeleiding buiten de gespecialiseerde jeugdhulp worden geboden.
Bij het inzetten van gespecialiseerde jeugdhulp komen ook weer diverse keuzes aan de orde: ambulant of verblijf, ambulant bij de aanbieder of bij mensen thuis. Vrijwillig of verplicht. In deze notitie gaan wij hier niet verder op in. 1.
Begeleiding of behandeling.
Als we uitgaan van het gegeven dat jeugdigen en ouders zoveel mogelijk zelf oplossen of met behulp van hun eigen netwerk, dan is het van belang een duidelijke scheiding te maken tussen begeleiding en behandeling. Behandeling of begeleiding binnen specialistische jeugdhulp wordt ingezet bij jeugdigen wanneer er sprake is van opvoedingsproblematiek, gedragsproblemen, een ontwikkelingsachterstand, psychiatrische problematiek of een lichamelijke beperking en wanneer ondersteuning vanuit het
Pagina 19 van 23
voorliggend veld (vrij toegankelijke voorzieningen) onvoldoende kan bieden. Voor behandeling gelden zwaardere functie-eisen (minimaal postmaster SKJ voor regiebehandelaar) dan bij begeleiding (HBO, SKJ-registratie). Behandeling is altijd gericht op verbetering en verminderen van problematiek. Er wordt gewerkt volgens een programmatische aanpak, gericht op een doel, overzienbaar in tijd. Behandeling is daarmee dus ook eindig. Het doel is dat de jeugdigen en hun ouders weer op eigen kracht verder kunnen en zich verder kunnen ontwikkelen. Behandeling wordt daarom als specialistische jeugdhulp aangeboden. Begeleiding vanuit specialistische jeugdhulp moet zich kortdurend richten op het vergroten van het probleemoplossend vermogen met als doel dat de jeugdigen en ouders weer op eigen kracht verder kunnen. Het gaat hierbij om tijdelijke ondersteuning of begeleiding op basis van eerder gestelde behandelresultaten van jeugdigen voor verschillende aspecten en activiteiten van het dagelijks leven. Het accent ligt op het eigen maken van vaardigheden of nieuw gedrag door oefenen en trainingen. Specialistische begeleiding kan na behandeling worden ingezet, liefst kortdurend. Wanneer het gaat om langdurige begeleiding of begeleiding in de vorm van leun en steun contacten zien we hier een rol weggelegd voor het voorliggend veld (maatschappelijk werk, MEE, Wijkteams, BJG of CJG).
Begeleiding vanuit specialistische jeugdhulp wordt zo snel mogelijk overgedragen aan het voorliggende veld. Uitgangspunt blijft bij begeleiding en behandeling dat jeugdigen en ouders uiteindelijk weer zelf op eigen kracht verder kunnen en zich verder kunnen ontwikkelen zonder jeugdhulp. Een voorbeeld hiervan is gespecialiseerde thuisbegeleiding. Dat kan als specialistische jeugdhulp worden ingezet. Maar kan ook via de WMO of het lokale veld worden ingezet.
Samenvatting •
Als gespecialiseerde jeugdhulp wordt ingezet, kan dat op basis van het productenboek van de regio Brabant Noordoost.
•
Begeleiding vanuit specialistische jeugdhulp moet altijd zo kort mogelijk zijn.
•
Wanneer sprake is van langdurige begeleiding of begeleiding in de vorm van leun en steun contacten dan dient gebruik gemaakt te worden van het voorliggend lokale veld of van een voorziening via de WMO.
Aanbevelingen 20. Begeleiding vanuit de specialistische jeugdhulp moet altijd zo kort mogelijk zijn, doelgericht of gericht op coaching zodat begeleiding vanuit het lokale veld ingezet kan worden.
Pagina 20 van 23
21. Langdurige begeleiding of begeleiding in de vorm van leun en steun contacten is altijd maatwerk en wordt in principe niet geboden door specialistische jeugdhulp. De duur hangt af van de mate waarin de vooraf geformuleerde resultaten kunnen worden bereikt. 22. Begeleiding met als doel ouders langdurig te ondersteunen moet vanuit de WMO worden ingezet, als ouderproblematiek op de voorgrond staat
10. Jeugdhulp voor jeugdigen 18-23 jaar en verlengde Jeugdhulp Verlengde jeugdhulp is jeugdhulp die in specifieke situaties ingezet kan worden voor jeugdigen van 18 – 23 jaar. We zien een aanzienlijke groep 18-21 jarigen in de jeugdhulp waarbij de vraag is of zij wel onder de verlengde jeugdhulp vallen. Een deel van deze groep valt mogelijk onder de WMO (zie hiervoor) of zorgverzekeringswet. Zoals in deze notitie is aangegeven vinden wij dat de komende jaren meer werk gemaakt moet worden van een toekomstperspectief voor jeugdigen vanaf 16 jaar, zodat zij in hun ontwikkeling naar volwassenheid steeds de passende ondersteuning ontvangen. En wanneer die ondersteuning niet vanuit andere wetten beschikbaar is, kunnen zij conform de wet onder de volgende voorwaarden gebruik maken van verlengde jeugdhulp: 1.
Er is na het 18e levensjaar aantoonbaar geen opvolgende financiering beschikbaar vanuit bijvoorbeeld de Wet Langdurige Zorg (WLZ), de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO), de Zorgverzekeringswet (ZVW) of vanuit Justitie
2.
Er wordt daarnaast voldaan aan tenminste één van de volgende criteria: •
Jeugdhulp is ingezet voor het 18e jaar en de gemeente is van mening dat verdere jeugdhulp noodzakelijk is;
•
Voor het 18e jaar is jeugdhulp ontvangen en binnen een half jaar na het 18 jaar komt betrokkene opnieuw in aanmerking voor jeugdhulp;
•
Betrokkene maakt gebruik van pleegzorg / gezinshuis waarbij de voortzetting van zorg nodig is.
•
Betrokkene heeft een strafbaar feit begaan tussen het 18e en 23e jaar waarvoor een maatregel (als bedoeld in artikel 77c van het wetboek van strafrecht) is uitgesproken.
3.
Als een rechter een jeugdige tussen de 18 en 23 jaar berecht volgens het jeugdstrafrecht, in verband met de (nog niet volwassen) persoonlijkheid van de dader en een maatregel oplegt die geheel of deels bestaat uit een vorm van jeugdhulp. De duur van zo’n programma ligt tussen 6 maanden tot maximaal een jaar.
Verlengde pleegzorg en verlengde gezinshuiszorg.
Pagina 21 van 23
In lijn met de landelijke afspraken, zetten wij pleegzorg en gezinshuiszorg voortaan standaard in tot 21 jaar. Tenzij de jeugdige heeft aangegeven geen gebruik meer te willen maken van deze ondersteuning en uit het gezamenlijk opgestelde toekomstplan blijkt dat dit de passende zorg is. Na 21-jarige leeftijd kan er ‘verlengde pleegzorg’ ingezet worden totdat het kind 23 jaar wordt. Voorwaarde is dan dat vὁὁr de 21ste verjaardag van het kind is bepaald dat pleegzorg vanaf 21 jaar nodig blijft. Daarbij zijn we alert op twee punten: •
De verantwoordelijke gemeente. Het kan zijn dat een andere gemeente verantwoordelijk wordt op het moment dat het kind 18 jaar wordt. Uit het woonplaatsbeginsel volgt namelijk dat vanaf 18 jaar de gemeente van de werkelijke verblijfplaats van het kind verantwoordelijk is. Soms wijzigt de verantwoordelijke gemeente dus, omdat voor het 18e uitgegaan werd van de woonplaats van de ouder met gezag (die in een andere gemeente woont). In het eerder genoemde toekomstplan wordt dit duidelijk en dus kan er tijdig contact worden gelegd met de verantwoordelijke gemeente.
•
In veel gevallen zal de jeugdige te maken hebben met jeugdbescherming als verwijzer. Dit stopt op de 18e verjaardag. Warme overdracht naar lokale toegang is dan noodzakelijk.
Samenvatting •
Verlengde jeugdhulp kan ingezet worden als dit noodzakelijk is. Het is belangrijk dat het lokale toegang (WMO en jeugd) goed op de hoogte is van de mogelijkheden van verlengde jeugdhulp.
•
Voor elke jeugdigen die gespecialiseerde jeugdhulp heeft, moet vanaf 16,5 jaar van de jeugdige een plan gemaakt worden met een toekomstperspectief voor deze doelgroep.
Aanbevelingen 23. Vanaf 16,5 jaar wordt er voor elke jeugdige die gespecialiseerde jeugdhulp heeft, een toekomstplan opgesteld. Afhankelijk van de situatie ligt het initiatief bij de jeugdhulpaanbieder, GI of lokale toegang. Het toekomstplan wordt in overleg met de jeugdige, ouders en betrokken jeugdhulpaanbieder(s) opgesteld. Hier wordt ook vastgelegd wie de regie heeft. 24. De gemeentelijke toegang (Jeugd en WMO) is goed op de hoogte van de mogelijkheden van verlengde jeugdhulp. 25. RIOZ vragen om data aan te leveren van het aantal jeugdigen van 18+ die gebruik maken van gespecialiseerde jeugdhulp. Op basis van deze data een analyse opstellen en mogelijk vervolgstappen bepalen.
Pagina 22 van 23
26. Een indicatie voor GGZ voor jeugdige tot 18 jaar afgeven. Vanaf 18 jaar valt GGZ onder de zorgverzekering. 27. Gemeente gaan nadrukkelijker monitoren op jeugdhulp na 18 jaar.
Pagina 23 van 23